MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

TIENDE HOOFDSTUK.

Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,
Et voilà la guerre allumée.

De la Fontaine.

Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere deur, naar ’t scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken.

Zwijgend volgde de jongeling het knaapje, dat hem binnen de muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van Teylingen: twee edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen in een grooten, met koper beslagen koffer, die nevens hem stond: en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een beker gekruide wijn.

„Bij Sint-Japik!” zeide de Graaf: „vriend Deodaat! gij kunt ons een grooten dienst bewijzen.”

„Uw Genade kan aan mijn goede wil niet twijfelen” zeide Deodaat.

„Welnu! – Gij zijt reeds bij die Friezen geweest; – gij schijnt zelfs een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans met heeft u dezen morgen met hen zien rijden.”

„Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mij toonen om mijn gangen na te gaan,” zeide Deodaat.

Vive Dieu! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen wonder, al vond men het geenszins vreemd, dat gij zulke beste maats zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dan Deodaat van Verona op een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?”

„Ik vat niet hoe…”

„O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben zoo wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verveling van de reis medegenomen. Is het niet zoo?”

De jongeling glimlachte en boog.

„Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gij slechts de belangen van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gij verstaat ons?”

„Ik vrees uws Genade geheel niet te verstaan,” antwoordde Deodaat, wiens voorhoofd van verontwaardiging gloeide: „uw Genade zal toch niet van mij vergen, de rol van verspieder te spelen?”

„Welnu, mijne Heeren!” zeide Willem, zich lachende tot de omstanders keerende: „hebben wij het niet voorspeld? Zietdaar al zwarigheden.”

„Deodaat is een braaf Ridder,” zeide Beaumont, zijn kweekeling op den schouder kloppende: „hij heeft de lessen niet vergeten, die ik getracht heb, hem in te prenten.”

„Hij had toch moeten begrijpen,” zeide Teylingen, „dat de Graaf niets onbillijks kan vergen, veelmin iets dat met den Ridderplicht strijdt.”

„Hoor, Deodaat!” hernam Willem: „wij zullen u in korte woorden zeggen, wat het geval is: – dan kunt gij naderhand vrij handelen gelijk gij verkiest. Gij hebt de onbehouwen taal dier afgevaardigden gehoord, en gij zult met ons van oordeel zijn, dat het wel overeenkomstig onze waardigheid ware, indien wij hen eens op hun grondgebied de wet gingen stellen…”

„En den oorlogskreet: Holland! aanhieven,” zeide Deodaat: „bij Sint-Jakob! dat ware hemelsche muziek!”

„In onze ooren voorzeker,” vervolgde de Graaf, lachende: „maar deze Heeren verstaan het anders: – zij zijn van meening, dat men zich tweemalen moet bedenken, aleer men geld en manschappen verspilt, om in Friesland oorlog te gaan voeren. Daarom willen wij beproeven, wat er nog door zachtere middelen te verkrijgen is. Wij beseffen, dat men nooit aan dien buffelachtigen Adeelen reden zal doen verstaan; maar met de beide anderen is wellicht nog wat aan te vangen: en wij vertrouwen niets onredelijks van u te vorderen, daartoe de hand te leenen.”

„Waarlijk,” zeide Deodaat, glimlachende: „uw Genade heeft te hoogen dunk van mijn bekwaamheid. Ben ik in staat, een eerwaardigen man als den Abt en een schranderen Edelman als den Heer van Aylva om te praten? Zou niet, indien ik zoo vrijpostig mag zijn mijn gevoelens te zeggen, de Heer van Beaumont meer invloed op zijn ouden krijgsmakker bezitten?”

„Ik kan Aylva ten beste raden, zoo dikwijls ik hem bij toeval ontmoet,” zeide Beaumont: „maar gij gevoelt, dat het, in den tegenwoordigen stand der zaken, loutere zwakheid verraden zoude, indien ’s Graven oom om zijn goede gezindheid ging bedelen. Gij daarentegen kunt gevoeglijk als uit u zelven spreken.”

„En,” zeide Willem, „zoo gij geen invloed bij de oude Heeren hebt, kunt gij dien wellicht op de Jonkvrouw verkrijgen. Wat ons betreft, wij zullen met genoegen zien, dat gij haar tracht te behagen: een echtverbintenis tusschen onze getrouwe wapenbroeders en de Friesche erfdochters zou den band tusschen de beide gewesten versterken.”

„Indien dit het oogmerk is van uw Genade,” zeide Deodaat, beurtelings rood en bleek wordende, „zoo ken ik iemand, wien deze last beter zoude voegen dan mij.”

„Waarlijk! uw vriend Reinout misschien?”

„Ik geloof inderdaad, dat hij smoorlijk op de schoone Madzy verliefd is.”

„Bij Sint-Japik! het is mij onverschillig, of het Peter of Paulus zij, die met de bruid gaat strijken. Ga dan uw Reinout halen en met hem de Friezen noodigen om ons feest van hedenavond bij te wonen. Maar zij moeten hunne schoone medebrengen: – en doe onze uitnoodiging voorkomen als een bewijs onzer gunstige gezindheid, van ons verlangen om eendracht en vriendschap te bewaren, verstaat gij? – Bij Sint-Japik! het denkbeeld vermaakt mij reeds, die Friesche prinses in vollen tooi te zien! – Ga nu en overleg uw zaken goed.”

„Rechtuit gezegd, mijne Heeren!” vervolgde de Graaf, toen Deodaat vertrokken was: „ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat wij een tocht naar Friesland voor ’t oogenblik uit het hoofd moeten stellen. Ik ontvang zooeven tijdingen uit Utrecht. Het schijnt dat het Kapittel in zijn wijsheid begrijpt, mij de verantwoording te weigeren, welke het mij schuldig is als Momboir van het Sticht: – maar bij Sint-Japik! ik zal aan die geschoren kruinen met het zwaard in de hand die verantwoording komen vragen, indien zij nog eenen dag aarzelen.”

„Ware het niet verkieslijker,” vroeg Beaumont, „nog bevorens een bode naar Grenoble te zenden, en den Bisschop te verzoeken, terug te keeren en zijn gezag te gebruiken om uw Genade recht te doen wedervaren?”

„Een bode naar Grenoble – den Bisschop terugroepen! – neen, waarde Oom! daarmede ware de boel nog erger verknold. Ik heb wel een verkeerde ingeving gehad, toen ik dien Jan van Arkel, omdat hij een Hollandsch edelman was, tot Bisschop liet verkiezen. Ik had gehoopt, hem als een kind te zullen regeeren, en bij den Hemel! zoodra hij den mijter op het hoofd had, is hij Stichtenaar in zijn hart geworden en heeft mij in alles tegengewerkt. – Maar daar moet een einde aan komen: – Utrecht moet bukken! – en daarna Friesland. – Ik moet mij nu nog bedwingen: maar ik hoop aan dien trotschen Adeelen zijn beleediging met renten te doen betalen! – Laat hij zich intusschen in toom houden; want ik zoude mij met moeite blijven bedwingen zooals ik tot nog toe gedaan heb.”

Het vervolg van het onderhoud tusschen den Graaf en zijne vertrouwen als min belangrijk voor den lezer beschouwende, zullen wij ons weder tot onzen vriend Deodaat begeven, die, na Reinout vruchteloos gezocht te hebben, om hem ’s Graven verlangen mede te deelen, niet langer durvende verwijlen met het ontvangen bevel uit te voeren, zich op weg naar het verblijf der Friezen begaf. Nauwelijks was hij de poort uitgekomen, toen hij den kokeler Barbanera met zijn hansworst voor zich uit zag rijden, door eenige gewapende dienaars omgeven. Dadelijk na het gehoor was de Schout toevallig in de gijzeling gekomen en had, niettegenstaande de voorstellen van meester Claes Gerritsz en anderen, last gegeven dat men ’s Graven bevel zou ten uitvoer brengen, en den kwakzalver met zijn maat over de grenzen voeren: een last, waaraan alsnu voldaan werd.

Nauwelijks had Barbanera den Ridder bespeurd, of hij wenkte dezen, dat hij hem iets te zeggen had, Deodaat reed hem op zijde: en de kokeler, zich weder van de Italiaansche taal bedienende, fluisterde hem de volgende woorden in:

„Wat zoudt gij mij geven, indien ik u als den wettigen zoon eens machtigen Edelmans erkennen deed?”

„En Reinout?” vroeg Deodaat, wiens eerste gedachte voor zijn vriend was.

Barbanera haalde de schouders op: „Of er wat voor hem te doen ware,” zeide hij, „durf ik niet beslissen. Doch zoo gij ons vergezellen wilt, zal ik u aan de eerste rustplaats bescheid geven.”

„Ik begeer niets verder te weten,” zeide Deodaat, hem met verachting aanziende: „ik hecht vooreerst weinig geloof aan ’t geen gij mij verhalen kunt: en ten tweede begeer ik geen rang, die niet door Reinout gedeeld wordt. Zoo gij mijn vader kent, zoek hem dan op, en ik zal afwachten of hij zijn zoon wil erkennen; maar ik wil mij niet opdringen aan hem, die mij in mijn jeugd aan vreemde handen overgaf. Gij verstaat mij! verlaat dit land, ik raad het u; want de pogingen, die gij hier doet om de lieden te verschalken, zouden u duur te staan komen.”

Dit gezegd hebbende, gaf hij zijn ros de sporen, en bevond zich weldra aan de poort van het voormalige klooster. ’s Graven naam, in welken hij zich liet aanmelden, verschafte hem niet alleen een spoedige toegang, maar hij werd door de Friezen, althans door Aylva en den Abt, als een oude kennis ontvangen: en Madzy, die zich bij haar voogd bevond, verliet het vertrek niet bij zijn komst.

Echter fronste zich het voorhoofd der afgevaardigden, toen zij de boodschap hoorden, welke Deodaat hun overbracht. Aylva en Adeelen zagen zwijgend voor zich uit: Madzy wendde zich om en ging aan het venster staan: en Deodaat, die te veel gevoel van betamelijkheid had om niet te beseffen, dat de beide edellieden elkander iets te zeggen hadden, begaf zich naar de jonge maagd en begon met haar een onverschillig gesprek.

„Ridder!” zeide Aylva, na een poosje zachtjes met Adeelen te hebben geraadpleegd:  „mijn ambtgenoot Adeelen en ik zullen volgaarne van ’s Graven beleefdheid gebruik maken;—doch wat onze jonkvrouw betreft, wij mogen die voor haar niet aannemen. Onze Friesche bloemen zouden aan het hof des Graven van Holland misplaatst zijn.”

„Een zoo schoone bloem,” zeide Deodaat, „zoude elken hof versieren; doch waarlijk, zulk een antwoord mag ik niet terugbrengen.”

„En echter zal men zich daarmede moeten vergenoegen,” zeide Adeelen op een norschen toon: „het is niet om het gegons van Hollandsche hofhommels te hooren, dat de Roos van Dekama hier gekomen is.”

„Ik zou u kunnen antwoorden,” zeide Deodaat, geraakt, „dat het hof van Holland geen hommels, maar bijen bevat, die met een angel gewapend zijn en de vreemde wespen niet vreezen; – maar ik wil nu alleen opmerken, dat ik niet besef hoe het al of niet ten hove komen der Roos van Dekama van de goed- of afkeuring des Heeren van Adeelen af kan hangen.”

„Zij is mijn verloofd,” zeide Seerp: „en deze betrekking geeft mij eenige aanspraak op hare onderwerping… op hare inschikkelijkheid.”

„Nog ben ik uwe echtgenoot niet, Seerp!” zeide Madzy, terwijl een hoog rood aan hare schoonheid nieuwen luister bijzette, en hare oogen van de edelste fierheid schitterden: „wacht tot dien tijd om gehoorzaamheid van mij te vorderen. Zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vader draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is. De edele Aylva acht het beter, dat ik thuis blijve. Om zijnentwil zal ik niet te feest gaan. Gij verstaat mij, Seerp, om zijnentwil.”

„Is er niets aan dat besluit te veranderen, Heer Olderman?” vroeg Deodaat, hem met een smeekend oog aanziende.

„Gij hebt gehoord, mijn jonge vriend!” zeide Aylva, „hoe men zich heeft uitgelaten. Ik voor mij geloof, dat het wijzer is, bij het eens opgevatte voornemen te blijven volharden.”

„Maar in waarheid!” hernam Deodaat, „waarop moet haar een genoegen ontzegd worden, waartoe haar jeugd, haar kunne, haar bevalligheid, haar meer dan iemand bestemmen? Indien zij de Friesche moerassen verlaten heeft om u herwaarts te volgen zulks was toch niet om in dit naargeestig verblijf te zitten suffen. Gij kunt immers niet begeeren, dat mij een weigerend antwoord ’s Graven ongenade  op den hals hale.”

„Zoo ik Friesland verliet,” zeide Madzy, „was het om aan den wensch van Seerp van Adeelen te voldoen, die vreesde dat Madzy Dekama in zijn afwezigheid ontvrijd zou worden. Maar verspil uw kostbaren tijd niet, edele Ridder! door een nutteloozen drang: mijn besluit is genomen, ik ga niet: en ten einde een onderhoud niet langer te rekken, dat wellicht onaangenaam worden kon, vraag   ik verlof, mij te verwijderen.”

En zonder dat verlof af te wachten, verliet zij het vertrek.

Deodaat was op het punt, aan Adeelen op een scherpe wijze zijn hardnekkigheid te verwijten, waaraan hij ook Aylva’s weigering toeschreef; maar zich het verlangen des Graven, om vrede met de Friezen te bewaren, herinnerde, oordeelde hij, om zijns meesters wille, een zachter toon te moeten aannemen.

„In waarheid,” zeide hij: „Edele Heeren! ik begrijp uw oogmerken niet. Gij kont hier toch, zoo ik wel rade, met een vredelievende zending: de Graaf is welgezind ten opzichte van u en van uwe landgenooten; en niettemin men heden tot tweewerf toe den Heer van Adeelen de gunst des Graven met ondank beloonen. Waarlijk, mijne Heeren! als onpartijdig vriend moet ik u raden, liever alles aan te wenden om den onaangenamen indruk weg te nemen, dien de woorden, welke in drift gesproken zijn, ten hove hebben gemaakt. Wat wint gij er mede, zoo gij den Graaf tot toorn verwerkt en wellicht (want daartoe zou het kunnen komen) zijn heirlegers in Friesland roept. Een weinig toegeeflijkheid van uwe zijde, en de goede verstandhouding is meer dan ooit hersteld.”

„Toegeeflijkheid!” riep Adeelen: „voor wat? voor zijn vermeend recht op Friesland? Laat uw Graaf eerst al zijn ambtenaren tot den laatste toe van over zee terugroepen, en dan zullen wij niet weigeren als goede buren en trouwe bondgenooten met hem te leven; – maar zoolang hij bij ons den meester wil spelen, zoolang zal hij in Seerp van Adeelen een vijand vinden: – en zoo ik heden op het feest verschijn, ’t is slechts om te toonen, dat ik mij nergens voor schroom te vertoonen en aan zijn slaafsche hoftrawanten het schouwspel van een vrijen Fries wel gunnen wil.”

„Een schoone heldhaftigheid voorwaar!” zeide Deodaat bitter: „om op een gastvrij feest te verschijnen, waar gij niets te vrezen hebt, ten einde aldaar de beleefdheid des gastheers met norsche onwellevendheid te beantwoorden. Pas op Jonker Seerp! met zulk een gedrag zult gij weinig eer behalen.”

„Ik verlang geen vermaningen van een Italiaansche gelukzoeker,” zeide Adeelen: „geef ze aan uw Hollandsche vrienden, die laf genoeg zijn er naar te luisteren.”

Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of Deodaat had zijn handschoen uit den boezem te voorschijn gehaald en er Adeelen mede in ’t aangezicht geslagen. Een uitdaging zou deze daad zijn gevolgd; maar met een levendigheid, welke bewees dat het vuur der jeugd bij Aylva nog niet was uitgedoofd, rees deze uit zijn stoel, greep Adeelen, die zijn dolk reeds had ontbloot, in de borst en drukte hem vrij onzacht tegen den muur: terwijl de Abt zich met angstvalligen blik voor Deodaat kwam stellen.

„Foei schaam u Adeelen!” riep de Olderman op forschen toon: „is het betamelijk, een man, wien gij dank verschuldigd zijt, een edelen Ridder, in uw eigene woning te beleedigen? Niets kan een zoodanige handelswijze verschoonen.”

„Bedaar! in ’s Hemels naam, bedaar! mijn goede Ridder!” zeide de Abt van Sint-Odulf: „eheu! Jonker Seerp is wat driftig en ruw in zijn uitdrukkingen: dat weet mijn broeder van Lidlum ook: stoor u niet aan zijn woorden: en denk met Salomo, dat wie eenen dwaas antwoordt, dwazer is dan hij zelf. Wij hebben in Friesland ook onze dwazen.”

„Wij hebben ze hier ook in overvloed,” zeide Deodaat, „doch wij zenden ze niet als afgevaardigden uit: – en zoo hem nog een grein gezond verstand overblijft, zal hij mij om verschooning bidden voor de uitdrukking, door hem gebezigd.”

„Om verschooning bidden,” brulde Adeelen, wien zijn ouder ambtgenoot nog altijd tegen den wand hield gedrongen: „laat de handen van mij af, Aylva! – want ik wil dien hofknaap van zijn overmoed genezen.”

„Een andere reis, maar niet hier,” zeide Aylva: „uw leven behoort niet aan u, maar aan uw landgenooten, die u gezonden hebben: en gave de hemel, dat zij zich tweemalen bedacht hadden, aleer zij hun belangen aan zulk een dolleman hadden toevertrouwd.”

Terwijl de beide jongelingen elkander met fonkelende oogen bleven aanzien, evenals twee wakkere doggen, die door hun meesters worden teruggehouden, ging de deur open, en verscheidene dienaars, op het gerucht toegeschoten, stormden de kamer in. Achter hen vertoonde zich Reinout, het oog in vlam en het gelaat gloeiende van toorn. Deze had, na het Grafelijk gehoor, eenigen tijd bij zijn wapensmid doorgebracht en was vervolgens naar de gijzeling gegaan. Hoorende, dat Barbanera reeds vertrokken was, was hij te paard gestegen om hem na te rijden, toen hij, den Heer van Naaldwijk toevallig ontmoetende van dezen vernam, dat Deodaat bij de Friesche afgevaardigden namens den Graaf een boodschap was gaan verrichten. Brandende van ijverzucht, was hij terstond derwaarts gereden en nu juist op den twist afgekomen. Het schouwspel, dat zich aan hem vertoonde, beving hem met verbazing: en onbewust van de oorzaak, bleef hij midden in ’t vertrek staan.

„Gij komt juist van pas, Ridder!” riep hem Aylva toe: „kom Adeelen! wees niet zoo dwaas meer: voor zoovele getuigen zoude uw toon belachelijk worden.”

„Wij zullen elkander op geschikter tijd en plaats terugvinden,” zeide Deodaat: en na een koele buiging maakte hij zich gereed om het vertrek te verlaten, toen Madzy, verbleekt en sidderend, weder voor zijn oogen verscheen.

„Goede God! wat is hier geschied?” vroeg zij, eerst Deodaat en vervolgens al de overigen met een blik van angstige deelneming aanziende: „ik hoop niet, dat hier om mijnentwil een twist is uitgebroken.”

„Het lot van dien Italiaan schijnt u zeer ter harte te gaan, Madzy!” zeide op een bitteren toon Adeelen, wien Aylva had losgelaten en nu met donkere blikken tegen den wand stond geleund.

Tranen van spijt zwollen in de oogen der maagd: en zonder een woord te spreken viel zij in een armstoel. Er was een oogenblik van stilte.

„Deodaat! volgt ge mij?” riep op eens Reinout met een donderende stem.

„Ik kom!” antwoordde Deodaat.

„Neen!” zeide Aylva, hem tegenhoudende: „zoo moet gij ons niet verlaten. De eerwaarde Abt en ik zijn u voor uw vertrek nog de betuiging van ons innig leedwezen over de behandeling, hier door u geleden. Wij achten Adeelen hoog en huldigen zijn edele vrijmoedige inborst: maar wij blozen over de uitdrukkingen, waartoe zijn toorn hem verleiden kon. Hij zelf, hij zal er eenmaal over blozen.”

Dit zeggende, stak hij Deodaat zijn hand toe, welke deze met hartelijkheid drukte.

De beide Ridders verwijderden zich nu en beklommen stilzwijgend hunne rossen: maar nauwelijks waren zij buiten het gezicht van het gebouw gereden, toen Reinout, die zich tot nog toe geweld had aangedaan, op eenmaal stilhield en het paard van Deodaat bij de teugels greep.

„Geen stap verder!” zeide hij: „’t is thans met mij dat gij zult te doen hebben.”

„Hoe nu!” zeide Deodaat: „Ik versta u niet.”

„Deodaat van Verona! gij zijt een ellendeling! verstaat gij mij thans? ”

„Reinout! ik zou liever mijn zwaard willen opeten dan het tegen u gebruiken. Welke onzalige geest drijft u aan? Waarin heb ik u beleedigd?”

„Ik raad u, dit nog te vragen: – wie had u de belofte afgevergd, die gij gisterenavond deedt? Vrijwillig om mij lichtgeloovige te misleiden, hebt gij die afgelegd: en hoe hebt gij die gehouden? Mij hebt gij in slaap gewiegd: van ’t spoor gebracht, en intusschen uwe schoone Friezin den tijd weten te korten. O! ’t was aandoenlijk om te zien, hoe gij beiden mij hedenmorgen bespottet en hoe teeder zij u thans aanzag. Of was die twist met Seerp van Adeelen ook niet om harentwil gerezen? ”

„Ik zal mij in dit oogenblik niet verlagen mijn gedrag te rechtvaardigen bij iemand, die door blinde drift bestuurd wordt. Morgen, als u de slaap betere gedachten zal hebben ingeboezemd en gij redelijker spreken wilt, zal ik u de noodige opheldering geven.”

„Gij verzaakt u afkomst niet,” zeide Reinout op een verachterlijken toon: „en Barbanera’s verhaal…”

„Mistrouw dien bedrieger!” zeide Deodaat: „ik heb hem ook gesproken en hem verzocht hier nimmer terug te keeren.”

Dit zeggende gaf hij zijn paard de sporen en verliet hem, die gisteren nog zijn boezemvriend was, ter prooi aan den minnenijd, die zijn gemoed dooorknaagde.

Maar bij dien minnenijd voegde zich bij Reinout een diepe verontwaardiging, door de laatste woorden van Deodaat teweeggebracht: „de onbeschaamde!” dacht hij: „hij heeft van Barbanera vernomen, wie van ons de echte zoon van Bianca di Salerno is: en ten einde mij het bewijs mijner geboorte te onthouden, bewerkt hij het vertrek van Barbanera en durft mij zulks te verhalen! Deodaat! Deodaat! had ik immer van u kunnen gelooven!”

Ten hoven gekomen, haastte zich Deodaat het antwoord der Friezen aan den Graaf over te brengen: hij verzweeg echter zijn twist met Adeelen, om redenen, die in ’t vervolg nader zullen blijken.

„Hoe! zij willen hunne schoone reisgenoot voor hen zelve bewaren!” riep de Graaf, die, wanneer hij iets in den zin had, er niet gemakkelijk van was af te brengen.

„Bij Sint-Japik! dat zal niet gebeuren. Ik heb besloten, dat zij op het feest zal komen; en bij de zaligheid mijns vaders, zij zal er verschijnen, al moest ik haar zelf gaan halen.”

„Uw Genade zal mijn verschoonen, zoo ik mijn gevoelens durf uiten,” zeide Deodaat: „maar zal een daad van geweld niet de gemoederen der Friezen verbitteren in stede van hen te winnen? Die Jonkvrouw is de pupil van den eenen en de verloofde van den ander.”

„O is het geen daad van geweld, die wij beoogen,” hernam Willem: „’t is door list, dat wij onze begeerte verkrijgen zullen: en gij zult zien, Deodaat! of ik niet even goed toovenaar zal wezen als die meester Barbanera, wien Satan weghale. Gelegenheid tot toorn zal ik dien Friezen niet geven, maar het hangt van hen zelve af, zich met spot te overladen. Welnu, waarom schudt gij het hoofd?”

„Omdat ik vrees,” zeide Deodaat, „dat spot hen nog erger zal verbitteren dan de grootste belediging.”

„Wat dit alles betreft,” zeide Willem: „laat zulks gerust aan ons over. Wij hadden eerst het oog op u geslagen om ons plan te volvoeren: doch gij schijnt er huiverig voor te zijn, en het is ons belang dat gij een witten voet bij den heer van Aylva behoudt. Uw vriend Reinout is ook beter tot zulk een onderneming geschikt. Tot straks!”

Deodaat vertrok, ten einde zich tot het feest gereed te maken. In zijn slaapvertrek gekomen, was het zijn eerste daad, zich op een rustbank neer te werpen, en het door hem gehouden gedrag te overpeinzen.

„Heb ik waarlijk de vriendschap verraden?” vroeg hij zich zelven af: „of is de beschuldiging van Reinout geheel valsch en onverdiend? Ik kan ten allen tijde jegens hem mijn handelingen rechtvaardigen; maar kan ik zulks in mijn eigene oogen doen? ’t Is waar, ik ben hedenmorgen een geheel anderen weg uitgereden, om Reinout niet te storen: doch had ik Madzy wel moeten vergezellen? – Het ware een onhebbelijkheid geweest, eenen Fries waardig, indien ik haar niet had thuis gebracht: – ik heb den lof van Reinout aan Madzy voorgezongen tot op het oogenblik dat wij hem tegenkwamen, en toen… ’t is waar, lachte zij en ik moest onwillekeurig met haar lachen om de zonderlinge uitdrukking van Reinouts gelaat; – doch waarlijk, wie dit alles mij tot schuld aanrekende, ware toch een al te strenge beoordeelaar. ”

„Had ik den last mijns meesters moeten weigeren en niet naar die huizinge terugkeeren? den last mijns meesters! –   kon ik dien weigeren? heb ik dien niet aan Reinout wille overdragen? hem gezocht? – Ik kon immers niet meer doen? – En met dat al, ik ben ontevreden met mij zelven en ik gevoel dat er iets, ik weet echt niet wat, in mijne handelwijze is, hetwelk niet goed, niet recht, niet ridderlijk is. Misschien, indien ik van avond niet op het feest kwame, zou zulks Reinout doen zien, dat ik een opheldering ontwijken wilde. – Ik mag van den dans niet terugblijven, om mijn eer niet. Hoe vreemd! Ik ben mij geene schuld bewust, en echter huiver ik op de gedachte van Reinout te ontmoeten.”

De arme jongeling! hij zocht waar het hem schortte en hij zag nog niet hoe al zijne redeneeringen slechts daartoe strekten, dat hij zich nog wilde ontveinzen hoe hartstochtelijk hij zelf de schoone Madzy beminde. Wel is waar, de spijt, die zijn boezem ontvonkte, toen hij vernam dat zij Adeelens verloofde was, de geheime verlegenheid, welke hem zelfs weerhouden had een woord van dien twist in ’s Graven bijzijn te reppen hadden hem de oogen moeten openen; en toch, hij had wellicht hem tot een kamp op dood en leven uitgedaagd, die hem had durven verwijten, dan hij Reinouts medeminnaar ware.


[Hoofdstuk 9] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 11]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.