Aen heere P.C. Hooft

Constantijn Huighens

Ick byden Helt gestelt, die uyt de Leeuweschoncken
Den oorloghijver soogh, en 't leeuwelycke rap,
Die Troyen helpe' in d'ash en stelden Hector schrap?
Zoo diep en legg' ick niet in eyghen-waen versoncken,

zoo veel en hebb' ick niet uyt Lethe opgedroncken,
Dat ick 's mij weerdigh kenn', al paert het streelend' sap
Van uwe hoofsche pen 'tonnoosel vrijerschap
Van een rondt Batavier bij d' edel' Griecksche voncken.

Wat can hy weerdigh zyn die op stem noch op Dicht
Ervaren, noch luyt mach heeten afgeright,
Veel minder, op het puyck van uytgeleesen zeden?

Dies vinde' ick in u Dicht (Puyckdichter van ons landt)
Const, jonst, geneghentheyt, maet, rijm en reghel-trant,
(Vergeeft mij 't redelijck ontkennen) maer gheen reden.


Dit gedicht is geschreven in antwoord op een sonnet van Hooft.

Ingezonden door Jan Jacobs.