MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Wat baten me uwe orakelblaęn?
Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,
Ik kan de woorden niet verstaan
En evenmin den zin begrijpen.

Hoffham.

De twee dagen, verloopen sedert het tijdpunt, van waar ons verhaal is uitgegaan, waren vervuld geweest met voorvallen en avonturen van onderscheidenen aard, die, zoo als niet voor onze lezers, dan althans voor de helden onzer geschiedenis belangrijk mogen genoemd worden; maar evenals een reiziger niet altijd op weg verrast wordt door natuurtooneelen, rijk in verscheidenheid en afwisseling, maar zich somtijds moet getroosten een eenzame heide , een dorre zandwoestijn of een moerassige landstreek door te trekken; zoo komen er, ook  zelfs in het woeligste tijdperk des levens, dagen voor, wier onbeduidende loop door geene enkel opmerkenswaardige omstandigheid wordt afgewisseld: zoodanig een dag was die, welke op het dansfeest volgde en het steekspel voorafging; een dag als alle soortgelijken, waarop men uitrust van de vermoeienissen des vorigen avonds en zich voorbereidt op die van den volgenden morgen. Maar met dat al, en schoon er weinig voorviel, dat hier verdient opgeteekend te worden, was het een dag van woeling en drukte en gerucht: geene straat was er in Haarlem, waar niet de moker van den wapensmid weergalmde, waar men geen snijder op zijn tafel zag, bezig met wapenrokken te bewerken of te herstellen, waar geen helmslager nieuwe nagels in de stormhoeden dreef, waar geen bontwerker bezig was met pluimen van allen vorm en kleur te vereenigen, waar eindelijk geen talrijke drom van ridders en schildknapen heen en weder liep om zich aan te schaffen wat nog ontbrak, ten einde in vollen luister op het Tornooiveld te kunnen verschijnen. Hier en daar zag men groote hoopen van toekijkers, waar een goudsmid bezig was zijne kunstig gedrevene sieraden aan het gevest van een zwaard of aan de oppervlakte van een maliënkolder vast te hechten: of waar een vernuftige schilder het blazoen of de leenspreuk eens Ridders op het breede schild of op het spiegelgladde borstkuras in frissche verven afmaalde, of waar een borduurder der laatste hand zette aan een banier, schitterende van goud- en zilverdraad, of de geestige kleuren op sluiers en sjerpen wist te mengelen. Wat verder zag men meisjes bezig met het vlechten van bloemkransen en festoenen, bestemd om de straten te versieren, en van die groote kronen, welke, midden in de hoofdstraat opgehangen, bij het doortrekken des Graven worden neergelaten, ten einde hem te vangen en den losprijs van eenige kleine muntspeciën voor de jeugdige vervaardigsters te verwerven. Karren met hout voor stellages en borstweringen, of met groene sparretakken en ander loof beladen, reden gedurig heen en weder naar de groote markt of het Zand gelijk het toen genoemd werd, dat tot het steekspel bestemd was en waar onze vriend Claes Gerritsz zwoegende en zweetende tusschen een vijftigtal werklieden op en neder liep, om te zorgen dat alles ter bestemder plaatse wierd gezet en beschikt: ofschoon zijn aanwijzingen meermalen werden veranderd en zijn bevelen in den wind geslagen, zoo dikwerf die in strijd waren met den last der Herauten, die, als bekend met al hetgeen bij zulke plechtigheden noodig en behoorlijk was, zich weinig aan zijn beklag of aanmerkingen deswege stoorden.

„Het is toch een ergerlijke zaak,” bromde hij dan, „en die tegen alle Privileges aandruischt, dat zich bij een feest, dat binnen Haarlem gegeven wordt, vreemdelingen zooveel aanmatigen, en wijzer willen zijn dan poorters, die schot en lot betalen! Ben ik dan geen marktschrijver? en is mij door het bestuur de taak niet opgedragen om alles naar eisch te schikken en te regelen? En ken ik het Zand niet beter dan die roodrokken, die van tornooien van Keulen en Bamberg spreken, alsof de gelegenheid overal eveneens ware? – Ja, bij Sint-Gangolf! men ziet wel dat wij een vreemden vorst hebbe, en dat het bestuur van Haarlem slechts uit oogendienaars is samengesteld, om zulke zaken te dulden.”

Men kan begrijpen, dat op dezen dag de drie minnaars van Madzy ook, evenals meer andere Ridders, bijna geen oogenblik tijd hadden om zich buiten Haarlem te begeven, zoo bezig waren zij met het in orde brengen hunner toerusting voor den volgenden dag. Reinout was Deodaat bestendig ontweken, wanneer zij elkaar bij toeval op straat of in een werkplaats ontmoetten: en Adeelen, die nu een bepaald voornemen in ’t hoofd had, zag hen, zoo dikwijls hij hen tegenkwam, met een koele bedaardheid aan, als wilde zijn rustige blik hun te kennen geven: „wij zullen heden maar geen twist zoeken: dat zal zich morgen wel vinden: borgen is geen kwijtschelden.” – Maar wat het meest opmerking verdiende, was, dat de Fries, niettegenstaande de hooge vooringenomenheid met alles, wat in zijn vaderland vervaardigd en bereid was, zich te dezer gelegenheid zoozeer verloochende, dat hij zich een volkomen wapenrusting in Haarlem aanschafte en onder zijne oogen in orde liet brengen; want hij was met al zijne hoofdigheid verstandig genoeg, om te erkennen, dat het lichte kuras, hetwelk hij uit Friesland had medegebracht, niet proefhoudend zou wezen tegen stevige lansen, die hij overal zag ronddragen, en dat zijn kromgebogen zwaard wel geschikt was om, gelijk twee dagen te voren, schrik aan te jagen onder een ongewapende hoop, maar  hem van geen nut zoude wezen indien hij daarmede op een maliënkolder in moest houwen, of een der reusachtige kampdegens afkeeren, welke de Ridders van dien tijd op zijde droegen.

Terwijl hij zich met deze toebereidselen onledig hield, was de schoone Madzy, vergezeld van den Heer van Aylva, den Kloostervoogd, vader Syard en eenig gevolg, een morgenbezoek bij de arme Elske gaan doen, en hadden zij vervolgens hun wandeling door de omliggende bosschages voortgezet. Het onderhoud was onmerkbaar afgeloopen, daar ieder zijn bijzondere redenen tot ernst en nadenken had. Madzy was, gelijk meer jonge maagden, in wier boezem een ontkiemende liefde woont, weemoedig en stil: zij poogde, maar vruchteloos, de gedachte aan den edelen Deodaat, aan zijn vroolijk en aangenaam onderhoud van den vorigen morgen, aan zijn ontmoeting met Adeelen en aan zijn geheimzinnige woorden op het feest, uit haar geest te verbannen: somtijds wenschte zij, dat zij Friesland nooit verlaten en hem daardoor niet ontmoet had; dan huiverde zij tegen het denkbeeld, dat zij slechts korte dagen in Holland verblijven zoude, en dan waarschijnlijk den jongeling nimmer terugzien, in wien zij zulk een hoog belang stelde. Maar ook den volgenden dag zag zij met schrik te gemoet: men had haar wel gezegd dat het steekspel, gelijk het woord zulks medebracht, alleen een spel zoude zijn, waarop geen ander dan geknotte wapenen gebezigd werden; maar zij wist tevens, dat somtijds ongelukkige toevallen, somtijds bijzondere haat en wrok, oorzaak waren, dat dergelijke feesten een treurigen in stede van een vroolijken afloop hadden: en zij herinnerde zich het voorbeeld van den ongelukkigen Floris, door haar voogd den avond te voren aangehaald, toen het blijde tornooispel in een bloedbad verkeerde. Zij kende den wrok, door Adeelen tegen de Graaf en ook tegen Deodaat gekoesterd: zij besefte de redenen, welke deze laatste had om zich over de hem aangedane beleediging te wreken: zij wist niet, tot welke uitersten de spijt hem drijven kon: en zij sidderde voor beiden: voor beiden, zeggen wij, want, ofschoon haar hart voor Deodaat sprak, een lange en oude verknochtheid en zusterlijke vriendschap hechtte haar aan den edelen Fries.

Aylva was insgelijks niet zonder ongerustheid: niet zoozeer over den uitslag van Adeelens wrok voor zooveel dezen persoonlijk aanging (want de gedurige oneendigheden en vechtpartijen, welke in Friesland tusschen de Schieringers en Vetkoopers plaats vonden, hadden hem reeds zekere mate van onverschilligheid omtrent dergelijke twisten gegeven) – als wel over het dreigende onweer, dat zijn vader land boven het hoofd hing. Hij had genoeg gezien, om te begrijpen, dat, zoo als de Friezen halsstarrig bleven weigeren zich aan den Graaf te onderwerpen, deze, even hardnekkig als zij, op die onderwerping zou blijven staan, en dat derhalve vroeg of laat een oorlog hiervan het vervolg zou zijn: wanneer hij dan de ontzettende macht, die de Graaf te velde kon brengen, met de geringe verdedigingsmiddelen, welke Friesland daartegenover kon stellen, de geoefendheid en krijgstucht van Willems legerschaar met den ongeordenden staat van het Friesche volk, de éénheid, die den aanval zou besturen, met de verdeeldheid, die bij de verdedigers heerschte, vergeleek, dan achtte, hij, dat een wonderwerk alleen Friesland voor een wisse val behoeden kon.

Vader Syard had, gelijk de lezer, die zijn bedoelingen reeds beter kent dan er de Olderman en de Abt van bewust waren, licht zal beseffen, mede overvloedige stof tot overpeinzen; maar dewijl het zijne gewoonte niet was, het gesprek te beginnen in gezelschap zijner meerderen, kon zijne stilzwijgendheid niemands aandacht treffen.

Wat eindelijk dan Kloostervoogd betrof, de gedachten van den goeden man waren op dat oogenblik minder met het lot van Friesland of van Seerp van Adeelen bezig, dan met den gullen zandweg, die hem, als het wandelen weinig gewoon, bij uitstek lastig viel en hem, hijgende en zweetende, gestadig deed rondzien naar een geschikte plaats om even uit te rusten.

Weldra bood zich hiertoe de gelegenheid aan: het gezelschap was langs een smal voetpad, dat door dichte struiken en struweelen naar boven slingerde, op een bewassen heuvel gekomen, van waar een zoo verrassend als bevallig uitzicht den wandelaar als van zelf tot een oogenblik verpoozing uitnoodigde. Van de plek, waar men zich onder het lommer van eenige esschen, lijsterbeziën en meidoorns bevond, zag men voor zich op een tamelijk uitgestrekt weiland neder, van onregelmatigen vorm en aan twee zijden afgesloten door een kleine duinrand, welig begroeid met berken en dwergeiken, waarvan de wortels door het witte zand van de gebrokkelde helling heenstaken. Vlak tegenover den aanschouwer liep de grond glooiend naar beneden en ontdekte men over doornenhagen, welke de weide aan die zijden bepaalden, eenig bouwland, waarvan de eentoonigheid werd afgewisseld door onderscheiden groepen van hoogopgaande boomen, in wier breede takken talrijke kraaien nestelden. Daartusschen zag men hier en daar bevallige boerenwoningen verspreid, elk met haar tuin en boomgaard achter zich, alle de welvaart der streek getuigende en vaneengescheiden door welige landerijen, waarin bontkleurige runderen graasden, een paar bleekerijen, op wier groene velden eenige jonge deernen bezig waren het hagelwit linnen, dat schitterend in de zon lag uitgespreid, met water uit de daaraan grenzende sloot te besproeien. En over dat alles heen deed zich het Haarlemmermeer op, nu klaar en effen gelijk een heldere spiegel, en de zeilen terugkaatsende van tallooze vaartuigen van allen vorm en grootte, die den plas in alle richtingen doorkruisten.

„Voorwaar!” zeide de Abt, nadat Madzy zoowel als de Olderman dit schouwspel een poos in stille bewondering hadden aangestaard: „mij dunkt dat wij dit alles evengoed, ja beter op ons  gemak zouden kunnen bekijken, indien wij er bij gingen zitten.”

Er was niets tegen dit voorstel in te brengen; en de vier hoofdpersonen van het gezelschap namen plaats op den heuvel, terwijl het gevolg zich een weinig verder tegen de helling van het duin nedervlijde.

„Zijt gij aan uw bruidskrans bezig?” vroeg vader Volkert na eenige oogenblikken stilte aan Madzy, die zich onledig hield met de madeliefjes, die aan hare voeten groeiden, op eene, aan mijn lezeressen gewis niet onbekende wijze aan elkaar hechten.

„Dat heeft nog zulk een haast niet,” antwoordde zij blozende.

„Nu, misschien wel,” zeide de Abt: „althans ware is Seerp van Adeelen, ik zou niet langer meer willen wachten: vooral sedert de hofvlinders rondom u zijn komen vliegen… Ja! die veroorzaken hem, geloof ik, onrust en kwelling genoeg! maar dat had hij kunnen verwachten, toen gij met hem van wal zijt gestoken.”

„Wat meent gij, Eerwaarde?” vroeg Madzy, hem eenigzins verwonderd aanziende.

„Wel!” zeide de Abt, „ik behoef u toch het oude orakel niet te herinneren, dat bij de stichting van Dekamastins door den Abt van Bloemkamp is uitgesproken. Laat zien, hoe luidt het ook?…”

„O! bedoelt gij dat?” hernam Madzy: „haal dat maar niet op,” voegde zij er haastig bij, als wilde zij een onaangename herinnering ontwijken.

Maar vader Volkert liet zich niet van zijn tekst brengen. Het is algemeen opgemerkt, dat zelfs de meest wispelturige menschen nimmer zoo vasthoudend zijn, dan wanneer zij zich iets weder zoeken te binnen te brengen, dat ten deele aan ’t geheugen ontsnapt is: hoeveel te meer iemand als onze Abt, wiens gedachten zelden aan vele afwijkingen voet gaven. Zonder op het smeekend gelaat van Madzy te letten, bleef hij zoolang de voorspelling betreffende den huize Dekama (waarvan wij in ons zevende hoofdstuk de twee eerste regels hebben aangehaald) nakauwen en in zich zelven opzeggen, tot hij zich die eindelijk geheel herinnerd had en op een zegepralenden toon zonder haperen kon opsnijden:

„As Dekama sine Rose forliest, 10
In dy for Frieslân dat seawetter kiest,
Den schille, om har to ploaitsen, komme
Fuwgelt fen alle wioecken in plommen;
Den schille jć wijllje in declinaerje,
In ’t haedken hingje litte droaf;
Mar wer bloeie in prosperearje,
As de Foarstene pun wildt Frieslans roaf.”

„Ik zie niet,” zeide Madzy, hare onrust door een half schertsenden toon zoekende te bewimpelen, „wat ik met die voorspelling te maken heb.”

„Niet!” herhaalde de Abt verbaasd, „spreekt dat orakel niet van de Roos van Dekama? En hebben de minnezangers u niet uit éénen mond met dien naam bestempeld? En zijt gij niet over zee gekomen? En zwierven er niet vogels van alle veeren om u heen? En hing uw hoofdje, toen gij daarneven uw kransje zal te vlechten, niet zoo droef op zijde als een geknakt bloempje?”

„De eerwaarde Vader heeft geen ongelijk, Madzy!” zeide Aylva, die tot nu toe vermeden had zich in het gesprek te mengen, als had hij de wending, die het nam, willen afwachten: „ik mag het u niet verzwijgen, hoe noode ik er van spreek; – want het is een harde zaak, aan een jong en vroolijk meisje terughouding en behoedzaamheid te willen voorschrijven en haar af te houden van hetgeen, waarin zij niets dan een onschuldig vermaak; – maar gij zult u in acht moeten nemen aan dit weelderige hof.”

„Is mijn waarde voogd over mij ontevreden?” vroeg Madzy, terwijl een traantje in hare oogen blonk en zij zachtjes haar hoofd tegen zijn schouder drukte, gelijk een kind dat om vergeving vraagt.

„Neen mijn kind! ik ben ontevreden op Adeelen en op mij zelven; want wij hadden moeten voorzien wat gebeuren zoude. Wij hadden u in Friesland moeten laten en u niet in de gelegenheid stellen van een hof te verschijnen, waar een oogenblik genoegen wellicht voor de rust van uw volgend leven kan gekocht worden. ”

„Versta ik u wel?” vroeg Madzy, wier hart op dit oogenblik de beteekenis van Aylva’s woorden reeds vooruit liep. „Waar zijt gij bevreesd voor?”

En met een heimelijk beven wachtte zij het antwoord af.

„De Graaf,” zeide de Olderman, nadat hij haar een wijl met vriendelijken ernst had aangestaard, „heeft gisteravond nog veel met mij over u gesproken: – hij heeft zich eindelijk vrij duidelijk uitgelaten, dat hem niet ongevallig zou wezen indien er huwelijksverbintenissen plaats grepen tusschen zijne volgers en de Friesche erfdochters.”

„Denkt de Graaf,” vroeg de Abt, „dat het in Friesland aan mans ontbreekt?”

„Het is genoeg bekend,” vervolgde Aylva, „hoe Willem van Henegouwen, wanneer hij eens een denkbeeld heeft opgevat, daarvan door geene redenen is af te brengen en integendeel in alle voorkomende zwarigheden slechts  een nieuwen spoorslag ziet om naar zijn doel, door welk middel ook, te streven. Ik schrijf dan ook daaraan de pogingen toe, door hem aangewend om u op het feest ten doen verschijnen.”

„Ik zal mij op geen zijner feesten meer vertoonen,” zeide Madzy.

„Het ware, zooals nu de zaken staan, een onvoorzichtigheid,” zeide Aylva, „u opnieuw aan zijn uitnoodigingen te onttrekken. Wij moeten vóór alles mijden, hem noodelooze redenen to misnoegen te geven. Adeelen zou wellicht mijn woorden aan dwaze vreesachtigheid toeschrijven: hij zoude overtuigd zijn, zoo hij mij beter kende, dat ik in groote zaken geen haarbreed van mijn stelsel wijken zal; maar des te eerder acht ik het plichtmatig, mij door geen noodelooze of zelfs verkeerde tegenstreving en halsstarrigheid te onderscheiden. Neen! door niet op de volgende feesten te verschijnen, nu gij, hoezeer dan ook door misleiding, op het eerste gekomen zijt, zoudt gij den schijn aannemen, alsof gij den Graaf wildet tarten, en dit is iets, hetwelk gij, in zijn gebied, niet zoudt kunnen volhouden. Vergezel ons op die feesten, Madzy! doch om Gods wil, wees omzicht. Denk steeds, dan gij een dochter van Friesland zijt, en beschouw in elken schoonen Ridder, die u aanspreekt, hoe zoet zijn taal ook klinke, niet ander dan een roover, door den Graaf uitgezonden om op vijandelijke kust te stroopen.”

„Ik beloof u,” zeide Madzy, „ik zal op mijn hoede wezen. Ik heb misschien reeds te veel met dien… met die twee Italiaansche Ridders gesproken; – maar onze toevallige ontmoeting aan de hut des boschwachters is daarvan de schuld;… en dan, gij zelf, gij waart ook buitengewoon minzaam tegen dien eenen… Deodaat, geloof ik, is zijn naam.” – Hier zweeg zij, terwijl een gloeiend rood door hare wangen stroomde.

„Gij hebt gelijk,” zeide Aylva: „ik beken, dat hij mij een genegenheid heeft weten in te boezemen, waar ik de oorzaak niet van doorgronden kan: – en echter, juist om zijn goede hoedanigheden raad ik u, dat gij u bovenal jegens hem in acht neemt. Geen laffe hofjonker, geen slechthoofd ware voor mijn Madzy gevaarlijk; tegen de zoodanigen zou ik har niet waarschuwen. De sperwer, die den leeuwerik vervolgt, is minder te vreezen dan de groene baan, waar het zachte fluitje vrede roept.”

„Zou die Deodaat waarlijk den listigen vogelaar gelijk zijn?” vroeg Madzy, eenigszins verwonderd.

„Dat geloof ik niet,” antwoordde de Olderman: „ik acht hem eerlijk en goed; maar het kan zijn, en ’t ware in hem hoogst verschoonlijk, dat hij, de oogmerken zijns meesters kennende, zijn best wilde doen om in de gunst der schoone Madzy te dringen, en op zulk een wijze zijn eigen neiging en tevens de bedoeling des Graven opvolgde. Daarom, wees met hem op uw hoede! Helaas! ik weet het bij treurige ondervinding, er is niets gevaarlijkers, dan wanneer men zich buiten zijn gewonen kring en dagelijksche bezigheden bevindt, en enkel het hart en de zinnen werkzaam zijn. De verbeelding en het gevoel,  wier stem slechts weinig gehoord wordt in de beslommeringen van een geregeld en arbeidzaam leven, wreken zich dan en spelen den meester: de hartstochten sleepen ons mede, en een leven van berouw en smart vervangt de overijling van een oogenblijk”

„Gij heb dit ook ondervonden?” vroeg Madzy

„Ik zelf! en de geschiedenis van mijn lijden kan misschien dienstig zijn om u tot een nutte leering te strekken. Hoor mij aan: ook gij, heer Abt! en gij, vader Syard! en oordeelt dan of er reden tot verwondering is, wanneer men somtijds bemerkt dat ik treurig en afgetrokken ben. – Gij weet, dat ik in mijn jeugd, door een vergeeflijke roemzucht geprikkeld, mijn vaderland verliet en Keizer Hendrik, evenals andere Friesche edelen, op zijn reis naar Milaan vergezelde, waar hem de ijzeren kroon moest worden opgezet. In die stad werd mij huisvesting aangeboden door een Italiaansche edelman, dien ik vroeger in Duitschland had leeren kennen. Dankbaar herinner ik mij steeds het gul en gastvrij onthaal, dat ik in zijn paleis genoot: de uren, door mij aldaar gesleten, waren de gelukkigste mijns levens. Waarom moesten zij door jaren van rouw en hartverscheurend verdriet worden opgevolgd?”

„Daar, bij den edelen Cesara, leerde ik een jonge maagd uit Verona kennen, die ter bijwoning der feesten, welke bij gelegenheid van ’s Keizers kroning gegeven werden, eenigen tijd met Cesara’s echtgenoote, hare bloedverwante, was komen doorbrengen. Schoon was zij, gelijk de schilders ons de moeder Gods afbeelden, en beminnelijk gelijk de Engelen. Wij waren beiden nog in dien gelukkigen leeftijd, waarin men het tegenwoordige geniet, zonder over de toekomst na te denken: wij zagen elkander op ieder uur van den dag: ik had haar lief, van het eerste oogenblik af dat ik haar zag, en ik had het geluk, of liever het ongeluk, haar niet te mishagen: —  geene week was er verloopen of ik had haar mijne min verklaard en was van hare wederliefde verzekerd.”

„Het vrijen gaat daar spoedig in zijn werk,” zeide de Abt: „bij ons is men daar zoo vlug niet mede. Mijn vader heeft mij meer dan eens verhaald dat hij zijn moeder wel zeven jaar had opgepast, gelijk Jacob Rachel deed, eer zij er toe besluiten kon, hare toestemming tot een huwelijk te geven.”

„Ik had verkeerd gedaan,” vervolgde Aylva: „ik had een neiging moeten smoren, die in mijn geval dwaas en misdadig was; want een plechtige gelofte verbond mij tot een tocht naar het Heilige Land. Maar ach! de jeugd is onbezonnen en het noodlottige woord was er uit eer ik het zelf wist. Wij leefden nu gelukkig en zalig, onbezorgd voor de toekomst, en ik stond gereed een reis naar Verona te doen, ten einde de hand mijner Bianca (zoo heette zij) aan haar vader af te vragen, toen een brief van dezen alle hoop ter neer sloeg. Hij vermaande zijn dochter terug te keeren ten einde een ander te huwen.”

„En voldeed zij aan de begeerte haars vaders?”

„Nimmer zal ik het oogenblik vergeten, toen zij mij na de ontvangst dier onwelkome tijding in den hof van Cesara’s paleis voor oogen trad: niet als een zwakke, beduchte en schuchtere dochter, welke de macht eens hoofdige vaders vreest; maar met het hoofd fier omhoog geheven, met wangen, van verontwaardiging gloeiende, met een borst, zwoegende van gramschap. De gebiedende, dreigende toon van haar vaders brief had haar niet ter neder geslagen, maar veeleer haar besluit versterkt; zij was minder vervaard door de bedreigingen, daarin vervat, dan geraakt door de wijze, waarop hij haar dwingen wilde: „ik wil en begeer geen anderen gemaal dan u,” sprak zij tot mij: „benzol mijn vader gelooft, dat hij mij verkoopen kan gelijk een vorstin doet, zal ik hem doen zien, dat hij zich bedriegt. In tusschen ik ken hem: – zoo ik niet naar Verona keer, zal hij binnen weinige dagen hier zijn: – voor dien tijd moet gij mijn echtgenoot zijn.”

„Hoe!” riep Madzy, in wier ooren een zoodanige taal vreemd klonk, en strijdig met alle denkbeelden van maagdelijke ingetogenheid: „zij wilde u tot een huwelijk met haar bewegen en buiten haars vaders toestemming!”

„O! veroordeel haar niet,” zeide Aylva: „zij handelde onder den invloed der hartstochten, op een oogenblik, dat zij om den vaderlijken dwang te ontwijken en een gehate verbintenis onmogelijk te maken, het eenige middel aangreep, dat zich aan haar verhitte verbeelding voordeed. Maar veroordeel mij, die, kalmer van zinnen, niet overijld had mogen handelen en haar de noodlottige gevolgen moeten doen inzien van een onberaden stap. Dan helaas! ik beminde haar met al den gloed eener eerste, laat ik zegge, eener eeuwige liefde: die liefde deed mij de oogen voor de toekomst sluiten en geen andere vrees duchten, dan die van haar te verliezen. Ik stemde in haar voorslag: – en dezelfde dag zag ons vereenigd.”

„En… meldde zij dit voorval aan haar vader?”

„Ik weet het niet: dit slechts vermoed ik, dat hij van onze verstandhouding kennis droeg; want weinige dagen na onze verbintenis werd ik op een avond in eene der duistere straten van Milaan door drie moordenaars overvallen; een hunner herkende ik: het was zekere Paolo, een dienaar van Graaf Luigi, Bianca’s vader, dezelfde, die den brief gebracht had. Zwaar gewond bleef ik liggen: ik werd door eenige barmhartige voorbijgangers naar het naastbijgelegen klooster gebracht en lag daar verscheidene dagen met den dood te kampen. Toen ik, eindelijk hersteld, mijn verzorgingsplaats verliet en naar het paleis van Cesara terugkeerde, vernam ik, dat Graaf Luigi daar reeds was geweest en mijn Bianca had weggevoerd.”

„En volgdet gij haar niet?”

„Zij had mij door de gade van Cesara doen smeeken, zulks niet te doen. Francesco della Scala, de gevreesde minnaar, die naar haar hand stond, was op dien tijd meester in Verona, en ware ik daar ontdekt geworden, mijn dood ware zekere geweest. Zij verzocht mij daarom, mijn gelofte te vervullen en alles van den tijd af te wachten: terwijl zij mij een eeuwige getrouwheid beloofde. Ik gehoorzaamde aan haar verlangen: – minder uit vrees voor mij zelven, dan wel om haar niet aan de wraak van den Veroneeschen dwingeland bloot te stellen. Ik reisde naar Palestina: drie jaren bleef ik daar, die mij zoovele eeuwen schenen: toen ik, na afloop van dien tijd, onbekend en vermomd in Verona kwam, en naar Bianca di Salerno vroeg, hoorde ik, dat zij met den dwingeland gehuwd en sedert gestorven was.”

„Zij was u dan ontrouw geworden!” vroeg Madzy verbaasd, „ondanks haar plechtige belofte?”

„Wat haar aangespoord heeft om den mij gezworen eed te breken, is mij onbewust. – Zij was niet meer; wat kon een ijdele navraag baten? Ik bleef, na het ontvangen dier vreeselijke tijding, geen uur langer in Verona. – Sedert heb ik de liefde gemijd.”

„Ach!” zeide Madzy: „indien de liefde zulke rampen baart, is zij waarlijk wel te duchten!… maar ik geloof toch, dat dergelijke gebeurtenissen zeldzaam zijn.”

„Minder zeldzaam dan gij denkt, Freule!” zeide de Abt, zich de kin strijkende: „gij denkt, dat wij geestelijken niets van zulke geschiedenissen afweten: maar ik verzeker u, onze kloosters worden voor een derde met mislukte vrijers gevuld. Daar is broeders Sicco, die heeft zulk een voorval gehad: hij was een fiksche boerenknaap en vrijde naar de dochter van den rijken Juwe Donia: – maar toen de zaak zoo goed als klaar was, liet zij hem zitten en nam Agge Hettinga, die toch lang zulk een schoone kerel niet was. Toen ik dat hoorde, dacht ik terstond: Sicco Sybes zou een goede aanwinst zijn voor het klooster; want gij moet weten, zijn boerenwoning grenst juist aan onze landerijen in Hemelumer Oldepaart, en toen sprak ik er over met broeder Syard, die…”

„Met verlof van uw Eerwaarde,” viel de monnik in, die ongaarne dan schijn wilde hebben, als had hij Sicco bepraat om den geestelijken stand te omhelzen: „de knaap is uit zich zelven bij uw Eerwaarde gekomen.”

„Juist, broeder Syard, juist! – dat is wat ik zeggen ging, toen gij mij in de rede vielt; ik heb toen ook slechts een paar woorden met hem gesproken, omdat ik begreep, dat het niet zou passen, indien men zeide dat ik hem ingepalmd had: daarom, gelijk u heugen zal, heb ik u verzocht, hem onderhands eens te polsen en over te halen om het kleed der orde aan te trekken.”

Broeder Syard beet zich op de lippen, en zoo min de Olderman als Madzy waren in staat den glimlach te onderdrukken, dien het verhaal van den Abt bij hen verwekte. Eveneens echter als een beek, die half verbogen voortsijpelt onder de schaduw der donkere struiken, welke haar overwelven, wel voor een oogenblik een vroolijk aanschijn erlangt, wanneer de zonnestralen door de dikke takken heendringen en hare oppervlakte wegschuilt, hare vorige somberheid terugkrijgt, zoo hernam ook het gelaat der schoone Friezin spoedig de ernstige plooi, welke de geschiedenis van Aylva’s rampzalige liefde daarop had doen ontstaan, en een diepe zucht verried de onrust, welke de toepassing van dat verhaal op hare eigene gewaarwordingen had teweeggebracht.

Welke intusschen de slotsom was, waartoe die innerlijke overpeinzingen haar brachten, en of ook bij haar de schier algemeen geldende regel bevestigd werd, dat men zich in liefdeszaken zelden aan het voorbeeld van anderen spiegelt, zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken.


[Hoofdstuk 12] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 14]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.