Conrad BUSKEN HUET (1826-1886)


HET LAND VAN REMBRAND

Studiën over de Noord-Nederlandse beschaving in de zeventiende eeuw
EERSTE DEEL

Zesde Hoofdstuk
I

Een overzicht van de muziek in Noord-Nederland zal eerst bij het behandelen van een volgend tijdperk kunnen gegeven worden.Wij bepalen ons tot een overzicht der letteren, en maken opmerkzaam dat van de 13de tot en met de 16de eeuw Noord- en Zuid-Nederland in het letterkundige één geweest zijn.

Er werden boeken geschreven, eerst in een taal die wij met de algemene naam van Middelnederlands aanduiden; daarna andere boeken in het bastaardidioom der rederijkers. De meeste en de beste dier werken zijn, geografisch gesproken van Vlaamse oorsprong. Doch er bestaat geen wezenlijk onderscheid tussen het Hollands van Stoke of Potter, en het Vlaams van Maerlant en Boendale; tussen een bladzijde proza van Ruysbroeck te Brussel en een van Mande te Zwolle of van Matthijssen in Den Briel; tussen een rederijkersspel uit Antwerpen en een rederijkersspel uit Rotterdam; tussen de taal van de Zuid-Nederlandse Van Meteren en de taal van de Noord-Nederlandse Bor.

De lotgevallen der kunst hebben op dit vloeien der zuidelijke en der noordelijke letteren in één bedding ons voorbereid. In het staatkundige zijn Vlaanderen en Holland somtijds vijanden geweest. Men kan zeggen dat de steden van het Noorden en de steden van het Zuiden elk haar eigen levensloop gehad hebben. Zonder de feiten geweld aan te doen, kon ik te dien aanzien in vroegere hoofdstukken het bestaan van een specifiek Noord-Nederlandse beschaving onderstellen.

Met de taal is het, in onderscheiding van de politiek, evenzo gesteld geweest als met de kunst en het geloof. Noord en Zuid beleden dezelfde godsdienst, belichaamden deze in dezelfde kunstvormen, en gaven hem klank in dezelfde spraak. Hebben in de Middelnederlandse poëzie de Vlamingen van meer talent of groter vruchtbaarheid blijk gegeven dan de Hollanders, dezen moeten met even goed humeur dit weten te verdragen als zij het de Oudvlaamse meerderheid in de schilderkunst en de architektuur doen.

II

Een geschiedenis der Middelnederlandse letterkunde, naar de eisen die onze tijd aan historische studiën stelt, kan bijna niet geschreven worden. De oorspronkelijke werken zijn te zeldzaam.

Wie onzer zou in ernst menen een moderne Nederlandse literatuurgeschiedenis te hebben samengesteld, zo hij de romans van Walter Scott en de gedichten van lord Byron analyseerde, die sedert 1825 of 1830 in het Nederlands vertaald werden? Zo hij daarbij voegde hetgeen, van Paul De Kock tot Alphonse Daudet of Emile Zola, de Franse letteren onze overzetters en overzetsters te doen gaven? Van Goethe tot Berthold Auerbach of Georg Ebers, de Duitse?

Dit is de verhouding waarin, van de 13de tot de 16de eeuw, de Nederlandse letteren tot die van Europa gestaan hebben. Niet één middeleeuwse roman, middeleeuws heldendicht, wetenschappelijk of stichtelijk geschiedwerk, waarvan niet, in het algemeen gesproken, een Middelnederlandse tekst bestaat of bestaan heeft. Maar die teksten zijn vertalingen; vertalingen uit het Duits, het Latijn of het Frans. Gelijk nog heden in Nederland een goede vertaling een witte raaf is, zo waren ook oudtijds de meeste overzettingen broddelwerk. Slechts enkelen verrieden talent.

Hetgeen ons van de inhoud der middeleeuwse boekerijen in Nederland bekend is staaft dit zijdelings. Er waren geen geleerde Nederlanders die in de landstaal wetenschappelijke boeken van waarde, geen voorname Nederlandse letterkundigen die dicht- of prozawerken van rang schreven. Wel gewagen de Egmonder, de Middelburgse, de Rijnsburgse, de Adewertse overleveringen van kostbare kloosterbibliotheken welke door de mensen of de vlammen vernield werden, maar geen enkele maal bejammeren zij het dat Nederlandse geschriften daarbij omgekomen zijn. In het eerste vierdedeel der 15de eeuw horen wij Thomas van Kempen zijn medekloosterlingen beschuldigen zich aan het lezen van romans te buiten te gaan; en de onderstelling is geoorloofd dat de boekerij van de Sint Agnietenberg hun daartoe de gelegenheid aanbood. Doch de toon van geringschatting, waarop Thomas over dit tijdverdrijf spreekt, geeft ons tevens recht te geloven dat het vertalingen waren. Oorspronkelijke Nederlandse romans bestonden trouwens niet, of alleen met uitzondering der novelle Beatrijs.

Goedroen en het Nevelingenlied schijnen somtijds gedeeltelijk op Nederlandse bodem te spelen en met Nederlandse helden of heldinnen gestoffeerd te zijn. In de legende van de zwanenridder Elius vindt men de stad Nijmegen genoemd. Dante maakt van een vermaarde zeedijk in Vlaanderen gewag. Maar nooit is het een werk van Nederlandse dichtkunst of Nederlandse wetenschap hetwelk deze vreemdelingen bezielt. Er werd in de Middeleeuwen geen litterarische ruilhandel door ons volk gedreven, zodat het buitenland, bij hetwelk wij ter markt gingen, dit wederkerig bij ons kwam doen. Wat wij met de ene hand ontleenden, gaven wij met de andere niet terug.

Wanneer men van een volk zegt dat het in een of ander tijdperk van zijn geschiedenis geen eigen letterkunde bezeten heeft, dan is dit de toetssteen. Hoewel ook in de 17de en de 18de eeuw de Nederlandse letteren, gelijk zij in de 19de eeuw voortgaan te doen, grotendeels van navolging leefden, bieden zij echter in die latere eeuwen sommige voorname geschriften in de moedertaal aan, die bij de studie van onze geschiedenis of van onze beschaving het buitenland tot gids kunnen strekken; de algemene kennis van Europa verrijken kunnen, - en zelfs verdienen zouden menigvuldiger of zorgvuldiger geraadpleegd te worden dan tot heden het geval geweest is.

Van onze Middelnederlandse letteren kan men dit niet zeggen. Daar zij slechts denkbeelden voordroegen die van het buitenland zelf afkomstig waren en slechts vormen gaven die voor het buitenland de bekoring der nieuwheid niet meer bezaten, waren zij reeds in de tijd van haar ontstaan en als van de dag harer geboorte, ontbloot van Europees belang. Nog minder betekenis voor Europa hadden zij daarna gedurende het tijdperk der Renaissance, toen zelfs letterkundige meesterwerken van de feodale tijd uit het oog verloren werden en nagalmen als onze Middelnederlandse, bij het internationaal verkeer der geesten, in het geheel niet in aanmerking kwamen.

Verbetering in die toestand hebben eerst de laatste vijftig jaren gebracht. Ook nu nog wordt de omvang van ons Middelnederlands alleen gezocht met een historisch of archeologisch bijoogmerk. Stilzwijgend wordt uitgegaan van de onderstelling dat uit het oogpunt der esthetiek of der poëzie de aantrekkingskracht meestal ontbreekt. Niettemin is het buitenland belang gaan stellen in onze Middelnederlandse taal niet alleen, maar ook in onze Middelnederlandse navolgingen of vertolkingen. Ons Middelnederlands bewijst diensten aan de vergelijkende germaanse taalwetenschap van de nieuwere tijd en de tekstuitgaven van onze Middelnederlandse filologen worden uit dien hoofde zeer gewaardeerd.

Het nieuwste voorbeeld van die ingenomenheid is de uitgaaf van Jacob van Maerlants Merlijn, onlangs voltooid. Van de ruim zesendertig duizend versregels waaruit dit dichtwerk bestaat werden meer dan vijfentwintig duizend er bijgevoegd door Maerlants voortzetter, Lodewijk van Velthem, zodat eigenlijk alleen de eerste tien of elfduizend van Maerlant zelf zijn. Doch dit wordt als een bijzaak beschouwd. Geschiedenis van de middeleeuwse tovenaar Merlijn, in de dienst van de half mythologische koning Arthur, bezit deze middeleeuwse roman geen dichterlijke waarde in zichzelf, en Maerlant zou op grond van zijn aandeel in het berijmen, niet voor een dichter kunnen gehouden worden, zo Lodewijk van Velthems nog geringer verdiensten ons niet het recht gaven hem vergelijkenderwijs talent en smaak toe te kennen. Beiden bedienden zich van een Franse prozatekst die zij om strijd aanlengden en uitbreidden. Hun handschriften zijn verloren gegaan, getrouwe afschriften niet tot ons gekomen. Uit het Westfaals van een herschreven kopij, in de particuliere boekerij van een vorst van Bentheim, werd door de uitgever de Middelnederlandse tweedehandse grondtekst zo goed mogelijk hersteld; en op loffelijke wijs is onze Maerlant-literatuur nu met een nieuw document verrijkt. Duitse en Franse germanisten hebben aan deze arbeid aandacht geschonken. Kunnen zij, betreffende Maerlants taal, er niet veel nieuws uit leren, zij vermoeden dat Maerlants bewerking hun van dienst zal kunnen zijn bij het vaststellen van Merlijns in vele opzichten nog altijd nevelachtige legende.

III

Wanneer Dante, in de vijfde zang van zijn Hel, Francesca Rimini laat verhalen dat Paolo Malatesta en zij op zekere dag elkander een hoofdstuk uit de roman Lancelot voorlazen, dan blijven wij in het onzekere of dit een Italiaanse vertaling was, dan wel een Franse of een Provençaalse grondtekst. Waarschijnlijk het eerste. Met de meeste middeleeuwse ridderromans zijn de Italianen door de Fransen bekend gemaakt moeten worden; maar de overzettingen kunnen goed geweest zijn. Het Italiaans was reeds in die dagen een bijna gevormde taal.

Op het lezen der gelieven, in zichzelf, wordt door de dichter geen nadruk gelegd. Dante was de tijdgenoot van Paolo en Francesca. Hij vond het natuurlijk dat de jonge prins en de jonge prinses lezen konden. Wij moeten geloven dat onder de aanzienlijke Italianen deze vaardigheid in de tweede helft der 13de eeuw een gewoon verschijnsel was.

Evenzo de belangstelling in de romantische literatuur van de dag, oorspronkelijk of overgebracht in de landstaal. Francesca gewaagt van het bladeren in Lancelot, gelijk in Frankrijk onder de Juli-monarchie een vrouw van de wereld over een roman van Balzac had kunnen spreken. Zij stelt het ter hand nemen van het boek als louter toeval, het lezen als een alledaags en onschuldig tijdverdrijf voor.

Deze bijzonderheden herinneren ons dat van de gehele middeleeuwse letterkunde in Europa, voor zover zij zich niet van het Latijn bediende, alleen Dante onafgebroken is blijven voortleven. Er is daarna in Europa nooit een tijd geweest dat men de episode van Paolo en Francesca niet van buiten kende. Zodra de typografie in zwang gekomen was, heeft men Dante ter perse gelegd. Zijn Italiaans is nog heden de taal der Italianen. Er bestaat geen tweede voorbeeld van een middeleeuws werk in de landstaal; hetwelk tegelijk zo beroemd of zo populair geworden, en zo weinig verouderd is.

Onze vergefelijke onbekendheid met andere middeleeuwse werken uit dezelfde of nog vroeger tijd, is oorzaak dat Dante ons verrast wanneer wij over zaken van zeshonderd jaar geleden hem horen spreken op een toon alsof zij gisteren voorgevallen waren. Wij zagen een nevel, een mist, een ledig. Eensklaps vernemen, wij dat de dingen toen nagenoeg hetzelfde aanzien hadden als tegenwoordig, en de mensen in die dagen niet anders handelden dan nu nog door ons gedaan wordt.

Ware de kennis van alle hoofdbronnen in gelijke mate tot ons doorgedrongen, wij zouden bij Dante's tijdgenoten en Dante's voorgangers in andere Europese landen dezelfde middeleeuwse beschaving aantreffen als bij hem, of alleen in bijzonderheden verschillend. Doch gedurende vele honderd jaren is de wetenschap van die toestanden zo niet voor goed ondergegaan, althans vervangen door een lange poolnacht. Hun is wedervaren hetgeen in hun eigen midden de herinnering der beschaving van Rome, van Griekenland, van Indië, van Egypte, wedervoer. De middeleeuwen zijn vergeten, gelijk zij zelf vergaten of kwalijk kenden hetgeen voor haar geweest was. Haar heugenis is uitgewist. Haar talen zijn antiquiteiten geworden. Haar literaturen zijn als berbaarsheden ter zijde gesteld.

De historische studiën der 19de eeuw hebben in deze stand van zaken een omwenteling teweeg gebracht. Men schrijft thans geschiedenissen der nieuwere letterkunde in Europa die aanvangen met te gewagen van Karel de Grote, en waarin Dante ja een ereplaats blijft innemen, maar ook mededingers bekomt. Men heeft het Nevelingenlied weder aan het licht gebracht, heeft het Roelandslied ontdekt, is Goedroen en Parzifal en de Reinaert weder op het spoor gekomen. Een verzameling der middeleeuwse teksten, welke onze eeuw in druk zag verschijnen, zou niet buitengewoon volledig behoeven te zijn om in een opebare boekerij een zaal van achtbare omvang te vullen. Die opwekking uit de doden is een daad van onze tijd, en zal deze door het nageslacht tot eer gerekend worden.

Het lang aanhouden van de winterslaap heeft een natuurlijke reden gehad. Het Frans van het Roelandslied is niet, gelijk het Italiaans van Dante of het Spaans van koning Alfonso, een levende taal gebleven. Evenmin het Duits der oudgermaanse dichtwerken, of het Diets der middelnederlandse. Werkzamer oorzaken dan zelfs de tegenstrevende nationale eigenliefde, of de gehechtheid aan het voorvaderlijke, hebben deze idiomen in zulke mate doen verouderen dat eerlang ook de overgangen of verbindingen zijn gaan ontbreken. Het lijdt geen twijfel dat die talen een veel minder onvolmaakte beschaving tot voertuig gediend hebben dan vaak beweerd of ondersteld is. Doch zij zouden niet buiten het verkeer geraakt of daaruit verdrongen zijn, indien zij voor de allengs ontstaande nieuwe behoeften van de geest bij voortduring bruikbaar gebleven waren.

Op die wijs verklaart het zich dat wij moeite hebben van de lectuur onzer vaderen, gelijk het vrijstaat met een algemene naam de geschriften aan te duiden die beurtelings hen onderwezen of vermaakten, ons een voorstelling te vormen. Maar tegelijk verstaan wij dat onze bijzondere voorouders, de Nederlanders der 13de, 14de en 15de eeuw, aan de enge grenzen der letterkunde van hun eigen land in het minst niet gebonden geweest zijn. Er was een moderne Europeese literatuur uit welke de begaafden onder hen, naar verschillende zijden, rechtstreeks putten konden.

De kennis welke de Nederlandse bewerker van de Roman de Renard van het oude Frans heeft moeten bezitten, om van zijn taak zich zo te kunnen kwijten als hij gedaan heeft, was niet buitengewoner dan de kennis van het Latijn welke geëist werd om uit het mirakelboek van een prozaschrijver van het jaar 1200 het onderwerp van Beatrijs te putten en deze stof dichterlijk te bearbeiden.

Maerlant moest vertrouwd zijn met het oude Duits om uit de Saksenspiegel te kunnen trekken hetgeen, ten behoeve van zijn Martijn, daaraan door hem ontleend is. Doch dezelfde kennis volstond om, naar de fraaie bewerkingen van Wolfram van Eschenbach en Gottfried van Straatsburg, Tristan of Parzival in het Duits te kunnen lezen.

Evenzo met andere werken. De taal van het Nevelingen-, de taal van het Roelandslied, de taal van de Willen van Oranje, waren voor de ontwikkeldsten onder de Nederlanders der 13de eeuw geen gesloten boeken. Zelfs kan beweerd worden, wanneer men op het middelmatig talent der middelnederlandse overzetters van deze twee laatste gedichten let, dat een Nederlander van die dagen geen hoogvlieger behoefde te zijn om met de letterkunde van onze oostelijke en onze westelijke naburen tamelijk gemeenzaam te verkeren.

Het behoeft ons niet buitenmate te verwonderen dat er geen middelnederlandse vertalingen uit het Engels van Chaucer of het Frans van Froissart bestaan. De welopgevoede lieden in Oud-Nederland lazen beiden in het oorspronkelijk, - indien zij hen lazen.

Van overzettingen uit het Italiaans vindt men in onze middelnederlandse literatuur geschiedenissen evenmin melding gemaakt. Alleen sommige Latijnse geschriften der Italianen werden ten onzent ijverig gelezen: getuige het door Maerlant berijmd leven van Franciscus van Assisi, door Bonaventura.

Toch moeten wij het er voor houden dat de bekendheid met Dante's moedertaal allengs in Oud-Nederland toegenomen is. Toen Dirc Potter omstreeks het jaar 1400 door graaf Willem VI met vertrouwelijke opdrachten naar Rome gezonden werd, kon hij voor het officieel gedeelte van zijn zending met zekere vaardigheid in het Latijnspreken volstaan. Maar er zouden in de Loop der Minne niet tegelijk zulke uitvallen tegen de Italianen voorkomen, en zo vele blijken van ingenomenheid met het genre van Boccaccio, indien de graaf zich in het Italiaans uit te drukken, of althans Italiaans te lezen en de zin van Italiaanse vragen of vertogen behoorlijk te verstaan, Potter te enemaal ontbroken had.

Naar deze of een soortgelijke standaard, komt het mij voor, hebben wij in het letterkundige het gemiddelde der Nederlandse beschaving te bepalen, in de tijd uit de rederijkers en de herleving van de antieke letteren in Europa voorafgegaan is. De ontwikkeling der letterkundigen zelf moet, uitgaande van het feit dat onder deze leidslieden zich geen geesten van de eerste rang bevonden hebben, bij het vaststellen der ontwikkeling van het publiek onze maatstaf zijn.

Er is de grote massa van het volk of van de kleine burgerij; het ‘ongeleerde diet'. Het ontbreekt deze lieden niet aan belangstelling; doch zij verstaan geen andere taal dan Diets, en overzettingen zijn het enige middel om hun leeslust te bevredigen. Over de waarde van die vertolkingen kunnen zij niet oordelen, tenzij bij instinct. Hun smaak is ongevormd. Zij beginnen met te verorberen wat men hun voorzet. Te hunnen behoeve is het dat, uit het Duits, uit het Latijn, bovenal uit het Frans, tegen de klippen aan vertaald wordt. Op hen speculeren de overzetters.

Er is de klasse der geletterden, der savants en us, gelijk in een later tijdvak de Fransen hen noemen zouden. Het zijn de filosofen, de theologen, de juristen. Hun vaderland is Europa. Voor het merendeel behoren zij tot de geestelijke stand. Zij schrijven metafysica's in het Latijn, bijbelse historiën in het Latijn, wereldgeschiedenissen in het Latijn, politieke vertogen in het Latijn. Zelfs oude gedichten in de volkstaal worden door hen in Latijnse verzen overgebracht. In de schatting dezer studiemannen zijn de nationale literaturen een soort van entomologische curiositeiten. Zij weten niet recht wat deze insecten te beduiden hebben, en zijn geneigd ze voor schadelijk te houden. De beoefening der wetenschappen in het Latijn schijnt hun de enige waardige bezigheid van de menselijke geest; Latijnse welsprekendheid de enige welke eerbied afdwingt. Villehardouin en Joinville schrijven of dicteren Frans, omdat zij militairen en de taal der geleerden niet machtig zijn. De geletterde Dante bedient zich van het Italiaans enkel met een polemisch bijoogmerk, en acht de taal van Vergilius de enige bello stile. Petrarca veracht zijn eigen Italiaanse sonnetten.

Een bemiddelende rol, tussen de klasse der geletterden en het met vertaalde romans overstroomde publiek, wordt in Nederland door Maerlant vervuld. Hij en de zijnen zoeken invloed te bekomen op de schare, door van het romanverslinden haar af-, en aan het lezen van degelijker geschriften te brengen, zedekundige en historische. Wij moeten twijfelen of zij geslaagd zijn. Niet vele zedespreuken uit Boendale' Leekenspiegel zijn in het geheugen der Nederlandse natie blijven hangen. Hetgeen Maerlant als geschiedenis aanprijst, verschilt van de fabelen der ridderromans vaak alleen hierin dat het houterige, geen dichterlijke fabelen zijn. Maar de stukken bewijzen dat deze ‘burgerljke dichtkunst' de enige uiting der middelnederlandse letteren geweest is welke voor een poos een nationaal karakter vertoonde.

Voorts zien wij in Nederland, onder de regering van graven uit het Hollandse, het Henegouwse, het Beierse huis, de hoogste klasse der samenleving aan de letterkunde voor het volk zekere bescherming verlenen, of althans niet weigeren die onder haar hoede te laten stellen; en wat wij daaromtrent aangetekend vinden zweemt naar hetgeen nog heden zich somtijds voordoet. Er is zelfs een gunstig verschil dat recht heeft op afzonderlijke vermelding. Hertog Jan I van Brabant, een gekroond Nederlands hoofd, schrijft middelnederlandse minnedichten.

Wij stellen onze land- en lijfgenoten hoger naarmate zij, met meer recht van medespreken, meer smaak voor de letteren der oudheid tonen, of voor de nieuwere buitenlandse klassieken. Hoogst van al staan zij bij ons aangeschreven, indien zij aan die voorkeur liefde voor de letteren van eigen bodem paren. Het is niet bekend of de Hollandse edelman uit de eerste helft der 14de eeuw, die voor zijn rekening een afschrift van Melis Stoke's Rijmkroniek maken liet, nog andere talen dan zijn moedertaal verstond. Maar heer Jan van Polanen gaf in elk geval een goed voorbeeld en betaalde ruim. De klerk Wouter, die de kopij vervaardigde, was getroffen door zijn mildheid en betuigde in een naschrift hem warme dank.

Bij voorkomende gelegenheid zullen aanzienlijke Nederlandse vrouwen nog heden uit beleefdheid zich laten welgevallen, voor de patrones of de muze van een vaderlands dichter of een vaderlands romanschrijver door te gaan. De bewerker van de middelnederlandse Reinaert dacht onder het schrijven aan een dame die hij evenals zijn eigen persoon in de schaduw laat, doch van welke wij aannemen mogen dat haar rang in de maatschappij haar in staat stelde zijn satire der grote wereld met kennis van zaken te beoordelen. Mogelijk had zij zelf met heimelijk behagen hem sommige onderwerpen aan de hand gedaan.

Eén van zijn werken droeg Maerlant op aan zekere heer Nikolaas van Kats, een Zeeuws edelman die daarna in de geschiedenis van graaf Floris V een min of meer dubbelzinnige rol gespeeld heeft, doch van wie onze dichter slechts beleefdheden schijnt ondervonden te hebben. Merlijn is de edelman Albrecht van Voorne gewijd, van wie men niets anders weet dan dat hij tussen 1258 en 1261 zijn vader in het bestuur opvolgde. In een ander werk gewaagt Maerlant van een Nederlandse vrouw, om welke te believen hij in zijn jeugd een Franse historische roman in het Diets overbracht. Van de gevoelens die zij hem toedroeg is niets bekend, doch zijn hulde in het literarische werd door haar aanvaard.

Evenzo (ik kies uit de overvloed slechts enkele voorbeelden), evenzo verhaalt Dirc Potter dat het doel, waarmede hij zijn Loop de Minne samenstelde, geweest is zich aangenaam te maken bij een dame van hertog Albrechts hof, of verbonden aan het hof van ‘s hertogs zoon, of zelf een lid der dynastie. De uitdrukkingen van welke hij zich bedient maken niet duidelijk wie hij eigenlijk bedoelt.

Over de drijfveren van deze vrouwen kunnen wij niet oordelen. Hadden zij wederkerig een zwak voor de personen der dichters die haar het hof maakten, of zagen zij in hen slechts loontrekkende ondergeschikten? Handelden zij met het doel de nationale letteren aan te moedigen, of werd alleen haar ijdelheid gestreeld? Uit eerbied voor de gestorvenen behoren wij aan de liefderijkste onderstelling de voorkeur te geven.

Eindelijk komen de gekroonde hoofden in aanmerking. Allen weten wij hoe weinig het voor de letterkundige waarde van een werk bewijst te zijn opgedragen aan een regerend vorst, die, meestal meer dan hem lief is, met zulke ongevraagde onderscheidingen lastig gevallen wordt. Inzonderheid in de Middeleeuwen, toen de nationale letteren nog geen zelfstandig bestaan konden leiden, verschilde een opdracht nauwelijks van een verzoekschrift om onderstand, en kon het aannemen, van ‘s vorsten zijde, moeilijk voor een waarborg van persoonlijke belangstelling gelden. Echter kan er een voor beide partijen eervole reden bestaan hebben waarom Maerlant zijn Spiegel Historiaal aan Floris V wijdde en de graaf daartoe aanleiding gaf, een even eervolle waarom Melis Stoke, toen de dood van Floris V een vroege opdracht verijdeld had, zijn Rijmkronijk Willem III aanbood en deze de hulde niet afwees. Willem IV, de laatste souverein uit het huis van Henegouwen, schonk een jaargeld aan de dichter Willem van Delft. Graaf Jan van Blois en hertog Albrecht, uit het huis van Beieren, waren mild voor allerhande minnestrelen; en niets dwingt aan te nemen dat deze zeggers of zonder uitzondering vreemdelingen waren, of, waren zij landgenoten, slechts de werken van anderen voordroegen. De bescheidenheid der letterkundigen viel zelden in zulke uitersten.

Het volgend gedichtje, welks ouderdom niet met zekerheid bepaald kan worden, maar dat vast niet uit een tijdperk van verval dagtekent, is een goed gemiddelde der vorming waartoe voor de rederijkers, door ijverig overzetten en nakneden, onze taal allengs geraakt was. Er wordt een aanvallig jong meisje uit de middelklasse in herdacht; hetgeen bewijst dat wij deze verzen, in onderscheiding der oudere ridderpoëzie, tot de latere burgerlijke te brengen hebben. Eerst nadat de edelvrouwen om zo te spreken afgezongen en de ‘bakkersdochters' aan de beurt gekomen waren, heeft een middelnederlands dichter, gevormd in de school der Duitse en Franse minnezangers, zulk een stof kunnen kiezen en haar op die wijs behandelen:

DMEISKEN METTEN SCONEN VLECHTKEN

Mi doet alte sere verlanghen
Dmeisken dat mi es ontganghen,
     Joncfrouwe al vander herten mijn;
In mijn herte so spant si di crone,
Ic plach bi haer te sine ghewone,
     Maer nu moetic van haer sijn,
     Si es alte scone een schijn,
Ende si heeft alte scone vlechtken,
Dat clein proper suverlec wechtken.

Het hevet die lippen ende danschijn
Roder dan die rose mach sijn,
     Ende die hande smal ende lanc,
Si heeft haer lijf wit als een sneeu,
Haer oghen berren als een leeu,
     Haer tande wit met yvore ghemanckt,
     Het dwanc mi oec an minen danc
Te sine ewelijc haer dienstknechten:
Dat cleyn proper graselec wechtken
Het heeft soe sconen vlechtken!

Het es teeder ende oec cleine,
Hets die suverlijxte aleine
     Dat es, ocht was, of wesen sal,
Het is hovesch ende goedertieren,
Si es sedich van manieren,
     Ende si es in die siden smal,
     Haer borstken ronder dan een bal,
Haer kinnekijn diep als een grechtken:
Dat cleyn proper suverlec wechtken
Het heeft soe sconen vlechtken!

Ic moet hare te dienste staen
Ende ewelijc sijn onderdaen,
     Soe werwert ic mij bekere:
Want soe sere es mijn sin ghevallen
Opt kindekijn daer wi af callen,
     Ic mint vaste in lanc soe mere:
     Want aen haer staet mijn lijf ende ere:
Het es oec altoes in mijn gedechtken,
Dat cleyn proper suverlec wechtken,
Het heeft soe sconen vlechtken!

IV

Bij het monsteren der literatuur, van welke wij met voldoende zekerheid kunnen aannemen dat zij in de Middeleeuwen de geest der besten van onze landgenoten gevoed heeft, behoeft niet in fijne onderscheidingen getreden te worden.

Wij kunnen met de opmerking volstaan dat een groot aantal denkbeelden van toen dezelfde waren die onder ons ook nu nog heersen; sommige andere denkbeelden uit die tijd ten nauwste met deze samenhingen en, zonder tegen de onze in te druisen, niettemin nodig hebben uit de geschiedenis verklaard te worden, - nog andere denkbeelden, welke ons tegen de borst stuiten of zonderling toeschijnen, met of zonder strijd destijds gangbaar waren.

Niet anders ten aanzien van de smaak. Wij komen tegen de middeleeuwse smaak gedeeltelijk in opstand. Gedeeltelijk berusten wij, en laten hem gelden zonder hem aan te nemen of na te volgen. Gedeeltelijk erkennen wij de middeleeuwse smaak als de gelijke of de meerdere van de onze niet slechts, maar ook in sommige opzichten als de evenknie der klassieke oudheid.

Beslissend is het verschil tussen toen en thans alleen, wanneer wij op het werktuigelijke en het wetenschappelijke letten. Er bestonden in de Middeleeuwen geen goede methoden van onderzoek; geen oordeelkundige waarneming, geen historische, geen tekstkritiek. Vergeleken bij het aantal gegevens over welke in de tegenwoordige tijd de wetenschap beschikt, was de voorraad kundigheden die toen haar ten dienste stonden, ook dan wanneer zijn betrekkelijke overvloed ons verbaast of met bewondering vervult, gering. De scherpzinnige Abélard, die zich aan weinig overmoed schuldig maakte wanneer hij aanbood te disputeren de omni re scibile, was een weetniet in vergelijking met Kant; de wandelende encyclopedie Vincent van Beauvais een scholier in vergelijking van Voltaire. Dante, die zo veel wist, wist veel minder dan Goethe. Zelfs kunnen wij voor de meeste wetenschappen van de nieuwe tijd, en voor sommige der roemrijkste daaronder, in de Middeleeuwen niet eens een aanknopingspunt vinden, laat staan een equivalent. Zij moesten nog geboren worden, en haar vertegenwoordigers met haar.

Met het werktuigelijke bedoel ik hulpmiddelen als onze dagbladen en onze tijdschriften, die nieuwe stelsels en nieuwe ontdekkingen of rechtstreeks wereldkundig maken, of de stilverworven kennis der vakmannen langs omwegen populariseren.

De gebrekkige middelen van verkeer en vervoer in aanmerking genomen, was het reizen en het wisselen van brieven in de Middeleeuwen veel gewoner dan wij geloven zouden. Spoedig genoeg drong van land tot land, van de ene hogeschool naar de andere, het wetenschappelijk en het letternieuws door. Geenszins leefde men in een staat van afzondering, ieder met zijn eigen geest onder een eigen stolp. Maar het onderscheid was niettemin groot. Geen couranten, geen maandwerken, geen academische annalen. Niets dan boeken; en van de boeken niet meer exemplaren dan voor de uitvindig der drukkunst de vaardigheid der afschrijvers in omloop bracht. Waren niet te allen tijde de grote scheppingen van het menselijk vernuft schaars geweest, zodat tussen de ene en de andere vrij wat gelegenheid tot doordringen overbleven, wij zouden de Middeleeuwen moeten beklagen.

V

De meest algemeen verbreide kennis was de inhoud van de bijbel; gelezen zonder raadplegen der grondteksten, uit de geijkte Latijnse overzetting nog eens overgezet in de volkstaal, opgevat als oudtse algemene geschiedenis en tegelijk als godspraak.

Verst van de bron stonden op dit gebied werken als Maerlants Rijmbijbel. Honderd twintig jaren voor hem had een geleerd Frans geestelijke, naar zijn boekversllindende aard Petrus Comestor bijgenaamd, in het Latijn een uittreksel der bijbelse geschiedenissen samengesteld (omstreeks 1150). Dit werk, welks inhoud de eigenlijke bijbel niet veel dichter nadert dan Egelings Weg der Zaligheid of van der Palms Bijbel voor de jeugd uit de eerste helft onzer eeuw; dit werk brengt Maerlant in Vlaamse verzen over (1276), en maakt op ons de indruk te goeder trouw geloofd te hebben dat de priesters hem deswege haatten, gelijk duisterlingen het een volksverlichter doen. De zaak was dat de geestelijken, die zichzelf voor geleerden en hem voor een bemoeial en een ongeroepene hielden, het als een grijpen naar hun voorrechten beschouwden Comestor aan de schare, in plaats van de schare tot Comestor te brengen. Op hun wijs waren zij voorstanders van het klassieke. Hun hekelen of ‘begripen' van Maerlant, die wederkerig als hekelaar der geestelijkheid optrad, kwam uit een literarische wrok, meer dan uit een theologische.

In geen geval betrof dit conflict de hoofdzaak. Maerlants bedillers, en de bedillende Maerlant zelf, vereerden om strijd in de bijbel de hoogste goddelijke openbaring en een onfeilbare bron van historische wetenschap.

Dante is, wat zijn blik op de bijbel betreft, de tijdgenoten gedeeltelijk voor. Zijn dichterlijk instinct waarschuwt hem dat de dichterlijke boeken van het Oude Testament niet uit het Hebreeuws in het Latijn of in een andere taal kunnen overgzet worden, zonder daarbij zeer te verliezen. Die opmerking was toen nog door niemand gemaakt. Doch voor het overige gaat ook hij zeer willekeurig met de bijbel om; schuift blindelings het Oude Testament tussen het Nieuwe; verzint diepzinnigheden; allegoriseert; behandelt de leerstukken alsof het verhalen, de verhalen alsof het feiten waren; houdt in al het voornaamste zich aan de in zijn tijd gangbare mystieke verklaring.

Wie gevoelt echter niet dat dit spelen van de feodale tijd met de bijbel in een bijbelkennis wortelde die ook daarna, gedurende een reeks van eeuwen, van beslissende invloed op de algemene zienswijze der Europeanen geweest is?

Een Aziaat, die in onze dagen de geschiedenis van Europa wilde bestuderen in Europa's letteren, Europa's kunst, Europa's begrippen van goed en kwaad, Europa's voorstellingen omtrent het bovenzinnelijke, zou voor alles zich een grondige kennis moeten eigen maken, eerstens van het Oude en het Nieuwe Testament zelf, daarna van de betekeins welke door de Europese christenen in verschillende tijden aan die gewijde boeken gehecht is. Zij geven de sleutel tot een groot aantal van onze denkbeelden, verklaren al hetgeen er niet enkel menselijks of nationaals in onze wijs van gevoelen is; zijn als een doorlopende kanttekening bij de vormen van onze verbeelding.

De ontkenning zelf van het bijbelse, die meer en meer tot de gangbare begrippen der Europeanen is gaan behoren, bevestigt de algemeenheid van deze heerschappij. Hetgeen wij de vrije gedachte noemen is voor de ene helft iets positiefs, voor de andere iets betrekkelijks. Met vrij te denken bedoelen wij: anders te denken dan onze voorouders die hun denkvormen naar de bijbel regelden, of dan diegenen van onze tijdgenoten welke bij de bijbelse voorstellingen van een vroeger geslacht voortgaan vrede te vinden.

VI

Bij de Europese volken, die naderhand het protestantisme omhelsd hebben, is de bijbelse geschiedenis zeer in ere gebleven, en zelfs nog in aanzien toegenomen. Men kan zeggen dat zij inzonderheid bij de calvinsten, Fransen voor een deel, Engelsen, Noord-Amerikanen, Schotten, Zwitsers, Nederlanders, tot in het merg der letterkunde doorgedrongen is, en van een groot gedeelte der beeldspraak zich meester gemaakt heeft.

De inhoud van sommige boeken van het Oude Testament daarentegen, die bij de protestanten voor apocrief doorgaan omdat zij oorspronkelijk niet in het Hebreeuws geschreven werden, is vergelijkenderwijs uit het geheugen verdwenen. De legende der christelijke heiligen in nog sterker mate. Protestantse kerken zijn de naam van santinnen en santen blijven dragen, met wier geschiedenis of wier fabel men in protestantse kringen allengs volstrekt onbekend geworden is. Zelfs de uitspraak van die namen is verloren gegaan.

De Middeleeuwen hebben noch zulke weifelingen gekend, noch zulke onderscheidingen. In de middeleeuwse kunst en de middeleeuwse letterkunde zien wij Judas de Makkabeër, wat heiligheid en goddelijke ingeving of leiding betreft, op één lijn gesteld worden met de aartsvader Abraham, of met de apostelen van het Nieuwe Testament. Er zijn talrijke voorbeelden van dooreenmenging der oude en der nieuwere, der ongewijde en der gewijde geschiedenis; zodat koning David, Alexander de Grote, Judas de Makkabeër en Charlemangne, voorkomen als spruiten van één godegewijd heldengeslacht. Bij Dante zijn Beatrice Portinari, gravin Mathilde, Rachel de zuster van Lea, en Maria de zuster van Martha, allen in dezelfde of gelijksoortige graad geestelijke verwanten der heilige Maagd.

De Middeleeuwen eren als heiligen, gelijk op met de helden en heldinnen van de bijbel, alle mannen en vrouwen die korter of langer geleden hetzij gestorven zijn als martelaren voor het geloof, hetzij zich onderscheiden hebben als zusters van barmhartigheid, als zendelingen, als ordestichters, als predikers, als theologen. De middeleeuwse letterkunde beweegt zich in een wereld van voortdurende heiligverklaring. Wanneer Maerlant omstreeks 1270 het leven van Franciscus van Assisi vertaalt, dan is Franciscus een erkend heilige, hoewel hij nauwelijks sedert een halve eeuw niet meer onder de levenden behoort. Lodewijk IX van Frankrijk sterft in 1270, bij Maerlants leven, en wordt in 1297, kort na Maerlants vermoedelijke dood, gecanoniseerd. Bonaventura en Thomas van Aquino, hoewel beiden nog later dan Franciscus van Assisi gekomen, zijn even heilig voor Dante, jongere tijdgenoot van Maerlant, als voor Thomas a Kempis, oudere tijdgenoot van bisschop David van Bourgondië. Dominicus, die in de 13de eeuw de orde der dominikanen stichtte, is bij Dante heilig op dezelfde voet als Benedictus, die in de 6de eeuw het de orde der benedictijnen deed; op dezelfde als Bernardus, die in 1115 de abdij van Clairvaux in het leven riep.

Dit is een der punten waaromtrent de middeleeuwse letteren zeer verschild hebben van onze hedendaagse. Geheel die heiligen-literatuur is sedert deels een voorwerp van geleerde archeologische studie geworden, deels vinden wij haar, voor zover zij het leven nog raakt, slechts in handen van ijverige rooms-katholieken. Van wereld-lectuur werd zij secte-lectuur. Haar inhoud zou door een ander soort van kundigheden vervangen worden.

In elk tijdperk van hun geschiedenis hebben de Europese volken, naarmate deze of gene vorm van wetenschap aan de orde was, daarvan zekere gemeenschappelijke voorraad bezeten en, als het ware, ten einde die in hun geest te kunnen bergen, vroegere voorraden moeten opruimen. Het gemiddelde heeft, voor zover wij dit kunnen berekenen, te allen tijde nagenoeg gelijk gestaan. Wanneer men een klein getal buitengewone vernuften van later uitzondert, dan waren in de Middeleeuwen de Europeanen over het algemeen niet onkundiger dan tegenwoordig. Een aantal zaken, ons bekend, waren hun vreemd; een aantal andere, welke hun levendig voor de geest stonden, doen dit bij ons nog slechts schemerachtig, of in het geheel niet meer. Het beste bewijs dat hun weten, hun denken, hun gevoelen, niet te verachten was, is dat wij ons zoveel moeite geven er in door te dringen en dit vaak zulk een dankbaar werk is.

De Nederlandse bazen der Middeleeuwen hadden de spoorwegbrug over het Hollands Diep niet kunnen bouwen. De algemene kundigheden, daarvoor nodig, waren hun niet eigen. Maar zij bouwden met gemak de toren van Sint Ursula te Delft, en gaven, toen hij voltooid was, een geestelijk concert in het kruis. Let men op de stuitende lijnen der hedendaagse volkspaleizen, en vergelijkt men die bij de lijnen der gothische kerken, dan ziet men dat een vaardigheid, welke vroeger algemeen eigendom was, verloren is gegaan. Evenzo wat de bijbelkennis betreft, en het inzicht in de christelijke symboliek.Voor onkunde is wetenschap, voor wetenschap onkunde in de plaats gekomen.


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster