MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Doe open en vrees niet: ’k ben uw vrient.
’t Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.

Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.

Seerp van Adeelen had, gelijk wij gezien hebben, het feest in drift verlaten. Daar zijn dienaars en die van Aylva met de paarden waren teruggereden, met last om hen weder tegen den afloop der partij te komen afhalen, zag hij zich genoodzaakt te voet huiswaarts te keeren. Hij legde echter den weg naar het oude klooster af met al dien spoed, welken gewekte drift kan veroorzaken, en, onder het overpeinzen van al de middelen, welke wraakzucht hem aan de hand kon doen, bevond hij zich, eer hij er om dacht, bij het weiland, van waar hij de sombere daken van zijn tijdelijk verblijf boven het geboomte zag oprijzen. Tot zijn bevreemding zag hij door de kleine zijpoort, die met de weide gemeenschap had, eenig licht schemeren. Wanneer men gramstorig is, verschaft zelfs de geringste omstandigheid nieuwe redenen tot ongenoegen. „Die vlegels!” dacht hij: „daar hebben zij weer de zijdeur opengelaten. Zeker zitten zij in kroegen, en kitten te zuipen en laten het huis ter prooi aan elken voorbijganger!”

Hij nam, ten einde zich van de waarheid zijner vermoedens beter te overtuigen, den weg langs het ons bekende pad over de weide, trad onverhinderd in huis, en stapte, eer iemand hem had opgemerkt, de bakkerij binnen, waar Feiko, Sytsken en ettelijke dienaars bij de bierkannen vergaderd zaten en aandachtig luisterden naar de oude legende betreffende den draak van ’t Roode Klif te Stavoren, welke hun een leekebroeder van Sint-Odulf verhaalde.

„Wat is dit, schobbejakken?” zeide hij: „dat gij op dit uur met opene deuren zit?”

De dienaars, wanende dat de vurige draak, waar zij van hoorden, op eens in hun midden verscheen, sprongen verschrikt op, en de verteller sloeg een kruis. Toen Adeelen intusschen zijn vraag herhaald had, en men hem herkende, betuigde Feiko niet te weten, waarvan de Jonker sprak, daar hij zelf al de grendels had dichtgeschoven.

„Ik ben dus, volgens u, door het sleutelgat gekropen?” vroeg Adeelen: „en om uwe nalatigheid te bewimpelen, wilt gij mij aan het bezit mijner vijf zinnen doen twijfelen? sluit terstond de zijdeur dicht. En zeg mij, waar is de Abt?”

„Zijn Eerwaarde is sedert een uur ter ruste gegaan,” antwoordde de kloosterling.

„En vader Syard?”

„In zijn cel.”

„Ga! wek hem en zeg, dat ik hem wensch te spreken; of neen, ik zal zelf gaan.” En, een licht van tafel nemende, begaf hij zich uit het vertrek.

De kamer, welke door vader Syard bewoond werd, was de laatste van een menigte cellen, alle op een lange smalle gang uitkomende, en volkomen gelijk in grootte en vorm, hebbende te voren gestrekt tot verblijf der Sint-Jans-Heeren en thans tot tijdelijke huisvesting der dienaars van het gezantschap. Elke cel was gesloten met een deur van dikke greenhouten planken, over wier ruwheid nimmer een schaaf scheen te hebben gegaan, en veel minder eenige verf: midden in die deuren was te hoogte van het oog een kleine vierkante opening, van buiten met een schuif voorzien, door welke indertijd de pater Guardiaan zich ’s avonds bij het doen zijner ronde kon verzekeren dat de bewoner der cel aanwezig was. Bij zijn nadering zag Adeelen door die opening een lichtstraal schijnen, welke aan de overzijde tegen den witten wand van het portaal werd teruggekaatst. Deze omstandigheid deed hem het besluit opmaken, dat de monnik nog wakker was: daar hij in een tegenovergesteld geval het licht wel zou hebben uitgedaan, alvorens hij zich ter ruste begaf. Dan, toen hij een paar stappen verder gedaan had, was het licht eensklaps verdwenen. Eenigszins verwonderd trad hij toe en, voor de deur der cel blijvende staan, riep hij met een halfluide stem door de opening: „slaapt gij reeds, vader Syard?” Hij ontving echter geen antwoord, maar hoorde nu dat de vrome monnik bezig was om in diepe duisternis zijn avondgebeden op te zeggen.

„Vader Syard!” herhaalde hij luider: „kunt gij uw litanieën niet nog wat uitstellen? Ik wensch u te spreken: kent gij mij niet? Ik ben Seerp van Adeelen! Nog eens, stel dat gebabbel uit: ik moet u noodzakelijk spreken.”

Ziende, dat er geen middel was om zich van het bezoek te ontslaan, stond de monnik op van de plaats, waar hij lag neergeknield, en ontsloot de deur. Adeelen trad binnen: de vreemde handelswijze van den pater had eenig vermoeden bij hem doen ontstaan. Hij lichtte zijn lamp omhoog en zag de cel rond: een werk dat spoedig verricht was, daar het lokaal niet veel breeder was dan de deur, waardoor men er binnenkwam, aan de eene zijde alleen een gekalkten wand vertoonde met menie geverfd, daar tegenover een slaapstede in den muur, met twee deuren gesloten, en over den ingang een raam, waaronder de tafel stond, die, benevens een koperen kruisbeeldje, een waterkruik en een houten zitbankje, het geheele huisraad der kamer uitmaakte.

„Gij zijt hier voorwaar niet prachtig gehuisvest,” zeide Adeelen, terwijl hij de lamp op de tafel en zijn persoon op de bank nederzette.

„Ik heb meer dan het benoodigde,” zeide de monnik, die met gekruiste armen voor hem stond: „mag ik weten wat u zoo onverwacht hier doen komen? Het feest kan toch nog niet afgeloopen zijn.”

„De duivel hale het feest en allen die er op zijn.”

„Gij sluit, hoop ik, den edelen Aylva en Madzy Dekama, die gelijk ik verneem, mede naar die samenkomst van dwazen is vertrokken. Het heeft mij verwonderd, dat een wijs man als haar voogd…”

„Een schandelijk bedrog is jegens ons gepleegd: de oude gek is laf genoeg, het te verschoonen: Seerp van Adeelen zal het nimmer vergeven.”

„Bedaar!” zeide de monnik: „het is een wijs voorschrift, dat men zijn gramschap moet uitslapen. Ga naar bed, Adeelen! morgen zal ik met aandacht luisteren naar ’t geen gij mij te melden hebt.”

„Morgen! – morgen ontbreken ons wellicht tijd en gelegenheid: ik zal geene rust kunnen smaken voor ik lucht heb gegeven aan mijn verkropten spijt. Maar ik ben dorstig, en ik haat te spreken zonder de lippen te bevochtigen. Hebt gij hier niets te drinken?”

„Geen anderen drank,” zeide vader Syard, de waterkruik toonende, „dan dien welke de duinwellen opleveren.”

„Zoek wel,” zeide Adeelen: „ik houde mij overtuigd, dat de cel van een Sint-Odulfschen kloosterbroeder iets meer bevat. Bij mijn laatste bezoek heb ik althans gemerkt, dat uw oude pater Agge een lieven voorraad echten Niersteiner onder zijn bedstede bewaarde.”

„Ik onderzoek niet wat anderen doen,” hernam de monnik op een gestrengen toon: „mits ik zelf de voorschriften mijner orde nakome.”

„Zeer billijk. Maar misschien is het beter, dat ik voor deze reis uwen regel volge, en mij met water vergenoege. Mijn bloed behoeft niet meer verhit te worden.”

„Inderdaad!” riep vader Syard, verbaasd over deze woorden, de wijste, welke hij Adeelen ooit had hooren uitspreken, en nog meer over de gretigheid, waarmede hij hem de kruik aan den mond zag zetten.

„En nu tot de zaak!” zeide Adeelen: „luister! en oordeel, welke wraak Adeelen nemen moet van hen, die hem zoo schendig durven beleedigen” en hij gaf de monnik een volledig verslag van hetgeen er was voorgevallen op het feest en van de list, waarvan men zich bediend had om Madzy derwaarts te lokken.

„En op welke wijze denkt gij dezen hoon te wreken?” vroeg vader Syard na eenige oogenblikken zwijgens.

„Nog ben ik daarvan niet bewust; maar dit weet ik, dat ik niet tevreden wezen zal, voor ik dien hoogmoedigen Graaf zal geleerd hebben, wat het zegt, een Frieschen edelman te hoonen.”

„Gij ontzegt hem dan?” vroeg de monnik.

„Ik heb hem niets te ontzeggen; want ik heb hem nooit als mijnen Heer erkend; maar ik verklaar hem oorlog: oorlog, eeuwigen oorlog aan den Graaf van Holland.”

„Amen!” zeide een doffe stem, welke uit den grond scheen te komen.

„Wie sprak hier?” riep Adeelen uit, zich snel omwendende.

„Wie weet hier?” riep Adeelen uit, zich snel omwendende.

„Wie weet het?” antwoordde de monnik, eenigzins onthutst: „wellicht een dienaar, die zijn avondgebed besluit in eene der naaste cellen, Er is slechts een planken beschot tusschen de bedsteden. Het is hier gehoorig; daarom wilde ik liever ons onderhoud tot morgen hebben uitgesteld.”

„Gij bedriegt u. Al de dienaars zitten in de bakkerij: de naaste cellen zijn ledig; maar de uwe besluit misschien meer toehoorders dan u.” Dit zeggende stond hij op, zag vader Syard aan met een argwanenden blik en wendde vervolgens het oog naar de bedstede. „Die deuren,” vervolgde hij, „zijn dicht genoeg om een verspieder te verbergen.” En meteen legde hij de hand op den wervel.

„Laat af!” riep de monnik, hem weerhoudende: „het is nog de tijd niet.”

„Ik wil zien wat hier schuilt,” zeide Adeelen, hem terugstootende: „aha! wat hebben wij daar?”

De dubbele deur der slaapplaats was opengevlogen, en had aan Adeelen een man vertoond, die half gezeten was en half nederlag op een peluw. In de eerste verbazing had Adeelen zijn dolk gevat; maar, de bedaarde en rustige houding des onbekenden bemerkende, het moordtuig weder in de scheede gestoken, en zich vergenoegd met een straffen blik te vestigen op hem, die zich verstout had, het gesprek te beluisteren. Dit beschouwing viel niet geheel te nadeele des vreemdelings uit. Deze scheen een jongeling van omstreeks dertig jaren: zijn kleedij kon moeilijk doen raden tot welken stand hij behoorde, maar vormde veeleer een mengelmoes, dat alle standen aanduiden kon. Over de groene kiel eens boogschutters was een monnikshoed als een omslagdoek heen geslingerd: aan de voeten pronkten laarzen, wier gouden sporen bij het lamplicht schitterden: de hozen waren rood evenals het ondervest; sierlijke blonde haarlokken krulden om het hooge voorhoofd, dat met een gemeene boerenmuts bedekt was: de regelmatige gelaatstrekken, de arendsneus en dunne lippen gaven moed en onversaagdheid te kennen; doch de hazelbruine, levendige oogen schenen tevens vernuft en loszinnigheid van karakter aan te duiden. De mond was tot een glimlach vertrokken, en de geheele houding des onbekenden, zooals hij daar uitgestrekt was, het hoofd half leunende in de linkerhand, terwijl de rechter, aan wier voorsten vinger een schitterenden ring prijkte, de kin omvatte, het eene been op het bed uitgestoken en het andere daarvan afhangende, teekende volkomen zelfvertrouwen en onverschilligheid omtrent de wijze, waarop Adeelen deze ontmoeting zoude opnemen. Nadat beiden elkander een geruimen tijd hadden aangestaard, brak Adeelen eindelijk het stilzwijgen met de natuurlijke vraag: „wie zijt gij? en wat doet gij hier?”

„Gij ziet het,” wat het even natuurlijk antwoord: „ik lig te bed.”

Hoe Adeelen tot toorn gestemd ware, kon hij zich niet onthouden van glimlachen over dit onverwacht antwoord; doch weldra verkreeg de wrevel weder de overhand bij hem: „antwoord met meer bescheidenheid,” zeide hij; „of ik zou u berouw kunnen doen gevoelen over uw beschaamdheid. Ik heb hier volks genoeg om u geducht te doen afkloppen, en te leren spreken als het noodig is.”

„In waarheid!” hernam de vreemdeling, altijd op denzelfden kalmen toon: „doch ik heb hier een vriend bij mij, die hun wellicht den lust tot dergelijke onhoffelijkheden zou doen vergaan.”  Dit zeggende toonde hij aan Adeelen een strijdbijl, wier gewicht en zwaarte geene vriendelijke groete voorspelde aan dengene, wie zij toegedacht was.

„Wij zullen zien,” riep Adeelen, toornig naar de deur gaande.

„Om Gods wil! Jonker Seerp! bega hier geene onvoorzichtigheid,” zeide de monnik, hem terughoudende; „men heeft er reeds te vele begaan,” – voegde hij er bij, een ontevreden blik op den ombekende slaande.

„Dat ziet op mij,” zeide deze, schaterende van lachen: „Kom Seerp van Adeelen! volg den goeden raad des paters, ga bedaard weer zitten: en laat ons vrienden zijn. ” En op de bank wijzende, ging hij volkomen overeind zitten in de bedstede en liet de beide beenen afhangen.

„De stoutheid van dien kerel verbaast mij,” zeide Adeelen, onzeker wat te doen: „nog eens, wie zijt gij, die tot Seerp van Adeelen als tot uw gelijke spreken durft?”

„Ik spreek tot hem als tot mijn mindere,” antwoordde de vreemdeling, op een vroolijken toon, die als in weerspraak was met zijn woorden.

„Tot uw mindere!” herhaalde Adeelen, stom van verbazing en verontwaardiging. „En in aller Heiligen naam! wie zijt gij dan?”

„Wie ik ben! mij dunkt,” vervolgde de onbekende, den monnik aanziende met een vragende blik: „dat de tijd nog niet gekomen is, om zulks te vertellen.”

„Neen! bij den hemel!” riep de monnik: „gij moet nu niet zeggen, wie gij zijt: ik smeek u daarom! gij zult de waardigheid, die gij bekleedt, niet tot een voorwerp van spot doen strekken, noch de eene onvoorzichtigheid op de andere stapelen. Seerp van Adeelen! ik bezweer u! verlaat deze cel en vergeet wie en wat gij gezien hebt.”

„Wat ik gezien heb? twee verraders, die ik terstond zal doen straffen, zoo mijn woord hier eenig gewicht heeft.”

„Dat zult gij niet, dolzinnige!” hernam vader Syard, „de naam van dezen moet u nog een raadsel blijven; doch dit verklaar ik u: Willem de Vierde heeft geen grooter vijand dan hem.”

„Gij haat Willem den Vierden,” riep Adeelen, haastig tot den onbekende toetredende: „doch wie waarborgt mij de waarheid van hetgeen die monnik verzekert?”

„Hoor!” zeide de onbekende: „ik mag u, daar de eerwaarde pater het zoo dringend verbiedt, mijn naam niet doen hooren; dit zij u genoeg, dat ik een edelman ben, zoowel als gij, ja van nog beroemder afkomst, al stamt gij van een Frieschen koning af… doch hierover willen wij niet twisten. De Graaf is uw vijand: hij is ook de mijne. Zoo ik hier verschijn, het was om pater Syard te vinden en met hem de middelen te beramen om den trots des dwingelands te fnuiken. Deze morgen sprak ik hem niet verre van hier; maar ik heb reden om te vermoeden dat ons gesprek beluisterd is geworden. In de hoop, dat wij hier meer ongestoord zouden spreken, had mij de eerwaarde monnik voorgesteld ons onderhoud in deze afgelegene cel te hervatten. Wij werden gestoord door uwe komst en onwillig, mij aan iemands oogen bloot te stellen, verschool ik mij in deze bedstede, waar ik bijna gestikt ware. Toen ik u zoo luidkeel wraak over den Graaf hoorde roepen, kon ik mij niet weerhouden, een hartelijk amen uit te spreken, en daardoor vrijwillig mijn aanwezigheid te verraden. Had ik mij niet evengoed kunnen stilhouden, en is hij een verspieder, die zich zelven dus aanmeldt?”

„Er is veel waars in ’t geen  gij zegt,” merkte Adeelen aan: „doch…”

„Doch mijn mond is schor van het praten: en zoo gij u met water vergenoegt, ik zou wel een meer opwekkenden drank verlangen. Broeder Syard! wees zoo goed en haal een kan wijn boven. Die braven Jonker zal mij wel gezelschap houden en een beker ledigen op de onafhankelijkheid van Friesland.”

Vader Syard schudde het hoofd en zag Adeelen met een blik aan, welke den tegenzin, dien hij gevoelde, om het onderhoud te rekken, blijkbaar aankondigde.

„Ga!” zeide Adeelen, wiens drift nu geheel bedaard was en voor nieuwsgierigheid had plaats gemaakt: „ga! en zeg dat ik wijn verlang.”

De monnik haalde de schouders op en vertrok: „Voorwaar!” zeide de vreemdeling toen: „ik had hem wel mogen gelasten een paar goede stoelen mede te brengen; want de zitplaatsen zijn schaarsch en ongemakkelijk: en, wanneer men praat en drinkt, is een leunstoel met open armen en gevulde kussens voor de tafel geschoven, gansch geen verwerpelijk ding.”

„Zoo gij liever in mijn vertrek wilt komen,” zeide Adeelen: „het huisraad is er zeker beter in orde en…”

„En ik zal er blootstaan aan de nieuwsgierigheid uwer dienaars? Ik dank u.”

„Gij zult er niemand zien, zoo gij niet verlangt: en ik zou den strot afsnijden aan dengene, die zoo stout ware eenige vraag omtrent u te doen.”

„Nu! zoo gij mij daarvan verzekert!,” hernam de vreemdeling, opstaande en zijn beenen schuddende, die verdoofd waren door den gedwongen toestand, waarin zij verkeerd hadden: „dan is het mij wel”

„Voortreffelijk. Laat den monnik u den weg naar mijn kamer wijzen: ik zal voorgaan om te zorgen dat ons niemand store.”

Dit zeggende, nam hij een der lampen op, stak de andere aan, ten einde zijn nieuwen kennis niet in ’t duister te laten, en wilde zich verwijderen, toen de vreemdeling hem bij den arm tegenhield.

„Een oogenblik!” zeide deze: „wie waarborgt mij, dat gij mij niet bedriegt en uw dienaars niet gaat roepen om mij te vangen?”

„Zoo het woord van een vrijen Fries niet bij u geldt,” zeide Adeelen, „is het nutteloos, tijd te verspillen met een verder onderhoud. Dan kunt gij u onverlet verwijderen.”

„Ga dan!” hernam de onbekende: „ik vertrouw mij op u.”

Adeelen vertrok, en den monnik op de trap ontmoet hebbende, deelde hij hem het opgevatte voornemen mede, ’t geen bij vader Syard nieuw stof tot ongenoegen scheen te verwekken. Echter, na een oogenblik te hebben nagedacht: „uw vertrek,” zeide hij, „is, zoo ik mij niet bedrieg, juist onder het mijne.”

„Dat zal wel zoo zijn: – doch waarom die vraag?”

„Des te beter: – gij zult er de reden wel nader van bespeuren.”

Zij verlieten elkander; en na eenige minuten waren Adeelen en zijn beide gasten op hun gemak in zijne kamer gezeten om eene tafel, waar een welgevulde wijnkan met drie bekers op stond te prijken.

Terwijl Adeelen en de vreemdeling zich met eenige goede teugen verfrischten (hetgeen de monnik volstandig afsloeg) bleven zij elkander schier zonder spreken nieuwsgierig aanzien, als onzeker wie de eerste zijn zou om het onderhoud, dat zoo belangrijk wezen moest, te beginnen. Eindelijk kon Adeelen zijn ongeduld niet langer bedwingen: de beide ellebogen op de tafel leggende en zijn kin op de saamgevlochten vingers der beide handen doende rusten, ving hij aldus aan:

„Welnu! ik zal den sleutel verkrijgen van hetgeen mij tot nog toe onbekend is? Op welke wijze zal mij uwe hulp te stade komen, om Friesland van ’s Graven heerschzucht ontslagen en mijn eer gewroken te zien?”

„Behaagt het u,” vroeg de monnik aan den onbekende, „dat ik den Jonker mededeele wat hem noodig is te vernemen?”

Een toestemmende knik ontvangen hebbende, ging vader Syard aldus voort:

„Gij moet dan weeten, Seerp van Adeelen! dat Friesland niet het eenige gewest is, hetwelk reden heeft om zich over de verkorting van lang genoten vrijheden te beklagen. Ook in het Bisdom van Utrecht heeft de heerschzucht des Graven hem vijanden berokkend, die, zijn onverdraaglijk juk moede, alles in de waagschaal willen stellen, om zich daarvan te bevrijden. De keuze van den voormaligen Bisschop, Jan van Diest, ten gerieve van Grave Willem den Derden gedaan, had bijna geheel het Sticht onder de heerschappij der Hollanders gebracht. Na hem had, gelijk u bekend is, de tegenwoordige Graaf, begeerig zijn eens verkregen gezag te handhaven, opnieuw een leenman van Holland, een afstammeling uit het beroemde huis van Arkel, op den Bisschoppelijken zetel weten te plaatsen.”

„Dat alles heb ik meer gehoord,” zeide Adeelen; „die Bisschop is immers in Friesland geweest om de kloosters te bezoeken? – Ik heb hem niet gezien: men zeide, dat hij nog geen baard aan de kin had.”

„Met of zonder baard,” vervolgde de monnik, „hij toonde me de daad, dat hij de belangen zijns Bisdoms behartigen wilde en dat hij niet, gelijk zijn voorganger, een tamme sperwer was, gereed om van ’s meesters hand te vliegen en voor dezen het wildbraad op te vangen: maar een grootmoedige adelaar, vaardig om weerstand te bieden aan al wie hem zocht te fnuiken. Bijna al de bezittingen van het Bisdom waren wegens schulden aan den Graaf verpand; om die schulden af te lossen, en daardoor het Sticht aan den invloed van Holland te onttrekken, verliet Arkel de mijterstad en ging hij stil en afgezonderd in Frankrijk leven. Intusschen liet hij te Utrecht zijn broeder Robbert achter en, met hem, mannen, wier hart van ijver blaakt om het Bisdom tegen alle aanmatiging van buiten te verweren en tot zijn alouden luister te verheffen. Hiertoe willen zij in de eerste plaats den Grave, die zich het momboirschap van het Sticht heeft toegerekend, alle inzien van stukken, benevens de hun gevraagde rekening en verantwoording weigeren.”

„Ik zie, waar dat heen moet,” viel Adeelen in: „de rekening wordt geweigerd: en de Graaf rukt het Sticht in met zijn heir.”

„Indien hij niet wordt voorgekomen,” zeide de vreemdeling glimlachende.

„Welnu!” hernam de monnik: „het oogenblik, dat de Sticht als één man tegen Holland opstaat, zij ook dat van Frieslands bevrijding.”

„Ik versta u,” zeide Adeelen: „de wapenkreet, die in Utrecht wordt aangeheven, moet door de Kollumsche en Amelandsche duinen worden teruggekaatst. Welaan! aan mij zal het niet ontbreken.”

„Hebt gij invloed genoeg in Friesland,” vroeg de Stichtenaar, wiens gelaat op eens een meer ernstige plooi aannam, „om dit de bewerkstelligen?”

„Ik sta in voor geheel Westergoo, dat mij gezonden heeft,” antwoordde Adeelen: „en, zoo mijn echt intijds voltrokken wordt, zal ik een aanhang kunnen vormen, sterk genoeg  om den geheelen adel van Friesland mijne banier doen volgen.”

„’t Is wel! doch uw mede-afgevaardigde, de zendeling van Oostergoo! Hij schijnt meer ten vrede geneigd.”

„Hij moge alleen gaan pruilen op zijn stins,” hernam Adeelen: „Friesland heeft manmoedige zonen genoeg en zal hem niet missen. Wat de geestelijk huizen betreft…”

„Daar sta ik in,” zeide vader Syard. „Hun afhangelingen zullen niet achterblijven op den dag des gevaars.”

„En dan,” vervolgde Adeelen, wiens oogen meer en meer van geestdrift begonnen te fonkelen: „dan hebt gij, behalve de volgers van Edelen en Papen, die onbuigzame inwoners onzer steden, wier voorhoofd gloeit, wanneer zij een Hollander hooren noemen, en die nering en bedrijf verlaten zullen en met het zwaard opkomen, zoodra de kans hun schoon staat om een Hollander af te kloppen.”

„Voortreffelijk!” riep de vreemdelingen uit: „en wanneer dan alles wat in Twente, in Salland en in Drenthe onderhoorig is aan het Bisdom, wanneer de moedige Stellingwervers en de Groningers, en die Westfriezen, die nog de dagen van Koning Willem niet vergeten zijn, zich allen vereenigen, dan zal de Meester van alle soldaten en Regent van alle vorsten, zooals de Graaf zich door zijn vleiers noemen laat, werks genoeg hebben om zijn hoofd voor de uitbarsting van het onweer te beveiligen. Hier” vervolgde hij, een vollen beker omhoogheffend: „drinken wij op het welslagen van ons heilig verbond!”

„Op het wèlslagen,” zeide Adeelen: „maar,” vervolgde hij, van toon veranderde, „mag ik nu eindelijk weten, met wien ik het verbond aanga?”

De vreemdeling wilde antwoorden; maar vader Syard kwam hem voor: „deze edelman,” zeide hij, „brengt ons de wenschen en verlangens over van de Utrechtsche Kapittels. Thans mogen wij u niets meer zeggen. Laat ons liever eens nadenken over hetgeen ons nu te doen staat. Is het uw voornemens niet (zich tot den Stichtenaar wendende) morgen naar Utrecht te vertrekken, ten einde aldaar uwe maatregelen te beramen en ten uitvoer te brengen?”

„Morgen! Neen! – ik moet nog een paar dagen hier blijven: er zijn nog onder die groote heeren, die hier te feest komen, enkelen aan wie ik een woord in ’t vertrouwen heb te zeggen: – doch ik zal schrijven. Die Barbanera, of hoe hij heeten mag, kan een brief medenemen. ”

„Hij is, zoo ik vernomen heb, in de hut des boschwachters opgelicht en te Haarlem gevangengezet,” zeide vader Syard.

„Ja! – maar gelukkig weder ontslagen en naar Hillegom gebracht, van waar hij of zijn makker terug zou keeren om mijn bevelen aan de vervallen loods in ’t duintje af te wachten. Wees nu slechts zoo goed mij eenig schrijfgereedschap te verschaffen; want ik vrees, dat de kamer van dezen Jonker daar van slecht voorzien zal wezen.”

„Gij kunt schrijven!” zeide Adeelen verbaasd, nadat de monnik vertrokken was.

„Is dat wonder voor een afgevaardigde der Kapittels? maar ik kan meer dan dat, gelijk gij zien  zult, indien gij u overmorgen op ’t steekspel bevindt.”

„Voorzeker hoop ik daar te komen,” zeide Adeelen.

„Welnu! zoo gij op een Ridder let, in een blanke wapenrusting, met een rooden arend op den helmkam, zult gij ten minste iemand zien, die niet zonder eer het strijdperk verlaten zal… maar stil! onze waardige pater komt terug: en die behoeft van dit alles niets te weten!”

De monnik trad binnen en plaatste het schrijfgereedschap op tafel. De Stichtenaar greep haastig naar een blad perkament en deed zijn ganzeveder vaardig daarover gaan.

„Maar zoo uw brief onderschept wordt en de Italiaan ons verraadt? Verba volant, scripta manent, zegt de spreuk.”

„Al wordt de kokeler gepakt en doorsnuffeld, zullen zij mijn brief voor niets anders aanzien dan voor tooverspreuken en bezweringen. Ik versta mij ook een weinig op het cijferschrift.”

Dit gezegd hebbende, zette hij met zulk een vlugheid zijn arbeid voort, dat Adeelen, die vaak de moeite had gezien, waarmede de goede Abt van Sint-Odulf eenige letters formeerde, er over verbaasd stond. Toen het echter een poos geduurd had en de tweede brief begonnen was, namen verveling en vervolgens een onbedwingbare vaak de plaats der verbazing in en welhaast verkondigde een luid gesnork aan de beide saamverbondenen, dat hun bondgenoot in slaap was gevallen.

„En nu, daar onze vriend ons niet hooren kan,” zeide de Stichtenaar, zijn brieven dichtvouwende: „zeg mij, waarde broeder, waarom gij er zoo tegen waart, dat k mijn waardigheid aan dien edelman bekend maakte?”

„St! Stil!” zeide de monnik, den vinger op den mond leggende.

„Hij kan ons niet meer hooren,” zeide de vreemdeling.

Fortasse oculis tantum dormit,” hernam de monnik: – „Sed quominus hunc juvenum vestrae dignitaris certiorem faciamus, vetat et ipsus imprundentia, vetat et securitas vestra, quae maxime periclitaret ur, si repertum esset, tam insolenti habitu absconsam esse ecclesiae spem deliciasque nostrae.

Et libera nos al malo, amen!” zeide Adeelen, die, door het gesprek weder wakker wordende, zich verbeeldde dat de monnik een Vader Ons opzeide: „wat prevelt gij toch?” vervolgde hij, zich de oogen wrijvende.

„Kom! al genoeg geredeneerd,” zeide de vreemdeling, opstaande: „kunt gij mij ongemerkt hier uitlaten? dan ga ik mijn verblijfplaats opzoeken.”

„Ik heb zelf last gegeven de achter- en zijpoort te sluiten,” zeide Adeelen: „doch de groote poort staat nog open. En dan, als zag men u, wie zou vrijpostig genoeg zijn om mij te vragen, welk laat bezoek ik gehad heb?”

„Ik bid u,” zeide vader Syard, „bedenk dat alle onvoorzichtigheid schadelijk wezen kan. Al de dienaars zijn nog wakende, om op den Heer van Aylva te wachten, en gij zoudt onmisbaar gezien worden: – vernam de Olderman of de eerwaarde Abt iets van ons gesprek, het kon voor ons allen gevaarlijk zijn.”

„Zoo ik den tuinmuur overklom…” zeide de Stichtenaar.

„Indien ik mijn gevoelen uiten mag,” vervolgde de monnik, „zonder dit laatste voorstel in aanmerking te nemen, zou ik van oordeel wezen, dat gij hier dezen nacht bleeft vertoeven, daar het mij morgen veel lichter zal vallen om u, als iedereen vermoeid van de nachtwaak in diepe rust ligt, van hier te doen ontsnappen.”

„Ja! maar de brieven,” zeide de vreemdeling: „hunne bezorging eischt spoed.”

„Ik geloof waarlijk, dat er al verspieders in aantocht zijn,” zeide Adeelen, die intusschen door het raam had gezien: „ik heb daar een gedaante door het bosch zien sluipen.”

„Wij zijn onvoorzichtig geweest,” zeide de monnik, zich voor het hoofd slaande: „wij zitten hier met licht: en iemand, die de moeite neemt om een der boomen, welke buiten staan, te beklimmen, kan ons alle drie herkennen… doch! bij alle heiligen! wat is dat?”

De verbazing van den monnik was niet ongegrond: er werd van buiten tegen het raam getikt.

„Wie is daar?” riep Adeelen met drift het venster opendoende. „Het is de Booze!” zeide hij, toen op hetzelfde oogenblik een zwarte gedaante naar binnen sprong en, zich op de tafel neerzettende, de aanwezigen tegengrinnikte.

„Aha! zijt gij het, meester Cezar!” zeide de vreemdeling: „dan zal uw meester waarschijnlijk niet verre af zijn. Hij zal ongerust over mijn uitblijven zijn geworden, en mij dezen boodschapper hebben toegezonden. Mij dunkt, ik zie hem reeds beneden aan den muur staan. Zijt gij het, Daamke?”

„Tot uwen dienst,” klonk zachtjes het antwoord van den nar.

„Voortreffelijk! hier zijn twee brieven ter bezorging; wil ik ze u toewerpen?”

„Voorzichtig!” zeide de monnik, hem terughoudende, „er groeien zoovele en zoo dichte struiken om de muren, dat de kerel er vruchteloos naar zoude zoeken.”

„Nog beter!” hernam de Stichtenaar: „wij hebben immers den bode bij ons. Hier meester Cezar! neem deze brieven en breng ze behendig aan den baas: Daamke! roep uw aap!”

Daamke floot slechts even, en gezwind sprong Cezar met de brieven het raam uit en op den schouder zijns meesters, die zich terstond verwijderde. De drie bondgenooten oogden hem zoo lang na als de duisternis het veroorloofde en sloten vervolgens weer het raam.

„En nu!” zeide Adeelen, wien intusschen een nieuw denkbeeld was voor den geest gekomen: „uwe zaken zijn afgehandeld, heer vreemdeling, wie gij zijn moogt! nu moet ik ook eens aan de mijne denken. Ik had eerst den monnik willen vragen, mij behulpzaam te zijn, maar dewijl ik in u iemand vinde, die zoowel met de ridderlijke gebruiken als met het hanteeren der pen bekend is, wend ik mij nog liever tot u.”

„Laat hooren,” zeide de vreemdeling: „en zoo mijne zwakke talenten u van dienst kunnen zijn, ziet gij mij daartoe bereidvaardig.”

De Friesche edelman stelde hem hierop zijn verlangen voor. Daar de uitslag van hun verder onderhoud in het vervolg dezer geschiedenis blijken zal, is het ons onnoodig voorgekomen, de verschillende tegenwerpingen en bedenkingen, door den onbekende en door vader Syard gemaakt, en het ten laatste gevormd besluit hier ter plaatste te vermelden. Wij zullen ons derhalve vergenoegen met te zeggen, dat de Stichtenaar, na den afloop van het gesprek, in een der armstoelen een zachte rust vond, waaruit hij vroeg in den morgen door den monnik gewekt en daarna ongemerkt buiten de muren van het gebouw gebracht werd.


[Hoofdstuk 11] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 13]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.