MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

INLEIDING.

Het was in den zomer van 18—, dat twee studenten aan de Leidsche Hoogeschool, beiden aan den Uitgever dezes bekende als jongelieden van een uitmuntende inborst en voortreffelijken aanleg, gezamelijk  hun voornemen bewerkstelligden, om de onderscheide gewesten van Noord-Nederland door onderzoek uit eigen oogen van nabij te leeren kennen. Beiden waren van gevoelen, dat, al biedt ons vaderland den oppervlakkigen reiziger, die slechts verpoozing en verstrooiing zoekt, noch schitterende natuurtooneelen, noch uitgezochte vermaken aan, gelijk in andere landen en hoofdsteden te vinden zijn, het desniettemin voor de zoodanigen, die eenmaal geroepen kunnen worden om aan dat vaderland van dienst te zijn, belangrijk is, ja zelfs hun eenigermate als plicht kan worden toegerekend, er de onderscheidene deelen van te leeren kennen, alvorens zij een Engelschen wedloop gaan aangapen, eenige goudstukken aan de farotafels der Duitsche badplaatsen wagen, of een sigaar op de bouwvallen van het coliseum rooken: – ja zij vermeenden dat het hun in rijper leeftijd meer nut zoude doen, wanneer zijn waar het paste, blijken konden geven, niet onbekend te zijn met de zeden en gewoonten hunner landgenooten, en met den inwendigen toestand onser gewesten en steden, ten opzichte der bronnen hunner welvaart of der oorzaken van hun verval, – dan wanneer zij nog zoo mooi konden meepraten over de opvoering der Juive te Parijs, of klagen over het hedendaagsche onderscheid der vroeger zoo gulle Zwitsersch herbergiers, of de Engelsche dames beschrijven, die met taffen parasols de Vesuvius beklimmen, of zelfs een steentje uit den zak halen, uit Pompeji medegebracht.

Zij bezochten op hun voetreis (want wie alles goed wil zien, dient zich van een paar waterdichte en gemakkelijke schoenen te voorzien, zich niet dan uit nood van rijtuigen of trekschuiten te bedienen) ook dat gewest, hetwelk, sedert oude tijden en door alle overheerschingen heen, den naam van Friesland bewaard, en nog het langst zijn oorspronkelijkheid en zelfstandigheid (om het nieuwerwetsch woord eigendommelijkheid niet te bezigen) behouden heeft; ofschoon ook aldaar een nauwere betrekking met andere gewesten en landstreken haar invloed meer en meer begint gevoelen, en de zoogenaamde beschaving er een vroeger ongekende zucht tot navolging heeft ontwikkeld: zodat men reeds Friesche boerenmeisjes ziet, die wijde mouwen dragen, en Friesche burgervrouwtjes, die (wellicht helaas! ten gevolge van verminderde welvaart) den goeden diadeem voor een nieuwmodisch mutsje verwisselen.

Terwijl de een van onze beide wanderlaars, wien wij bij zijn voornaam Gerrit zullen aanduiden, en dit een ontluikend staathuishoudkundige was, zich verdiepte in het onderzoek naar de oorzaken welke die vermindering van nationaliteit teweegbrachten, wendde Willem, zijn makker, die meer bijzonder werk maakte van geschied- en oudheidkundige nasporingen, alle moeite aan, om de overblijfselen der vroege zeden en gebruiken, voor zooverre die nog bestonden, te leeren kennen: en evenals onze oude kennis Robinson van ode de overblijfselen van der Kannibalen feestmaal de sprankjes vuur zocht op te rakelen, die nog onder de asch mochten smeulen, zoo speurde hij de schemeringen der verouderde gewoonten en overleveringen na, en verheugde zich, zoo vaak het hem gelukken mocht, die op te delven van onder den hoop nieuwigheden, daaroverheen gestoven.

Zoo was hij recht in zijn schik geweest, toen hij op een der dorpen een echt Friesche begrafenis in volle tenue naar het kerkhof had zijn kuieren. En toen hij, in de herberg gekomen, vernam dat het harde, in lange sneden gedeelde krentenbrood herkomstig was van de overblijfselen des gehouden lijkmaals, en naar oud gebruik aan de betrekkingen des overleden was rondgezonden, at hij er, at louteren eerbied voor de antiquiteit, drie groote sneden van: terwijl Gerrit, die (hoewel slechts uit honger) niet achterbleef in het orberen van zijn aandeel, met den waard over den prijs der granen sprak, – Zoo juichte Willem, toen hij den rijken schat van kunstig gesnedene beeldjes en versierselen bezag, welke de oude banken der kanunniken in de fraaie hoofdkerk te Bolsward opleveren, en schold op de Redactiën onzer penningmagazijnen, die ons nagedrukte afbeeldsels van uitheemsche merkwaardigheden verschaffen, en die geen teekenaar afzenden om al het bijzondere, daar en elders op eigen bodem, af te schetsen, en ter kenisse van onze landgenooten te brengen: ja, toen Gerrit, met hem op straat komende, zijne bevreemding te kennen gaf, dat men in het bestraten te Bolsward nog meer achterlijk wast dan te Amsterdam, en er niet eens de verontschuldiging bij kon brengen, de gaspijpen de straat bederven, was onze oudheidkenner nog bezig met ten de kerkvoogden te brommen, dat die sommige zitbankjes hadden laten dichtspijkeren, en daardoor ettelijke beeldjes aan het oog onttrokken, en tegen de  vijfennegentigers, die al de wapenen uit de zerken gehakt, en alle tronies van neus beroofd hadden. En, omgekeerd, deelde hij niet in de ergernis van Gerrit, over het afnemen der buitengronden en den slechten toestand van sommige dijken, want het was juist ebbe en zijn geheel ziel was opgelost in verrukking, toe hij door de beschouwing der droge wadden en der kleur van het zeewater boven de banken zich een duidelijk begrip van de voormalige gedaante der zeekust vormen kon.

Eens, op zekeren avond nadat zij zich verlustigd hadden met een wandeling over de bekoorlijke heuvelen van het Gaasterland, kwamen zij aan zekere herberg, nabij een binnenwater gelegen, waar zij den nacht hoopten door te brengen. Zij troffen noch den kastelein aan, noch de kasteleinske, die beiden nar eene naburige kermis getrokken waren, en de dienstmaagd durfde het niet op zich te nemen, hun een bijzondere kamer aan te wijzen, gelijk zij verzocht hadden, ten einde aldaar het gedurende den dag opgeteekende in orde  te kunnen brengen. Zij zouden zich intusschen spoedig met het denkbeeld getroost hebben, dat zij aan den publieken haard wellicht het een of ander opmerkenswaardigs vernemen zouden, ware niet Gerrit door een aanval van kiespijn geplaagd geweest, waardoor hij zich weinig opgewekt gevoelde tot de genoegens van een gezellig onderhoud.

Zij maakten echter van den nood een deugd, en traden het hun aangewezen benedenvertrek binnen, waar zij een viertal personen gezeten vonden, die zich voor zooveel de avondschemering toeliet zulks te onderscheiden, met den geur van de Friesche baai en van het bittere vocht in stille bedaardheid verlustigden. Nadat de gewone groete en het hartelijke vaar jou wel? over en weder gewisseld waren, haalde Gerrit zijn zakdoek uit en plaatste zich aan een tafel, in de houding van iemand, die met kiespijn gekweld is: namelijk hij zette een droevig gezicht, legde den elleboog op de tafel, den doek in de linkerhand en de linkerwang op den doek, sloeg de beenen over elkander, en bleef met de rechtervingers krampachtig op de tafel trommelen.

„Komaan!” zeide Willem: „ stop een pijp; dat zal u goeddoen: ik zal intusschen een flesch wijn laten aanrukken, en dan zult gij uw kwalen wel vergeten. Is dat niet een tarief van wijnen, daarginds? – Voorwaar! zij schijnen hier wel voorzien te zijn! beter dan in een landherberg verwachten zoude! Videamus!

Dit zeggende trad hij naar een groot blad toe, hetwelk in een houten lijst gevat voor den schoorsteen hing, en hetgeen hij voor een wijnkaart had aangezien. Hij bemerkte echter bij ’t naderen dat  hij zich vergist had; het opschrift, daarboven geplaatst, luidde als volgt:

TARIEF DER GALAMADAMMEN.

Gala-Madammen!” riep hij, zich verbaasd omdraaiende: „eilieve Gerrit! Het schijnt, dat er een bijzonder Tarief is voor de dames die hier een vertering maken. Maar waar is nu het Tarief voor de Gala-Heeren?”

„Hm! zoo!” hernam Willem : „men mag niet eens meer een onnoozele woordspeling maken. Denkt uwe hoogverlichte wijsheid, dat ik niet zonder uwe opheldering vatte? Denkje dat ik niet zoo goed en beter dan gij weet, dat zich in deze omstreken de Galamaas ophielden, van den driesten strooper af, die Graaf Floris den Vetten een steek gaf, tot den wakkeren Vetkooper Ige toe?”

„De jongste broeder van Ige was de stamvader van mijn grootmoeder,” zeide met een piepend stemmetje een der aan tafel gezetene personen.

„In waarheid!” riep Willem zich verheugend naar den spreker wendende, een klein, schraal, ineengedrongen mannetje, met een half boersch, half steedsch voorkomen: „heb ik waarlijk de eer, mij een afstammeling der Galamaas in gezelschap te bevinden? – Dan moet er dadelijk licht komen, opdat ik u beschouwen moge, en wijn, opdat ik uw gezondheid drinke.”

„Ja maar! ’t Is alleen van moederszijde,” zeide de Fries. „Mijn naam is Dirk Broddelsma.”

„Om ’t even! Het echte Friesche bloed stroomt u toch nog in de aderen, en gij zult dienvolgens al zoomin tegen een glas wijn hebben als u voorouders: – schoon die meer bier dronken.”

Licht en wijn werden hierop binnengebracht: en Willem, de glazen gevuld hebbende, stelde de gezondheid van der Heer Broddelsma in, die door al de aanwezigen gedronken werd. Alleen Gerrit, die reeds met verdriet voorzag dat de gulhartigheid van Willem tot een drinkpartij aanleiding zoude kunnen geven, welke hun beiden op een goede soms gelds daarenboven zou komen te staan, vergenoegde zich, zijn glas even aan de lippen te brengen en het daarna weder voor zich te plaatsen.

„Hoe is het?” vroeg Willem: „drinkje niet? dan geloof ik waarlijk dat het slecht met u gesteld is.”

„Ik heb mondpijn,” zeide Gerrit, „en geloof dat alle verhitting schadelijk voor mijn is.”

„Er is hier een uitmuntende quack in de buurt,” zeide een der beste aanwezigen: „die een kwade kies zal trekken, trots den besten tandmeester.”

„Het is een geen kies die het doet,” zeide Gerrit; „het is eerder scheurbuik: mijn tandvleesch is gezwollen.”

Tribolet, de hofnar van François I, merkte eenmaal op, dat er geen beroep was, hetwelk zoo algemeen werd uitgeoefend als dat van geneesheer; de waarheid van deze bewering werd ook nu bevestigd: want elk der aanwezigen gaf dadelijk een geneesmiddel aan de hand: de een prees lepelblad aan, de ander sprak van mastik en wierook: een derde schreef zwavel en magnesia voor: een vierde beweerde, dat een pruim van echte baai alle pijn dadelijk zoude stillen; de meid uit de herberg daarentegen hield vol, dat het beste middel in het water over de deur groeide.

„Laat maar wat harntje rijs plukken,” zeide zij: „dat is, afgekookt, de beste mondspoeling tegen alle scheurbuik.”

Probatum est!” riep Willem: „dat is de herbabrittanica, waar Plinius van spreekt en waaraan hij diezelfde pijn stillende krachten toeschrijft.”

„Ik ’loof ook, dat ik die ’evonden heb in de oude receptenboek, dat ik thuis heb,” zeide de afstammeling der Galamaas.

„Een oud receptenboek?” herhaalde Willem, den spreker met een nieuwsgierigen blik aanziende.

„Ja toch! daar is onze familie raar aan ’ekomen: – door dien zelfden Ige Galama, waar jou van sprak.”

Aandachtig schoof Willem zijn stoel bij, en Gerrit zelf, het hoofd oplichtende, keek den verteller met belangstelling aan.

„Jou moet dan weten,” verhaalde de Heer Broddelsma, „dat er op een dorp hier kort bi, dat Hemelum heet, een klooster bestond, waarbinnen een sterke plaats was de Spiker genaamd. Nu had de Abt van dat klooster, die Agge geheeten was en een groot Schieringer… want jou moet weten, dat er twee partieën in Friesland waren, die…”

„Na ja!” viel Willem in, „haec lippis et tonsoribus nota, ’t geen zooveel zeggen wil als vertel maar verder.”

„Nu! de Abt lag overhoop met Ige Galama en zijn broers (waarvan de jongste, Douwe, mijn stamvader was), over eenige pondenmaten lands, daar ze allebei recht op vermeenden te hebben: en het liep zoover, dat de Abt hen in den ban deed: dat was nu zoo de manier in die tiden.”

„’t Mocht wat!” zeide Willem: „de manier was toen, er om te vechten, totdat een van beiden alles inhad.”

„Jawel juust! dat zal jou hooren: Ige en zijn broers lachten wat om diens ban; met behulp van Juw Jongema, die een wakkere Vetkooper was, en van eenige Hollanders, belegerden zij het klooster en namen den Spiker in. Zij haalden er alles uut wat zij vonden: en Ige behield een grooten buut voor zich; maar mijn stamvader Douwe, die een man van studie was, nam er de perkamenten en papieren uut, waaronder er waren, die, zooals men zeide, herkomstig waren uut Sint-Odulf, dat een klooster was nabi Staveren, maar dat nu onder de zee bedolven ligt,”

„En bestaan die papieren nog?” vroeg Willem, verheugd opspringde.

„Ze zijn zoo langzamerhand verbruukt,” zeide de Heer Broddelsma, zijn pijp omdraaiende: „alleen het receptenboek, dat hebben we nog bewaard, want dat komt nog eens te pas als men veel kinderen heeft en de quack is niet bi huus.”

„Verbruukt!” herhaalde Willem: „verbruukt!

’t geen zooveel zeggen wil als: kan men dat receptenboek ook een te zien krijgen?”

„O ja, waarom niet?” antwoordde de gulhartige Fries: „mijn State is hier kort bi, en zoo jou morgen een pijp bi mi wilt komen rooken en een kommeke koffie gebruken, zal ik jou met vermaak dat stukske wizen.”

Willem haastte zich deze aanbieding met dankbaarheid aan te nemen, zonder acht te geven op de wenken van zijn vriend, die van oordeel was, dat hun dat receptenboek een dag nutteloos zoude doen verliezen. Desniettegenstaande liet zich Gerrit, toen op den volgenden morgen zijn mondpijn grootendeels geweken was, zonder dat hij een der hem aangeprezene middelen had aangewend, overhalen om zijn reisgenoot te vergezellen; echter aan zich houdende om, zoodra hij zich verveelde, te mogen aftrekken en een der andere gasten van den vorigen avond te gaan opzoeken, zijnde een schoolmeester, in wiens heiligdom hij hoopte, met den staat van het lager onderwijs daar te lande bekend te worden.

Weldra bereikten zij Broddelsma-state, bestaande uit een nette woning met de daaraan gebouwde ruime voorraadschuur en beestenstal, staande op een werf met enkele dwergachtige pereboomen beplant en door een sloot omgeven. Daar de in Friesland gewone waarschuwing: wacht u voor de hond! ook hier voor het hek te lezen stond, traden onze beide vrienden ook niet eerder de brug over, die de werf van den landweg scheidde, dan voordat hun geroep eerst een grooten dog en eenige keffertjes, vervolgens een drietal kinderen, daarna een knecht en eindelijk een paar knappe boerendeernen had doen te voorschijn komen, die allen (uitgenomen de blaffende honden) op een afstand bleven staan kijken; totdat ten laatste de eigenaar zelf voor den dag trad en hen wellekom heette. In zijn woning getreden vonden zij de koffiekan, den roompot en de witte klontjes reeds op tafel staan en, nadat men een pijp gestopt en aangestoken had, werd het receptenboek voor den dag gehaald uit een glazen kast, waar het tusschen eenige gouden en zilveren zweepen, hoofdstellen, schenkkannen en andere prijzen, op harddraverijen behaald, lag te rusten.

Met bevende handen en het gemoed van eerbied doordrongen, sloeg Willem den juchtlederen band open. Het was een handschrift op perkament, tot opschrift voerende:

THESAURUS ANITATIS
in usum
Venerandi Monasterrii sub patronatu Sancti Odolfi,
collectus ab
Occone Varnesensi,
in eodem monasterio medic. chir, et obstetr. artem excecente.

„Ik denk niet dat de laatstgenoemde kunst den Heer Occo van Warns in een klooster van veel nut zal geweest zijn,” merkte Gerrit aan.

„Zeg dat niet,” zeide Willem: „daar moest gezorgd worden, dat de vrome vaders niet uitstierven; maar bovendien en zonder gekscheren, vermits te dier tijd de kunsten en wetenschappen hier alleen in de kloosters beoefend werden, was het niet meer dan natuurlijk dat elke soort van beroep en kostwinning een vertegenwoordiger moest hebben in gestichten van dien aard, waarheen ieder zich wendde, die eenige hulp, in welk vak of van welken aard ook, voor zich of voor de zijnen van doen had.”

Dit zeggende, bladerde hij het handschrift door, hetwelk in de oude Friesche landtaal met een nette hand geschreven was, en een lijst van recepten bevatte tegen alle soorten van kwalen. Sommige der opgegevene geneesmiddelen waren niet onderscheiden van die, welke ook thans nog in zwang zijn: andere waren van een soort, die sedert in onbruik geraakt is en vereischten een onbepaald geloof aan die wonderbare sympathetische krachten, vroeger toegeschreven aan enkele voortbrengselen uit het plantenrijk en aan de meeste gesteenten en metalen. De juiste ouderdom van het werk viel moeilijk te bepalen, daar het van geen jaartal voorzien was; – maar uit ettelijke kantteekeningen, van een andere, min keurige hand terneder gesteld en onderschreven; Volcardus Abbas, kon men besluiten dat het werk althans ouder zijn moest dan de eerste helft der Veertiende Eeuw, vermits de Abt Volkert gelijk ieder weet, in 1340 nog leefde.

„’t Is jammer, dat uw broeder de dokter hier niet is,” zeide Gerrit tot zijn vriend: „die had daar meer aan dan wij.”

„Wel ja!” zeide Willem; „even alsof onze tegenwoordige geneesheeren iets anders dan een blik van verachting zouden schenken aan een werk, waarin de amethysten als een voorbehoedsmiddel tegen alle giften en de karbonkels als een waarborg tegen verraad worden voorgeschreven. – Maar eilieve! zie eens: hier eindigt het receptenboek en er volgt nog wat anders, dat wellicht merkwaardiger is: hoor eens,” vervolgde hij, overluid lezende:

Hic incipit narratio victoriae memorabilis quam de Hollandis reportaverunt Frisii, nec non aliorum, sempiterna quae memoria digna sunt, negotiorum.

En terstond verder lezende, ontdekte hij, dat het vervolg een Latijnsch verhaal bevatte van den slag, bij Sint-Odulfs klooster in den jare 1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden, bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onze kroniekschrijvers onbekend zijn gebleven, althans niet   door hen vermeld worden.

Deze ontdekking scheen onzen jeugdigen oudheidminnaar belangrijk genoeg toe, om wereldkundig gemaakt te worden: en hij wist, ofschoon met moeite, door zijn welbespraaktheid het zooverre te brengen, dat de Heer Broddelsma hem het Handschrift ter leen afstond; want van een verkoop wilde de goede man niets hooren. Bijzondere huiselijke omstandigheden voor den lezer van geen belang, belettenden echter den jongeling aan zijn plan tot uitgave van het stuk eenig gevolg te geven; maar hij zond het receptenboek aan een geneeskundig tijdschrift, waarin het, zoo wij hopen, eerlang, met ophelderende aantekeningen verrijkt, aan de aandacht van het publiek zal worden aangeboden: en den schrijver van dit voorbericht werd verzocht de uitgave der kroniek aan ’t werk geslagen en tot toelichting van het verhaal de noodige overleveringen, geschiedenissen en localiteiten geraadpleegd, of hij begon te vreezen, dat bij de uitgave, het werk zelf in de massa der noten en ophelderingen zou verstikt worden, iets, dat thans wat algemeen in zwang is geraakt, maar hetgeen hem altijd denken deed aan die stukjes chocolade of suikergoed onzer hedendaagsche banketbakkers, zoodanig met gesatineerde papiertjes, deviezen, verguldsel en prentwerk omtogen, dat niet alleen de prijs van het geheel aanmerkelijk verhoogd, maak ook het hoofdingrediënt tot accessorium wordt. Hij besloot uit dien hoofde de bijzonderheden, in het verhaal vermeld, met die, welke hij door eigen onderzoek en nasporing had leeren kennen, tot een geheel te verzamelen en in den vorm eener doorlopende geschiedenis te boek te stellen: – in hoeverre hij, door dezen arbeid, geslaagd zij aan zijn lezers eenige oogenblikken aangenaam, en (zoo hij hoopt) ook nuttig te laten doorbrengen, zal de toekomst leeren. Wie op de fantastische schildering van execeptioneele personen belust is, zooals de hedendaagsche literatuur onzer naburen die meestal aanbiedt, zal zich bedrogen vinden: hij zal hier slechts menschen aantreffen, zooals zij nog heden ten dagen zijn, met hun goede en slechte hoedanigheden, met hun driften en hartstochten, – maar gewijzigd naar de denkbeelden, zeden en gebruiken van den tijd. Maar hij zal, na het ten einde brengen dezer bladeren, de waarheid daarin bevestigd vinden der stelling, dat, zoo niet al het goede op deze wereld zijn loon noch het kwade zijn straf ontmoet, diegene ten minste, die zich laat overmeesteren door eenigen hartstocht, al ware die zelfs hem, die, uit welk beginsel dan ook, de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, aan wien wij ons motto ontleenen:

Wacht en stille sitt.

[Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 1]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.