MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,
Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,
Te huppelen op ’t lant en over groene zoôn.
Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen:
De grooten worden oock gebeten van de kleenen.

Vondel. Batavische Gebroeders.

Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidslievenden schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam te zuiveren.

Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit, en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijf gekozen en misschien naar hem Aelbrechtsberg genoemd, in ’t vervolg het lievelingsoord werd van zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap, dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen, die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde, hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der luchtgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een muur van zand besloten: maar tegen dien muur van zag staken de berken met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden, des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte, wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde, stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener halve maan omsluitende. En dan, als had de grillige natuur, in een blijde luim dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskans van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren.

Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk, zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is, aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen, vergenoegde zich met de oogen in ’t rond te laten weiden, en met te luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden orgelden: en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn en seringen opsteeg. – Men was in die eeuw nog verre van toe te geven aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van sentimenteelheid of romantisme: maar toch waren in dit oogenblik de zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij   zonder zich rekenschap te kunne geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongen zich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, en vroeg zich af, hoe hij er toch op eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen, van wier liefdegepeinzen in de schaduw van ’t geboomte hij meer dan eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat, zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken, en Italiaan genoeg om een wellustig genot in dat dolce far niente te scheppen. En wat was ook natuurlijker? – hij beminde, zonder het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen en gedachte verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is terug te geven.

Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje (want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren) geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug der hoogte naar haar toekwam.

Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht voorwerp veroorzaakte; want hij had in de beide duinbeklimmers de schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze aan haar zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde, de schoone Jonkvrouw te gemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn vriend, aan Reinout, weerhield hem. „Arme Reinout!” dacht hij: „het gaat met u als me den man, van wien Jasper De Vinder sprak, die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier stilzittende, uwe schoone zie genaken: – maar ik zal, om uwentwil, van deze ontmoeting geen gebruik maken.”

De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken: maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien, dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid, welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doen ontstaan, na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld van het duin naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats, dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer tien voet boven de grond afgerond geworden en vormde aldaar een steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden: maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte: en niet ten onrechte had hem de vrees  bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de hoogte kwam aangeloopen, die snelheid van haar vaart niet zou kunnen bedwingen en van de steilte nedervallen: – en het was om haar tegen dit gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden, dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende, een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang zwijgen deed; en dat hij vervolgens den onvoorzichtige maagd te gemoet ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende, en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij haar loop; maar nu, door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte, maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij, daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd naast den Ridder op het zand stond.

„Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!” zeide Deodaat, half buiten adem en bleek als een doek.

„Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad,” zeide Madzy: „maar het is voorbij. ’t Is goed dat gij geschreeuwd hebt,” voegde zij er met een betooverenden glimlach bij: „ik had vast een kluchtige figuur gemaakt wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen; maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grond sta! Kom maar hier, mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg.”

„Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest, zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan,” zeide Aylva, die nu langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam: „maar wat zie ik? – Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?”

Hier bemerkten Deodaat en Mazdy eerst, dat zij elkander bij de hand hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van Aylva joeg hun een gloeiende blos op de kaken: zij lieten elkander los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend voor zich.

„Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?” vroeg Aylva eenigszins verwonderd aan den jongeling.

„Wel, mijn waarde voogd,” antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: „ik was het, die bijkans uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen.”

„Zoo!” zeide Aylva, lachende: „het was dus naar den Ridder, dat gij met zooveel drift toesneldet?”

Een gloeiend inkarnaat verfde opnieuw het gelaat der jonge schoone. Deodaat, haar verlegenheid bespeurende, haastte zich voor haar te antwoorden: „Ik zou zeer gelukkig zijn, indien ik de verwaandheid mocht hebben zulks te gelooven; maar ik twijfel er hard aan of de Jonkvrouw iets van mij bespeurd heeft voor wij naast elkander stonden.” – Hierna vervolgende, helderde hij met korte woorden de aanleiding hunner ontmoeting op.

„Zoo!” zeide Aylva: „den heb ik mijn pupil alleen over hare wildheid te beknorren! – Denk eens, wat zou Seerp van Adeelen wel gezegd hebben, indien ik u met een gebroken arm had thuis gebracht?”

Deze aanmerking van den Olderman deed bij Deodaat een gevoel van wrevel ontstaan, hetgeen hij zich nauwelijks wist te verklaren: doch dat geheel week bij het antwoord van Madzy:

„Wat zal ik u zeggen, mijn waarde voogd! – Indien Seerp van Adeelen zooveel belang in mij stelt, moest hij medegaan om op mij te passen.”

„Gij weet, lieve Madzy!” zeide Aylva!, „dat hij hedenmorgen bij den helmslager zijn moest, ten einde te zorgen, dat zijn wapenrusting voor het steekspel in gereedheid zij: – gij zoudt toch niet begeeren, dat hij daar niet verscheen als iemand, die Friesland eer moet aandoen.”

Madzy antwoordde niets, maar den arm des Oldermans nemende, begon zij rondom zich heen te zien en drukte haar bewondering over het schoone landschap uit. Dit gaf aanleiding tot een onderhoudend gesprek, aan het einde waarvan Aylva aan Deodaat verhaalde, dat zij met hun gevolg te paard den omtrek hadden rondgereden, en dat die wilde meid, de duinen ziende, hem overgehaald had even af te stappen om te zien of zij de Noordzee ook van de toppen der hoogten bespeuren konden. „Ik ben gek genoeg geweest, aan haar verzoek te voldoen,” zeide de Olderman: „en ik verzeker u, dat mijn beenen het voelen. Ik ben niet gewend door dat gulle zal te kruien en verlang hartelijk weer in den zadel te zitten. Mij dunkt, onze paarden moesten hier reeds zijn!”

„Daar komen ze al,” zeide Madzy, de dienaars ontdekkende, die beneden langs gestapt waren en nu  uit het bosch te voorschijn kwamen.

„Kom! het is tijd van gaan,” zeide Aylva: „wij moeten naar huis, anders kom ik te laat om mij te kleeden voor het gehoor. Verzelt gij ons, heer Ridder? ik vermoed dat het uw paard is dat aan gindschen boom staat.”

„Gij zijt toch recht achteloos omtrent uwe paarden,” zeide Madzy met een spottenden glimlach tegen Deodaat. „Als men u dit nu ook ontstolen had, terwijl gij naar mij toe kwaamt!”

„Ik geloof waarlijk,” zeide Deodaat, op denzelfden toon, „dat gij meent dat dit land vol dieven is.”

„Inderdaad,” hernam zij: „Seerp van Adeelen zoude u wel haast antwoorden, dat hij er niet aan twijfelt, en dat uw Graaf de grootste dief van allen is, daar hij ons onze onafhankelijkheid ontstelen wil.”

„Madzy! Madzy!” zeide Aylva, den vinger dreigend opheffend: „gij spreekt weder over zaken, waar een meisje niet over spreken moest.”

De bevallige jonkvrouw zag haar voogd met een blik van verwondering aan; want, nooit buiten haar geboorteland geweest zijnde, waar men algemeen gewoon was vrij en onbewimpeld te spreken, had zij zich nog geen denkbeeld gevormd van de noodzakelijkheid om, onder vreemden, de woorden, die men wil spreken, te voren op de weegschaal te leggen. Een ingeschapen gevoel van betamelijkheid en een juist oordeel zouden Mazdy overal hebben blijven geleiden en haar verhinderen van iets onvoegzaams te zeggen; maar de ongewoonte om onder vreemden te zijn had haar nog onbewust gelaten, dat men niet alle onderwerpen even vrij met iedereen kan behandelen: bovendien gevoelde zij zich zoo op haar gemak met Deodaat, dat zij hem, ondanks den korten tijd, die er sedert hunnen kennismaking verloopen was, reeds beschouwde als iemand voor wien zij zich niet behoefde te weerhouden om vertrouwelijk en ronduit te spreken. De bestraffing van Aylva ofschoon op een vriendelijken en lachenden toon uitgedrukt, hinderde haar dan ook, en misschien wel des te meer, omdat die in tegenwoordigheid en Deodaat plaats vond. – „Kom!” zeide zij eindelijk, terwijl zij te paard steeg: „ik zie dat ik een dwaasheid gezegd heb; en ik had waarlijk vergeten, dat de Ridder in ’s Graven dienst is en dat men hier niet anders als goed van hem spreken mag. Gij neemt het mij toch niet kwalijk, Ridder! maar ik spreek nog zoo wat op zijn Friesch, slecht en recht.”

„In allen gevalle,” zeide Deodaat, met verrukking het lieve meisje beschouwende, „deedt gij niets dan de woorden van een ander herhalen, zonder dat gij voor zijne gevoelens behoeft in te staan: – en Graaf Willem heeft immers gisteravond de had van Seerp van Adeelen geschud?”

De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs den kortsten weg terug onder een vroolijk gesprek tusschen Madzy en de beide edellieden. De goedhartigheid van Deodaat, die uit al zijn gezegden doorblonk, het gezond verstand, dat hij betoonde, en de aard zijner scherts, die altijd onschuldig en vroolijk bleef, wonnen het hart van den Olderman, die bovendien, wanneer hij den jongeling aansprak, zich tot hem getrokken gevoelde door een onverklaarbaar gevoel, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. Het was hem, of hij hem reeds vroeger aanschouwd had en wel in beter en gelukkiger dagen; doch waar, dit zocht hij zich vruchteloos te herinneren. Ook Deodaat, hoezeer hij moeite had om zijn oogen van Madzy af te wenden, kon niet nalaten behagen te scheppen in het onderhoud van den edelen Fries, die hem een gevoel van eerbied en achting inboezemde, gelijk hij nooit te voren jegens iemand had ondervonden. En wat Madzy betrof, weggesleept door den innemenden toon van Deodaat en door het belangrijke van zijn opmerkingen en verhalen, gaf zij zich onmerkbaar over aan het betooverend genoegen, hetwelk iemand, die een natuurlijken aanleg bezit tot alles wat edel en goed en schoon is, onmisbaar smaken moet, wanneer hij zich in een leerrijk en onderhoudend gezelschap bevindt: vooral indien de onderwerpen van het gesprek aan den eenen kant nieuw en verrassend, en aan den anderen kant niet te hoog voor zijne bevatting zijn. En hoeveel te sterker moest de indruk zijn, dien de gezegden van Deodaat op het eenvoudige meisje teweegbrachten, nu de beschaafde vormen en het innemend uiterlijke van den spreker ook aan min belangrijke zaken waarde zouden hebben bijgezet.

Het was dan ook schier onmerkbaar, dat zij zich weder aan den heirweg tusschen Haarlem en Leiden bevonden, op welken zij door een achterweg gekomen waren: en alwaar zij, gelijk wij reeds verhaald hebben, Reinout ontmoetten. Deodaat zag zijn vriend het eerst: hij deed hem aan Madzy opmerken: en zoo deze bij die gelegenheid lachte, het was niet, gelijk Reinout zulks vermoedde, om eenig gezegde van Deodaat dat op hem betrekking had, maar om de zonderlinge uitdrukking , welke zich in het voorbijgaan op het gelaat van den ontevredenen voetganger vertoonde. Deodaat, die intusschen bij het herkennen van Reinout zich hun gesprek van den vorigen avond herinnerde, begon eenige opwelling van berouw te gevoelen en zich te verwijten, dat hij niet aan zijn belofte getrouw was gebleven. Willende herstellen hetgeen hij bedorven had, nam hij uit de gedane ontmoeting terstond aanleiding om zijn vriend hemelhoog te prijzen en diens goede hoedanigheden in het schoonste daglicht voor te stellen; – maar deze handelswijze, in stede van zijn wapenbroeder, gelijk hij dacht, eenigen dienst te doen, strekte nergens anders toe, dan om het gevoelige hart van Madzy des te meer in te nemen voor hem, die zich zulk een getrouw en waardig vriend betoonde.

Aan de poort van het Sint-Jans-klooster namen zij afscheid: en Deodaat, bemerkende dat het reeds laat was geworden, haastte zich in vollen ren naar Haarlem te keeren, waar hij zich in aller ijl kleedde en zich vervolgens naar de Sint-Jans-straat begaf.

Het was in de kerk van het aldaar gelegen klooster, dat de plechtigheid van het gehoor zou plaats vinden; en een aanzienlijke menigte herauten, ordebroeders, edelen en dienaars waren reeds bezig, om onder toezicht van den ouden Wapenkoning van Holland de noodige aanstalten   en toebereidselen te maken en de zitplaatsen der te verwachten gasten naar hun rong en stand te regelen. Deodaat, die benoemd was om te dien einde mede te werken, moest bij zijn aankomst eene vrij lange en taaie bestraffing van den Wapenkoning ondergaan, dat hij eenige minuten te laat was gekomen; naar welke hij echter weinig luisterde, daar zijn oogen de kerk ronddwaalden om zijn vriend Reinout te zoeken, die hij eindelijk van verre gewaar werd, het toezicht houdende over het ophangen der wapenbondels en andere versierselen, welke den Gravezetel omgeven moesten. Hij begreep, dat het nu niet het oogenblik was om hem opheldering te geven omtrent zijn gedrag en vergenoegde zich dus hem van verre toe te knikken, hetgeen Reinout òf niet bespeurde, òf niet wilde opmerken: – en daar aan Deodaat vervolgens een andere bezigheid aan den ingang der kerk werd opgedragen, moest hij voor ’t oogenblik alle gelegenheid tot een verklaring uit zijn hoofd stellen.

Het uur van één, dat tot het gehoor was uitgekozen, had eindelijk geslagen, en het gebouw, nu geheel ingericht tot de plechtigheid, leverde reeds een prachtig schouwspel op. Een groot denkbeeld van zijn macht aan de vreemde bezoekers en vooral aan de Friesche afgevaardigden willende inboezemen, had de Graaf bevolen, dat er geene kosten gespaard zouden worden om een praal ten toon te spreiden, geschikt om alle oogen te verblinden. Prachtige tapijten, van afstand tot afstand door wapenbondels of schilden afgezet, bedekten de wanden of hingen van de kerkbogen af. Welriekende wateren of reukwerk uit het Oosten wasemden uit sierlijk gebeitelde of kunstig gesnedene vaten op, vervulden het ruime gebouw met balsemende geuren. De vloer was niet bestrooid met stroo, gelijk zulks de toenmalige gewoonte was; maar al de tuinen rondom Haarlem hadden hun bloemenschat opgeleverd, en men liep als over een rijkgekleurd tapijt van rozen, jasmijnen, gouden regen, gebloemte en gebladerte. Vlak voor het koor was de zetel des Graven opgericht: rozeroode gordijnen, op een sierlijke wijze geplooid en door gouden snoeren opgebonden, hingen van den troonhemel af, wiens bovenrand prijkte met de wapenborden der verschillende Graafschappen en Heerlijkheden, waarover Willem van Henegouwen zijn staf zwaaide, en daarboven hing de Gravenkroon in flonkerende luister.

Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde, die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op ’t schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wiens fraaie golvende haren de Gravenkroon prijkte, was gekleed met een tot op de voeten hangende tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsel omzet, waarop kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven, een hemelsblauwen mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd met de wapens van Holland en Henegouwen: terwijl de halskraag van hermelijn zijn kleedij voltooide. De edelen, die hem omringden, waren, over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van adelijke huizen, en die, aan welke uithoofd hunner jaren de vroolijke dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden koord omgord, en mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak, omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte, en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep.

Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon: aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten: terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen hier samengekomen, waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Edellieden, en Vroede mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame ruimte voor den zetel opengelaten.

Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier hunner naar den hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en Trier, die, in plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld, de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te geleiden. Toen rees de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door den Graaf met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard.

„Hoogwaardigste!” antwoordde Willem, „wij bidden u, na uw terugkeer in Duitsland, de uitdrukking onzer erkentenis voor den Keizerlijken troon te willen brengen. Het blijk der gunst van onzen genadigen Leenheer zal ten allen tijde ons hart voor hem van liefde en getrouwheid vervuld doen zijn. Maar laat de Keizer het echter zijnen dienaar niet wijten, noch het aan eenige minachting zijner genade toeschrijven, indien wij zijn gunstbewijs niet aannemen. Ieder op deze aarde heeft zijne bepaalde eerzucht: de onze was altijd, de eerste Graaf des Duitschen rijks genoemd te worden. – Deze wensch is vervuld geworden; maar hooger stijgt hij niet: en, om onbewimpeld te spreken, wij willen liever, zoo in den slag als op de feesten, alle Graven voorgaan, dan dat wij alle Hertogen zouden volgen moeten.”

Deze woorden uitgesproken hebbende, zag Willem om zich heen, en verhief zich zijn hart met niet weinig hoogmoed, toen hij dien luisterrijken stoet van Ridders en Baronnen overzag, die hem ten oorlog volgen moest, en gelijk geen ander Graaf ja gelijk geen Rijksvorst in staat was onder zijn banier te scharen. Helaas! wat is de heerlijkheid des menschen? Weinig dacht hij toen, de machtige Graaf, dat binnen weinige maanden hij zelf en die gansche adel, waarmede hij zulken roemvolle overwinningen behaald had, van het aardsche tooneel door de meest verachte handen zouden worden weggemaaid.

Een algemene toejuiching had het antwoord van den Graaf gevolgd: en de Aartsbisschoppen (die echter te voren onderricht waren, welk bescheid zij bekomen zouden), werden naar het voor hen bestemde gestoelte geleid, terwijl de Friesche afgevaardigden, die ter zijde gezeten waren, voor den zetel werden geroepen. Zij traden met deftigheid naar voren, en hielden op een kleinen afstand van den zetel stil. Daar gekomen, deed de Abt, die Aylva rechts en Adeelen links van zich had, nog een stap voorwaarts, en richtte het woord tot den Graaf. Zijn aanspraak, aan welkeer samenstelling vader Syard ongetwijfeld deel had gehad, was een meesterstuk van diplomatieken stijl, en zoude ook in onze dagen een gezant, die gekomen was om niets te zeggen, eer hebben aangedaan. Zij behelsde een menigte zwierige en vleiende betuigingen van eerbied en hoogachting voor den Graaf, met menige Latijnsche spreuk doorzult, gaf hartelijk leedwezen te kennen over het gebeurde te Stavoren, en eindigde met een ontboezeming der hoop, door de Friezen gekoesterd, dat de eensgezindheid tusschen den Graaf en hen steeds duurzamer zoude blijven stand houden. Maar ook het scherpzinnigste vernuft zou uit dien ganschen vloed van woorden niet één blijk van onderdanigheid getrokken hebben, noch een enkel bewijs, dat de Friezen den Graaf als hunnen Heer, nauwelijks dat zij hem als hunnen beschermer aannamen of erkenden. Willem had dit ook weldra bemerkt; en meer dan eens hadden zijn gefronst voorhoofd, en een zijdelingsche blik, op Beaumont geslagen, zijn innerlijke ontevredenheid te kennen gegeven. Hij liet echter den gezant uitspreken, altijd nog hopende, dat een betuiging van hulde en getrouwheid zijn rede zoude besluiten; doch toen  hiervan niets kwam, en de Abt, na zijn aanspraak te hebben uitgebracht, weder tusschen zijn beide landgenooten terugtrad, kon hij zijn ongenoegen niet langer bedwingen. De woorden, waarin zijn antwoord vervat werd, waren echter gematigder, dan de toon waarop hij dat antwoord uitsprak: en alleen aan de trilling zijner lippen en aan de heeschheid zijner stem was zijn innerlijke gemoedsaandoening te bespeuren.

„Wij danken onze Friesche onderzaten,” zeide hij, op dit laatste woord drukkende, „voor de betooning hunner verknochtheid; wij hadden echter iets meer durven hopen dan loutere betuigingen, en billijk verwacht, dat er van hunnen kant ook daden zouden hebben gesproken, Gij kunt niet onwetend zijn, edele Heeren! dat  onze Ambtenaren te Stavoren mishandeld zijn geworden. Is de orde aldaar reeds hersteld? en welke straf hebben de schuldigen ondergaan?”

„Men is bezig een gerechtelijk onderzoek naar het voorgevallene te doen,” antwoordde Aylva, „en wij twijfelen niet, of de schuldigen zullen naar de wetten geoordeeld worden.”

„Men heeft te lang gewacht,” zeide de Graaf: „op heeterdaad had men de misdadigen moeten vatten en vonnissen.”

„Het ware intusschen te wenschen,” vervolgde de Olderman, als had hij ’s Graven aanmerking niet gehoord, „dat uwe Genade het gebeurde geliefde te vergeten en den moedwil van een onberaden hoop vergeven. De Fries aan zijn vrijheden verknocht, is nog ongewoon aan het eerbiedigen van vreemde instellingen, en een te groote gestrengheid bij zijn eerste vergrijp zou wellicht nadeeligen invloed kunnen hebben en een scheuring verwekken, die in het belang uwer Genade en in dat van Friesland moet worden voorkomen.”

„Inderdaad!” hernam Willem: „waarom geeft gij ons niet liever den raad, onze ambtenaren uit Friesland terug te trekken, opdat gij ulieden geheel naar uw eigen goeddunken zoudt kunnen regeeren.”

„Dit ware zekerlijk het verkieslijkste, om alle botsing te vermijden,” zeide Adeelen: „en wellicht,” voegde hij er met fierheid bij: „ware het betere dat zulks thans geschiedde, nu het als een gunst ontvangen kan worden, dan later, wanneer de drang der omstandigheden het tot een noodzakelijkheid zal maken.”

Een algemeen gemor deed zich hooren bij het vernemen dezer hooghartiger taal. Zelfs de Abt van Sint-Odulf, die zich in deze schitterende vergadering slecht op zijn gemak voelde, en de beradene Aylva, die zoo gaarne een vredebreuk wilde vermijden, zagen hun ambtgenoot met een blik van ontevredenheid aan. De Graaf echter, die reeds daags te voren de onbuigzaamheid van Adeelen had leeren kennen, nam zijn woorden thans minder euvel op dan men verwachtte: „Wij danken u, Heer van Adeelen!” zeide hij, „dat gij zoo onbewimpeld spreekt; want uit uwe redenen kunnen wij opmaken, hoe weinig zich de Friezen in het algemeen aan hunnen Heer laten gelegen liggen. Alleen moeten wij u doen opmerken, dat zulk een taal weinig strookt met het doel, dat wij aan uwe zending toeschreven, en weinig die onderwerping ademt, welke wij recht hadden van u te verwachten.”

„Vraag visschen aan het geboomte en bloemen aan de zee,” riep Adeelen uit: „maar vraag nimmer onderwerping aan een vrijen Fries.”

„Hoe nu!” hernam de Graaf: „zijn dit de woorden uwer lastgevers? En stemmen de Eerwaardige Abt en de Her van Aylva mede in die onbezonnen taal?”

De Abt, die reeds een poos met angstige verlegenheid zijn oogen van den Graaf op Adeelen, en van dezen op Aylva had doen dwalen, antwoordde niets, maar veegde zich de zweetdroppelen van ’t gelaat. Aylva nam het woord op.

„Edele Graaf!” zeide hij: „het is nooit de wensch noch de bedoeling onzer lastgevers geweest, uwe Genade in hare rechten en waardigheid te verkorten. Wat onze ambtgenoot heeft gezegd, moge hij zelf verantwoorden: onze taak was alleen, uwer Genade de betuiging van Frieslands verknochtheid over te brengen en uw verlangen aan te hooren. Verder strekt zich onze lastbrief niet uit. ”

„Gij hebt dan geene machtiging,” vroeg Willem met eenige verbazing, „om ons, uit naam van hen die u zonden, openlijke hulde als Heer van Friesland te doen?”

„Ik herhaal het,” antwoordde Aylva: „hetgeen uwe Genade ons zal gelieven te bevelen, zal getrouwelijk door ons aan onze lastgevers worden overgebracht.”

Vive Dieu!” riep de Graaf, zich met een bitteren lach tot de naastbij gezetenen wendende: „Gij hoort het, mijne Heeren! men verzoekt onze bevelen te vernemen, ten einde die door onze getrouwe Friesche onderzaten in overweging worden genomen en beoordeeld of zij wel in overeenstemming zijn met de oude vrijheden des lands. Bij Sint-Japik!” vervolgde hij tot de Friezen, „zoo wij alleen gehoor gaven aan hetgeen onze waardigheid als Graaf van ons vordert, zouden wij u dadelijk onze wil te kennen geven en voor de uitvoering zorgen, zonder ons te bekreunen, in hoeverre ons verlangen met de inzichten onzer overzeesche onderzaten strookt: doch wij willen in dezen slechts aan onze liefde voor verdoolde kinderen gehoor geven en de zaak in rijpe overweging nemen, ten einde men niet ons zegge, dat wij overijld besluiten en handelen. Intusschen raden wij u, onze getrouwen! uwe landgenooten te doen aanmanen, dat zij niet door nieuwe ergerlijke tooneelen onze zachtmoedigheid tergen. Mijne Heeren! de zitting is opgeheven!”

Met deze woorden rees hij van zijn zetel en verliet het gebouw op dezelfde wijze als hij gekomen was, terwijl weldra de gansche vergadering zijn voorbeeld volgde en uiteenging.


[Hoofdstuk 8] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 10]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.