Conrad Busken Huet

A. C. W. Staring

A.C.W. Staring, Gedichten, ter 3de uitgave nogmaals door wijlen den dichter herzien en met eene inleiding uitgegeven door N. Beets. Haarlem, A.C. Kruseman, 1862.

Thans is daar ongetwijfeld verandering in gekomen, en ten goede; docht tachtig jaren geleden waren in de Groote Kerk te Gouda de voor de leerlingen van de latijnsche en fransche scholen bestemde banken op zoo grooten afstand van den predikstoel gelegen, dat het niet mogelijk was daar ter plaatse een enkel woord te verstaan van hetgeen door den gewijden redenaar verkondigd werd. Ik zal niet zeggen dat de jonge Staring, die van zijn zesde tot zijn zestiende jaar te Gouda school lag en destijds iederen zondag met de gemeente mede opging naar het bedehuis, niet somtijds, vooral bij het naderen van dat zestiende, de genoemde omstandigheid, de genoemde omstandigheid tot voorwendsel gebezigd heeft om onder de preek den blik te laten weiden over de zedigste meisjes in het schip; doch stellig onverdeelder was de aandacht, door hem gewijd aan de fraai geschilderde vensterglazen in het koor en rondom. Dat tienjarig turen, week aan week, op Gouda's wonderwerken, in ongetwijfeld van invloed geweest op zijne vorming; en zoo de herinnering aan die gedwongen tempelbezoeken in de dagen zijner jeugd hem nog in later jaren tot een onregelmatig kerkganger gemaakt heeft, aan dizelfde schijnbaar nuttelooze bedevaarten dankte hij voor een deel zijnen kunstzin, de oudvaderlandsche wending van zijnen geest, de degelijkheid van zijn talent en niet het minst zijne sympathie voor het romantisme.

Er steekt in die negen en twintig geschilderde glazen van Sint Jan, in zijne Beschrijving van Gouda zoo naauwkeurig opgesomd door den Heere Ignatius Walvis, allerhande leering; en Staring was van jongs afaan te leergierig, te ernstig, te nadenkend, om daar zijn voordeel niet mede te doen. Tusschen de vervaardiging van het eerste dier glazen, in 1555 door Georg van Egmont, zestigsten bisschop van Utrecht, aan de uit hare asch vererezen kerk vereerd, en die van het laatste, een geschenk der Staten van Noord-Holland in 1603 of daaromtrent, ligt het belangrijkst tijdvak onzer vaderlandsche geschiedenis. Ziedaar een allegorie, voorstellend de vrijheid der conscientie. Zij is van het jaar '96 en verplaatst u in het vijftiende jaar van den vrijheidsoorlog. Op een triomfwagen, voortgetrokken door de liefde, de eendragt, de geregtigheid, de getrouwheid, en standvastigheid -- vijf vrouwenbeelden -- is de gewetensvrijheid gezeten. In hare maagdelijke hand draagt zij een menschenhart; aan hare zijde eene andere maagd, een ontbloot zwaard voerend, het zinnebeeld der bescherming tegen geweldenarij. Deze laatste, gekleed in een bloedrood gewaad, ligt onder den wagen en vertoont de gedaante van een man. ''Hij steekt het hoofd wat op, doch zijn gebroken zwaard vertoont zijne onmagt.'' Wat er, bij het aanschouwen van deze voorstelling uit de laatste jaren der 16de eeuw, in de laatste jaren der 18de mag zijn omgegaan in den geest van onzen protestantschen schoolknaap? Ongetwijfeld vond zij weerklank in zijn voor de vrijheid geboren gemoed. Zoon en neef van zee-officieren in wier daden nog iets scheen door te schemeren van die stoutheid en dien heldenmoed, waaraan de Republiek eerst hare grondlegging en daarna hare bevestiging dankte, zal zijn hart instinktmatig zamengekropen zijn bij de gedachte aan zieledwang; zal het sneller geklopt hebben bij de herinnering aan het weleer afgeschudde juk. Doch een kerkelijk ijveraar kon die allegorie der geweetensvrijheid van hem niet maken. De geest der 18de eeuw bragt dit niet mede, zijn eigen aanleg evenmin, en ook de geschilderde glazen van Sint Jan moedigden hem er niet toe aan. Twee der oudsten en schoonsten daaronder, een van 57 en een van 59, waren geschenken van spaanschen afkomst: het eene, Salomo's offer en de instelling van het Avondmaal, eene gift van Koning Filips; het andere, Elia's offer en de Voetwassching, van de Hertogin van Parma, 's Konings zuster. Al eerde men de vaderlandsche Hervorming, die in '73 deze twee kunstwerken spaarde, kon men het Katholicisme haten dat de vervaardiging er van opgedragen had aan Dirk Crabeth en aan zijnen broeder Wouter? Die zelfde Wouter schilderde in '66, volgens opdragt van Hertog Erik van Brunswijk, Heer van Woerden (en Rubens oordeelde eenmaal dat dit werk Wouters zegepraal was), de wraak des hemels aan den tempelschenner Heliodorus. Doch al school in de keus van dit onderwerp zekere hoeveelheid roomschgezinde ontevredenheid over de in dat jaar voorgevallen beeldenstormerij, moest broeder Dirk niet reeds in '67 een tegenhanger vervaardigen, de Jeruzalemsche tempelreiniging, en zeide de overlevering niet dat Prins Willen van Oranje, bij het doen van deze bestelling, ten oogmerk had gehad eene stille terechtwijzing toe te dienen aan Hertog Erik? Edele polemiek voorwaar, zich openbarend in het uitlokken van kunstwerken, en wel geschikt om in een van nature opmerkzamen hunmoristischen jongen geest de kiemen te strooijen van eene wereldbeschouwing, waarin aan de menschelijke meeningen em aam haar onderling verschil niet meer waarde toegekend wordt dan zij verdienen. Die Tempelreiniging van Prins Willem, zij was een epigram; en Staring heeft van zijne jeugd afaan een bijzonderen aanleg voor het puntdicht gehad.

Getuige het bijschrift bij de allegorie van de vrijheid der conscientie, maakte men hier te lande in 1596 nog somtijds verzen, die van weinig litterarischen ontwikkeling getuigden, doch hooger dan de litteratuur stond, en sinds lang, de schilderkunst. Dirk en Wouter Crabeth, Lambert van Noord, Dirk van Zijl, waren meesters in dit vak. Niet slechts kenden zij een geheim, dat met hen gestorven is om niet weder te verrijzen, doch aan hunne ongeevenaarde kleurenpracht paarden zij aan een talent van teekening dat aan hunne cartons de waarde gaf van onvergankelijke modellen. Staring kon niet opgroeijen bij de aanschouwing van den arbeid dezer meesters zonder onwillekeurig en ten geode besmet te worden met beginselen van romantisme. Van hetgeen hij in alter tijd voor de middeneeuwen gevoeld heeft, daarvan getuigen zijne verhalen in proza en poëzie, zijne germanistische studiën en liefhebberijen, en zelfs zijne ingenomenheid met het hem in eigendom toebehoorend manuscript van Maerlants Rijmbijbel. Doch nooit, verbeeld ik mij, zxou het overigens regt natuurlijk en vcerklaarbaar protestantsch vooroordeel, dat de geschiedenis der nederlandsche beschaving doet aanvangen bij de Unie van Utrecht, hem zoo vreemd gebleven zijn of zou hij zich zoo gemakkelijk bewogen hebben in zijne geldersche geschiedenissen van den hertogelijken tijd, of zich zoo vermeid hebben in de wereld der ridderlijke en der godsdienstige legende, indien hij niet in zijne kinder- en aankomende jongelingsjaren betooverd ware geworden door de Goudsche glazen. Die glazen zijn het prisma geweest, waardoor hij de midden-eeuwen heeft leeren beschouwen, niet onder de afzigtelijke gedaante van den Zwarten Dood, maar in den dichterlijken kleurengloed der gebroeders Crabeth. En zoozeer schijnt die herinnering uit zijne jeugd te zijn zamengegroeid met zijne geheele persoonlijkheid, dat ik zijne dichterlijke nalatenschap niet beter weet te vergelijken dan bij een der meesterwerken van dien Wouter of dien Dirk; een geheel, even volmaakt van teekening als schitterend van koloriet, zamengesteld uit een aantal in zichzelf schijnbaar onaanzienlijke deelen. Brokjes vensterglas in lood gevat, maar bestemd om nog door de verre nakomelingschap geprezen te worden als een uit één stuk gegoten monument van kunst en arbeid.

Doch hoewel een vereerder der midden-eeuwen, Staring is haar speelbal niet geweest; ook niet, al zouden sommigen van zijne romancen en zijne balladen dit doen gelooven. In Wichard van Pont, in Lenora, in de zwarte Vrouw, in Adolf en Emma, in Folkert van Arkel, in Ada en Rijnoud, is hij welligt niet meer dan genre-dichter. Mijns inziens verspilt hij daar aan ondankbare onderwerpen eene te overvloedige mate van talent. Zijne vaderlandsche romancen, meer bepaald aan de oude geschiedenissen van zijn geliefkoosd Gelderland ontleend, Arnhem verrast, Het schip van Bommel, Hertog van Arnoud, dragen, bij vergelijking gesproken, veel meer den eigenlijken stempel van zijnen geest. Doch ook hier is de romanticus nog niet te eenemaal aan zijn onderwerp ontwassen, en daarbij staat de gelderschman er somwijlen in den weg aan den dichter. Niet alzoo wat betreft dien merkwaardigen cyclus van Jaromir, het uitvoerigste van al Starings dichterlijke gewrochten. In deze vier hoofdstukken, waarin tegelijkertijd de dichterlijke verteller sommigen van zijne schoonste lauweren wint, is de romantiek dienares en werktuig geworden; kneedbare stof in de boetserende hand van den kunstenaar. De dichter wordt hier niet langer bereden door zijn onderwerp, maar is zelf ruiter. Met niet meer dan drie gegevens -- twee waterplassen in de nabijheid van Lochem, waaraan de overlevering den naam van Duivelskolken geeft; het afdruksel van een hondenvoet in de roode vloertegels van de boekerij achter de hoofdkerk te Zutphen; de onjufferlijke naam van Duivelsaars, met dit weinige stelt hij een bewonderenswaardig tafereel uit het midden- eeuwsche leven zamen. Eene boheemsche anekdote, Jaromir te Praag, dient tot inleiding. Zij heet ontleend aan een engelsch tijdschrift, en dit moge zoo zijn; in vruchtbaarder bodem kon de gedachte van den britsche verhaler niet vallen. Jaromir, de aanstaande priester, heeft zich in zijnen studententijd te Praag eene onbetamelijke grap veroorloofd ten koste van Tenterkwaad, in de volkstaal bijgenaamd Heintje Pik. Ledig van beurs en maag wist hij zich in eene herberg een overvloedigen maaltijd en eene warme slaapplaats te verschaffen. Doch tot welke prijs? Het vinden van twee paardenpooten en een koestaart had, terwijl hij hongerig en wanhopig door de velden dwaalde, hem op den inval gebragt om eene enkele maal voor Duivel te spelen. De list gelukte. Den anderen morgen, toen het zou aangekomen zijn op betalen, wist Jaromir zijne paardenhoeven zoo juist van pas aan het voeteneind van het ledikant te doen uitsteken en daarbij met zijnen koestaart zoo behendig te kwispelen, dat de waard en diens bedienden, door hem in de slaapkamer gelokt, niet anders meenden of zij hadden in levendigen lijve den Booze gehuisvest. Men sloeg een kruis, boog zich eerbiedig voor zijne Helsche Majesteit, wilde hooren van nota noch afdoening, en was blijde hem in vrede te zien vertrekken. Doch het vervolg zou leeren dat borgen, in het woordenboek der onderaardsche magten, geenszins opgegeven staat als gelijkluidend met kwijtschelden. Schijnbaar en naar het uitwendige ging het Jaromir voor den wind. De uitgevaste Praagsche akademieburger werd een weldoorvoed Franciskaner monnik en tevens een vermaard exorcist. Hij, wien de armoede weleer gedwongen had zich van zijne voeten te bedienen, spaarde thans zijne beenen en reed te paard. Zijn missiewerk riep hem van de eene stad naar de andere; en aldus geviel het dat hij op zekeren dag, dwars over het Munstersche heidevlak henne, de geldersche landpalen overschreed en Lochem bereikte. Doch hier wachtte hem de vijand van ons aller zielen en van de zijne:

[Jaromir te Lochem]

''In vroeger dagen,'' dus verhaalt de geldersche volkssage, ''kwam een Pastoor van eene andere Parochie te Lochem; juist werd er geluid; zijn fijn gehoor merkte onraad: de klokken waren niet met behoorlijken Doop gewijd! en, door ijver gedreven, strafte hij hare onbevoegde luidruchtigheid met het anathema. Dadelijk werden zij door den Booze weggevoerd, die ze nu doopte op zijne wijs: elke klok in een afzonderlijken waterkolk werpend. Van daar de naam van Duivelsklokken.'' Niet anders handelde Tenterkwaad met Jaromir. Bij 't binnenrijden der stad door klokgelui verrast, komt het dezen ter oore dat men verzuimd heeft het heilig metaal (zijn eerste indruk was geweest dat Lochem jubelde ter eere van hemzelven) naar kerkgebruik te wijden. In toorn ontstoken stijgt hij van zijn ros, begeeft zich onder de menigte, houdt haar staande, wordt door gekwetste eigenliefde welsprekend, vaart uit tegen de vermetelheid der goddeloosheid, en geeft de twee ongedoopte klokken over in de magt des Satans -- die intusschen niets liever verlangde dan dit, en aanstonds het tweetal den toren uit en door het luchtruim met zich medevoerde tot buiten de stad, waar twee waterpoelen ''ten badplaats aan de snaatrende eend, ten spiegel aan de bonte wolken'' strekten. Daar werden ze gedoopt, en sneller dan hij gedacht had ging aldus het vloekwoord van den boetgezant in vervulling. Echter zou het binnen niet vele sekonden blijken dat hij weinig reden had om zich op het goed gevolg van zijne magtspreuk te verhoovaardigen. De klokken ja, de klokken had hij geheeten naar den Duivel te varen; en zij voeren. Maar, want zelfs aan den klerikalen zeloot is het niet gegeven op alles bedacht te zijn:

Maar van de klepels had de schenker niet gesproken,
En Heintje wil voortaan geen kerkeneigendom,
Dan met bewijslijk recht verkrijgen!
Hij rukt de klepels, onder 't pijlsnel opwaart stijgen,
De klokken uit, en smakt ze naar beneën! --
Op welk een hoofd? -- helaas op een....
Geschoren kruin! -- de tong des strafprofeets moet zwijgen!
Dood -- of is 't minder erg -- dan schier
Zoo goed als dood ligt Pater Jaromir.

Dat de pater nog leefde had hij te danken aan de goedgunstge tusschenkomst van Sint Michel, door hem aangeroepen juist op het oogenblik dat de slag hem treffen en hem het hoofd verbrijzelen zou. Hij kwam weder bij, herstelde zich langzaam, en ging zich van zijne te Lochem bekomen wonden vieren in de rustige boekerij der Zutphensche hoofdkerk. Met ijver viel hij daar aan het studeren in de geketende folianten, vond er voedsel voor zijnen geest, en verruimde zich tevens het hart door de aan Sint Michel bezworen gelofte dat hij uit dankbaarheid voor de van dien heilige genoten bescherming om den anderen dingsdag vasten zou. De eerste dier dingsdagen kwam en vond Jaromir verdiept in de Confessiones van Augustinus. Daarin verdiept vond hem omstreeks avondetenstijd ook de custos der bibliotheek. De man zette het spijskorfje als naar gewoonte naast Jaromir neder (hetgeen hij tot hartsterking behoefde werd hem dagelijks hier gebragt) en ging. Dat bovenop het mandje een naar den eisch gesneden hoen zijne mondtergende blankheid ten toon spreidde, dit was noch de schuld der kloosterzuster die het hoen gebraden, noch die van den custos die het binnengebracht had. Hij noch zij droegen kennis van Jaromirs gelofte. De schuldige was niemand anders dan Tenterkwaad, des Paters oude vijand en belager. Jaromir had er een voorgevoel van. Hij zag het hoen, wendde de oogen af, en wijdde eene verdubbelde aandacht aan zijnen Augustinus. Dit baatte, en de zin van het gelezene werd hem allengs duidelijker. Doch daar viel iets op den grond: het waren twee sleutels, een van de kerk en een van de boekerij. Zonder acht te geven op hetgeen hij deed bukte de lezer ten einde het gevallene op te rapen; doch zijne tastende hand dwaalde af en ontmoette, instede van de sleutels het hoen:

En nu de hand niet toe te doen;
't Gegrepen boutje, plots, gelijk een schorpioen
Te laten vallen; of druiloorig aan te gapen,
Als waar' het uit een knol gesneên!
Het niet te proeven! van die reepjes ook geen een --
Geen twee -- tot ongemerkt het halve hoen verdween!
Hadt gij 't gekund? Indien gij ja zegt, ik zeg neen!
Ik had, helaas, met Jaromir gegeten;
Maar 't had mij ook, met hem tot in mijn hart gespeten.

De Booze, in de gedaante van een hond, was in persoon getuige van Jaromirs val, en een lustig getuige daarenboven. In de boekerij gekomen, niemand weet hoe, was hij het geweest die de sleutels had doen afglijden van den lezenaar, gelijk ook hijzelf het was die de andere helft van de hoen met den overigen inhoud van het korfje gul naar binnen slokte; en eer nog zijn slagtoffer den tijd had gehad om zich te bezinnen op het uitbanningsformulier, vloog hij, met de onmisbare sleutels in zijn bek, den muur door en verdween. Jaromir sleet in de boekerij een alleronaangenaamsten nacht, die evenwel niet zonder gunstige uitwerking bleef op zijn gemoedstemming:

De rozekrans wordt straks zijn toeverlaat.
Het honderdste amen sluit het honderdst paternoster,
Als zijn bevrijder komt -- de koster

Door naberouw gekweld vliedt Jaromir het tooneel van zijne ontrouw. Tot zelfkastijding, en ten einde den beleedigden heilige weder te verzoenen, onderneemt hij een verren pelgrimstogt naar de grot van Sint Michiel, te Monte di S. Angelo in het Napelsche. Zoo veel ootmoed zou niet onbeloond blijven. Niet slechts daalde er vrede in zijn gemoed en kregen zijne ingevallen kaken haar verloren vleesch en den blos der gezondheid terug, maar hem toefde in dat zelfde Lochem, waar eenmaal zijn schedel ''eenen buts'' ontving, een onvergankelijkelauwerkrans. Gedurende zijne afwezigheid namelijk had de booze, zich aldaar niet onbetuigd gelaten, en met name had de ongelukkige kapellaan van Lochems bejaarden pastoor veel te lijden gehad van Tenterkwaads aanvechtingen. Gekweld door een hopeloozen en ongeneeslijken hartstogt voor Leonore, het lieftallig Begijntje en zijn buurmeisje, was de liefde dien jeugidgen geestelijke ten slotte in het hoofd geslagen; en deze ramp was niet gering. Doch een grooter en ergerlijker kwaad waren de vormen waaronder, door Satans invloed, de waanzin van den kapellaan zich openbaarde. 's Morgens vroeg, geknield voor het dakvenstertje dat uitzag in den moestuin waar het Begijntje aan den arbeid was, hief hij, instede van het Maria-gegroet, een godlasterlijk Ave Leonore aan; en alsof het niet genoeg ware om den Hemel aldus binnenskamers te bespotten, kwam openbare ergernis de heimelijke vergrooten. Met de oogen onbewogelijk gevestigd op zijn brevier zwierf de kapellaan de buurten rond en zong met luide stem, luider zoo vaak een jongenstroep hem op de hielen zat en hem nabaauwde, het wereldsch minnelied van ''Leonoret, schoon rozekijn.'' Dit duurde, duurde, duurde,

Tot den dag
Dat Jaromir hem hoorde en zag

Door een onbedriegelijk instinkt gewaarschuwd, tracht de bezetene den priesterlijken pelgrim te ontwijken. Doch het uur der wedervergelding had geslagen en het zou blijken dat Jaromir niet vruchteloos ter bedevaart geweest was. Gedreven door denboozen geest die hem overheerschte, vlugt de zingende kapellaan op Jaromirs blik in het hakhout bezijden den weg; doch Jaromir snelt hem achterna en gebiedt hem terug te keeren op zijne schreden:

[Jaromir Gewroken]

Jaromir te Praag, Jaromir te Lochem, Jaromir te Zutphen, Jaromir Gewroken: dit kleine epos in vier zangen meen ik te mogen aanmerken als een welsprekend specimen van al hetgeen verder door Staring in dezen trant gedicht en geschreven is. Tevens merkt het zijne plaats in de geschiedenis onzer letterkunde. Zij ligt achter onzen rug, de periode der romantiek, en het tegenwoordig geslacht moet op zichzelf eene kleine overwinning behalen om er toe terug te keeren in den geest. Hoe is het mogelijk dat onze vaders zoo ingenomen hebben kunnen zijn met zulk een bastaard- genre? dus vragen wij; en ik zou die bevreemding niet onreedelijk heeten, indien niet ons eigen realisme gevaar liep om van den kant onzer zonen eenmaal aanleiding te geven tot eene soortgelijke consternatie. Doch omtrent Staring zal de nakomelingschap getuigen, en dit maakt hem tot den uitnemendste onzer romantici, dat hij het voorwerp zijner liefde lagchend omarmd heeft. Twijfelt iemand of Staring zich te midden van de schertsende vereering zijner midden-eeuwsche goden wel volkomen bewust is geweest van hetgeen hij deed, hij lezen dezen aanhef van het tweede gedeelte der vertelling Marco:

[Marco, II]

Er is een tijd geweest dat ons publiek opmerkzaam gemaakt moest worden op de in zulk soort van verzen, bij hunne overigens onmiskenbare stroefheid, verborgen schoonheden. Het was voor vijf-en-twintig jaren, of daaromtrent, toen de algemeene smaak verwend geworden was door een stroom van zoetvloeijende doch gedachtelooze poëzie. Eene vaste hand, geleid door een geoefend oog, gaf zich destijds de moeite om voor de lezers van den pas gestichten Gids duidelijk te maken dat men een voortreffelijk dichter wezen kan, ook al glijden de verzen niet even gemakkelijk daar henen als regenstralen langs een leijen dak; en dit betoog werd gevoerd met zooveel welsprekendheid en zoo groote overredingskracht, dat nog heden ten dage, wie eene kritische bloemlezing van schoonheden uit Starings gedichten verlangt te lezen, niet beter te doen heeft dan de twee eerste jaargangen van dat maandwerk te raadplegen. Doch de tijden zijn sedert veranderd. Het thans opkomend geslacht hunkert naar een hollandsch vers met eene gedachte er in. Van daar zijne ingenomenheid met Staring. Deze dichter, zegt het, was tevens een kunstenaar en een denker. Doch hoe meer wij Staring liefhebben en bewonderen, des te opregter bejammeren wij het ook dat zoo menige plaats ij zijne gedichten, en met name in zijne verhalen, door duisterheid en gewrongenheid ontsierd wordt. Met zijn geestig epigram:

[Duister]

met dit epigram was Staring volkomen geregtvaardigd tegenover een publiek dat hem oversloeg. Zijne volstrekt niet slaperige vereerders daarentegen hebben reden te meenen dat het isolement, waartoe de tijdgenooten van dezen dichter hem uit onverstand veroordeeld hebben, ongunstig gewerkt heeft op zijne ontwikkeling. Starings voorbeeld is bovendien het eenige niet waaruit blijkt ddat zledzame vernuften, begaafd of bezocht met eene hun alleen eigen tournure d'esprit, instede van door de ongunst des publieks van hunnen aanleg tot impopulariteit genezen te worden, zich integendeel uit fierheid somtijds opzettelijk overgeven aan de rigting-zelve, die scheiding maakt tusschen de groote menigte en hen.

Voor het overige behoort deze aanklagt wegens stroefheid en duisterheid, waar het Starings verzen geldt, beperkt te worden binnen scherpgeteekende grenzen. Zeer juis en in keurige bewoordingen worden die grenzen aangeduid door den heer Beets, ter plaatse waar hij in zijne Inleiding zegt:

[Fragment uit Beets' Inleiding]

Voeg daar dit getuigenis bij, dat hen die Staring alleen van hooren zeggen kennen bevreemden moet, maar nogtans uit den mond van een mededichter niet ongeloofelijk klinken zal: ''Men heeft in Nederland nooit iets geschreven dat in zoetvloeiendheid Starings Herdenking, zijn Zefir en Chloris, zijn Oogstlied, zijne Adeline verbeid overtreft.''

Voor mijzelven zou ik deze laatste rubriek nog aanmerkelijk wenschen uit te breiden. Ik zou haar willen stofferen met al hetgeen in Starings nalatenschap gebragt kan worden tot de rode der klassieke poëzie. Deze romanticus toch was tevens een vereerder der antieken, en dezlefde mondelingsche overlevering die van zijne vroegge aandacht voor het schoon der Goudsche glazen verhaalt, gewaagt ook met name van een exemplaar van Horatius, talloos vele malen doorgelezen, en bij uitzondering (want in den regel was hij uiterst keurig op zijne boeken) tot ontoonbaar wordens toe gehavend. Uitschrijven is hier het geschiktste middel om mijne bedoeling duidelijk te maken en den lezer met mijne klassifikatie te verzoenen:

[Herdenking]

[Adeline Verbeid]

[Oogstlied]

[Zefir en de Bloemgodin]

[Aan de Maan]

[Schoone Smart]

[Belisa in Zwijm]

[De Grot en de Pelgrim]

[Waterloop]

[Gelderland]

[De Min]

[De Bruidegom aan Aurora]

[Aan Favonius]

[Meizang]

Onder deze stukjes is er niet een waarvan men zeggen kan dat het eene navolging is van een of ander antiek model. Zelfs wordt in sommige eene wereldbeschouwing ondersteld waarvan de grieksch-romeinsche oudheid niet afwist. Die Adam en Eva, aan het slot van den laatst aangehaalden Meizang, behooren te huis in eene geheel andere sfeer als waarin men zich oudtijds te Athene of te Rome bewoog. Aan Favonius behelst eene zinspeling op gebeurtenissen uit de nieuwere geschiedenis. Gelderland kon op deze wijze alleen bezongen worden door een dichter van germaanschen bloede. Adeline, reeds deze naam is voldoende om ons aanstonds te verplaatsen te midden van onze modern-poëtische maatschappij. En toch geloof ik niet dat Staring, indien hij minder vlijtig gestudeerd had in zijnen Horatius, een enkel van deze meesterstukjes zou hebben kunnen vervaardigen. Een stukgelezen exemplaar van dezen of genen klassieken auteru maakt wel is waar niemand tot een filoloog van professie. Om op dit gebied de riddersporen te verdienen wordt meer vereischt. Ook gaf staring zich niet uit voor een hellenist of latinist, en de vaderlandsche Ouden -- Hooft, Vondel, Huygens, Cats -- stonden minstens even hoog bij hem aangeschreven als de anderen.[Voetnoot] Ook is Horatius meerendeels slechts eene afgeleide bron, en de beste meesters leeren ons dat zelfs de studie der latijnsche letterkunde, indien die der grieksche daar niet mede gepaard gaat, nog altoos niet meer dan een gebrekkig middel tot iemands klassieke vorming is. Doch aan den anderen kant mag men beweren dat Starings instinkt, door hem schier al zijne liefde te doen vestigen op een enkelen dichter der oudheid, misschien te gelijker tijd den universeelsten van allen, hem geleid heeft op den regten weg. De nederlandsche dichter van den nieuweren tijd moet op zijne eigene wijze een beoefenaar der oudheid zijn. Anders is de roeping van den archaeoloog, anders die van den zanger. Twee dingen kan deze laatste, zal men den geest der oudheid in zijne werken terugvinden, niet ontberen; een reuk- of gezigtsorgaan om het antieke schoon mede op te merken, en om zoo te spreken een venster, zij het ook niet meer dan een, dat op deze elyseesche velden uitziet. In zijnen Horatius bezat Staring zulk een venster; en dat hij daarbij het vereischte oog niet miste, daarvan getuigen in de zoo even uitgeschreven gedichtjes al de voortreffelijke eigenschappen waardoor zij zich onderscheiden. Doch deze twee gaven behooren zamen te gaan, en hij aan wien de eene daarvan diet met de andere geschonken werd, ontbeert ze beiden. Plaats Staring naast Tollens, die tot zijn innig leedwezen de goden van den Olympus niet meer dan van aanzien kende, en het aanmerkelijk verschil tusschen eenvoudigheid en eenvoudigheid wordt u eensklaps openbaar. Tollens is voorwaar in zijne beste verzen geen snoever of grootspreker, en men kan naar waarheid van hem zeggen dat hij als een andere Mozes het beloofde land der ware verhevenheid van verre aanschouwd heeft. Doch heeft hij er ooit den voet in gezet? Bilderdijk en Da Costa deden dit. Zij hebben toonen aangegeven en kreten geslaakt, die Staring niet zou kunnen hebben voortbrengen zonder tot affektatie te vervallen. Het grootsche van beider poezie wordt bij hem gemist. Beiden overtroffen hem daarbij in gemeenzame bekendheid met de oude letteren. Doch hoe vele kostbare gewassen er ook prijken mogen in hunne hof, een bloembed als het daareven aangelegde, zoo fijn van teekening en zoo zacht van geur, ontbreekt er. Hunner was wel het uitzigt, en in ruime mate, doch zij misten het zintuig.

Daareven, en met voorbedachten rade, noemde ik Huygens. Elke beschrijving toch van Starings talent, waarbij niet ook eene aanzienlijke plaats afgestaan werd aan den invloed van dezen Constantin, zou de onvolledigheid-zelve zijn. Bij zijnen dood werden in zijn exemplaar der Korenbloemen meer dan honderd strookjes papier gevonden, verwijzend naar even zoo vele welligt honderd malen overgelezen plaatsen uit het hoofdwerk van den Heer van Zuylichem; en misschien is geen middel geschikter om hemzelf en eene bepaalde zijde van zijne poëzie te karakteriseren, dan kortelijk met eenige voorbeelden aan te stippen waarin volgens hem de voortreffelijkheid van die van Huygens bestond. ALdus, uit het oogpunt van de kunst van versificatie, bewondert hij in dezen de caesuur van sommigen zijner alexandrijnen. Gelijk van deze zes uit de Zeestraat:

Wij hoeven 't in geen hoop ouw' boeken na te lezen,
Hoe schichtig de rivier des Tijdts is; wat een pijl,
Geschoten uit Gods hand; en wat een kleine wijl
Elk tegenwoordig is; ja liever, wat een stippel,
Die niet te noemen is voor dat hij ons onthippel:
Zoodat ons niet en staat te zeggen als ''dat was''
En ''dat zal zijn (zoo 't lukt).'' ''Dat is'' komt nooit te pas.

Of van dit viertal uit den Oogentroost:

Een vrijer staat en kijkt of 't spookte: o Beeld van was!
O, zegt hij, warm ivoor, murw zilver, vochte kralen! --
en die daar nevens staan, en naar de waarheid talen,
En vinden noch koraal, noch zilver, noch ivoor,
Maar vleesch als 't hunne, met bruin ganzenvel daar voor.

Begeert men snedige invallen; sierlijk vernuft? Men sla hem op, zegt Staring, daar hij zegt van den diamant, gevat in het stift dat Anna Visscher gebruikt had om vlugge trekken in eenen roemer te griffen:

't Was een bevrozen drop van Hippokrenes nat.

Wil men leeren, vraagt hij, om van het eene onderwerp, zonder sprong, zonder schijn van dwang, tot het andere over te stappen? men ga by Huygens ter schole. Men bewondere hem in zijn Kostelijk Mal, als hij met anderhalven regel, door de geestige wending, Mevrouw uit hare kleedkamer ter strafpreek naar het bedehuis voert:

De pop is opgetooid. Wie zal haar nu geleien?
Vier hengsten naar de kerk.

of ook wel in de Zeestraat, wanneer hij tusschen twee heterogene episoden zijne lezers laat opstaan van tafel en hen aldus aan zijn hoofdonderwerp herinnert:

De koetsen komen uit en wel gevoerde paarden,
Die maar de spraak gebreekt om, naar verdienst en waarden,
De nieuwe klinkertjes te loven dag voor dag,
Gedenkende de plaag, die hun ten halze lag,
Toen ze, onder het gejuich van luije jonge luiden,
In 't Scheveninger zand hun long te berste kruiden;
Die nu, 't zij nat of droog, 't zij avond zij of nacht,
Naar huis toe dansen gaan, zoo vrolijk als de vracht

Als satiriek karakterteekenaar, beweert Staring, toont Huygens zich een meester zoowel in den Alchymist als in den Dwazen Hoveling; doch wie hem tot eene bedroefde moeder, bij het verlies van hare uitmuntende eenige dochter, hoort zeggen:

Dit is geen ongevoel; ik spreek vol mededoogen;
Zoo nu uw oogen staan, zoo stonden eens mijne oogen.
Toen leed ik dat gij lijdt. Was 't niet een eenig kind,
Dat mij te lijden gaf, een vader die wel mint
Heeft niets als eenige!....

of wie hem in zijne uitbreiding van het Tiende Gebod deze taal Jehova in den mond hoort leggen:

Zwicht, vleeschelijk vernuft: mijn wille zij uw reden!
Wie wil er tegenstaan? wie is er om te onvreden?
Wie roept er mijn gebod voor 't menschelijk geregt?
Ik: de regtvaardige; Ik, Israël, Ik zeg 't!

die behoefte niet te vragen of het dezen spotter welligt aan diep gevoel, of dezen miniatuurschilder aan zeggingskracht ontbroken hebbe. Verlangt men evenwel te weten waar en wanneer Huygens geheel te huis en geheel zichzelve is? Het is wanneer hij verhalen mag van zijne Gedenkwaardige Kijkreis, toen hij in een open rijtuig door de straten van Rotterdam naar den Doelen reed, in gezelschap van zes heeren en dames:

Elk riep om 't zeerst: Kijk hier, Mevrouw; Mevrouw, kijk daar;
Kijk, watte straten, watte winkels, all' vol waar!
Dat's eerst een Rotterdam! zie havens en zie kaaijen,
En wat er woelens is! wij zullen straks eens draaijen,
En zien er nog vijf, zes, all' van denzelfden slag...
Kijk hier, Mevrouw; kijk daar, Mevrouw; nu hier, nu ginder;
Nu weêr wat achterwaarts; wat meer op zij; wat minder...
Dit's een Rotterdammer Markt; en 't Paapje dat daar staat,
Erasmus Zaliger. Zie zijn vernuft gelaat;
Hij staat en mijmert, en vergeet zijn blad te keeren.
Mevrouw, kijk nu eens uit: daar woont een van de Heeren
Van onze Vroedschap; daar een Burgemeester; daar
Zijn Dochter; daar zijn Nicht; daar zijn WijfsBestevaêr;
Daar A; daar B; daar C. -- 't A, B was schier ten ende,
Eer iemand hopen mogt dat m'in den Doel belendde.

Vraagt men ten slotte aan Staring, welke de plaats in Huygens werken is, waar deze dichter zichzelven het naauwkeurigst gekenschetst heeft, -- of leefde er ooit een dichter van de echte soort, die niet onwillekeurig of met onbewustheid zulk eene zelfbeschrijving leverde? -- hij verwijst ons naar de volgende regels uit het 4den Boek van het Dagwerk, waar Constantin tot zijne Sterre zegt:

Mooglijk of de nijd zal lijden
Dat zich, ver van deze tijden
Men beleeft die gunsten niet)
Iemand half genoeg geliet,
(Half gedwongen vond te zeggen:
'Waar mag nu de Dichter leggen,
Die zoo noo 't vertreden pad
Van 't gemeene Rijm het rad,
Die zoo walgde van de woorden,
Die men maar in 't oor en hoorden
Van het flaauw en laauw geluid
Van een al te gladden fluit?'
Sterre, ontschuldig mijn vermeten:
'k Ben onzoenelijk gebeten
Tegen 't lamme laffe lijm
Van den dagelijkschen Rijm!

Deze bekentenis van Huygens is tevens een sleutel op Staring: inzonderheid op den verteller en den puntdichter in hem. Aan Huygens heeft hij haar afgezien, de kunst om met een gering aantal korte en fijne trekken, tot volkomen bevrediging van den lezer, eene vertelling, hetzij aan te vangen, hetzij te besluiten. Niets evenaart in dit opzigt de slotregels der Verjongingscuur:

Annet zong best! Annet wies op;
En eer de Ring haar weêr ontsnapte,
Ging nu het vrijen in galop;
De vischhoek lokte -- 't vischje hapte!
Zij schonk blind weg een Zot haar trouw,
En stierf aan haar berouw.

Niets ook den aanhef der Twee Bultenaars:

Twee wakkre Bultenaars: graaf Ot, die 't pak van voren,
Graaf Freedrik, die 't van achteren droeg;
Begeerden Klara's hand en vrijden dronk genoeg
Maar Jonkvrouw Klara had geen ooren.

Deze vertellingen van Staring, waaronder behalve de twee genoemden en Jaromir ook nog uitmuntten Marco, de Verloofden, Ivo, [Winterzang]

Doch ik mag mijne lezers niet langer doen watertanden naar eene versnapering, waarop voor hen zoo weinig uitzigt bestaat. Welligt ook zouden Starings verhalen ongeschikt bevonden worden voor elk tooneel; en misschien is hunne aangewezen plaats in die gehoorzalen onzer hoogescholen, waar toekomstige kerk- en andere redenaars geoefend worden in het afleeren van den deklamatietoon. Tot hetgeen in hem aan Huygens en in het gemeen aan de vaderlandsche litteratuur der 17de eeuw herinnert, behooren voorts onder zijne epigrammen ook nog die spreuken, waarin rijkdom van levenswijsheid zich paart aan eenvoudigheid en kern van uitdrukking:

[Puntdichten]

Rijk is de verzamleling van Starings puntdichten. Er schuilt daarin, met den heer Beets gesproken, naast menig diep en geestig woord, ook nog de kiem van eene ars poëtica. En nog rijker gestoffeerd zou die bundel zijn, indien sommige kleinere gedichten, nu hier en ginds in de vier deeltjes verspreid -- de Zitbank, Hans en Louw, de Biecht -- even goed als de meer uitvoerige en ongemeen fraai uitgebouwde Verschillende Uitleg, allen te zamen gerangschikt werden onder dit eene hoofd. Doch eene kostelijker verzameling vormen in mijne oogen die gedichten van verschillende inhoud en toon -- de uitgeschreven Winterzang is er een van -- waaruit men, zonder dat de dichter het bedenkt, den mensch en den landheer leert kennen. Er hebben, zoo ver weet, nooit vele punten van aanraking bestaan tusschen Staring en David Jacob van Lennep. Bij eene onderlinge vergelijking van beider dichtwerken zou zich menig kontrast voordoen, en beurtelings zou de schaal van de eene zijde naar de andere overslaan. Woordenrijk zonder breedsprakigheid, is Van Lenneps Poëzie altijd en overal doorzigtig, overal en altijd de gladheid zelve. Staring, somtijds hoekig en duister, is nooit onbeduidend. Een lierzang zoo stout als de Herder op het slagveld van Cannae, een leerdicht zoo uitvoerig als de Werken en Dagen zou hij niet hebben kunnen vervaardigen zonmder aan zichzelven en aan zijnen adem geweld aan te doen. Zoo zou ok Van Lennep op zijne beurt de zeldzame verscheidenheid niet hebben kunnen ten toon spreiden, waardoor Staring zich van hem onderscheidt en hem overtreft. Van Lenneps Duinzang is tooverachtig van welluidendheid, en Da Costa zou den Voorzang der Vijfentwintig Jaren niet geschreven hebben, had deze rhythmus hem niet door het hoofd gespeeld. Doch verhevener, bij grooter soberheid van uitdrukking, zijn Starings Dennen. Van Lenneps Wenschen is een der fraaiste gedichtjes die ooit in onze moedertaal geschreven werden; doch Adeline Verbeid wedijvert er mede en Herdenking spant de kroon. Waartoe meer? Onze litteratuur heeft te groote verpligting beiden aan het Manpad en aan den Wildenborch, dan dat het te pas zou geven den eenen te verheffen ten koste van den anderen. Hoe uiteenloopend overigens het karakter en de vorming van beide dichters moge geweest zijn, met gelijk welgevallen zien wij in onze verbeelding den Kennemerlandschen jager en duinontginner, met de weitasch op zijde en Fingal achter zich aan, omdwalen door het oord waaraan zich zoo vele herinneringen uit den oud-grafelijken en uit nog ouderen tijd verbinden, en den Gelderschen landpatricier met eigen hand het bestek afbakenen van de vaart die zijn goed doorsnijden en den voorvaderlijken heidegrond herscheppen zal in eene vruchtbare beemd. Zeer eigenaardig, tot kenschetsing van de moeijelijkheden die hij daarbij te bekampen, en van de vooroordeelen die hij te overwinnen had, is onder Starings gedichten de Bede aan Mavors met het daarop volgend Spoor aan den Naneef. Over het gemeen heeft zijne muze aan den buitenman in hem de grootste verpligtingen gehad. Ten bate van zijne ware bestemming heeft het landleven hem afgehouden van de politiek. een weinig wierook op het Oranje-altaar van omstreeks het jaar '30, eene handvol aan de Belgen naar het hoofd geworpen puntdichten, een geestig anathema (de Ooijevaars) aan het adres der fransche Republikeinen, een ernstig lied aan het Parijs der Honderd Dagen, daartoe bepaalt zich zijne staatkundige poëzie. Daarentegen vond in hem de maatschappelijke zijde van het moderne leven een warmen bewonderaar. Met bijna profetischen blik voorzag hij de groote sociale omwenteling, weldra te weeg te brengen door Het Stoomtuig, en weinig heeft het gescheeld of hij benijdde aan het jongere geslacht de wonderen, waarvan het eerlang getuige zou zijn. Zijn landbouwershart, hetzelfde dat hem deed juichen in de uitvindingen en verbeteringen van den nieuwen tijd, maakte hem tevens ontvankelijk voor de indrukken der hem omringende natuur. Het graan heeft hij zien groeijen, de popels hooren ruischen, de beek hooren murmelen, de voogels hooren fluiten. Zijn Lentezang is afgeluisterd aan het Geldersch voorjaar, evenals het Vogelschieten nageteekend is naar de Geldersche zeden. Overal vindt men bij hem den dichterlijken waarnemer der vaderlandsche Flora terug, en tot de liefelijkste herinneringen zijner Ada van Holland, wanneer zij in hare Texelsche ballingschap zich het verledene te binnen brengt, behoort ook hoe niet ver van 's Gravenhage ''in het luw der witte duinen 't roosje met den winter spot.'' Buiten was daarbij zijn thuis, en de bescheiden overvloed. (Het Kleine Veiligst) te midden waarvan hij met zijn groot gezin op den Wildenborch leefde, was de bron van menig voortreffelijk gedicht. Daar ontkiemde in zijn gemoed dat godsdienstig geloof welks innigheid in zijne Kerkgezangen staat uitgedrukt, van welks edelmoedige ruimte de Israelitische Looverhut getuigenis aflegt, en welks heimwee hem in het najaar turen deed naar de Kraanvogels. Voor de kinderen vertelde hij daar van Sint Nikolaas en Het bezoek van Fohi; aan de volwassenen las hij er de Verjaardag voor. Daar klopte zijn hart, daar tintelde zijn vernuft. Daar ontwikkelde zich in alle rigtingen, veertig jaren lang een der ongemeenste karakters die de 18de eeuw in ons vaderland aan de 19de vermaakte. De veelzijdigheid van zijn weten en talent maakt het niet gemakkelijk eene beeldtenis van hem te ontwerpen; doch liefst stel ik mij hem voor odner de gestalte van dien wakkeren landman uit den ouden tijd, ergens aldus zingend door hem ingevoerd:

Ik ben uit Geldersch bloed;
Geen vleitoon klinkt mij zoet
Mijn volksspraak, luttel rond,
Geeft nog den klank terug, uit onzer vaadren mond.

Ik ben uit Geldersch bloed
Opregt is mijn gemoed
Aan eenvoud heb ik lust;
Met pracht en weeld komt zorg; genoegzaamheid baart rust

Herinnert deze laatste strofe aan Starings eigen levenswijze en inborst, bij de eerste denkt men onwillekeurig aan sommige hoedanigheden van zijne poëzie.

Junij 1863