MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

DERDE HOOFDSTUK.

Wat dorperheid is dit, onedele gemeente?

„O Jonker Seerp!” riep Sytsken: „spreek een woord voor den armen Feiko, wien men naar de boeien wil brengen.”

De nieuw aangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard welk wapen den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daar van af. De gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid.

„Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?” vroeg hij op zijn beurt, na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog langs den volkshoop rondwaarde.

Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten, stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was en rukte hem uit de macht der knevelaars.

„Nieuwe rebellie!” riep meester Claes Gerritsz: „hei ho! wakkere poorters! laat den gevangene niet ontsnappen!”

„Gij zult mij toch niet willen houden,” riep Feiko, die niets in de wereld boven een Frieschen edelman stelde, „tegen den wil van Jonker Seerp Van Adeelen?”

„Stil Feiko!” zeide deze: „vertel mij wat de reden van dit rumoer is.”

„Wat mocht mij vertellen,” riep Claes Gerritsz: „een vreemdeling mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel 11 van het Pr…”

„Antwoord wanneer met u vragen zal, Haarlemmer mug!” duwde hem Seerp Van Adeelen met bitsheid toe: „of,” vervolgde hij, hem met een donkere blik aanziende: „kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?”

Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden om te gaan, nam het woord op:

„Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u slecht afloopen. ”

„Wij zullen zien,” zeide Adeelen: „wie zich vermeten zal de handen aan hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets van nooden. Volg mij, Feiko. ”

Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zijn stil en besluitloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest; maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo gevreesde Friezen niet meer in ’t aangezicht zag. Dan het bleef niet bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken,

en alles wat met reedst kon vinden by der hant,

om met vader Vondel te spreeken, Adeelen bleef gedurende eenigen tijd zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan; maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien zijner muts bleef hangen kon hij zijn woede niet langer bedwingen; zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den Schout, met staven gewapend op het gerucht komen toeschieten, die, ziende wat er gaande was, ’s Graven vrede uitriepen en de vechters poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen denken meer aan: reeds had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen: van alle zijden drong me aan op den edelman en op Feiko, die aan Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg: – en beiden waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest, zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig einde gemaakt had.

De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars en stalknechs uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap voor hu Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel, lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan, toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen ren naar de kampplaats. Hier kwamen zijn juist bijtijds. Adeelen was door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond reeds gereed hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat, het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn paar midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees en met kracht uitriep: „pais en vree, gespuis van den Satan! Niemand verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?” vervolgde hij, zich tot Walger keerende: „zoo de Graaf verneemt, dat gij, in plaats van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien.”

„’t Is die schoelje, die oorzaak van alles is,” bromde Walger op Feiko wijzende.

„Is het de wil ven den Graaf,” vroeg Adeelen, die opgestaan was en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, „dat men Frieslands afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?”

„Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen,” balkte Claes Gerritsz, „dien art. 16 van het Privil…”

„’t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevallen ten uitvoer moet leggen,” zeide Reinout, den voorvechter der Privileges in de rede vallende.

„Neen, heer Ridder!” riep de Onderschout die, met een gelaat zoo rood als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen: „maar wanneer mijnde dienaars ’s Graven vrede opleggen, behoort die te worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers in bewaring te nemen.”

„Neem dan den aap van den kokeler in bewaring,” zeide Feiko, „want die is de oorzaak van al de opschudding.”

„Geloof hem niet,” riep de hansworst, die gedurende het vechten niet van zijn stellage geweken was: „hij is een valsche munter en draagt de tasch vol ongangbaar koper.”

„’t Is goede Ezekermunt”, zeide Feiko, zijn geld toonende, „die elke schipper mij zal inwisselen.”

„Al genoeg!” riep de Onderschout, aan wien Claes Gerritsz een waarachtig verhaal van het voorgevallene had pogen te geven: „de beide Friezen moeten naar de gijzeling, ten ware zij borg stellen van op den eerstkomende rechtsdag te zullen verschijnen.”

De twee Ridders hadden zich inmiddels te zamen beraden.

„Heer Onderschout!” zeide eindelijk Deodaat, den ambtenaar ter zijde trekkende, „ik mag u in dezen niets voorschrijven: maar een goede raad wil ik u geven: bezin eer gij begint. Gij weet welk belang er de Graaf in stelt de gemoederen in Friesland te winnen. Eene onvoorzichtigheid zoude aanleiding tot nieuwe onlusten en oorlogen kunnen geven.”

„Met dat al……” hernam de Onderschout.

„En u de ongenade des Graven op den hals halen,” vervolgde Deodaat, gevoelende dat deze beweeggrond nog krachtiger zoude werken dan de vorige.

„Dat alles is waar,” hervatte de Onderschout: „maar daar is bloed van onze poorters gestort: daar is schipper Harmen Harmsz., die zijn neus kwijt is, en de bakker aan de Nieuwsteeg, die een houw in ’t been heeft, en anderen meer, die builen en blutsen hebben. Moet onze burgerij zich door vreemdelingen straffeloos laten mishandelen?”

„Schaam u, heer Onderschout!” zeide Deodaat: „zij waren honderd tegen één!”

„Kort en goed,” viel Reinout in: „gij zult uw gijzeling gerust   kunnen gesloten houden; want ik joeg u liever allen in ’t Sparen, eer ik het minste leed aan deze wakkere kerels gebeuren zag.”

„Welaan,” zeide de Onderschout, de schouders ophalende: „indien deze edelman en zijn dienaar zich verbinden willen, ’s Graven vrede met de burgerij van Haarlem te houden en den meester te betalen, die de gewonden zal helpen, dan zullen wij de zaak niet verder drijven.”

„Wat meester!” bulkte de hansworst er tusschen in: „komt bij meester Barbanera, die zal u van alle ondergane kwetsuren genezen, binnen den tijd van drie dagen: neemt den echten Sineeschen balsem, die alle wonden heelt: voor den prijs van drie groot hebt gij een potje.”

„Het is veeleer dat gespuis,” zeide Adeelen, „hetwelk zich verbinden moest, geen hoon meer aan te doen aan Frieslands afgevaardigden of hun dienaars; doch wie zoude zich hunne belofte bekreunen? Ik zal hier geen twist beginnen, tenzij mijn eer gekrenkt worde: en wat uw gewonden betreft, laten zij zich doen genezen.” – Onder het uitspreken dezer woorden nam hij een handvol geld uit de tasch en wierp het den Onderschout voor de voeten.

„Wat u betreft,” vervolgde hij, zich tot de Ridders wendende, „grooten dank voor uw tijdige hulp, zonder welke Seerp Van Adeelen Friesland nooit had kunnen teruggezien. Zijt  echter zoo goed u Graaf te zeggen, dat hij zijn onderzaten in toom houde; want een tweede belediging zoude op een wijze gewroken worden, die hem rouwen mocht.”

„Ik ben niet gewoon dergelijke boodschappen aan uwen en mijn Heer over te brengen,” antwoordde Deodaat eenigzins geraakt.

„Onze Heer weet beleedegingen te voorkomen,” voegde Reinout er bij: „doch hij weet die ook te wreken, op wie dan ook.”

„Onze Heer!” mompelde Adeelen met bitterheid: „ellendig dienstvolk!” – en zonder verdere groete verwijderde hij zich met Feiko en Sytsken.

„Die onbeschaamde!” riep Reinout uit: „een woord neer en mijn degen had hem geleerd de lompe tong te snoeren.”

„Indien een ezel tegen u balkt, zult gij hem het hoofd afslaan?” vroeg Deodaat: „een verachtelijk zwijgen is al wat die ongelikte beren waardig zijn. – Dan wij hebben hier tijds genoeg doorgebracht! Voortgereden! anders komen wij te laat voor het maal.”

De beide Ridders deden hunne rossen de sporen voelen en waren spoedig met hun gevolg door een stofwolk aan elks oog onttogen.

„’t Is de goede tijd niet meer,”  zeide Claes Gerritsz, het hoofd schuddende: „het schijnt wel, dat de ingezetenen niet meer hebben in te brengen.”

„’t Is zeker wat erg,” merkte Walger aan, terwijl hij met een frissche teug uit het lederen fleschje, dat aan zijn bandelier hing, zijne door het gevecht verloren krachten poogde te herstellen, „’t is zeker erg dat twee Friezen hier onze landslui komen doodslaan en door twee Italianen aan de straf ontrokken worden. Blieft gij ook gediend?”

„Is ’t een wonder,” zeide de Marktschrijver, na gebruik gemaakt te hebben van Walgers aanbod, „dat men aan vreemdelingen de voorkeur geeft? Dat zoude onder Koning Willem niet gebeurd zijn, die ons het Privilege gaf, noch onder zijn Zoon Floris, wiens ziel bij God is: maar dat waren ook echte Hollanders: en onze tegenwoordige Graaf is zelf een vreemdeling.”

„Stil!” zeide de Onderschout: „het past niet zulke dingen aan te merken in ’t bijzijn van ’s Graven ambtenaar.”

„Ik zeg niet kwaads,” hernam Claes Gerritsz: „de Graaf is een wijs en dapper man, maar dat hij dien sleep van bloedzuigers uit vreemde landen heeft met zich gebracht, dat moge hij voor God verantwoorden.”

Het wijze mannetje voegde hier nog veel bij, doch wij zullen hem voor het tegenwoordige aan zijn aanmerkingen laten, en trachten onze ruiters in te halen, die nog altijd in vollen draf op weg zijn naar ’s Graven jachtslot, de Voglesang genaamd, een groot uurs gaans ten Zuiden van Haarlem gelegen. Waarschijnlijk zullen sommigen onzer lezers nog meer dan Claes Gerritsz verwonderd zijn geweest, twee Italianen te Haarlem en in het gevolg van den Hollandsche Graaf aan te treffen, en deswege eenige opheldering verlangen, welke wij ook gaarne te dezer plaatse geven, daar wij niet tot diegenen behooren, welke in verhalen van een aard als dit, den lezer gedurende het gansche werk in een pijnlijke onzekerheid laten, ook omtrent die punten, welker verstand noodzakelijk is om den draad van het geheel niet ieder oogenblik te verliezen, en die alle opheldering, ook de meeste noodige, tot de laatste bladzijde verschuiven.

Aan hen, die de geschiedenis des Vaderlands beoefend hebben, zal het gewis niet onbekend wezen, dat Jan van Beaumont, ’s Graven oom en een der volmaaktste Ridders van zijn tijd, door godsdienstijver gedreven, in den jare 1331 een veldtocht tegen de Saracenen in Spanje deed, alwaar hem vele Hollandsche en Henegouwsche Ridders gevolgd waren. De roem van dapperheid en beleid, welke hem vooruit was gegaan, had ook bij edellieden van vreemde landen den lust opgewekt om zich onder  zulk een waardig krijgshoofd in de krijgskunst bekwaam te maken, en lauweren te verwerven, of wel om een reeds verkregen roem te handhaven. Onder deze laatsten onderscheidde zich een edelman uit Opper-Italië, Carlo della Scala geheeten. Twee knapen, der kindsheid nauw ontwassen, waren met hem gekomen, en onder de namen van Rinaldo (of Reinout) en Deodaat van Verona aan Beaumont voorgesteld geworden. Hoe jong nog, reeds vroeg gaven zij blijken van dapperheid en verworven zich de vriendschap van den Henegouwer. In een der aan de Saracenen geleverde gevechten bekwam Carlo della Scala een doodelijke wonde. Zijne einde voelende naderen, riep hij Beaumont een beide jongelingen aan het ziekbed, waarop hij uitgestrekt, en deelde hun de volgende omstandigheden mede.

Te Verona uit een der aanzienlijkste geslachten geboren, had Carlo della Scala zijn jongelingsjaren door al die genoegens en voorrechten zien opgeluisterd, welke rijkdom en aanzien kunnen verschaffen. Een enkele zaak ontbrak aan zijn geluk, of liever belette hem, een waar geluk te smaken; het was het bezit eener gade, zijner waardig. Vurig beminde hij de schoone Bianca di Salerno; doch hopeloos was zijn liefde: daar niet slechts de vader der Veroneesche schoone zijn aanzoeken had afgeslagen; maar ook zij zelve hem menigmalen betuigd had, dat hij zich met haar vriendschap en achting tevreden moest stellen, daar zij hem nimmer wedermin kon schenken. Troosteloos over haar herhaalde weigering , verliet hij zijn vaderstad om in den krijg zijn liefde te vergeten. Toen hij na drie jaren terugkwam, vond hij den staat van zaken veranderd. Bianca was door een dwang haars vaders de echtgenoote van Carlo’s bloedverwant, Francesco della Scala, en die Francesco de dwingeland zijn geboortestad geworden. Onwillig om de snoode inzichten en bedoelingen van deze booswicht door zijn tegenwoordigheid te schragen, of zich in diens paleis te vertoonen, en aldaar het voorwerp zijner liefde onder de heerschappij een anderen terug te vinden, verkocht Carlo zijn bezittingen in Verona en zette zich in Pisa neder. Slechts weinige maanden had hij in zijn nieuwe woonplaats doorgebracht, toen hem op een morgen twee kinderen van ongeveer twee jaren gebracht werden, welke de hovenier aan den ingang van de hof in een korfje had vinden liggen. Een brief werd bij hen gevonden, waarbij Carlo gebeden werd, in naam van de Moeder Gods en van alle Heiligen, het hem toevertrouwde kin, dat uit Verona en van adellijken huize was, tot zich te nemen, en als het zijn op te brengen.

Het is niet te verwonderen, dat Carlo vreemd opzag, vooreerst op het zonderlinge geschenk, ten tweede omdat er in den brief slechts van één kind melding gemaakt werd, terwijl hij er twee uit het korfje zag kruipen, die bitter schreiden en om hun moeder riepen. Ook kon hij niet begrijpen, aan wien hij een zoo vreemde gift, of wel een zoo groot bewijs van vertrouwen verschuldigd was. Dit merkte hij op, dat de knaapjes waarschijnlijk geen broeders waren; want het eene was blond als een zoon van het Noorden, en het andere had de donkere kleur der Italianen.

Zijn medelijden met de onschuldige, hulpbehoevende wezens en de gedachte, dat wellicht de ouders dier kinders als slachtoffer der dwinglandij van Francesco gevallen waren en hunne kinderen daaraan hadden wenschen te onttrekken, zegevierden eindelijk over alle bedenkingen: hij besloot aan het in hem gestelde vertrouwen te beantwoorden en beide knaapjes als de zijne op te voeden. Zij toonden zich de zorg aan hen besteed niet onwaardig. Carlo della Scala hechtte zich gedurig meer aan zijn voedsterlingen, en nam hen, zooras zij in staat waren een zwaard te voeren, als schildknapen met zich naar   Spanje, gelijk wij hierboven verhaald hebben.

De edele man overleed na het afleggen dezer verklaring, zijn paarden, krijgstuig en al hetgeen hij verder aan goud en kostbaarheden had met zich gevoerd, aan zijn pleegkinderen nalatende, die zich nu aan Beaumont hechtten, en na hem het einde van den veldtocht naar Henegouwen volgden. Sedert deelden zijn in al de krijgsbedrijven, door hem of door zijn neef Grave Willem verricht, volgden dezen laatste op zijn reis naar Palestina, en streden in Pruisen aan zijne zijde. Het was daar, dat Willem, reeds lang door de verdiensten der beide jongelingen getroffen, hem op het slagveld tot Ridders sloeg, ondanks het morrende misnoegen van sommige edellieden, die met leede oogen zagen, dat twee gelukzoekers, die geen bewijs van adeldom, zelfs niet van vrije geboorte konden aantoonen, een voorrecht genoten, alleen door den adel weggelegd, en in vele opzichten aan afstammelingen der oude Duitsche geslachten werden voorgetrokken.

Al wie echter billijk dacht, moest de gunst rechtvaardigen, door den Graaf aan de beide jongelingen bewezen. Men zag den mangel aan een erkende afkomst over het hoofd, wanneer men de stouten feiten, door hen bedreven, en de krijgskundige bekwaamheden, die zij bezaten, in aanmerking nam. Bovendien had elk van beiden zijn bijzondere bekwaamheden, waardoor hij zich onderscheiding verwierf, en ontzag of vriendschap inboezemde. Beide waren welgemaakt, uitmuntende in alle soorten van spelen en lichaamsoefeningen, en bij het schoone geslacht, dat den palm meestal rechtvaardiglijk uitreikt, welgezien. Rinaldo, of Reinout, gelijk men hem in Holland noemde, had een wel niet rijzige, maar toch in allen deele fraai gevormde gestalte. Ravenzwart haar krulde hem met bevalligheid op de slapen: zijn gelaatstrekken waren fijn en regelmatig, en,   schoon van nature bleek en door de zuiderzon en vermoeienissen des oorlogs met een gele tint overdekt,  hoogst bevallig en innemend. Geest en scherpzinnigheid straalden uit zijn gitzwarten oogen, wier levendigheid waarde gaf aan alles wat hij zeide. Wat zijn zielshoedanigheden betrof, hij was onverschrokken ondernemend en vroolijk van aard; maar teven wispelturig, oploopend en heerschzuchtig, Aan degenen, die hem onbescheiden vragen of aanmerkingen betreffende zijn geboorte deden, had hij zulks meer dan eens en wel zoo gevoelig doen bekoopen, dat aan anderen de lust vergaan was, hem daarover te onderhouden. Ofschoon hij de min goede zijde van zijn inborst slechts zelden vertoonde, en wanneer het pas gaf met het vernies der hoffelijkheid wist te bedekken, was hij over ’t algemeen meer ontzien en gevreesd dan bemind.

Ander was het gelegen met Deodaat, wiens goedhartigheid en welwillende aard door ieder erkend werden, en hem de genegenheid van het gansche hof verworven hadden. Wel was hij niet van fierheid ontbloot: doch die hooghartigheid zelve weerhield hem zich zulke toespelingen op zijn afkomst aan te trekken, waarop Reinout vlam zoude gevat hebben. Hij begreep terecht dat driftige woorden en uitgetogen zwaard wel ontzag konden baren, doch niet genoegzaam waren om een adelijke geboorte te bewijzen, en vermeed derhalve zorgvuldig alle gesprekken, welke tot dusdanige twisten aanleiding geven mochten. Werd de onbescheidenheid te grof, dan wist hij die te straffen, zoowel zijn als vriend; maar slechts zelden bevond hij zich in de noodzakelijkheid om tot zoodanige uitersten te komen, daar de meesten hem genegen waren en schroomden, een algemeen beminden Ridder en wel ’s Graven lieveling te beleedigen.

Gewoonlijk opgeruimd en kalm, werden zijn ronde en frische gelaatstrekken slechts zelden aangedaan door kommer en verdriet. Er waren korte stonden van zwaarmoedigheid, waarin een pijnlijke gedachte aan den geheimzinnige sluier, die zijn geboorte overdekte, soms toevallig bij hem opgewekt, zijn heldere blauwe oogen met een nevel van droefgeestigheid overdekte, die echter werd opgehelderd, wanneer hij nadacht, dat hij zich in een schooneren maatschappelijken toestand bevond dan hij immer had kunnen hopen of verwachten, en dat hij dien aan zich zelve te danken had.

Gelijk in jaren en omstandigheden en noodlot, wapenbroeders sedert hun prilste jeugd, en op al hun tochten nimmer vaneengescheiden, waren Reinout en Deodaat door de nauwste vriendschapsbanden aan elkander verbonden, ja was het vaak of ééne ziel hun beider lichamen bewoonde. Nooit had de ééne gedachte voor den ander verborgen gehouden: geen wensch werd door den eene gekoesterd, geen plan gevormd, waarvan de ander geen kennis droeg, en waren zij eenige dagen vaneengescheiden, dan scheen het elk hunner toe of hij een zijner zintuigen miste, Men moet hier echte geenszins uit opmaken, dat er altijd een volkomen overeenstemming tusschen hun neigingen en begeerten heerschen bleef: integendeel liepen die somtijds uiteen, en gaven aanleiding tot geschillen, waarbij echter de bedenkingen en tegenwerpingen, welke over en weder gemaakt werden, veel hadden van die, welke iemand zich zelven doet, wanneer hij een besluit moet nemen en het voor en tegen in zijn geest overweegt.

Gelijk wij gezegd hebben, de beide Ridders hadden op een snellen draf den weg naar de Vogelesang genomen; weldra bevonden zij zich op een hoek, waar de weg zich in tweeën verdeelde, nabij de plaats, waar, veertig jaren vroeger, de Vlamingen door Witte van Haemstede aan ’t hoofd der Haarlemmer poorters verdreven waren geweest.

Het was nu ongeveer één uur na den middag en de zon was brandend heet. „Wij komen nog tijdig genoeg,” zeide Deodaat; „zouden wij niet wat zachter rijden?”

„’t is mij wel,” antwoordde Reinout, en zijn paard doende stappen, liet hij de teugels varen en kruiste de armen voor de borst.

„Waaraan denkt gij, dat gij zoo stipt voor u kijkt al een slang op een vogeltje?” vroeg Deodaat in ’t Italiaansch, welke taal zij gewoonlijk te zamen spraken, wanneer zij zich alleen bevonden, of ook wanneer zij door hun knechten verzeld waren, en door dezen niet verlangden verstaan te worden.

„Ik denk aan dien verwaanden Fries”, antwoordde Reinout: „het spijt mij slechts, dat ik hem mijn handschoen niet in ’t gezicht heb gesmeten.”

„Waant gij, dat ik er minder trek toe gevoelde dan gij? Maar wij mochten de belangen van onzen Graaf, die noodzakelijk gevaar loopen bij de minste beleediging, welke dien Friezen wordt aangedaan, niet in de waagschaal stellen.”

„Alles zeer waar: en ik ben niet geneigd tweespalt te verwekken tusschen de Graaf en zijn gehoorzame Friesch onderzaten; maar ik denk de beleefdheid zoover niet  uit te strekken om mijn straffeloos onbeleefdheden te laten zeggen: en om des lieven vredes wille hoop ik, dat ik vooreerst geen van hen ontmoeten zal.”

„Wat mij betreft,” hernam Deodaat: „ik help het u wenschen. Mits het buiten ons toedoen geschiede, zoude een kleine oorlog met Friesland mij niet mishagen, al ware het slechts om het land eens te zien. Ik ben nooit aan gene zijde van de Zuiderzee geweest.”

„Een fijn vermaak! Wij zouden er veel aan hebben om ons met die lompe boeren te meten, bij wie geen eer noch profijt te halen is. Ik trok even gaarne nogmaals tegen de Lithauwer heidenen te velde.”

„Stel Friesland zoo laag niet: er is buit genoeg te halen. Stavoren moet oudtijds een vrij rijkere stad dan Dordrecht of Haarlem zijn geweest.”

„Geweest is leelijk,” merkte Reinout lachende aan.

„En er is oude adel in Friesland, dapper genoeg  om den overwinnaar eer aan te doen.”

„Ik twijfel er niet aan: die Friezen brengen immers hun stamregisters tot Alexander den Grooten.”

„en bovendien de schoonste meisjes, welke op de aarde te vinden zijn,” vervolgde Deodaat.

„Zoo hoor ik; – doch al die logge, roodwangige, blauwoogige Noordsche vrouwen doen mij water-en-melk en zoet koek denken, twee zaken, waar ik een onoverwinnelijken afkeer van heb.”

„Met uw verlof! die kleine deerne, welke ons hulp kwam vragen, deed op mij een geheel andere uitwerking.”

„Inderdaad, zij was niet onaardig… Zoude zij ook tot het gevolg der afgevaardigden behoorden? Zij zijn drie in getale, hoor ik een zekere Heer van Aylva, die, zoo men zegt, een stedelijk ambt bekleedt in de stad Leeuwarden… een fraaie zaak voor een edelman! – dan, die snoever, welken wij uit de handen van ’t gepeupel verlost hebben, en de Abt van Sint-Odulf. Wie van drieën zoude het recht van patronaat over dit meisje uitoefenen?”

„Ik denk geen van drieën, en zou eer gelooven, dat die kloeke gast, die haar in ’t heengaan onder den arm nam, haar onder zijn bijzondere bescherming heeft. Vraag het intusschen eens aan Seerp van Adeelen, en gij zult zien welk antwoord hij u geven zal, indien hij zich slechts niet te verre boven u verheven acht om u te antwoorden; want hij beschouwt zich geloof ik, van hooger adel dan onzen Graaf. Hij waant, naar ik hoor, uit dezen of genen ouden Friesche Koning gesproten te zijn, wiens naam buiten Flie en Lauwers even onverstaanbaar als onbekend is.”

„Een fraai edelman, die met dorpers en boeren gaat bakke leien! – doch van adel gesproken, de pelgrim, die zich belast had met te Verona onderzoek te doen naar onze geboorte blijft lang uit.”

„Wat mij betreft,” zeide Deodaat, „ik wensch van harte dat hij nimmer terugkome.”

„Hoe kunt gij zoo onverschillig zijn omtrent een punt, dat ons zoo na aan ’t hart moest liggen.”

„Onverschillig! – Gij weet het, Reinout! dat zulks bij mij het geval niet is. Neen! ik zou onze Lieve Vrouwe met vurigheid danken, indien ik ten gevolge onzer nasporingen het geluk mocht bereiken van een liefhebbenden vader of een teedere moeder terug te vinden; maar gij weet het,  ik blijf altijd schrikken tegen het denkbeeld, dat de ontdekking onzer afkomst misschien een verwijdering tusschen ons zou kunnen baren. Denk een na, Reinout! indien het eens uitkwame, dat een van ons de afstammeling van een aanzienlijk geslacht en de ander de zoon van een boerenkinkel ware; zou dan de adelijke Ridder zich de vriendschap van zijn wapenbroeder niet schamen? – Zou deze zich even vertrouwelijk en vrij jegens zijn meer verheven vriend gedragen kunnen? – Zou er geen jaloezie in zijn hart ontstaan, wanneer hij zijn voormaligen wapenbroeder door elk geëerd en gevleid, en zich zelf versmaad en veracht zag? – Neen, duizendmaal liever blijf ik in mijn onwetendheid, dan dat ik het gevaar loope van een vriend te missen.”

„Gij hebt gelijk, duizendmaal gelijk, ” zeide Reinout, „ofschoon ik niet geloof, dat iets in staat wezen onze vriendschap te doen verflauwen; – maar met dat al: ik moet uit dien pijnlijken staat onzekerheid, die mij ondraaglijk is, verlost worden, wat het  ook koste. Wat mijn ouder betreft, die verlang ik niet terug te vinden: daar zij onnatuurlijk genoeg waren, mijn te verstooten, hebben zij alle aanspraak op mijn liefde verbeurd; maar ik wil weten wat ik ben: ik wil niet langer blootstaan aan de aanmerkingen dier trotsche hovelingen: zoo ik, gelijk mijn hart het mij voorspelt, uit een aanzienlijk huis geboren ben, dan wil ik hun toonen dat ik met hen op ééne lijn kan staan.”

„En zoo niet?” vroeg Deodaat.

„Zoo niet? – Welnu dan verlaat ik dit hof en ga elders fortuin zoeken;… doch het is onmogelijk! – Ware intusschen die pelgrim maar terug! Ik had hem de boodschap niet moeten opdragen, en hem althans dien brief niet moeten vertrouwen, die bijna het eenige bewijsstuk is onzer geboorte. Hij had een fielten-gezicht en heeft ons zeker misleid.”

„Waarom altijd de menschen gewantrouwd? Laat ons eens narekenen. Wanneer is hij van hier vertrokken?”

„In October of daaromtrent.”

„De wegen zijn vrij. Hij kon in December te Verona wezen.”

„Indien hij niet eerst naar Rome en Loretto gegaan is, gelijk ik vermoede.”

„Dan kan hij moeilijk voor Maart in de hofplaats van Can Francesco zijn aangekomen; en daar hij lang heeft kunnen rondzoeken, is er niets vreemds aan, dat wij nog geen tijding ontvangen hebben. – Zijn wij zelve, toen wij met den Graaf  te Venetië waren, niet naar Verona gereisd, om op te sporen welke kennissen Carlo della Scala daar had gehad, die in staat waren hem een geschenk van twee kinderen te doen? en is onze tocht niet vruchteloos afgeloopen?”

„Een fraaie tocht voorwaar! Twee dagen zijn wij er stil geweest en toen moesten wij weer vertrekken, omdat de Graaf zijn vertrek naar Cyprus niet uit kon stellen.”

„Wij zouden langer tijd gehad hebben,” zeide Deodaat, „indien gij niet ontijdig twist gezocht hadt met een wapensmid, omdat hij ons voor studenten van Padua aanzag: waarlijk! een fraaie reden.”

„Hoe het ook zij, wij hadden den tijd niet om behoorlijke navorschingen te doen; – en wij moesten ons schuil houden voor Can Francesco, die ons als verspieders wilde doen vatten; – maar mij dunkt, dat, wanneer de pelgrim overal rondbazuint, dat de knapen, die bij Carlo della Scala zijn opgebracht, zich thans in hoog aanzien aan het hof des Graven van Holland bevinden, er zich wel iemand zal opdoen, die zich hunner   aantrekt. ”

Deodaat haalde de schouders op en zweeg: en daar zij zich op dat oogenblik in ’t gezicht van ’s Graven jachtslot bevonden, liep hier hun onderhoud ten einde.


[Hoofdstuk 2] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 4]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.