s
Ghij maeckte Water Wijn: dat 's klaer als wijn of water; En 't was een wonder-werck. Ghij noemde Brood uw Lijf, En Wijgaerd-sap uw Bloed, en 't was een tucht-bedrijf Tot uw' geheughenis: soo lees ick, en soo staet'er. Mijn ziel vergaapt sich niet aen wat vele eewen later De grove gronden leij van eewelick gekijf; Wie u 'tmirakel, Heer, of aen-schrijv' of ontschrijv, Houd ick voor even boos van opsett en van snater. Gunt mij het recht, het slecht, het oud, het all-gemeen, Het onbemorst gebruijck van wat ghij hebt gesproken; En dit mirakel toe: O God voor mij gebroken, Breeckt nu dit lichaem oock en dese siel van een. Neen, neen, verworpen steen, ghij zijt er van gewroken; Maeckt maer mijn' steen tot vleesch, en maer mijn vleesch tot steen.