MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen
Zij is het.

Alzire.

Daar de deur half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door geen geklop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf van Walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel, binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige konijnen en een menigte netten en vischwant hingen te drogen. Een tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien.

De zon was sedert geruimen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis verspreid, waarvan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den vorm of de kleur van eenig duidelijk te onderscheiden. Alleen de smeulende gloed van een paar kluiten afgesproken derrie, die op den haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen.

Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de tafel zittende gedaante, welke hij voor de vrouw des boschwachters hield, en die een pak, dat naar een kind geleek op den schoot had. Zonder verder rond te zien naderde hij dit vrouwelijk wezen:

„Vrouwtje!” zeide hij: „kunt gij of uw man even buiten komen om onze paarden vast te houden?”

De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreet van schrik (want zij had de komst van Deodaat niet opgemerkt); doch antwoordde, zich terstond herstellende: „ik ben de vrouw van den boschwachter niet; maar ’t zal nu moeilijk schikken u te helpen.”

De stem was zoo zoet en welluidend, en deed zich in zulk een zachten toonval hooren, dat Deodaat een oogenblik verlegen en opgetogen van verwondering bleef staan: „Vergeef mij,” zeide hij vervolgens: „ik heb, geloof ik, een dommen streek begaan; maar de duisternis belet mij te zien tot wie ik spreek, en welk een titel ik moet geven aan haar, die mij de eer aandoet van mij te antwoorden.”

„Aha! zijt gij het?” vroeg een ander lief stemmetje, ’t welk aan een jong meisje toebehoorde, dat van achter de schouwe uit een donkeren hoek kwam opdagen.

„Mijn mooi Friezinnetje van hedenmorgen!” riep Deodaat vroolijk uit, die Sytsken herkende aan haar uitspraak zoowel als aan haar kleine gestalte en vluggen lichaamszwaai.

„Wacht!” hernam Sytsken: „ik zal licht opsteken; want de kat alleen kan in deze duisternis zien. Vrouw! waar bewaart gij de lamp?”

„Achter, op den schoorsteenrand,” antwoordde, uit de in den donkeren hoek aanwezige bedstede, een flauwe stem, welke Deodaat voor die van des boschwachters huisvrouw herkende.

Het kleine Friezinnetje klom op een bank en kreeg niet zonder moeite de lamp van hare plaats, waarna zij gehurkt bij het vuur ging zitten om licht te verschaffen; maar vruchteloos bracht zij het een aangestokene strootje voor en het andere na bij de pit: het vlammetje was uit eer de olie vuur vatte.

„Ik zal zien of ik helpen kan,” zeide Deodaat, toen het meisje over haar mislukte pogingen onverduldig werd: „de tocht door dien schoorsteen blaast de vlam uit:” en zich op de eene knie naast haar nederlatende, dekte hij het aangestoken vlammetje met zijn toppermuts tegen de lucht, die van boven kwam, waardoor een herhaalde poging gelukkiger slaagde.

Het licht werd nu op de tafel geplaatst; maar, was de verbazing van Deodaat groot geweest, toen hij de liefelijke stem der onbekende gehoord had, hij stond nu als opgetogen, toen hij haar, die zoo bevallig gesproken had, mocht aanschouwen.

Voor zooveel men, nu zij gezeten was, haar gestalte kon beoordeelen, was zij rijzig van postuur; doch haar fijne leest was gewikkeld in een zwarten zijden mantel, die niets liet bespeuren dan de bevallige ronding van een leliewitten arm, die, tegen de toen algemeen heerschende mode, tot boven den elleboog bloot, en om het lijf van een ziekelijk kind, dat op haar schoot zat, geslagen was. De kap van den mantel bedekte het hoofd, en was onder de kin vastgestrikt, doch liet echter vrijheid om de edelste en tevens innemendste wezenstrekken te beschouwen, welke immer in het hart eens jongelings liefde verwekt hebben. De strenge regelmaat des beloops van neus en voorhoofd, welke aan het profiel der Grieksche Juno herinnerden, was getemperd door den zachten, minzaam opslag van twee groote, helder hemelsblauwe oogen, overwelfd door gitzwarte wenkbrauwen, zoo zuiver van omtrek, als waren zij door een penseel gevormd, en door de kuiltjes, welke in de van gezondheid schitterende wangen en in de ronde kin als tot een schuilplaats voor de bevalligheden gevormd waren. Een klein vlekje ter zijde der bovenlip, in stede van het gelaat te ontsieren, stak geestig af tegen de blanke tinten van het fijne, met blauwe adertjes gemarmerde vel, en verhoogde de levendigheid van uitdrukking der wezenstrekken, vooral wanneer zij zich tot een lachje saamtrokken, en de half geopende rozemond de dubbele rij der hagelwitte tandjes ontdekken liet.

„Bij mijn ziel!” dacht Deodaat: „Reinout heeft een heerlijken inval gehad: en ik gun hem zijne zangeres, zoo ik dezen lieven engel op mijn gemak mag blijven beschouwen. – „Waarlijk, bevallige Jonkvrouw!” vervolgde hij, overluid: „Ik dacht weinig, dat de nederige stulp van Walger met zulke bezoeken vereerd werd. Zij strekte menigmalen tot een verzamelplaats voor de jagers; maar zij zou nimmer ledig zijn, indien men altijd zaker ware, er zulke gasten aan te treffen.”

Nauwlijks had hij dezen volzin geëindigd, of hij werd knorrig op zich zelf en vond de geüite plichtpleging laf, ontijdig en ongepast. Het antwoord der schoone versterkte hem in deze opvatting.

„Ik geloof niet,” zeide zij, op een vriendelijken, maar gevoelvollen toon, „dat de jagers, waar gij van spreekt, veel genoegen zouden vinden in een zoo droevig schouwspel als hetgeen deze plaats thans verschaft,” en zij wees den Ridder naar de bedstede, waar hij nu eindelijk een geestelijke ontdekte, oogenschijnlijk gereed de plichten van zijn heilig ambt waar te nemen bij een vrouw, welke op het leger lag uitgestrekt.

„Is de vrouw van Walger ziek?” vroeg Deodaat.

„Er is een ongeval gebeurd,” antwoordde de onbekende: „zij heeft een wond aan het hoofd bekomen.”

„Ja freule!” voegde Sytsken er bij: „zoo gij dat een ongeval noemt… alsof het niet de schuld van dien boozen boschwachter ware: dat het een rechte smijtersbaas is, heb ik van morgen al opgemerkt.”

„Ik heb al meer bespeurd,” zeide Deodaat, het hoofd schuddende, „dat Walger de beste man niet was. Wel Elske!” vervolgde hij, naar de bedstede gaande: „hoe staat het er mede?”

„Ik hoop dat het schikken zal, Ridder!” antwoordde Elske, moeite doende om met het hoofd te knikken: „hadden deze brave menschen mij niet geholpen, ik ware er om koud geweest.”

„Stil!” zeide de geestelijke, die onbeweeglijk naast de bedstede zittende, haar polsslag gade sloeg: „gij moet zoo min mogelijk spreken.”

Corpo di Bacco!” klonk op eens de stem van Reinout, die met vrij wat gedruisch binnen trad: „moet ik tot morgen bij de paarden blijven?”

„Bedaar wat,” zeide Deodaat: „hier is een zieke.”

„En gezonden ook, naar ik merk,” hernam zijn vriend, rondziende: „’t verwondert mij niet, dat gij mij in zulk gezelschap vergeet. Zult gij mij het genoegen doen, mij aan deze jonkvrouwen voor te stellen? want zeker hebt gij reeds kennis gemaakt. – Madre di Dio deze hier heb ik meer gezien.” Dit zeggende pakte hij Sytsken bij den arm, die zich haastig losrukte.

„Jongeling!” zeide vader Syard (want deze  was de monnik, die naast het ziekbed zat) oprijzende, en met een streng gelaat naar hem toetredende: „bewaar uw loszinnigheid voor het hof van Graaf Willem: daar mag zij misschien behagen! hier is zij ongepast.”

„Vergeef mij, Pater!” zeide Reinout, zonder zijn spotachtigen toon te laten varen: „ik had u niet gezien: en ik wist niet, dat deze schoonen zoo gelukkig waren u tot haar beschermheer te hebben;… maar zoo ik mij wel bezin,” voegde hij er bij, op eens van toon veranderende: „draagt gij niet het ordekleed van Sint-Benedictus?”

De monnik knikte toestemmend.

„En dit meisje was het, dat hedenmorgen onze hulp voor Seerp van Adeelen inriep?”

„Dat was ik,” zeide Sytsken: „en nogmaals dank voor uw bijstand.”

„En deze daar,” vervolgde Reinout, met klimmende belangstelling, terwijl hij de onbekende met opgetogen verbazing beschouwde: „behoort ze ook bij u?”

„Wij zijn de Jonkvrouw hier gevolgd,” antwoordde vader Syard.

„Ik ben een zot, een ezel!” riep Reinout, zich voor het hoofd slaande, „vergeef  mij schoone Freule, zoo ik eene, eene enkele uitdrukking gebezigd heb, die uw toorn verwekken kon.”

„Er was geen opzet tot beleedigen,” zeide de onbekende op een vriendelijken toon: „hoe zou ik dan toornig zijn.”

„’t Is hare stem, bij alle Heiligen!” zeide Reinout: „en gij liet mij buiten staan, Deodaat!”

„Ik zou u juist zijn gaan roepen,” zeide Deodaat.

„Maar, wat zegt gij toch?” zeide de Jonkvrouw, die niet van den uitroep van Reinout begreep, terwijl zij eerst dezen, en vervolgens de overigen verlegen aanzag.

„Waarlijk ja,” zeide Deodaat halfluid tegen zijn vriend: „nu meen ik ook de stem te herkennen.”

„Meenen! – Zoo gij het minste gevoel in uw ziel bezat, zoudt gij er zeker van zijn zoowel als ik,” hernam Reinout opgetogen.

„Ik geloof dat die Heeren gek zijn,” zeide de onbekende tegen Sytsken, terwijl zij opstond en haar het kind overhandigde: „zij hebben mij nooit hooren spreken.”

„Neen, maar wel zingen,” zeide Reinout: „en de ooren, die eens de melodie van uw stem dronken, zullen haar nimmer meer met een andere verwarren.”

„Hoe!” zeide de Jonkvrouw, sterk blozende: „gij hebt…”

„Vergeef ons, edele Freule!” zeide Deodaat: „wij zijn onbescheiden geweest. Deze achternoen bevonden wij ons toevallig in den hof van het oude Sint-Jans-klooster… en het was vergeeflijk, dat wij niet vertrokken, voordat de hemelsche muziek geëindigd was, die ons daar mocht boeien.”

„Ik dacht niet dat iemand mij hoorde buiten Sytsken,” hernam de onbekende: „had ik geweten, dat zulke kenners, die beter zang gewend zijn, naar mij luisterden, ik had wel gezwegen: doch kom! ik verpraat mijn tijd… en die arme vrouw ligt ondertusschen te steunen. Hoe gaat het nu, vrouwtje?”

Dit zeggende, plaatste zij zich naast het bed.

„En dat meisje, dat niet terugkomt,” zeide Sytsken: „en de Olderman en Seerp van Adeelen, die misschien al ongerust zijn over uw uitblijven.”

„Dat zal zich wel schikken,” hernam de Jonkvrouw: „lang mij even dat kommetje aan: ik moet het linnen nog eens betten.”

Sytsken legde het kind op het bed, en hield een kommetje met azijn en water voor hare schoone meesteres, terwijl deze met den linkerarm het hoofd der lijderes ondersteunde en met de rechterhand het verband der wond bevochtigde. Deodaat nam dadelijk deze gelegenheid waar om nuttig te zijn: en de lamp van de tafel nemende, hield hij het licht bij. In dien tusschentijd verzocht Reinout den monnik, hem te willen verhalen, wat er voorgevallen was, en bood zijn hulp aan voor zooverre hij van eenigen dienst kon wezen

„Het is ongeveer twee uur geleden,” zeide vader Syard, „dat een klein meisje, naar ik meen het dochtertje van deze vrouw, aan ons verblijf kwam aankloppen en schreiende aan den dienaar, die haar inliet, verhaalde dat haar vader hare moeder doodgeslagen had.”

„Dat is niets nieuws,” merkte Reinout aan: „dat doet Walger alle maanden eens; maar ga voort, Pater.”

„De twist scheen daaruit ontstaan te zijn, dat er in de afwezigheid des mans iemand vanwege den Graaf is gekomen met de boodschap, dat men zijne diensten als boschwachter niet meer noodig had, uithoofde hij zich hedenmorgen in den twist met Seerp van Adeelen gemengd had.”

„Inderdaad, nu herinner ik mij, iets van zulk een bevel gehoord te hebben.”

„De man, die wel beschonken thuis kwam, geraakte op het hooren dezer tijding en van de verwijting zijner vrouw bij die gelegenheid zoo in toorn, dat hij haar met het hoofd tegen de steenen smeet: – wanende dat zij dood was, nam hij de vlucht.”

„Laat hij wegblijven: een schurk minder in de buurt.”

„Men kwam mij dit alles boodschappen, terwijl de afgevaardigden, als u bewust is, afwezig waren. Ik bevond mij juist bij de Jonkvrouw, die terstond begeerde het meisje te zien. Na het ongeval in haar mond vernomen te hebben, besloten wij het kind te volgen, in de hoop, dat zoowel geneeskundige als geestelijke hulp nog tijdig genoeg mocht komen. Wij vonden de vrouw nog altijd bezwijmd, en een kleiner kind kermende op het bed. Met Gods hulp brachten wij haar weder tot haar zelve en de Jonkvrouw verbond de kwetsuur, welke ik mij vlei, dat weldra genezen zal, zoo er geen koorts of ontsteking bij komt.”

„Men beweert,” zeide Deodaat, die mede aandachtig had toegeluisterd, „dat hoofdwonden in dit land niet gevaarlijk zijn.”

„Dit schijnt de ondervinding te bevestigen,” zeide de monnik.

„Er zijn wonden, die even snel geslagen worden en wier genezing onmogelijk is,” zeide Reinout, de Friesche Jonkvrouw met een smachtende blik aanziende. Zij sloeg echter geen acht op zijn ontijdige liefdesverklaring, daar zij bezig was, het verband, dat losgeraakt was, weer vast te hechten.

„Kunt gij ook iets nader bijlichten?” zeide zij: „het springt gedurig los… ’t gaat alweer niet,” hervatte zij, een weinig ongeduldig..

„Met u verlof,” zeide Deodaat; „zoo ik even helpen mag – ik geloof dat ik zie waar het aan hapert.”

„Gij!” zeide de Jonkvrouw, hem eenigzins verwonderd aanziende: „welnu!” vervolgde zij glimlachende: „wijs mij eens te recht.”

„Zie,” zeide Deodaat, de lamp aan Reinout ter hand stellende, die bij zich zelven vloekte: „indien gij het linnen hier dubbel vouwt en er dit end doorhaalt, en voorts kruiselings over het hoofd slaat, kan het verband onmogelijk losgaan.”

Terwijl hij aldus sprak, voegde hij de aanwijzing bij het voorschrift en geleidde de blanke en poezele handjes der schoone over het hoofd van des boschwachters vrouw, niet zonder een zoete zalige trilling te gevoelen, welke die aanraking in geheel zijn wezen teweegbracht.

„Gij hebt gelijk,” zeide de Friezin, toen zij naar eisch geslaagd was: „en ik dank u voor de hulp.”

„Wie had het ooit gedacht?” voegde Sytsken er bij: „dat een Jonker beter een verband zou leggen dan Freule Madzy, die ik niet dacht haars gelijke had.”

„De oorlog maakt ons deze kennis vaak noodzakelijk,” zeide Deodaat: „maar nooit heb ik haar met zoovel genoegen in het werk gesteld als nu.”

Op ditzelfde oogenblik ging de stulpdeur open, en Marretje, des boschwachters dochter, die, nadat haar moeder weer was bijgekomen, door deze was uitgezonden om een buurvrouw te halen, ten einde bij de zieke te waken, kwam springende en in de handen klappende terug, de oude boerin bij de hand geleidende, welke de taak van oppasster zoude waarnemen. – „Goed nieuws!” zeide zij: „ik breng een meester mede, die moeder wel terstond genezen zal.” – Hier zweeg zij plotseling onthutst op het zien der beide Ridders.

„En wie is de kunstenaar, die dat wonder doen zal?” vroeg Reinout, zich omkeerende: „ei zoo! is het die schurk?”

Het was inderdaad meester Barbanera, die de hut binnentrad, en een diepe buiging voor het aanwezig gezelschap maakte.

„Zijt gij het, ongeluksvogel?  vroeg Deodaat: „gelooft gij, dat een der onderzaten van Graaf Willem nog met uwe hulp gediend zal wezen na al de ellenden, die gij hem en zijn huis voorspeld hebt? Verbeeld u, Pater!” vervolgde hij tot den monnik: „dat deze kwakzalver de stoutheid heeft gehad, hedenavond, ter belooning der gunst, waarmede hij op den Vogelesang ontvangen was, niet dan rampen aan onzen Vorst en het daar tegenwoordig gezelschap te voorspellen.”

Meester Barbanera haalde de schouders op en hief de oogen opwaarts, als wilde hij te kennen geven, dat men alleen het gestarnte en niet hem beschuldigen moest. Vervolgens begaf hij zich naar de bedstede en wilde de hand der lijderes nemen om haar pols te voelen, toen Reinout hem bij den kraag vatte en terugtrok.

„Waag het niet haar aan te raken,” zeide hij op een gramstorigen toon, „zoo gij niet begeert dat wij terstond den eersten last des Graven ten uitvoer brengen en u tot een aas de kraaien maken.”

„Gij zoudt kwalijk doen,”  fluisterde de kwakzalver hem in ’t Italiaansch toe: „gij zout daardoor den eenigen man wegruimen die het geheim uwer geboorte kent.”

„Gij!” herhaalde Reinout, in dezelfde taal, terwijl hij de armen vallen liet. „Welnu,” vervolgde hij, hem in een hoek van het vertrek voerende, „morgen te acht uren wacht ik u hier weder. Den brenger van echte tijdingen zal ik rijkelijk beloonen; maar den bedrieger ernstig straffen: wees daarvan zeker.”

„Ik zal komen,” zeide de kwakzalver; „doch onder één beding; gij zegt niets van dit aan uw makker: en gij komt alleen.”

De monnik en Deodaat, bezig met de zieke zijnde, hadden niet van dat gesprek vernomen: „Mij dunkt,” zeide de eerstgemelde, „dat het alleen aan de lijderes staat om te beslissen of zij van de hulp des vreemdelings al of niet gebruik wil maken.”

„Ik gevoel mij beter,” zeide Elske: „en ik hoop dat het zonder medicijnen wel zal schikken; als buurvrouw Machteld bij mij blijft van nacht; want   ik ben doodsbang alleen.”

„In dat geval kunnen wij terugkeeren,” zeide vader Syard tegen zijn twee gezellinnen; „het voegt ons niet, de Heeren aan ’t klooster langer in ongerustheid te laten.”

„Gij zult ons vergunnen u veilig naar huis te geleiden,” zeide Reinout: „het is avond en in de duisternis zoudt gij kunnen verdwalen.”

De monnik nam dit aanbod met een stijve hoofdbuiging aan: Madzy hoorde het niet, of deed of zij het niet hoorde en nam afscheid van de gewonde, haar belovende, den volgenden dag naar haar te komen zien: de kwakzalver werd op zachte wijze de deur uitgeschoven en het gezelschap verliet de hut, Elske aan de zorg van buurvrouw Machteld overlatende.

Het was nu volkomen nacht geworden, en daar de maan nog niet was opgekomen, donker genoeg: zoodat er reeds eenige behoedzaamheid noodig was om den rijweg te bereiken langs het smalle paadje door het kreupelhout, waarop Reinout de anderen voorgin, die hem één voor één volgden. Op den rijweg gekomen, begon men min of meer de vormen der dingen te kunnen onderscheiden en Reinout, den kastanjeboom naderende, greep naar den toom van hetgeen hij voor zijn paard hield.

„Dat is mijn paard niet,” zeide hij: „is het uw vos, Deodaat?”

Dit zeggende liet hij den toom in de hand zijns vriends glijden en sloeg zijn arm om den nek van een ander viervoetig dier; dan op hetzelfde oogenblik gaven beide een kreet van verbazing.

„Wilt gij mij dit paard uit de openbaring voor mijn vos verkoopen?” vroeg Deodaat, de hand strijkende over de uitstekende bouten en knoken van het dier, dat hij vasthield.

„Hier heeft tooverij plaats, bij alle duivels!” vloekte Reinout, die, in de plaats van het spiegelgladde vel van zijn zwarten hengst, de stekelige vacht van een ezel voelde.

„Wat is u toch overkomen?” vroeg vader Syard en de beide meisjes, als uit eenen mond.

„Hier priester! eene bezwering! – het is de booze zelf, die mij in ’t aangezicht vaart,” brulde Reinout, wien een zwart dier, dat zich van des ezels rug scheen los te maken, in ’t aangezicht was gevlogen.

„Cezar! hier!” riep plotseling de stem van den hansworst, die naast de beide dieren, welke hij bewaken moest, zat te dutten, en nu eensklaps opsprong.

„’t Zijn de beesten van den kwakzalver, die wij voor de onzen aanzagen,” zeide Deodaat, in gelach uitbarstende

„Schurk!” riep Reinout, den hansworst in den hals knijpende, „wat belet mij u op de plaats te doorsteken?” en meteen verhief hij zijn dolk op.

„Foei Reinout, schaam u!” zeide Deodaat, hem terughoudende: „een aap, en een nar, zijn dat gepaste kampvechters voor u?”

„”Gij hebt fraai spreken,” hernam Reinout, zijn dolk weder opstekende, „uw gezicht is niet gelijk het mijne, opengekrabd door dat satansche beest.”

Meester Barbanera, die tot nog toe vol angst in het pad teruggeweken was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, dien hij Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom hen deed vliegen, zeggende:

„Loop naar den duivel met uw gesnor. – Waar zijn onze paarden?”

„Dat is waar ook,” zeide Deodaat: „met al die gekheid zijn onze paarden nog zoek.”

„Ik heb hier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek,” zeide de nar.

„Gij hebt ze gestolen, ellendeling!” zeide Reinout: „beken waar zij gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens.”

„Bij Sint-Momus!” zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst op de knieën viel: „ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald, of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb ze niet gezien en de kokeler kan getuigen…”

„Een fraaie getuige!” zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende, die trillende en met gevouwen handen tegen den boom stond geleund: „gehangen zult gij worden, paardendieven!”

„Mij dunkt,” zeide Deodaat tegen den kokeler: „gij, die een waarzegger zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!”

„’t Is wel een oogenblik van gekscheren,” bromde Reinout: „zij mogen zweren wat zij willen, ik zweer hun dat zij er niet heelhuids afkomen, zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen.”

Hier deed de zachte stem van Madzy zich hooren: „Mijne goede Heeren!” zeide zij: „deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien zij uwe paarden gestolen hadden, zouden zij er dan niet mede gevlucht zijn?”

De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking van Madzys bevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die eenigszins verlegen terugtrad. „De Jonkvrouw heeft gelijk,” zeide Deodaat: „en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule! u den weg te wijzen.”

„Gij zijt te goed!” antwoordde Madzy: „zoek eerst de verlorene schapen weer op: wij zullen den weg wel vinden… maar wacht eens!” hier wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het gerucht was komen aanloopen: „zijn deze vrouwen en dit meisje niet met den meester gekomen.”

„Zeer juist!” merkte de monnik aan: „vrouwtje!” vervolgde hij tot Machteld: „waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?”

„Zij zijn ons op den grooten weg achterop gekomen,” was het antwoord.

„Net zoo,” zeide de nar: „wij kwamen van den Vogelesang.”

„Zwijg!” zeide vader Syard: „het wordt u niet gevraagd,” en, zijn onderzoek voortzettende: „zijt gij met hen tot hier gekomen?”

„Dat bennen wij.”

„Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?”

„Ik heb geen biest gezien? jij al, Marretje?”

„Niets dat naar een paard leek,” zeide deze.

„Dan moeten zij vroeger gestolen zijn,” zeide Reinout: „want ik had ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten aan zijn vastgemaakt.”

„Gij kunt er nog de hoeven van bespeuren,” zeide Deodaat, „niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder op stal. Het spijt mij;… maar men moet zich de wereldsche zaken kunnen getroosten.”

„Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb,” zeide Reinout, zich bij Madzy voegende.

„Waarlijk?” zeide deze: – „gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles te verliezen.”

„Kom! genoeg gedraald,” zeide Deodaat: „trek in vrede af, meester Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven. – En wij, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: en wie zou het niet wezen, wanneer hij bij zijne thuiskomst zulk een beminnelijke dochter mist.”

„Ik ben de dochter van den Heer van Aylva niet,” zeide Madzy, terwijl allen zich op weg begaven: „hij is mijn voogd.”

De zoo natuurlijke bescheidenheid, welke ieder jongeling vervult in de tegenwoordigheid van een meisje, dat bij hem een ontkiemend gevoel van liefde verwekt, belette Deodaat verder te vragen. Ook Reinout gevoelde een verlegenheid, welke hij nimmer bespeurend had: het eenvoudig onschuldige van Madzy boezemde hem een eerbied in, welke geen vrouw ter wereld ooit bij hem had doen ontstaan. Men wandelde dus een poos in stilte voorwaarts, zonder dat er een woord gewisseld werd. Eindelijk brak Syard het zwijgen, ten einde de Ridders over de voorzeggingen van meester Barbanera te ondervragen. Zij voldeden aan zijne nieuwsgierigheid: Madzy mengde zich weldra in het onderhoud, en men begon over en weder van vervulde en nog te vervullen profetieën te gewagen.

„Men heeft bij u te lande ook nogal vrij wat op met waarzeggingen,” zeide Reinout tegen Madzy: „ten minste, dit is mij wel verhaald.”

„Dat geloof ik” zeide Madzy, „er wordt bij ons geene stins gebouwd, geen dam gelegd, geen kind geboren, of er is de een of andere monnik, die er het toekomstige lot van voorspelt”

„Ik herinner mij,” zeide Deodaat peinzende, „dat ik eens bij toeval zulk een Friesche voorspelling gehoord heb. Ik ben die meerendeels vergeten: een paar regels zijn mij lang bijgebleven: laat zien.” vervolgde hij, zich het hoofd krabbende, „of ik mij die nog kan herinneren:

As Dekama sine rose forliest,
In dy for Frieslân dat seawetter kiest…

verder weet ik er niet van.”

„Voorzichtig wat!” zeide Madzy, glimlachend: „het is goed, dat gij het niet verder kent: ik ben een Dekama.”

„Gij zult dan misschien het einde van het rijmpje wel weten,” zeide Deodaat.

„Ik had liever gehad, dat gij mij dat rijmpje niet herinnerd hadt,” zeide Madzy, op eenmaal ernstig wordende: „het is misschien dwaas van mij, maar het doet altijd pijnlijke gedachten bij mij ontstaan…”

„O vergeef mij, Freule!” zeide Deodaat, „maar ik betuig u, het was geheel zonder opzet, dat ik het aanhaalde: – uw naam was mij onbekend; en ik stierf liever dan dat ik u het minste leed veroorzaakte.”

Hier zweeg hij en liet Reinout spreken, die, naijverig op zijn vriend, tusschen beiden trad en het gesprek bracht op het gezag, dat Mazdy hun dien achternamiddag had doen hooren. Zij antwoordde zedig en bescheiden: het onderhoud hield aan en werd nu zelfs vroolijk en levendig, zoodat de wandelaars, reeds voordat zij het bemerkt hadden, aan de poort van het voormalige klooster stonden. Hier hadden zij nauwelijks aangeklopt, of de deur werd opengeslagen en zij zagen Aylva, Adeelen en een aantal dienaars met flambouwen, gereed om uit te gaan ten einde de afwezigen te zoeken.

„Daar zijn zij!” riep Aylva verheugd uit: „Madzy! Madzy! is het wčl van u, uwe vrienden zoo in ongerustheid te laten?”

„Ik neem de schuld geheel op mij,” zeide vader Syard: „maar ik kon aan de Jonkvrouw niet weigeren haar een plicht van liefdadigheid te helpen verrichten. Er is hier kortbij een vrouw gekwetst en…”

„Ik hoop dat gij de kruik met olie van Sint-Janskruid hebt medegenomen, welke op mijne kamer staat,” zeide de Abt die op het gerucht was komen aanschommelen en van wonden hoorde spreken.

„En gij ook weer hier, mijne Heeren!” zeide Aylva, eenigzins verwonderd, de beide Ridders te herkennen: „welk een gelukkig toeval verschaft ons opnieuw de eer van uw bezoek?”

„Deze Heeren zijn zoo  goed geweest ons den weg te wijzen,” antwoordde vader Syard voor hen, – „maar zij hebben er ongelukkiglijk hun paarden bij ingeschoten.”

„Inderdaad!” zeide Aylva, deze mededeeling slechts half begrijpende: „maar gij zult ons dat beter binnenshuis verhalen. Wat u betreft, mijn kind!” vervolgde hij, Madzy op het voorhoofd kussende: „ik ben recht verheugd u weer te zien: – gij keert nu naar uwe kamer, nietwaar? en dan, vaarwel tot morgen.”

„God zegene u, mijn waarde voogd!” zeide Madzy: „en u, mijne vaders! – mijne Heeren! ik wensch u wel thuis, en grooten dank voor uw geleide – Seerp van Adeelen! slaap wel: het spijt mij, dat ik u de moeite gegeven heb, nog zoo laat u te wapenen.”

Zij glimlachte bij het uitspreken dezer laatste woorden en wierp een spotachtigen blik op Adeelen, die in ’t borstkuras en met uitgetogen zwaard voor haar stond.

„Indien ik geweten had,” zeide hij, een trotschen blik op de beide Ridders werpende, „dat gij zulke geleiders tot uw dienst hadt, zou ik mij die moeite voorzeker gespaard hebben.”

„Nu word niet boos, Seerp!” hernam zij: „ik ben de eenige niet, die vandaag later, dan wel behoorde, thuis gekomen ben.”

„Zij heeft gelijk, Adeelen!” zeide Aylva, „en gij hadt er erger kunnen afkomen dan zij. – En gij, edele Ridders! aan wie wij een dubbele verplichting hebben, zult gij ons het genoegen niet doen van bij ons uit te rusten?”

„Wij  danken u,” antwoordde Deodaat, na Reinout zijdelings te hebben aangezien: „het is reeds laat en wij moeten naar huis wandelen.”

„Is het anders niet,” hernam Aylva, „wij hebben hier paarden genoeg om u te brengen waar gij zijn wilt.”

„Wij zij u ten hoogste verplicht,” zeide Reinout, wien het gezelschap der Friezen niets aanlokkelijks bood, nu Mazdy zich verwijderd had: „maar ons bijzijn hier ware wellicht ieder niet even aangenaam: (hier gaf Adeelen zijn trotschen blik terug) en wij willen u den avond voor het plechtig gehoor  niet hinderlijk wezen. Ontvangt onzen groet.”

Bij het uitspreken dezer woorden boog hij zich, en ging met Deodaat de poort uit.

Stilzwijgend en peinzend wandelden de beide jongelingen den heirweg langs naar Haarlem, en voor de eerste maal was het, dat zij elkanderen de geheime gedachten, die hen vervulden, schroomden mede te deelen. Wat Reinout betrof, hij was jaloersch op zijn vriend. Hij meende bespeurd te hebben, dat Mazdy dezen meer gunst en vertrouwen betoond had dan aan hem: hij betichtte zelfs Deodaat zich op een listige wijze bij haar ingedrongen en hem de mogelijkheid ontnomen te hebben van zich nuttig en aangenaam te maken. „Waarom,” dacht hij, „,moest ik zoolang buiten staan zonder geroepen te worden? Ik had wel tot morgen kunnen wachten, indien ik niet van zelf gekomen ware. Maar mijnheer begreep de kans schooner te hebben in mijne afwezigheid: – en wat behoefde hij de lamp te houden en de wond te verbinden en zich gedienstig te toonen, anders dan om mij een vlieg af te vangen? Vervloekt zij het zotte denkbeeld, dat ik had, van hem mede te nemen.”

„Reinout had liever alleen moeten gaan,” dacht daarentegen Deodaat: „want zoo hij werkelijk op die Friezin verliefd is, vrees ik dat het mij te veel moeite zal kosten, hem in zijn liefde te helpen. Ik gevoel, dat zij een indruk op mij gemaakt heeft, die nooit bij mij door eene vrouw werd verwekt: en zoo ik haar vaak moest zien, zou ik tot de droeve noodzakelijkheid komen van tusschen haar en mijn vriend te moeten kiezen.”

Eindelijk echter kon zijn edelmoedige ziel het denkbeeld niet langer verduren van eenige achterhoudendheid jegens zijn wapenbroeder te voeden: „Reinout!” zeide hij: „denkt gij morgen weer naar de hut van Walger te gaan?”

Deze vraag, hoe eenvoudig ook, was zoozeer in overeenstemming met de gedachten, welke Reinout op die oogenblikken bezighielden, dat zij hem een trilling door het geheele lichaam verwekte.

„Ik weet het niet,” antwoordde hij, zoo koel als hem mogelijk was: „maar ja,” hernam hij, zich bezinnende: „ik moet er heen: ik moet dien Barbanera spreken, die, zoo hij zegt, van het geheim onzer geboorte onderricht is, en dien ik daar heb bescheiden.”

„En gij zeidet mij niets daarvan,” hernam Deodaat: „was dat broederlijk gehandeld?”

„Gij waart zoo bezig in de hut met uw Friesche schoone, dat ik het te onbescheiden achtte, u te storen: – bovendien moogt gij mijne mededeeling wel op prijs stellen, want Barbanera had mij verzocht, er u niet over te spreken.”

„Waarlijk! – nu dan wil ik ook liever van de heele zaak niets weten: – ňf de kokeler is een bedrieger, wiens eenig doel is, u geld uit de tasch te kloppen: – ňf hij staat met den booze in verbond en dan begeer ik met hem in geene betrekking te komen.”

„Zooals gij wilt: – hij heeft bovendien verlangd, dat ik alleen kwame.”

„Inderdaad, zeide Deodaat, glimlachende: „ik geloof dat gij bij al de bezoeken, die gij voornemens zijt aan dien kant af te leggen, liever van mijn gezelschap ontslagen zijt.”

„Wat meent gij daarmede? vroeg Reinout met hevigheid.”

„Hoor Reinout!” vervolgde Deodaat, terwijl zijn gelaat een ernstiger plooi nam; „gij kunt niet ontkennen, dat de schoone Madzy uw hart heeft getroffen en dat de jaloezie u wantrouwig maakt jegens uw besten vriend.”

„Uw eigen gevoel zal u zeggen of ik daartoe reden heb of niet,” zeide Reinout.

„Ik loochen geenszins dat zij eenigen indruk op mij heeft gemaakt; maar al beminde ik haar met de vurigste liefde, welke ooit een jongeling bezielde, ik zou kracht genoeg bezitten om mijn hartstocht te verwinnen, eer die de minste storing in onze vriendschap teweegbracht.”

„Deodaat!” zeide Reinout, hem getroffen de hand reikende: „gij zijt veel beter dan ik; maar waarom zoudt gij uw liefde tegenstaan? – Ik begeer dit offer niet: bemint gij Madzy zooals ik, laat ons dan beiden trachten haar hart te winnen, en elkaar plechtig beloven, dat het geluk van degene, die slagen mag, geen nijd in het gemoed des anderen verwekken zal.”

„Gij vergt het onmogelijke,” zeide Deodaat: „weet gij dan niet uit alle verhalen der vinders en meistreels, dat de liefde een eeuwigdurende twistappel wordt tusschen de beste vrienden? Ik althans gevoel, dat het mij gemakkelijker zal vallen, thans de schoone Madzy te vergeten, dan zulks wezen zou indien ik haar meer dagelijks zag. Ik wil u in ’t vervolg geen oogenblik meer achterdocht verwekken en zal niet meer bij de Friezen gaan. Schoone meisjes zal ik nog genoeg in Holland vinden, maar wie zou mij een broeder als Reinout teruggeven?”

„Goede Deodaat!” zeide zijn vriend: „uwe grootheid beschaamt mij; doch ik gevoel dat gij gelijk hebt: ja, ik beken het, reeds het loutere denkbeeld schokt mij, dat gij de genegenheid van Madzy zoudt mogen verwerven, en ik u zou kunnen haten! – neen dat nimmer!”

Enige oogenblikken stilte volgden op dit gezegde, en weldra bevonden zij zich aan de poort van Haarlem. Eer zij echter zich naar hun nachtverblijf begaven, gingen zij den Schout verwittigen van den diefstal aan hunne paarden gepleegd en met hem de beste middelen beramen om den dader op te sporen. Tevens maakten zij hem ook bekend met het bevel des Graven ten opzichte van Barbanera: eene mededeeling, waartoe Reinout, die den kokeler nog wel eenige dagen in de nabuurschap wilde houden, ten einde achter het verlangde geheim te komen, niet dan schoorvoetende en op aanmaning van Deodaat kon geraken.


[Hoofdstuk 6] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 8]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.