MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

EERSTE HOOFDSTUK.

                            daer ’tSticht ter merreckt quam
De Goier, Amstelaer, de Veene- en Waterlander.
Zy staplen vrucht en vee en zuivel op elckander.
Gevolgelte, en gewas, en wat de nooddruft eischt,
Ter liefde van ’t gewin, daer ’t al om draeft, en reist,
En vlet, en vaert, en woelt: terwijl de burgeryen
Van d’eene aen d’ andere weeck, bij deze merckt gedyen.
Een kelder en schappra, met opgepropten schoot.
Bezorgen als de mier haer hol, voor hongersnoot.

Vondel. Inwyding van ’t Stadhuis.

Onder die steden, welke vanouds aan de grafelijke kroon van Holland gelijk zoovele edelgesteenten flonkerden, en wier macht en rijkdom tot een hechten steun verstrekten aan des Landsheer gezag, was Haarlem, gelijk genoeg bekend is, een der voornaamste. Haar ouderdom verloor zich in den nacht der tijden: ’t zij, dat men haar, met Boxhoorn voor de vroege verblijfplaats der Herulen houde en den naam Haarlem, als een verbastering van Herulen-heim aanmerke: ’t zij, dat men dien, met Langendijk, van den Noorman Hariald afleide: ’t zij, dat men met de oude landskronieken veronderstelle, dat zekere Koning of Vorst, Lem genaamd aan de door hem gestichte stad de benaming van Heer Lems stad, naderhand Haarlem hebbe achtergelaten, of met een lateren taalkenner eenvoudig aanneme, dat het woord harel dezelfde beteekenis hebbe als hard, en door harelheim een harde grond te verstaan zijn – genoeg is het, de juist de onzekerheid van dien naamoorsprong de aloudheid der plaats zelve aanduidt.

Aan den over eener rivier gebouwd, waarvan zij zich als van twee armen bedienen kon, om, aan de eene zijde, het Haarlemmermeer en de daarom gelegen landen, aan de andere hij IJ, en door het IJ, de Zuiderzee te bereiken, had zij van deze gunstige ligging reeds vroeg partij getrokken, om een handel te drijven, die, schoon zich zelden verder uitstrekkende dan de gewesten, welke om die binnenzeeën gelegen waren, haar niettemin gelegenheid gaf, om de voortbrengselen van hare door heel Europa beroemde lakenweverijen te slijten en daardoor aan hare ingezetenen welvaart en aanzien te verschaffen: terwijl zij in hare bierbrouwerijen, die de bewoners der omliggende landstreken met den toenmaals zoo algemeenen drank voorzagen, een niet min voordeeligen tak van bestaan gevonden had, vooral, sedert door een grafelijk besluit het verkoopen van vreemd bier binnen Holland verboden en aan Haarlem alzoo een soort van alleenhandel in het graafschap vergund was.

De bekoorlijke omtrek, die zich niet alleen door een in Holland zoo zeldzame heuvelachtigheid onderscheidde, maar ook aan den adel de heerlijkste gelegenheid aanbood om in een klein bestek de rijkste genoegens van jacht en visscherij te smaken, had in de nabijheid der stad een immer toenemend aantal van aanzienlijke sloten en jachthuizen doen verrijzen, wier adellijke bewoners in een schier ongestoorde eensgezindheid met de poorters levende, het hunne  toebrachten om den bloei der stad te bevorderen. En opdat geen roem aan Haarlem ontbreken zou de Graven zelve kwamen meermalen zijn vest bezoeken, waar zij alsdan door hun prachtige hofhouding, door hun mildheid, door het vieren van ridderlijke feesten, welvaart en genoegen onder de ingezetenen verspreidden. Het was vooral aan twee der Graven, die den naam van Willem droegen, dat de Sparenstad groot verplichting had. De eerste van die twee, Koning Willem, was binnen haar wal geboren, en beschonk zijn moederstad met ruime voorrechten, terwijl de andere, Willem van Henegouwen, schoon een uitlander, die stad boven andere tot zijn verblijfplaats koos, en aan haar vooral den naam van den Goede verdiende.

Het was onder de regeering des zoons van dezen Vorst, dat de voorvallen plaats vonde, in deze bladeren vervat, en waarvan de bijzonderen aan de vergetelheid zijn ontrukt geworden op de wijze, aan de lezer medegedeeld.

Het was in het voorjaar 1345, dat een talrijk aantal van naburen en vreemdelingen naar Haarlem was toegestroomd, ter bijwoning van een plechtig feest, hetwelk binnen zijn muren door Graaf Willem den Vierden stond gegeven te worden. Deze Vorst, sedert kort teruggekeerd van een buitenlandschen tocht, waarop hij niet allen het Heilige Land bezocht, maar zich ook met roem beladen had, door op zijn heenreize de Mooren in Spanje, en bij zijn terugreize de ongeloovige Lithauwers op de Pruisische grenzen te bestrijden, had zijn behoudene wederkomst bij zijn onderzaten, op het voetspoor zijns doorluchtigen vaders, met luisterrijke spelen willen vieren, waarop, als naar gewoonte, niet slechts de adel zijner graafschappen, maar ook die des Duitschen rijks bij rondgaande brieven en openlijke bekendmaking was genoodigd. Een aanzienlijk getal dier Edelen had aan deze oproeping voldaan, met dezelfde graagte, waarmede zich thans nieuwsgierigen en lediggangers naar deze of gene stad begeven, waar het een of ander eeuw- of jubelfeest gevierd wordt: ja zelfs zoude ik durven verzekeren, dat de prikkel, die den ader van vroegere tijden naar hunne feestvermaken dreef, nog meerdere kracht bezat. Eensdeels toch was deze soort van spelen de eenige, in dien tijd bekend of in aanzien, terwijl tegenwoordig ieder inwonen eener groote stad dagelijks uitspanningen genoeg kan vinden, en de eeuwfeesten zoo menigvuldig voorkomen, dat zij al het verassende der nieuwheid missen: anderdeels bepaalden zich bij die feesten van vroegere dagen de genoodigden niet altijd bij de rol van stilzittende aanschouwers, maar namen er meermalen een bedrijvige op zich, en keken althans nimmer met een onverschillig oog toe: daar het zelden miste, of er was onder hen, die zich door dapperheid of behendigheid bij die feesten onderscheidden, deze of gene, die met hen vermaagschapt was en wiens bijzondere feiten zij tot eer van hun gansch geslacht konden rekenen en derhalve met innige belangstelling gadesloeg.

Er was dan ook geen kasteel noch adellijke huizinge in den omtrek van Haarlem, die niet te dezer gelegenheid aan ettelijke adelijke gastvrienden tot een tijdelijk verblijf verstrekte, geëvenredigd naar ruimte of geschiktheid. Niet slechts schreef de toen in Europa nog algemeen heerschende gastvrijheid het herbergen van vreemdelingen den slotvoogden voor als een plicht, waaraan zij zich niet mochten en ook niet wilden onttrekken; maar ook waren de Hollandsche Edelen, door hun talrijke en hooge betrekkingen met vreemde huizen, aan onderscheidene der Branbantsche, Vlaamsche, Geldersche, Henegouwsche of Hoogduitsche bezoekers door de banden, van maag- of vrientschap verknocht, en vergolden zij hun door een ruim onthaal de vroegere, door deze bewezene, diensten.

Ook de poorters van Haarlem en de vrije opgezetenen der omliggende dorpen waren niet achterlijk om het voorbeeld der Edelen te volgen, en geen hunner was er, die niet naarmate hem zulks zijn vermogen toeliet, een of meer vrienden van buiten af gehuisvest had, bij wie het feest niet minder belangstelling wekte dan bij den adel; dewijl er toch, behalve de tornooi- en ridderspelen, waaraan de laatste alleen deelnam, onderscheidenene, zoogenaamde mysteriën en volksvermakelijkheden zouden plaats hebben, waarin de goede burgerij de hoofdrol speelde, In onze hedendaagsche eeuw van beschaafdheid en verlichting zou een gelegenheid als deze met gretigheid door de ingezetenen worden te baat genomen, om voordeel te doen met de verlegenheid der vreemdelingen, die huisvesting behoefden: en men zou zich den omslag, voor hun verblijf veroorzaakt, volgaarne getroosten uit aanmerking der hooge huren, die men voor het afstaan zelfs van de kleinste zoldertjes, in logeerkamers herschapen, hun zou afpersen; – doch in die dagen scheen men de waarde van het geld nog niet genoeg op prijs te stellen: en menig burger stond zijn woonvertrekken niet alleen, maar zelfs zijn schuren, bergplaatsen en fabriekszalen, ten behoeve der aangekomene gasten af.

Maar het was niet alleen door wereldlijken, dat de plicht der gastvrijheid werd uitgeoefend. De kloosters, die zoo binnen als buiten de stad waren gelegen, en waarvan ik misschien in de eerste plaats had behooren te spreken, stonden insgelijks voor den bezoeker open; doch hun aantal was te dier tijd in Haarlem nog zeer beperkt: en andere redenen, die later haar plaats in ons verhaal zullen vinden, waren oorzaak, dat zij slechts aan een klein getal der zich aanmeldende vreemdelingen huisvesting konden verschaffen.

Ook de zoodanigen, die zich noch in een geestelijk, noch in een wereldlijk gesticht van een verblijf hadden kunnen voorzien, hadden de noodige voorzorgen genomen, ten einde geen nuttelooze reis te doen: en overal rondom de stad, waar de gelegenheid zich aanbood, hunne tenten nedergeslagen, of brachten, na den geheelen dag in vroolijkheid op de been te zijn geweest, den nacht door in de wagens, karren of vaartuigen, waarmede zijn gekomen waren.

Het was in ’t bijzonder het Sparen en zijn oevers, die bevlekt waren met een aantal vreemdelingen, die, evenals zoovele zwermen land- en watervogels, aldaar de vleugels, voor zoolang het feest duurde, hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt, vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad, aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog niet was gebouwd. Aan dien zuidelijken oever vertoonde zich, op het tijdstip, waar wij van gewagen, een wijduitgestrekte rij van tenten, verschillende in kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een vliegend leger, dat Haarlem was overvallen zoo niet de bonte kleeding der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen, en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen, die er overal tusschen krioelden, het blijde gezang en gejuich en gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers, kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte die er heerschte, een sprekend bewijs had opgeleverd, de „de vernielende krijgsgod” niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot afstand vertoonde zich een paviljoen, grooter in omvang en rijker in versierselen dan de overige, ja soms een houten loods, van waar de groene krans, boven den ingang opgehangen, dan voorbijgangers aankondigde, dat daarbinnen versch bier, blanke melk, zoete meede, ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn en malvezij te vinden waren.

De rivier zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt, geen minder verscheiden tooneel op. Behalve de menigvuldige schuiten en schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten en aan touwen of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen de rivier opvaren en afzakken, beladen met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad gedurende het verblijf der vreemdelingen zou noodig hebben. Groote platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan: in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagen vaten blinken, waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje, dat met warmoes van over van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen: of een armen palingvisscher schier overzeild door een Noorsche kof met mastboomhout geladen: wat verder scholden de schippers van een Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander te verstaan, zoowel woordelijk als overdrachtelijk gesproken. In één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk gegons plaats, dat de stedelingen stellig zou belet hebben, een oogenblik rust te genieten, indien zijn niet zelve op dien tijd alle gedachten aan rust en stilte uit hun geest hadden verbannen.

Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan de westzijde der stad nedergeslagen op de opene plaatsen, welke haar afscheidden van het bosch, of, om den stijl der tijds te gebruiken, van den Houte, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem waardig was, welke het door geheel Holland verkregen had, wegens de fraaiheid van zijn wandeldreven en zijn statig geboomte, terwijl het bovendien het voorrecht bezat van niet, gelijk heden ten dage, een afgesloten hertenkamp te bezitten, maar een werkelijke wildbaan te zijn, waar deze dieren frank en vrij in ’t rond liepen, totdat het den Grave behaagde er een jachtpartij op te houden, of aan zijn Edelen de vrijheid te geven er een te schieten. Eens in het jaar echter en wel op den derden Maandag in Augustus, wat het aan de poorters van Haarlem vergund, zoowel op deze herten, als op al het wild, dat zich in de grafelijke domeinen bevond, onverhinderd jacht te maken, onder gehoudenheid echter van zich tot deze jacht van geen ander geweer dan van stokken en steenen te bedienen, en onder streng verbod van honden met zich te nemen: bepalingen, die natuurlijk de jachtpartij voor het wild minder gevaarlijk maakten: dan stroomde Haarlems bevolking de poorten uit, en bracht den dag door met het najagen der vlugge reebokken, die, voor dergelijke vervolgers weinig bevreesd, slechts zorg droegen zich buiten het bereik der toegeworpen keien te houden, en het overigens beneden zich   achtten, zich om een ijdel geraas van hun gewoone weiplaats te verwijderen. Dan wreekten de teleurgestelde Haarlemmers zich over het mislukken hunner pogingen op de konijnen wier zandpaleizen zij opdolven, om de bewoners in zegepraal des avonds tehuis te brengen, en met gestoofde peren op te smullen. – De graven, die deze jachtpartijen toelieten, zijn lang in ’t stof vergaan: geene herten, loopen meer vrij in Haarlems omtrek rond, en geene jacht zonder akte van den opperjagermeester is meer veroorloofd, maar nog altijd verlaten de Haarlemmers op den derden Maandag in Augustus hun bezigheden, en stroomen zij de poorten uit: niet meer om een jachtpartij te houden, maar om aan de Amsterdamsche vaart een onschuldig kopje thee te drinken, om in tentschuitjes naar de Brouwerskolk te varen, om den Blinkert op en af te loopen, om aan de Dreef in den Hout lamme, kreupele of blinde paarden te zien koopen, om eindelijk, ’t geen wel de voornaamste reden is, te gaan waar iedereen gaat en menschen te zien. De uitspanning is zonder doel geworden, het vermaak is denkbeeldig; en echt zou er een wonderwerk noodig zijn om een gebruik te doen vervallen, hetwelk het verloop der tijden en de rampen der omwentelingen heeft doorgestaan. Zoo waar het, dat geen gezag, geen voorschrift, geene wet, zulk een vermogen heeft, als de veiligheid eener overlevering , die van geslachte tot geslachte bewaard wordt.

De lezer zal mij goedgunstiglijk een uitweiding vergeven, die zich hier als van zelve aanbood, en het mij ten beste houden, zoo ik, om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende hoofdstuk uitstelle.

 

[Inleiding] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 2]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.