Constantijn Huygens
1596-1687

Berijming van Psalm 79

Haec est consolation mea in afflictionibus meis, argumenta esse mihi statuta tue, in loco peregrinationum mearum Psal. 119

Psal. LXXIX

Hoe lijdelicker leed voltraenden onse oogen,
Doe 's Werelds blinder deel sijn bijtende gebas
Op sijns gelijcken sleet, en 't menschelick medoogen
Het sorgeloos verdriet van onse sielen was;

Hoe smettelicker smert verettert nu de leden
Van dijn' gesalfde, Heer; nu die gespreide wolck
Dijn' erve, Dijn besit, Dijn lot, Dijn' eigenheden
Verstolpet met een' Zee van Mis-geloovigh Volck!

Dijn Heiligh Heilighste, Dijn' Heiligheits vertooning,
Dijn Zielen-offer-huys leght op en over-smett
Van hare grouwelen: Dijn uytverkoren wooning,
Dijn Hooftstadt, steen op steen te morselen verplett.

De wrakeloose moord van Dijne Dienaer-vrinden
Verslaet den heeten dorst van hare wreedtheit niet,
Sy werpense ter proy den vogelen te slinden,
En Dijn' begunstighde den Dieren te geniet.

De bloed en etter-beeck, getapt uyt hare wonden,
Stroomt om de vestingen, als waer 't een water-runn,
En onder allen een en wordter niet gevonden
Die hun het laetste bed van onder aerden gunn'.

Wy, wy wel eer Dijn' roem, wy leden Dijner eeren,
Wy sitten spottelick de schimperen te praet,
Wy zijn der buren jock, en waer wy 't voorhoofd keeren,
Wy sien, wy hooren niet dan vingeringh en smaed.

Hoe lang, gestoorde God, hoe lang verachtst Du 't schreeuwen
Van Dijner kind'ren onuytschreeuwlick ellend?
Bewaertst Du dijne toorn voor aller eewen eewen,
En vlamt Dijn yver-vyer van nu af sonder end?

Laet liever dese Brand de Volckeren verslinden
Die Dijn' almachtigheit al siende niet en sien,
Die aen Dijn' wille-keur haer' willen niet en binden,
En d'eere Dijnes naems haer' plichten niet en biên.

Soo hebben sy verdient, met Jacobs achter-erven,
Trots Dijn' bekommeringh, te smelten in verdriet,
Met sijne wooningen ten gronde te verderven,
Met sijn' besittingen t'on-timmeren tot niet:

Laet Dijn' gedachtenis Dijn' wraeck niet vergelijcken
Met onser Vaderen misdadige wel-eer,
Maer Dijn' barmhertigheit voorkomen ons beswijcken;
Ons' krachten leggen doch wanhopiglick ter neer

O onser saligheits hoop, heul en Heiland, Heere,
Reick ons Dijn' hand en hulp in desen harden stuyt,
Wy hebbense verbeurt, maer, om Dijns names eere,
Wasch ons het swarte vuyl van overtreedingh uyt.

Waeromme soudst Du ons de smaetheid laten dragen
Van de versmaderen van Dij en dijn Gebod,
En waerom ongestraft ons laten achter-vragen,
Waer is haer toevlucht nu en waer is nu haer God?

Laet sulcke lasteraers Dijn Al-Om-zijn ontmoeten
In Dijne wraecks te-recht-bestede vinnigheit,
Soo dat sy voor het bloed in ons gesichte boeten
Dat Dijner dienaren door hun vergoten leit.

Laet der gevangenen versuchten uyt haer' banden
Tot voor Dijn aengesicht door Wolck en Hemel slaen,
Laet Dijnen grooten arm behouden en omhanden
Die op den dorpel-trê van doods-verhuysen staen.

Tel onse buren toe de seven voud vergeldingh
Van 't geen sy ons, Heer, oit hebben aengedaen;
Vul hun de schooden op met all' de selve schendingh
Die Dijne heiligheit van hun heeft uytgestaen.

En wy, Dijn eigen volck, de kudde Dijner weiden,
Wy sullen Dijnen naem de Wereld maken kond:
Ter eewen eewigheit Dijn roem-gerucht verbreiden
En stadigh leven doen in kinders-kindren mond.


Vertaling van hetzelfde gedicht door Vondel
Statenvertaling.
Psalmen-pagina.