Pieter Cornelisz. Hooft

Gedichten van Pieter Cornelisz. Hooft. Eerste volledige uitgave, gedeeltelijk naar des dichters eigen handschrift, met aanteekeningen van P. Leendertz Wz. -- Haarlem, de Erven F. Bohn 1861.

I

[Brief van Hooft aan Suzanna Bartelotti]

Ging het ons als den knaap in Van Alphens gedichtje, en vonden wij op de straat een papiertje van dien inhoud, tien tegen een dat het, instede van aan een vergenoegde man, ons denken deed aan Delavigne's École des Vieillards; denken aan een dier najaars- om niet te zeggen winterhartstogten in het leven eens ouden vrijers of bedaagden weduwnaars, waar de wereld de schouders over ophaalt, jongelieden om meessmuilen, en die door de gematigdsten en barmhartigsten tot de orde der anachronismen gerekend worden. Een man van leeftijd en die zichzelven als zodanig aanduidt, zou men zeggen; iemand die het noodig acht opzettelijk melding te maken van zijne boeken- en wereldkennis; die zich heer en voogd over zijne zinnen noemt, en ook werkelijk in de termen schijnt te vallen deze benaming op zichzelven te kunnen toepassen: zulk een man behoorde zich te wachten voor eene vervoering waarvan hijzelf getuigt dat zij de schaamte bij hem zwichten doet. Aan wijzen en verstandigen als hij, past de ziekte der geleerden; passen die grooter en kleiner kwalen wier onoogelijke lijst voor alle eeuwen door Bilderdijk berijmd werd. In geen geval voegt hem eene verliefdheid tot doodelijk krank wordens toe; allerminst indien het voorwerp dier genegenheid een vriendelijk meisje is, wel zich onderscheidend door vroege rijpheid van oordeel, maar tevens eene jeugdigen onder de jongsten.

Doch heffen wij dit misverstand op. Niet aan zijne beminde schreef Hooft in den zomer van '27 dit ootmoedig briefje, maar aan hare dochter. Mevrouw de Weduwe Bartelotti, van zichzelve Heleonora Hellemans, woonachtig te Zevenbergen, was in den loop van genoemden zomer voor eenigen tijd met hare dochter Suzanna naar Amsterdam gekomen, te gast bij bloedverwanten of bekenden. Daar leerde Hooft haar kennen. Zij was eene schitterend schoone vrouw van even dertig jaren; hij destijds een vijfenveertiger. Van afkomst was zij eene aanzienlijke en welgestelde Antwerpsche; hij, in weerwil van zijn Muidensch drossaartschap, een Amsterdammer door en door. Groot was alras de genegenheid van dezen zoon der noordelijke koopstad vppr deze telg der zuidelijke; te grooter, omdat sedert drie jaren zijn huiselijke haard een woestenij geleek. In 1610 gehuwd met Christina van Erp, had hij na eene uiterst gelukkige verbindtenis van omtrent veertien jaren, binnen zeventien maanden tijds niet slechts in den bloei van haren levenstijd deze voortreffelijke vrouw, maar ook de twee eenige hem van vier nog overgebleven kinderen verloren; een kleinen jongen van drie, en een allesbelovenden knaap van twaalf. Doode aan doode was uit zijn huis naar het kerkhof gedragen: eerst de kinderen, toen de moeder. Eenzaam en verlaten was alleen de vader achtergebleven. Dit gebeurde in den zomer van '24, en op den geteisterden man daalde neder hetgeen hijzelf in een zijner gedichten een ''nare nacht van benaauwde drie jaren'' noemt. Welken indruk, aan het einde van dit tijdsverloop, op hem de verschijning der Brabantsche weduwe maakte, vernamen wij voor een deel uit den brief aan haar dochter Suzanna; een meisje dat te dien tijde naauwelijks vijftien jaren oud kon zijn. Reikhalzend zag hij eenerzijds uit naar de herstelling van zijn verloren geluk; en niet weinig werd aan den anderen kant de hartstogt des berooiden geprikkeld door den tegenstand dien hij bij het voorwerp zijner liefde ontmoette. Mevrouw Bartelotti of, gelijk Hooft haar betittelt, Mejoffvrouw Heleonora Hellemans, was wel is waar geenszins ongevoelig voor de haar bewezen hulde; doch er was een gedienstige geest in het spel, eene kennis of vriendin, die haar van Hooft, om zijne bekende vrijzinnnigheid in het kerkelijke, afkeerig trachtte te maken. Deze onverwachtte tegenkanting, veroorzaakt door inblazingen voor wier oorsprong hij niet de minste hoogachting koesterde -- de dame in kwestie, volgens hem, werd in dit stuk enkel door afgunst gedreven -- dreog het hare bij om hem naar ligchaam en ziel te ontstemmen. "Ik heb mijne genegenheid tot uwe moeder zoo weinig geweten te matigen,' schreef hij aan Suzanna, "datze mij in doodsgevaar gevoerd heeft; in voege buiten hope is dat ik haar immermeer levend zien zal, tenzij ze mij, en dat wel haast, doe zien eene levende verzekering van hare genade." Zijne ziekte bestond in "een zorgelijk accident met koortsen vermengd, gecauseerd, naar 't oordeel der medicijns, uit melancholye." Deze droefgeestigheid inspi reerde hem een uitnemend gedichtje, terugslag op een ander, eenige dagen of weken vroeger vervaardigd, en waarin Heleonore gezegd werd te vergeefs eene naamgenoot van den lichtenden zonnegod te zijn. Doch lezen wij eerst dien opmerkelijken brief aan haar, denzelfden waarbij hij het biljet aan Suzanna voegde en die haar eerst in handen kwam toen zij Amsterdam reeds weder verlaten en de terugreis naar Zevenbergen aanvaard had; denzelfden ook die om de eene of andere reden door Huydecoper werd onderdrukt en welks openbaarmaking wij verschuldigd zijn aan de ijverige nasporingen van Prof. Van Vloten. De brief werd geschreven in de onderstelling dat Leonore zich nog te Amsterdam en aan het huis van hare vrienden bevond:

[Brief aan Leonore]

Mevr. Bartelotti nu, -- die wetenschap is het publiek verschuldigd aan de nasporingen van den heer Leenderts, door wiens goede zorgen de eerste volledige uitgave van Hoofts gedichten het licht zal zien, -- mevr. Bartelotti is dezelfde Leonore geweest, aan wie Hooft in den geest die zangen rigtte, waaruit bij de eerste lezing veeleer de romaneske liefde eens twintigjarigen jongelings, dan de rijpe genegenheid spreekt van een man in de volle kracht der jaren en bovendien door velerlei slagen geteisterd en beproefd:

[Leonoor, mijn lieve licht...]

Dus stortte in de eenzaamheid, met tot hiertoe ongehoorde meesterschap over eene nog ongevormde taal, deze dichter zijnen hartstogt uit. En even levendig als op dat oogenblik zijne hoop, was weinig dagen l;ater zijne spijt; even diepgevoeld zijne teleurstelling. ''Lieve, lichte Leonoor,'' klonkl het toen, en ook al luidde de titel van dit dichtje anders als hij doet (Op een afzeggen), wij zouden na den medegedeelden brief, en de daarin voorkomende verwijten aan Leonore wegens haar weifelen, niet in het onzekere behoeven te verkeeren omtrent de periode van 's dichters leven, waartoe dit versje moet gebragt worden:

[Op een afzeggen]

Lang voor het einde der 17e eeuw had men ten onzent deze hoffelijkheid verleerd. Een onredelijk klassicisme bovendien, ongevoerd onder den schitterenden dekmantel van Huig de Groots geleerdheid, smoorde het nationaal element onzer litteratuur en deed de vaderlandsche oorspronkelijkheid ondergaan in eene uitheemsche en thans in onze oogen bedenkelijke elegantie. Toen kwam, met de herroeping van het Edikt van Nantes, de fransche immigratie; zoo van dramatiek en kritiek als van zeden. Doch Hooft en de zijnen, hijzelf het allermeest en in de eerste plaats, zij waren spruiten van ideaal-nederlandschen bloede; eene morele en intellektuële aristokratie. Door het organisme van dezen Drost, op meer ddan middelbaren leeftijd nog, liep en stroomde eene ader waarvan men zeggen zou dat zij in onzen landaard sedert en voorgoed verdroogd is. Hoort hem aan Leonore betuigen, ten dage dat hij haar het hof maakte en haar van zijne hoogachting verzekerde: ''Deze letteren zullen UE. dienen tot onderpand, mitsgaders om gedurende den droeven tijd dezes afwezens te doen mijne hartelijkste, mijne allerootmoedigste groete, dienst en eerbiedenis; met eenen vurigen voetval voor God en UE., die ik beide bid dat Zijne majesteit haar met het allerzaligste, en de Uwe mij met hare gunst en genade gelieve te vereeren.'' Een jaar later, toen Leonore zijne vrouw geworden was, en hem een dochtertje had geschonken (want al mijne lezeressen weten dat Mevr. Bartelotti, geboren Hellemans, den 30sten November van het jaar 1627, drie maanden na de Zevenbergsche terugreis en de Parthische vlugt, Hoofts zuchten verhoorde en met hem in het huwelijk trad), vaardigde hij naar de kraamkamer op het Muiderslot, uit welk vertrek de baker naar alle gedachten hem geweerd had, een dier briefjes af wier wedergade men vruchteloos in onze letterkunde zoeken zal:

[Brief]
Voetnoot

Weder twee jaar later, in den zomer van 1630, dezelfde gevoelens in dezelfde hoffelijke en nogtans in den euvelen zin des woords niet minder sentimentele vormen. In een dossje met rozebladen zendt hij aan zijne vrouw de eerste rijpe kersen van het saizoen; doch niet onverzeld. Bij het openen van den kleinen korf vond Leonore bovenop de kersen dit versje:

[In de bladen van een roosje...]

II

Ter plaatse waar de heer Van Lennep, in het 3de deel van zijnen Vondel, Maria Tesselschade's regten op de vervaardiging van het antwoord aan de Amsterdamsche Akademie handhaaft, brengt hij den door Hooft over dit uitmuntend dichtstu aan Tesselschade gerigten brief in herinnering en, in dien brief, de plaats waar Hooft zich uitlaat over Leonore's geringen smaak voor poëzie in het gemeen en voor de verzen van haar man in het bijzonder. ''Uwe uitspraak,'' schrijft Hooft aan Tesselschade, ''heeft niet alleen mij welgevallen, maar mijn liefste Helionora zoo wel gesmaakt datze door die lekkernije, tot hare eerste liefde ter poëzie bekeerd zijnde, ernstelijk mij verzocht heeft, ik zoude dat gedicht toch uitschrijven: 't welk 't eerst is dat zij mij zulks in al haar leven gevergd heeft.'' Dit werd geschreven in April 1630, na drie en een half jaar huwlijks. Of het gedichtje ''aan mijne vrouw,'' haar toegezonden ter begeleiding van een ander manuscript of boekwerk:

[Aan mijne vrouw]

of ook dit gedichtje behoort tot de periode die aan Leonore's eerste liefde voor de poëzie voorafging, kan ons onverschillig zijn. Zelf, en zonder gemaakte nederigheid, hechtte Hooft geringe waarde aan zijne dichterlijke voortbrengselen; geringer naarmate hij in jaren toenam en zich meer uitsluitend bezig hield met historische onderzoekingen. ''Ik ben geen schrijver,'' beweerde hij op bijna dertigjarigen leeftijg nog, in een brieg van 1610 aan Prof. Daniel Heins; ''ik ben geen schrijver, al heb ik somtijds iets om de geneugte gedicht, dat tot mijne bekommering onder de gemeente geraakt is. Ik ken mijne onvolmaaktheid zoo wel, dat ik haar noch bij vromen gunst, noch bij spotters veiligheid kan verzekeren.'' Dit zal ook voor een deel de reden zijn geweest dat hij eerst vijf en twintig jaren later aan Jabob van der Burgh vergunning schonk zijne dichterlijke werken bijeen te verzamelen. In zijn uitmuntende opdragtsbrief an Huygens, geeft Van der Burgh dit zalf te kennen: '''t Is boven het gemeen overal thuis te wezen en zijnen leser nergens te ontvallen. Bij mij leit het zoo, dat het de Heere Hooft daartoe gebracht heeft. Doch ik stel de markt niet; maar terwijl ik weet dat ik de eer heb hierin niet ver van UEd. gevoelen te verschillen, dat steltze mij. Het meerendeel van deze werken waren bij ZijnEd. de vergetelheid al opgeofferd, ten ware ik ze met smeeken hadde uit den brand gehouden en met zijne bewilliging gemeen gemaakt. Het zijn zijne echte kinderen, en die hij daarvoor houdt; maar terwijl hij bezig is met [in zijne Nederlandsche Historien] de verwarde beginselen van onze vrijheid te omzwachtelen, om de waardij en behoudenis van dezelve de toekomende eeuwen klaar en smakelijk te maken, heeft hij mij 't opzicht daarover betrouwd.'' Hooft's aandeel in den verzamelaarsarbeid van Van der Burgh is onbekend; doch niet onmogelijk is de tot hiertoe bestaande wanorde in de chronologische rangschikking der lyrische gedeelten, tot vermijding van al te groote personaliteit, en ten einde een publiek van onbescheiden tijdgenooten naar verdienste om den tuin te leiden, door hemzelven in der tijd aangeraden en bevorderd.

Het medegedeelde omtrent Leonore kan bij den lezer degedachte hebben opgewekt dat deze schoone vrouw, wat gaven en karakter betreft, niet te eenenmaal bij den Drossaart voegde. Wat hiervan zij, Hooft en zijne vrienden dachten daar anders over. Twintig jaren lang is Leonore de beminnelijkste en door allen geëerde gastvrouw van het Muiderslot geweest. Dat de poëzie van haren echtgenoot haar niet bijzonder aantrok, kan gedeeltelijk hieraan hebben gelegen dat hij zelf met zijne dichterlijke gewrochten weinig ophad, en ook hieraan gedeeltelijk dat zijne stroeve manier de geschiktste niet was om eene vrouw als Leonore te behagen. De omstandigheid voorts dat het allereeste gedicht waarvan zij ooit een afschrift vroeg, juist dat voortreffelijke van Tesselschade was, doet van haar natuurlijken, schoon dan ook ongevormden smaak eer eene gunstige meening koesteren dan het tegenovergestelde. Doch het is tijd dat wij van Leonore afscheid nemen en, achterwaarts opklimmend, den draad weder opvatten van den bescheiden roman dien wij in deze baldzijden wagen te schetsen.

Christina van Erp, toen zij met Hooft in het huwelijk trad, was nog niet te volle negentien jaar oud; ''eene vrouw'', zegt Brandt, ''van overwegende deugd en vernuft; zoo schoon, zoo bevallig, goedaardig, zedig en vriendelijk, als zulk een man migt wenschen.'' Het komt mij voor dat niet uitwendige schoonheid de gave was waardoor Christina, in onderscheiding van Leonore, Hooft allermeest aantrok. Het was, bij adel van karakter, haar talent inzonderheid als musicienne. Nevens de jonge vrouw, had onze dichter in haar bij voorkeur de zangeres en luistpeelster lief; de kunstenaar, ook ofschoon hij dit verbloemen, zijne medekunstenares. ''Al troont,'' dus zong hij ter eere van deze ''voogdesse zijner ziel'', in het eerste jaar zijns huwelijks met haar (en weder zijn wij aan den heer Leenderts de wetenschap verpligt, dat dit gedichtje werkelijk dagteekent van 1610 en oorspronkelijk voor Christina bestemd was):

[Al troont geleerde hand...]

Doch veel meer dan de ietwat afgepaste hulde in deze regtstreeksche toespraak vervat, zijn andere van Hoofts gedichtjes aan Christina om vinding en inkleeding merkwaardig. Blikte, zegt hij, Ero's moeder uit den hemel op aarde neder, door de gansche schepping zou eene trilling van liefde varen; de wolken zouden vergeten gram te zijn, de verbolgen zee haren hoogmoed strijken, de visschen vrolijk spartelen, het onrustig gevogelte de bosschen weergalmen doen van hun vrolijk gezang: chacun zou verlangend uitzien naar zijne chacune, eene zoete smart het gemoed van ''aard- en waterlieden'' doortintelen, kruiden en bloemen ten velde uit het hoofd verheffen hemelwaarts. Doch niets van dit alles ware in staat onzen Tannhaüser ontrouw te maken aan zijne bruid. Háre zijde zou hij blijven kiezen, en de hare-alleen; ook al strooide, te midden der algemeene geestvervoering, Afrodite-zelve hem met handen vol het geurigs sieraad van alle tuinen op het hoofd:

Doch Venus, of
Zij vrolijk lof,
Goude' en scharlaken bloemen,
Dan op dat pas
Te zamen las,
En reuken waard om roemen,
En nam opzet
Van iemand met
Dat hoopje te verfrooijen,
Door eere van 't Met eigen hand
Hem op de kruin te strooijen

Indien zij daar
Mij lokte naar,
En open gunste toonde,
Mijn lief, en gij,
Aan de andre zij',
Mij tot een kusje troonde;
Tot u ik liep
(Ook of zij riep,
En dreigdce schier te vloeken)
Mijn troost, mijn goed,
Mijn ziel, mijn bloed,
Mijn hoop, mijn heil te zoeken.
Elders, gezeten in het beroemd geworden torentje des Muiderkasteels (welk torentje, zijn gewoon studeervertrek, bestond uit een zeskantigen koepel van steen in den boogaard achter het slot, opgetrokken in den vorm van een slottoren), spreekt Christina's minnaar en bruidegom de kleine Vechtsche stroomheiligen toe en draagt hun eene eervolle zending op aan zijne schoone en begaafde:
Gij heiligheedjesm die in bloemen en in kruiden
U legert, en bezwemt de stroomen van de Vecht;
Die, zacht van zin en slecht,
Haar vloeden drijft, in zee, voor 't hooge huis te Muiden!...
Meermalen, hetzij de liefde, hetzij de poëzie hem die had ingegeven, waren deze stroomheiligen en hunne gezellinen de stroomnajaden, zegt hij, hem goedgunstig geweest. Vaak had hun vruchtbaarmakend vermogen zijne geschenken versierd met loof van tuin of veld. Ook thans, gesteld dat zij nog altijd zijn toegerust met hetzelfde vermogen als weleer, doet hij een beroep op hunne welwillendheid. Een krans moeten zij strengelen ter eere van zijne bruid en dien met zich medevoeren naar Amsterdam, hare woonplaats. Tot zoo ver, kan men zeggen, is aan deze inkleeding niets bijzonders. HEt is, in min of meer Horatiaansche vormen, de hulde aller eeuwen van den jongen man aan het meisje zijner keus. Doch ook ditmaal verloochent, aan het slot, onze ridder zich-zelven niet. ''Bloeit nóg,'' roept hij toe aan de allerminst voor he en zijne liefde entgötterte natuur:
Bloeit nóg uw zoete gunst, en weet gij te versieren
Uitheemsche verw en reuk van bloemen en van kruid,
Zoo leest ze keurig uit:
Om mij niet, maar 't sieraad van Amstelland te vieren.

Niet dat gij, komend haar eerbiedelijk te ontmoeten,
Zult om het heilig hair van zonnelijken glans,
Gaan vlijen krans op krans:
Maar past ze tot mijn hoofd, en legt ze voor haar voeten.
Dit alles is ontleend aan Hoofts zoogenaamde Zangen, in de tot hiertoe bestaande uitgaven aldus geheeten in onderscheiding van de Verscheidene Gedichten, de Builofts-, Lijk- en Grafgedichten, de Mengeldichten en Bijschriften, ewn inzonderheid de Sonnetten. Deze splitsing is willekeurig; enkel gegrond in den uitwendigen vorm der onderscheiden stukken, niet in hun wezen, en allerminst in hun verband met 's dichters gevoelsleven. Meest van al, welligt, hebben hieronder de sonnetten geleden; althans de zestien of achttien eerste. Levenloos staan deze thans achter elkander, zonder opschrift, zonder jaartal, zonder eenige de geringste weg- of teregtwijzing ten behoeve van den lezer, Doch ook hier leidt de naauwkeurige kolaltie van Hoofts handschrift, door den heer Leenderts ondernomen, tot bepaalde en afdoende resultaten. Onder de bedoelde en opschriftloozze klinkdichtenn, om van andere niet te spreken, bevinden er zich minstens zes die oorspronkelijk aan Christina gerigt werden. Schreef ik eene ziel- en zedekundige verhandeling over den hartstogt der liefde, de vraag kon ter sprake komen of het den mensch als zedelijk en en godsdienstig wezen nuttig is zich te vermeiden in eene drift waartegen ze;lfs Pascal niet bestand was. Doch nu ik enkel verslag heb te doen van de genegenheden eens voor jaar en dag gestorvenen, en meer bijzonder van de dichterlijke vormen waarin hij zijne gevoelens meest in de eenzaamheid uitstortte, komt aan het volgend Sonnet in onze beschouwing regtens eene plaats toe:

[Mijn lief, mijn lief, mijn lief...]

In onschuld en reinheid met deze jongelings-mijmering wedijverend, doch minder algemeen, oorspronkelijker, karakteristieker, dienstiger tot verklaring van het feit dat Hooft door al zijne tijdgenooten, vrouwen zoowel als mannen, geleerden en mededichters, om het zedelijk gehalte zijns karakters, is aangemerkt geworden als de natuurlijke en wettige aanvoerder van dat gedeelte der nederlandsche beschaving aan welks spits hij feitelijk stond; dienstiger tot verklaring daarvan is dit andere Sonnet, het eerste der zes aan Christina gewijd:

[Wanneer de Vorst des lichts ...]

Brieven, door Hooft aan Christina gerigt, zijn inde uitgegeven verzameling niet voorhanden. Slechts kent men, uit Prof. Van Vlotens Tesselschade, een kort briefje aan haar van Anna Roemers, waarbij deze een exemplaar van haar vaders in 1614 uitgekomen Zinnepoppen aan de jonge Mevr. Hooft ten geschenke zendt. Doch als bijdrage tot de kennis van Christina's karakter heeft dat billet geene waarde.

Christina, de Drostin van Muiden, eert dit graf.
Noch vrouw meer gunst verdiende, en min zich er diende af:
ook uit dit grafschrift niet, door Hooft tot hare gedachtenis vervaardigd en bestemd voor de zerk waaronder de vroegeggestorvene rustte, leert men verstaan wat zij voor hem geweest is. En welligt zouden wij ons van den omvang der leegte, door haren dood in 's Drossaarts hart en woning gelaten, eene geheel verkeerde voorstelling vormen, ware het niet dat hijzelf haar, in een brief aan Maria Tesselschade, geschreven eene maand na Christina's dood (men verschoone op nieuw om des geheels wil deze bijeenstelling van het bekende en minder bekende), eene in waarheid onvergangkelijke zuil had opgerigt:

[Brief aan Maria Tesselschade]

Brandt zegt:''Eenige van des Heeren Hoofts brieven rieken naar den olie van arbeid;'' en dit doet ook een deel zijner verzen. Doch de laatstelijk aangehaalde proeve bewijst hoe door de gewoonte het aangeboren talent van ''mergrijk te schrijven'', en van zijne taal te kneden tot ''mannenvoeder'', dermate bij hem tot eene tweede natuur geworden was dat deze gave ook dan hem niet verliet wanneer hij, in een vertrouwelijken brief aan eene vriendin, lucht gaf aan smarten die hem griefden. Zijne dichterlijke Klachte der princesse van Oranje verraadt meer welligt dan eenig ander gezang van hem zijne juiste en vereerende kennis van het liefhebbend vrouwengemoed; en, in nieuwerwetsche taal gesproken, hij heeft in dat gedicht de volheid zijner hulde aan schoonheid en liefde geobjektiveerd. Doch even aantrekkelijk voor het minst, alhoewel zuiver persoonlijk prijkt daarnevens zijne rouwklagt in proza over Christina's verlies.

III

Christina van Erp was wel des Drossaarts -- hij leerde haar opmerken in hetzelfde jaar dat Prins Maurits hem tot die betrekking aanstelde -- maar niet de eerste liefde van Hooft als jongeling en dichter. Om de zonderlinge uitdrukking van Mr. Jakobus Scheltema te bezigen, tusschen Mei 1601 (het tijdstip waarop Hooft van zijne Italiaansche akademiereis in het vaderland terugkeerde) en Januarij 1605 (het jaar waarin het straks te noemen meisje stierf) heeft bij hem ''meer dan genegenheid.'' bestaan voor Brechtje Spiegel Janszoon; denkelijk een nichtje van den beroemden Hendrik Spiegel Laurenszoon, van wiens eerste vrouw, Brechtje ten berg, ik vermoed dat Hoofts beminde een naamgenootje en petekind zal zijn geweest. Uit Aernout Drosts nagelaten stukje Meerhuyzen kan men zien op hoe vertrouwelijken voet de familie Hooft met Hendrik Laurensz verkeerde; als ook hoe aardig, naar het oordeel van Dieuwertje van Marken, aan den pas uit Italie teruggekomen Pieter de sierlijke ''mutasten'' stonden. De redenen waarom Hooft aanvankelijk er niet in slaagde Brechtje's genegenheid te winnen, zijn onbekend. Misschien pronkte hij een weinig met zijn fraaie snorren en uitheemsche manieren; en mogelijk achtte zij het van haren pligt hem dit bevorens af te leeren. Althans aan een beginsel van wederliefde ontbrak het harerzijds niet. Min of meer openlijk met elkander verloofd, zou het ongetwijfeld te eeniger tijd tusschen hen tot een huwelijk gekomen zijn. Doch de dood maakte eensklaps aan hunne droomen een einde en nam Brechtje van haars minnaars zijde weg.

[Grafschrift voor Brechtje]

vruchteloos heeft naderhand de dichter in den vorm van dit grafschrift iets terug te geven van hetgeen hem Brechtje Spiegel in zijne jongelingsjaren geweest was. Brechtjes beeld is hiermede niet geteekend, en haar bruidegom had ongeveer hetzelfde kunnen zeggen van eene overleden zuster of schoonzuster. Uit den aanhef van een onduidelijk gedichtje van Januarij 1606, het eerste dat hij na Brechtje's dood vervaardigde:

't Gemoed herwenscht verloren vrolijkheden.
En wentelt in den schijn van het voorleden,
Wanneer 't de stapsteên  ziet die 't heeft getreden;
is men geneigd op te maken dat onze nog geen vijfentwintigjarige destijds behoefte gevoelde zich aan het verledene en aan zijne treurige herinneringen te ontscheuren; gelijk dan ook uit zijn huwelijk met Christina, vijf jaren later, genoegzaam blijkt dat het geleden verlies hem niet onbekwaam had gemaakt nieuwe levensvreugd te genieten. De omgang met Brechtje is in Hoofts leven een kort en gewelddadig afgesneden tijdperk geweest; en al onze wetenschap dienaangaande rust op twee versjes aan haar, het eene van 1604, het andere van 8 Januari 1605 en vervaardigd zeven dagen voor haren dood. Doch dit weinige is voor ons oogmerk genoeg. In 1604, blijkens den eerstbedoelden zang, was Brechtje nog altoos wederspannig; althans ongeneigd om zich te laten belezen. Onze minnaar en minstreel moest zich dus vergenoegen haar in gedachte lief te hebben en op het bevalligst uit te dossen:

[Schoon Nimfelijn,...]

Er kwam een tijd dat Brechtje voor deze blindheid de oogen opende. Doch al wisselde zij van smaak, en ofschoon zij voortaaan naast en boven hare zusjes aan Hooft eene plaats in haar hart schonk, het oogmerk dat hij najoeg was hiermede niet verwezenlijkt. Voor de min of meer geheime verloving waarvan ik boven sprak, schijnen redenen te hebben bestaan die, hoewel het meisje-zelf nu geenen tegenstand meer bood, nogtans geldig bleven. Verschillen van kerkelijke belijdenis, ongelijkheid van vermogen, huiselijke bezwaren, iets (wat dan ook) stond aan hunne openlijke verbindtenis in den weg. Ja zelfs nog voor de dood eene eeuwige scheiding maakte tusschen de twee gelieven, moest er eene tijdelijke plaats hebben. Deze althans is de stemming waarin het gedichtje van 8 Januarij geschreven werd; geschreven toen de dichter nog niet weten kon welke slag hem dreigde, en weinig dacht zijne droefheid zulk eene nog veel smartelijker wijding te wachten stond:

[Zal nemmermeer gebeuren...]

IV

Brechtje, Christina, Leonore: sedert wij Hoofts nagelaten brieven kenne, en den sleutel bezitten tot de dagteekening zijner zangen, zijn deze drie namen voor altoos zaamgevlochten met zijne nagedachtenis. Drie gratiën waren zij, die beurtelings en elk op hare wijze bloemen strooiden op het levenspad van den alleszins voortreffelijken Drost. En hetgeen zij hem aan liefde schonken heeft hij zonder aan de nakomelingschap te denken, en des te kiescher daardoor, aan hulde en eerbied haar teruggegeven. Aldus, honderdvijftig jaren later, betaalde Onno Zwier van Haren aan Adeleide de tol. De fransche litteratuur van de tweede helft der zeventiende eeuw leeft nog heden ten dage, en niet enkel als herinnering, in de herinnnering voort. Pascal en Boileau, Corneille en Racine, Molière vooral, zijn nog altijd in zekeren zin onze tijdgenooten. Onze vaderlandsche dichtschool van den aanvang dier eeuw daarentegen valt eenigszins in dezelde termen als thans de Gaskoensche wijzeman, dien Hooft oordeelvast en waanlos noemde en die Coornherts Wellevenskunst inspireerde: zij is, met Montaigne en welligt nadrukkelijker dan deze, uit den tijd. Hoofts poëzie, om alleen van de zijne te spreken, is in haar geheel en zonder nadere toelichting voor onze dagen eene ongenietbare lektuur: vol merg en pit, vol schoonheden van het eerste water, een waardig voorwerp van ernstige studie ja, doch voor den hedendaagschen lezer geene bron van onmiddellijk genot. Klassiek geweest, is de Muiderschool ook niet, gelijk Molière en de zijnen, klassiek gebleven. Het heeft ons in vervolg van tijd te eenemaal overvleugeld, dat Frankrijk, waarvan in 1636 Jakob van der Burgh in zijne eenvoudigheid beweerde, en mogt beweren, dat het alhoewel destijds bogend op Marot en Ronsard, Bartas en Malherbe, anderszins op dichterlijk gebied ''niet onvoorzien was van gemeene vernuften.'' Doch Hoofts onsterfelijkheid, in weerwil der impopulariteit waarmede de werken van hem en van zijne vrienden thans geslagen zijn, is niettemin gewaarborgd. Hij geloofde, hiermede is alles gezegd, aan de vaderlandsche letteren en aan hare toekomst. ''Daarom dewijl met den opgang en vrijheid onzes vaderlands, verscheiden kunsten en wetenschappen verrezen zijnde, de heilige Poëzie ook in onze tale eerwaardelijk is begonnen te verschijnen: zoo verzoeken, bidden en bezweren wij door Hare heiligheid alle degenen die zij goedgekend heeft om eenigen adem haars geestes in te blazen, dat zij de hemelsche vonke niet in de assche begraven of versterven laten: maar die met allen ijver en erkentenis zorgvuldiglijk opkweeken in hunne borst, totdat het licht, te hunnen monde uitblinkende, de gansche wereld doorstrale met de glorie van hen en van de plaats hunner geboorte. Opdat, gelijk eertijds door zeven steden gestreden is om Homerus tot haren burger te hebben, alzoo ook in toekomenden tijde alle geslachten mogen wenschen om dit te hebben tot hun Vaderland.'' Ook van de zijde van het nu levend geslacht verdienen deze slotwoorden van Hooft in 1610 of '11 gehouden rede over de Waardigheid der Poëzie, behartiging.

Januarij 1862.