MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

ELFDE HOOFDSTUK.

Nu gaet verheugt ten rei en danst,
Ghy die het hoofd met mirten kranst.

Vondel, Salomon.

Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds te vergaderen in de hofzaal op de markt, waar het dansfeest, dat in ’t klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht, aldaar ten toon gespreid. Rijke dressoiren of buffetten, overdekt met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken, in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort: schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen, welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had.

Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen, hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen, die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen: de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van ’t eene onderwerp op ’t andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men wist dat met de afgevaardigden was medegekomen.

„Men zegt, dat zij zeer bevallig is,” zeide de jeugdige Ottilia van Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die nevens haar bevond.

„Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een boonstaak, en zonder gevoel noch leven.”

„Neen in waarheid,” viel Oda van Wassenaar er tusschen in; „zij moet bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een Rijnsburger non.”

„Oda! Oda!” zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, „gij zijt wederom boosaardig!”

„Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in den zadel waren?”

„En waarom,” zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, „zoudt gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?”

„Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak heeft aangetrokken en ik niet.”

„Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest,” zeide Walcourt.

„Geene vleierij! daar heb ik bijna evenwel afkeer van als van de nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?”

„Men zegt het,” antwoordde Walcourt.

„Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken: anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon.”

„Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke kapsels die zij dragen,” zeide Ottilia: „maar wij zullen, geloof ik, niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen, dat zij niet komen wil.”

„Niet koomen wil!” hernam Walcourt: „en Jonkvrouw, die een uitnoodiging weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering, en verlang ik dubbel haar te leeren kennen.”

„Wacht!” zeide Oda: „daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest, hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord, zoo ’t u gelieft.”

Deodaat trad nader: „kan ik,” zeide hij: „de schoone Oda van eenigen dienst zijn?”

„Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt, ” zeide Oda.

„En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt,” voegde Ottilia er bij.

„En zoo voortreffelijk te paard zit.”

„En zulk een gek kapsel heeft.”

„Schoone dames!” zeide Deodaat: „vergunt mij een oogenblik adem te halen: – wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouwe betreft, geloof ik dat haar niemand die zal betwisten, te meer, dat zij er geenszins hoovaardig op is.”

„Ik geloof,” zeide Oda: „dat in die woorden iets ligt besloten dat een zijdelingschen zet moet beteekenen.”

„Vooral niet. – Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeeten tusschen klapmutsen, en hénins en oordekkers te beslissen: dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels bevallen zou.”

„Waarlijk Ridder!” zeide Ottilia: „ik geloof dat gij verliefd zijt op die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in.”

„Ik, lieve Jonkvrouw!” antwoordde Deodaat: „een Ridder zonder land en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft het recht niet om te verlieven; – ander had ik niet zoolang daarmede gewacht,” voegde hij er met een beleefde buiging bij.

„Nu verder,” zeide Walcourt: „haar rijkunst…?”

„Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen uitmuntende paarden op stal hebben.”

„De slotsom van dit alles is dus,” hervatte Oda, „dat dit meisje een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt, wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden, en onze toevlucht tot een karoledans zullen moeten nemen; – maar dat is nu de groote vraag: komt zij? – Of neemt zij alleen den wierook van hare Friesche aanbidders aan?”

„Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig blijven” zeide Deodaat: „de tijd zal het moeten leeren.”

„Maar in ’s Hemels naam,” hernam de levendige Oda: „zeg mij toch! wie is die kaalgeschoren liefhebber dar? Hemel! nu zag ik nooit iemand, die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij.”

„Zoo gij,” antwoordde Ottilia, „gisteren met ons op den Vogelesang, geweest waart, had gij den held leeren kennen. Hij is een der Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den Heer van Beaumont.”

„Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoone mensch,” zeide Oda: „maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan.”

Hij die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid, zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd; maar hier ontzonk hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen.

Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen; hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen bevond en wreef zich de handen met innerlijken tevredenheid, welke aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte.

Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder.

„Hoe komt het toch,” vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat, „dat uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd onafscheidbaar.”

„Daaraan dacht ik juist,” antwoordde Deodaat op een bezorgden toon: „ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer te leggen.”

„Wie weet,” zeide de Jonkvrouw: „hij is misschien uw bekoorlijke Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet komt: – dan hoor: de muziek begint opnieuw… is het alweer dansentijd?… neen, dat is geen danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie kan men thans noch wachten?… Welnu, waarom kleurt gij weer zoo?… Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?… Ridder Deodaat!… maar waar is hij?…  Aha! nu begrijp ik!… ”

Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigzins voorbereid, hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had verwacht, trad terstond naar haar toe, nam har eerbiedig bij de hand, welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging van welkom bij de Gravin.

Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad, dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval, had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch, daar gekomen, was reeds de toevloed der nieuwsgierigen zoo groot, dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen, die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen, toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede een duw kreeg, hem van ’t hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op een scherpen en luiden toon zeide: „wie is die lompe dorper, die zich hier een weg maakt alsof hij aan ’t biezen snijden ware?”

„Schaam u! terug!” riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug en ontmoette Reinout.

„Door welke helsche kunstgrepen,” zeide hij, „hebt gij Madzy van huis weten te lokken?”

Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat.

„Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch…” riepen Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende en als uit éénen mond: „is zij niet vrijwillig gekomen?”

„Zij had geweigerd,” antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op Adeelen slaande: „of liever, men had voor haar geweigerd.”

„Welnu! en verder?”

„De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijken halsketens, hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide, hoe Seerp van Adeelen er sterk op stond, dat zijn komen zoude…”

„Een gevloekte leugen!” viel Adeelen met heftigheid in.

„O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!” zeide Oda: „welke Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand die dames uit den weg zet, of het vouwstoelen waren.”

„Indien men,” zeide Adeelen, „hier ten hove slechts genoodigd is om tot een doelwit van bespotting te strekken…”

„Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken,” zeide Oda, dan zijn besluitende.

„Ja! ik zal van hier gaan,” zeide Adeelen: „doch niet zonder Madzy.”

„’t Is de vraag, of de Graaf van ’t zelfde gevoelen zijn zal,” merkte Reinout aan.

„Zie,” zeide Oda, „de kring opent zich. De Graaf treedt met haar vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! ’t Is wat vreemd! maar ’t staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net, dat zij op den rug draagt? o! ’t zijn hare haren.”

Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en in kwastjes uitloopende.

„Die gouden oorijzers staan goed,” zeide Ottilia: „maar ik vind het mutsje verschrikkelijk plat.”

„Dat mutsje beteekent,” zeide Oda: „zoveel als een stroobosje aan een paard.”

„En hoe dat?” vroeg Ottilia, eenigzins verwonderd.

„Wel,” hernam Oda: „dat zij nog te koop, of met andere woorden, nog vrijster is; de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een hoofdwrong dragen… maar wie heeft ooit gehoord dat men met een voorschoot op een feest kwam?”

„Dat zal bij ’t kostuum hooren,” zeide de goedhartige Ottilia: „bovendien, ik vind, dat het bewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet.”

„Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken,” vervolgende de bijtende Oda: „zij is immers reeds half geharnast.”

„Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen en armbanden gezien…”

„Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteente dat zij op de borst draagt…  ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk.”

Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare opmerkingen. Ook zij traden terzijde, daar de Graaf haar voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten.

„Edele Aylva!” zeide de Graaf beleefdelijk: „wij stellen uwe pupil weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list  gebezigd hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedogen, dat zulk een juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn gebracht worden.”

„Hoe!” zeide Mazdy verbaasd: „is het niet met de goedkeuring van mijn voogd, dat ik hier kom, en is deze keten…”

„Graaf!” zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had toegedragen: „had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om hier bedrog te plegen, ik had dien liever in ’t Sparen geworpen dan hem u te leenen.”

„Nu Oom!” zeide de Graaf: „zult gij u over een onschuldige kortswijl vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord.”

„Ik geloof niet,” zeide Aylva, bedaard, „dat hier eenig oogmerk bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord blijven? doch… ” hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.

„Welnu!” vroeg Willem: „wat schuilt er nog?”

„Men mompelt.” fluisterde de Olderman den Graaf in ’t oor, „dat Floris de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin van Clermont.”

„Wat meent gij?” riep de Graaf verrast en verstoord.

„God geve dat de toepassing geene plaats vinde,” zeide Aylva.

„Amen!” hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie omwendende:„welnu jonker Seerp!” zeide hij: „hoe staat gij daar zoo in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht.”

„Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer Graaf!” zeide Adeelen: „en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen.”

„Gij kunt dit terstond doen,” zeide Willem: „door aan de schoone Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!” Dit gezegd hebbende, wendde hij zich af.

„Wil hij mij laten dansen?” vroeg Adeelen: „bij Sint-Nicolaas! dat zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek u vrij een dansgezel uit. Seerp van Adeelen verkiest niet langer de speelpop van dit gezelschap te zijn.”

Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij in ’t Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan, en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen zweefde, vergat  zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans.

Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen, naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde.

„Ik had u al bezocht, Ridder!” – zeide zij met een gulle vriendelijkheid, welke hem verrukte: „het spijt mij, dat gij heden omgelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk, in Holland te zijn gekomen.”

„Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist is in vrijwillige ballingschap gegaan.”

„Voorzichtig! gij spreekt van Seerp van Adeelen en ik mag geen kwaad van hem hooren.”

„Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een roos zonder doornen”.

„De toekomst is in Gods hand,” zeide Madzy, met een zucht: „doch waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed, zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer er zich geen volksgeest in ’t spel mengt: – en altijd heb ik hem als mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde: hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij, zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn vrouwtje te beschouwen. Dit doen hem somtijds een meesterachtigen toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of aanstootelijk moet voorkomen.”

Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.

„Gij bemint hem dan wel,” zeide Deodaat.

„Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb,” zeide Madzy, eenigzins verlegen de oogen neerslaande.

„Gij zoudt den man dan wel haten,” vervolgde Deodaat, „die een geleden beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken.”

„Ridder!” zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende: „Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?”

„Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten ondervinden. Kan een dergelijke terging, in ’t bijzijn van getuigen ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?”

Madzy zweeg en wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: „Ik heb wel eens gehoord,” zeide zij, „dat gij Italianen wraakzuchtig zijt;… maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht” van iemand, die zich van een moorddolk bedienen zoude.

„Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een ridderlijke wijze kan ik mijn geschonden eer terugbekomen.”

„Ik heb van uw Ridderwetten gehoord,” hernam Madzy, voor zich ziende: „en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen gelijk die wetten voorschrijven;… maar o God! is dit een vraag om aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?”

„Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in ernst, het is niet ontijdig. – God weet, of het mij immer weer vergunt wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uw mond, en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?”

„Eén woord! en welk moet dit zijn?” vroeg Madzy bevende.

„Dat gij hem liefhebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade bemint.”

Madzy werd doodsbleek: „en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik die betuiging deed?” vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige gewaarwordingen.

„Neen,” hernam Deodaat: „maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in ’t oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren.”

Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de bleekheid van deze bespeurende. „Vergeef mij,” zeide hij: „zoo ik een aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik kom de mij toegezegde hand terugeischen.”

Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en, de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht, die aan geen van beiden ontsnapte.


[Hoofdstuk 10] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 12]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.