MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Trompetten en schalmeien
Doorklonken hof en wal:
De Ridders vloeiden samen

Op ’t daav’rend Feestgeschal.

Van ’t overwelfde venster
Van Klermonts opperzaal,
Zag Blanka, de overschoone
Den rijken wapenpraal.

Bilderdijk.

Reeds voor het aanbreken van den volgenden dag waren niet slechts al de stoepen en ramen, maar ook al de daken en luifels der huizen rondom de groote markt of het Zand te Haarlem bedekt met een tallooze menigte van toeschouwers, van overal te zamen gevloeid om het tornooispel te aanschouwen. De groote kerk, welke thans de bewonderde aandacht trekt van al wie Haarlem bezoekt, bestond nog niet, zoodat de opene vlakte, tusschen de gebouwen besloten, genoegzame ruimte verschafte tot het houden van ridderlijke spelen. Het eenige hinderlijke, dat de gelegenheid opleverde, was een beek, welke toen ter tijd nog de markt over haar geheele lengte in twee schier gelijken deelen doorsneed, om zich wat verder, waar nu de kraan is, in het Sparen te ontlasten; maar men had de zwarigheid, hieruit ontstaan, niet alleen uit den weg geruimd, door van afstand tot afstand breede bruggen te slaan van planken, met zand en zoden overdekt, welke de gelegenheid gaven om het veld in alle richtingen te doorkruisen, maar ook van de beek zelve partij getrokken, door er gedurig water uit te hozen, ten einde den gullen grond van de kampplaats te bevochtigen. Een hooge stellage, rijk met gebloemte versierd en met vaandels en bloemen prijkende, besloeg de geheele zuidzijde van het plein en was in gaanderijen afgedeeld, waar van de middelste of kleinste voor het Grafelijk gezin en de beide overigen voor de aanzienlijke genoodigden waren bestemd. Vandaar af liep een lage omheining naar weerskanten in den vorm van een eirond af, om zich aan de overzijde weder te vereenigen: deze afsluiting, strekkende om de toekijkers te verhinderen, binnen het krijt te komen, had slechts twee uitgangen, een aan elk der beide uiteinden, welke met banderollen versierd en door gewapenden bewaakt werden: terwijl de Herauten en hun dienaars het plein gestadig op en neder liepen om de goede orde te handhaven, en te zorgen dat niemand eenige hoogere plaats innam dan waarop zijn rang en geboorte hem recht gaven.

„Bij onzen heiligen Patroon!” zeide meester Claas Gerritsz., die zich ingevolge zijn betrekking van marktschrijver recht tegenover den zetel der Gravin een aardig afgesloten hokje had laten timmeren: „ik geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waarop wij alles geschikt hebben.”

Degene, tot wien hij dezen uitroep richtte, was een man van athlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd had, voor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Haarlemschen Vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de kampplaats, den weder achterwaarts over de volksmenigte heen naar de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de omstandigheden hunne hulp mochten vereischen.

„Daar hapert niets aan,” antwoordde hij op des marktschrijvers toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, „en Jan Paypaert verstaat zijn werk; – nu ’t ware ook schande indien hij het niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend.”

Meesters Claes Gerritsz beet zich op de lippen, weinig over deze bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar de eer, welke hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd.

„’t Is waar,” hernam hij, „de oude man heeft zich veel moeite gegeven; maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt, hij werkt er des te te koppiger om. Hij heeft volstrekt niet naar mijn raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat kwam; dan had het Grafelijk gezin immers niet de halve stad behoeven om te rijden ten einde zijn plaats te bereiken.”

„Ja,” zeide de wapensmid, met een spottende lach, „en zij waren allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo meteen zijn zullen.”

„Ei, ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette, zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste aanmerking: – „maar inderdaad, het ware immers veel schooner gezicht geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiën gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten.”

„Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan! – en menig Ridder zou door dien glans zoo verblind zijn geweest, dat hij zijn speer wel een voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de Herauten weten beter hoe het hoort.”

„De Herauten! – lieve knapen! – hebben zij zoo meteen den doortocht niet geweigerd aan onze Vroedschappen, ’t geen geheel strijdig is met het Privilege van Koning Willem artikel…”

„Wat Privilege! – alle Privileges houden op voor de poort van een kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamsch zwart ook te doen? Laten zij voor de ramen van hun raadhuis blijven kijken, en zich de handen wrijven over al het vreemde geld, dat hier in de stad komt.”

„Foei buurman! Is dat als een echte poorter gesproken? Wij werden ras genoeg door onze adellijke naburen opgevreten, indien wij niet, waar ’t behoort, onze Privileges deden gelden.”

„Gekheid! Is er ook wat mede te verdienen met een half dozijn stormhoeden, die ik in ’t jaar aan de stad lever? De tuigage van één Jonkerspaard doet  mij meer verdienen dan al de poorters van Haarlem… maar ik hoor daar trompetgeschal. – De Kamprechters komen. – Mutsen af buren! en een hoezee voor den Heer van Beaumont!”

Het was inderdaad deze Edelman, die op het steekspel den Graaf vertegenwoordigen moest en nu aan ’t hoofd van eenige Ridders de kampplaats opreed, verwelkomd door herhaalde en daverende toejuichingen, welke niet slechts zijn prachtig gewaad en sierlijken trein, maar ook zijn erkende verdiensten en beminnelijken aard moesten gelden. Voor hem uit reed de Wapenkoning van Holland, Jan Paypaert, die, schoon een grijsaard van over de tachtig jaren, het ambt, dat hij reeds onder Floris V bekleed had, nog altijd vereerde door den zwier en de vastigheid, waarmede hij zijn ros bestuurde: – achter hem reden twee Herauten, benevens Gerard van Florevy, die ’s Graven banier droeg. Simon van Teylingen en Gwij van de Merwede, van top tot teen gewapend, volgden als Kamprechters, door een stoet van schildknapen en trompetters vergezeld.

De trein reed het krijt rond, waarna Beaumont met twee bijzitters den voor hem bestemden zetel beklom, de Wapenkoning zich aan den westenlijken ingang plaatste, en de Kamprechters aan de beide zijden van de Grafelijke onbeweeglijk post vattenden.

Spoedig werd deze eerste stoet door een tweeden van een geheel anderen aard vervangen, namelijk door de geestelijken, die met kruis en banier rondgingen, ten einde de kampwerf in te wijden, en aan de tooverijen of bezweringen, welke men zou willen gebruiken, alle kracht te ontnemen.

Na deze plechtigheid werd het geduld der toeschouwers weder een geruimen tijd op de proef gesteld; maar de hooggespannen verwachting werd ruim voldaan, toen en schel klaroengeschal, afgewisseld door een vroolijke muziek, de nadering van den hofstoet aankondigde en men weldra door de hoofdstraat de Gravin zag aankomen, op ’t prachtigst uitgedost en omringd van een luisterrijke schaar van Ridders en Jonkvrouwen, op trappelende rossen en witte hakeneien gezeten en schitterende van goud en edelgesteenten. Na onder een oorverdoovend gejuich der menigte de kampplaats tweemalen te hebben rondgereden, steeg de hofstoet af en nam de bestemde plaatsen in, terwijl de Gravin zich in hare loge plaatste, vlak achter den zetel des Heeren van Beaumont.

En nu duurde het niet lang, of een gerucht, niet ongelijk aan dat van een geweldigen waterval, die men al gedurig dichter bij zich hoort, dees zich uit de Zijlstraat vernemen en alle oogen derwaarts heenzien. Weldra vertoonde zich een gemengel van golvende pluimen, rijk geborduurde sjerpen en banieren: het waren de kampvechters, die zich buiten de stad vergaderd hadden en thans gezamenlijk, van hun schildknapen en wapenknechten vergezeld, aan den ingang ter westzijde stilhielden. De Wapenkoning zond hierop een zijner Herauten af naar Beaumont, om den vrijen intocht te verzoeken voor de Edele Ridders, die hun werd toegestaan: ten gevolge waarvan zij binnenreden, en zich terstond oost- en westwaarts in twee partijen verdeelden. De eene, die grootendeels uit Hollandsche, Henegouwsche en Stichtsche edelen bestond, had tot aanvoerder geen minder persoon dan Graaf Willem zelven, die door zijn manhafte houding en de bekwame wijze, waarop hij zijn klepper bestuurde, alle oogen tot zich trok: den andere partij, hoofdzakelijk samengesteld uit de bloem der Duitsche Ridderschap, welke de zucht om roem en eer te behalen had herwaarts gelokt, was geschaard onder Hendrik Dusmer van Aertsbergen een edelman uit Pommeren, en Grootmeester der Duitsche orde, die zich door zijn zegepralen op de Lithauwsche heidenen en Russen, door geheel Europa met roem had bekend gemaakt.

Na de gebruikelijke plechtigheden, welke een steekspel voorafgingen en wier vermelding te wijdloopig zoude worden, reden de beide partijen opnieuw eenige keeren het krijt rond, ten einde hun kloekheid in ’t besturen hunner paarden te toonen en hun prachtigste wapenrusting te doen bewonderen; waarna zij hun plaats hernamen.

„Waar of onze vriend Adeelen schuilt?” vroeg de Abt van Sint-Odulf aan zijn mede-afgevaardigde, die met hem en de schoone Madzy in eene der gaanderijen gezeten was, naar welke menig oog zich in ’t voorbijgaan richtte.

„Ik heb hem nog niet herkend,” zeide Aylva: „hij heeft mij een geheim gemaakt van zijn wapenrusting, die hij hedenmorgen te Haarlem is gaan halen: en wat de paarden betreft, die zijn onkenbaar onder die vracht van netwerk en dekken, waarmede zij opgeschikt zijn. – Wat dunkt u er van, Madzy! kunt gij een dier Ridders herkennen?”

Madzy zweeg, en kleurde tot over de ooren: want zij had in eenen Ridder van ’s Graven gevolg, die in ’t voorbijgaan opzag, Deodaat van Verona herkend

„Luister!” zeide de Abt: „wat gaat die klerk daar voorlezen?”

„Het zijn de wetten van het steekspel,” antwoordde Aylva: „zoowel die, welke algemeen geldende zijn, gelijk het verbod van betooverde wapenen te gebruiken of van het paard zijner wederpartij te wonden, als die, welke meer bijzonder op dit gevecht toepasselijk zijn.”

„Zoo! en hoe zal het hier in zijn werk gaan? Zullen die beide troepen maar in ’t wild op elkander rijden? Sint-Odulf dat zal een verwarring geven. ”

„Men zal heden naar een nieuwe kampwijze strijden, welke in Vlaanderen en Henegouwen meer bekend is dan hier en: la défance dus fis d’or genoemd wordt: ’t welk zooveel wil zeggen als: de verwering van den gouden draad. Zie slechts: daar komen de knapen aan, om hem te spannen.”

Het was zooals Aylva zeide: dwars over het kampperk werd een koord, met gouddraad omwoeld, van een paar voor den zetel van Beaumont af, tot aan het hokje des marktschrijvers vastgemaakt; – en nu ontstond er een gespannen verwachting bij de toeschouwers, die, schoon zij onder de lezing der kampwetten over ’t geheel een eerbiedig stilzwijgen hadden bewaard, echter door hun her- en derwaarts rollende oogen duidelijk deden bespeuren, dat zij zeer naar den afloop verlangden, en naar het oogenblik dat het tornooispel een aanvang zoude nemen; dan hun hoop werd nog niet vervuld, en een zonderling, hoewel niet geheel ongewoon voorval noodzaakte hen, hun geduld nog eenigen tijd te oefenen, of liever, gaf een andere wending aan hun nieuwsgierigheid.

Dadelijk nadat het koord gespannen was, verliet een Ridder in een blauwe rusting met zilveren lieren bezaaid, het gelid, en reed met een vlugge draf tot voor den zetel van Beaumont, alwaar hij zijn ros op eens onbeweeglijk deed stilstaan, als in afwachting, dat hem verlof werd vergunt om te spreken.

„Wat begeert gij?” vroeg Beaumont, verwonderd, „en waarom verlaat gij tegen alle orde de u aangewezene plaats?”

De Ridder haalde een perkament voor den dag, dat in de plooien van zijn sluier verborgen was en reikte het eerbiediglijk met de punt zijner lans over aan ’s Graven vertegenwoordiger.

„Als vrijgeboren man en Ridder,” zeide hij, „verzoek ik, Deodaat van Verona, dat deze uitdagingsbrief ten aanhoore van iegelijk worde gelezen.”

Beaumont overhandigde den brief aan de klerk, die hem met luider stemme voorlas.

„Ik, Deodaat van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, onbetamelijk en onridderlijk beleedigd te zijn door Seerp, Heer van Adeelen, Friesch edelman, en hem te houden voor mijnen doodvijand, hem uitdagende tot een kamp op leven en dood, met zulken wapenen als hij zal verkiezen, alles onder verlof en toestemming van onze Heere den Grave van Holland en Henegouwen.”

„Wij kunnen thans geene bijzondere twisten aanhooren,” zeide Beaumont, zijn kweekeling aanziende met een blik, waarin ontevredenheid met vriendschap vermengd was: „na den afloop van het steekspel zal u gelegenheid gegeven worden uwe belangen in te brengen.”

Nauwelijks had hij deze afwijzende beschikking gegeven, of een tweede Ridder in schier gelijken dos kwam insgelijks uit des Graven stoet aangereden, en overhandigde op gelijke wijze een tweede perkament aan Beaumont. De algemeene nieuwsgierigheid groeide nu te sterker aan, en te meer, hoe verder men van het midden verwijderd en daardoor minder in de gelegenheid was, te vernemen wat er eigenlijk gaande was. Ook Graaf Willem, die zich op een te grooten afstand bevond om iets te verstaan, kwam met een paar zijner vertrouwelingen aangereden, tijdig genoeg om den tweeden brief te hooren lezen, die van den volgenden inhoud was:

„Ik, Rinaldo van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, dat ik onridderlijk behandeld en grovelijk beleedigd ben door Deodaat, mede zich noemend van Verona; dat ik hem voor mijnen vijand houde en hem uitdage om op dood en leven tegen mij te kampen, met welke wapenen hij verkiezen zal, alles met verlof enz.”

„Zijn zij dol geworden?” riep de Graaf: „twee vrienden van kindsbeen af! twee broeders! – Wij zullen na den kamp hierover nader spreken.”

„Op datzelfde oogenblik kwam een derde Ridder, doch nu uit den trein van Dusmer, met een perkament in de hand aanrijden.”

„Wat dien betreft, dien ken ik,” zeide de smid tegen zijn kleinen buurman: „dien heb ik zijn rusting geleverd. Het is een Friesch edelman, en mild heeft hij mij betaald: – ’t speet mij maar, dat zulk een deugdzame kolder om  het lijf van een stugge Schieringer sluiten moest.”

„Is het die ongeluksvogel?” zeide Claes Gerritsz, „die ons voor drie dagen zooveel spels gemaakt heeft! Ware ik gij geweest, ik had al de spijkers in het harnas gelaten, zoodat hij er ingezeten had als Velzen in zijn vat. En wat heeft deze nu weer te vertellen?”

„Heeft de duivel hen bezeten?” riep graaf Willem: „Dat is nu al de derde! als het zoo voortgaat, zullen wij de geknotte lansen tegen scherpgepunte speren moeten inruilen.”

Maar zijn verbazing vermeerderde, toen hij de derde uitdaging hoorde, welke in dezer voege luidde:

„Ik, Seerp van Adeelen, vrije en edele inboorling van Friesland, verklaar mij bij dezen grovelijk beleedigd en gehoond door Willem, Grave van Holland, en Henegouwen, zich valschelijk noemende Heere van Friesland, ontzeg hem alle hulde of manschap, welke hij van mij mocht beweren te kunnen vorderen, en bied aan om mijn goed recht in besloten kamp vol te houden, tegen hem of tegen al, wie hij in zijne plaatse zenden wil.”

Indien de vorige uitdagingen met verwondering, doch tevens met belangstelling waren aangehoord geweest, die van den Fries  verwekte een rumoer en een verontwaardiging, welke zich als een loopend vuur over de gansche markt verspreidden, naarmate de woorden, waarin die vervat waren, van mond tot mond herhaald werden. „De kerel is gek!” riep men van alle kanten: „wie heeft ooit gehoord, dat iemand zijn leenheer ten kamp uitdaagt? – Werpt hem het krijt uit! In het Sparen met den Fries!”

„Stilte! mijn Heeren! stilte!” riep Graaf Willem, met een stem, die boven de andere heenklonk. „Wij zullen onze eer zelf handhaven, zonder daartoe uwe hulp in te roepen. Seerp van Adeelen! wij nemen uwe uitdaging aan.”

„Graaf!” riep Beaumont: „dat moet niet zijn! Ik bekleed hier thans uwe plaats en moet zulk een dwazen strijd verbieden. Gij moogt uw edel lijf niet wagen tegen den eersten dollen knaap den besten, die begrijpt u ongestraft te mogen hoonen.”

„Laat ons hiermede betijen, genadige Oom!” zeide de Graaf, met bedaardheid: „zoo wij wel verstaan hebben, is deze Seerp van Adeelen mede uitgedaagd door Deodaat van Verona, en deze wederkeerig door Reinout.”

„Zoo is het,” antwoordde Beaumont.

„Welnu! ten einde nuttelooze bloeduitstortingen te voorkomen, zoo dragen wij de handhaving van ons goed recht over aan Deodaat, en gelasten Reinout, zijn veete over te doen aan Seerp van Adeelen: en dat deze strijd tusschen Deodaat en Seerp van Adeelen uitgemaakt worde op morgen te dezer plaatse, zullende wij dien met ons gansche hof komen bijwonen.”

Een blos van vreugde en verrukking bedekte het gelaat van Deodaat, op het vernemen dezer schikking, welke hem niet alleen het verdriet bespaarde van tegen zijn vriend te strijden, maar hem ook de onderscheidende gunst verschafte, van de eer zijns Graven te wreken. Adeelen en Reinout daarentegen toonden een ontevreden blik: de laatste, omdat hem de kampstrijd ontzegt was; de eerste, omdat hij zich niet tegen den Graaf zelf meten mocht. Beiden echter begrepen van den nood een deugd te moeten maken en in de uitspraak te berusten.

„Dit punt alzoo geschikt hebbende,” zeide de Graaf, „blijft ons niets over dan om naar onze plaatsen terug te keeren: vooraf echter moet ik u herinneren dat wij heden slechts een spiegelgevecht hebben en dat alle veete tot den volgenden dag moet blijven rusten.”

„Daarvoor zal gezorgd worden,” zeide de Grootmeester der Duitsche orde, die insgelijks genaderd was: „bij Sint-Veit! de eerste van mijne partij, die de bepalingen van een vriendschappelijken kamp overtrad, zou ik met eigen hand den kop kunnen inslaan.”

Na deze betuiging van Dusmer reden beide partijen naar hunne standplaatsen terug en niet lang daarna gaven de trompetten het gewenschte teeken tot den aanvang van het tornooi.

Het doel van het kampgevecht, dat nu plaats zoude vinden, was om het koord, dat het krijt in twee deelen afsneed, over te springen en een der houten moorenkoppen, welke aan weerzijden hier en daar op groote staken gesteld waren, af te halen en als zegeteeken met zich heen te voeren; terwijl zoowel het overspringen van het koord als het weghalen der koppen door de tegenpartij belet moest worden.

Nu klonk het tweede trompetgeschal, en onder het geroep der Herauten, het gewuif van hoeden en mutsen en zakdoeken, en het handgeklap der menigte, kwam er van beiden zijden een twintigtal met gevelde lansen aangesneld. Met het gedruisch van een springvloed, die tegen een sluis aanbruischt, bonsden zijn tegen elkander aan: en, zoodanig was de riddergeest, die allen bezielde, dat elk op zijne weerpartij aanreed, en er niet een dacht om van de overgelatene openingen gebruik te maken en zonder eene lans te breken het gespannen koord te bereiken.

Geheel het plein daverde van den schok: en toen de stofwolk, die eerst den strijdenden hoop aan aller oogen onttrokken had, was omhooggerezen, zag men welk een geheel ander schouwspel de uitslag der ontmoeting had opgeleverd. Aan weerzijden van het koord lag een aantal Ridders en paarden van beide partijen in het zand, en, om hen, brokken en splinters van lansen, geknakte schilden en pluimen. Sommigen, wier lansen gebroken waren, keerden terug om er versche te halen; anderen daarentegen waren, na hunne tegenpartij uit den zadel gelicht te hebben, over het koord gesprongen, waar zij nu op de bewakers der moorenkoppen aanrenden, en op hunne beurt eene nederlaag ondervonden, welke zij aan anderen hadden toegebracht. Slechts weinigen gelukte het een dubbele overwinning te behalen en met het zegeteeken op de punt hunner lans het eind der baan te bereiken.

De krijgsmuziek, welke zich gedurende dezen strijd had doen hooren, zweeg nu op eens en werd door een kort geschal der klaroenen vervangen, hetwelk den afloop der eerste ontmoeting aankondigde. De verwonnen begaven zich beschaamd en haastig buiten het krijt: de zoodanigen onder de kampers, als hun loop roemrijk ten einde gebracht hadden, keerden in triomf terug en voegden zich weder bij hunne partij, na vooraf hun zegeteekenen aan de Kamprechters vertoond te hebben. Een korte rust werd aan beide partijen gegund, zoo om eenige verversching in de aan beide uiteinde geplaatste tenten te gebruiken, als om de noodige herstellingen aan de wapenrustingen te doen plaats hebben, waartoe onze smid dadelijk met zijne hulp gereed was. Spoedig echter riep de trompet hen weder tot aanval en verdediging op: en hetzelfde schouwspel vertoonde zich eenige reizen achter elkander.

„Het is gelukkig voor Seerp van Adeelen,” zeide de Olderman tegen de Abt, „dat de Graaf zijne uitdaging niet voor zich zelven heeft aangenomen; want de naam van den besten Ridder van Duitschen lande is hem niet tevergeefs gegeven. – Hebt gij er wel op gelet, hoe hij driemalen gereden heeft en driemalen zijn weerpartijder uit den zadel heeft doen buitelen?”

„Adeelen gedraagt zich ook wakker genoeg,” zeide de Abt: „zaagt gij niet, hoe hij dien dikken Stichtenaar met den blauwen vederbos in het zand wierp?”

„Nu, wij zullen er spoedig over kunnen oordelen, wie de beste kamper is,” zeide Aylva: „want het aantal is gedund en er zullen weldra niet meer dan een zestal paren overschieten.”

Het was gelijk de Olderman zeide. De meeste Ridders hadden, òf uithoofde hunner nederlaag het perk verlaten, òf zich wegens vermoeidheid en, meenende genoeg voor hun eer gedaan te hebben, onder de toeschouwers begeven. Dan, het verminderd getal van kampers maakte den strijd des belangrijker, daar het er nu niet meer op aankwam om slechts op elkander aan te rijden, maar om door allerlei gezwinde wendingen en bedrieglijke aanvallen, van de eene zijde pogingen te doen, om den gouden draad te overschrijden en van de andere zijde, om door behendige tegenbewegingen zulks te keer te gaan. Van de zijde des Graven hielden buiten hem niemand het veld meer dan de Baanrots van Ligny, Gwy van Asperen, Floris van Montfoort en de beide Italianen; terwijl aan de andere zijde de Grootmeester Dusmer, Adeelen en een andere Ridder gereed stonden den kamp te hervatten.

„De kans staat ongelijk, vrienden!” zeide de Graaf, op het oogenblik dat zij zich tot de laatste ontmoeting zouden bereiden, welke men begreep, dat beslissend zijn zoude. „Ligny en Asperen zullen met mij den gouden draad verweren: en gij Reinout en Deodaat, blijft achter om te zorgen dat men onze laatste moorenkoppen niet roove: met Montfoort bij u, om te verhoeden dat gij elkander niet doodslaat. – Houdt u goed! en zorgt vooral dien Ridder, met den rooden arend op den helmkam, wel te raken: hij heeft reeds menigen der onzen in het zand doen bijten.”

Terwijl hij zich aldus uitte, was aan den overkant de Ridder, van wien hij sprak, Adeelen op zijde gekomen: „Welnu!” zeide hij; „heb ik mijn woord gestand gedaan, dat ik u eergisteravond gaf, van mij behoorlijk op het steekspel te zullen gedragen.”

„En ik vertrouw, dat ik mij van mijnen kant niet slecht gekweten heb,” zeide Adeelen: „mocht ik slechts zoo gelukkig zijn, dien trotschen Graaf eens tot mijn tegenstander te krijgen doch hij ontwijkt mij.”

„Ja, gelijk de kat en de muis. Hij heeft intusschen geen slechten kampioen gekozen: die Deodaat van Verona heeft zich wakker gedragen: – wij zullen zien hoe hij zich voor ’t laatst zal houden.”

Slechts een oogenblik duurde het, of de klaroen werd opnieuw gestoken en van beide zijden reden de drietallen op elkander aan, met zulk een gelijke vlugheid, dat zij ter zelfder tijd aan het koord kwamen. Dusmer weerstond des Graven schok, en beider lansen vlogen als rietstokjes tot spaanders: Ligny, die tegen Adeelen aankwam, verloor de teugels, en werd dus als overwonnen beschouwd, terwijl Gwy van Asperen door den Ridder van den Rooden Arend met kracht uit den zadel werd geworpen. De beiden winnaars waren echter in hun doel om het koord over te springen verhinderd en moesten hunne paarden omwenden, ten einde een nieuwen loop te nemen.

„Voorwaar!” zeide de Graaf tot Dusmer, terwijl beiden hunne paarden oprichtten, die tegen het koord waren neergestort: „ik geloof dat wij ons overwonnen moeten beschouwen.”

„Uwe Genade heeft nog hulptroepen bij de hand,” zeide Dusmer, „en is mij in getal vooruit.”

„Wij zullen dan nog een rit wagen,” zeide Willem, de oogen naar zijn achtergebleven strijdgenooten wendende: „maar wat zie ik? is de twist weder aan den gang!”

Dit zeggende reed hij vliegens terug, en vond Reinout en Deodaat in heftige gemoedsbeweging, en Montfoort, dien hen vergeefs zocht te stillen.

„Hoe is het, kinderen!” zeide hij: „kunt gij na zoovele jaren van vriendschap, elkander geen oogenblik rustig verdragen?”

„Dat is het niet, heer Graaf!” zeide Reinout: „die Ridder van den Rooden Arend, die Gwy van Asperen zoo onzacht heeft neergesmeten en daarginds van zijn schildknaap een versche lans ontvangt, berijdt het paard, dij mij ontstolen is. Ik had het in de mêlée niet bespeurd; doch nu makt Deodaat mij opmerkzaam… ”

„En zoo ik mij niet bedrieg,” zeide Deodaat, „dan heb ik zooeven zijn schildknaap met mijnen vos zien stappen.”

„Wij kunnen toch niet denken,” zeide Willem, „dat een Ridder, die zich zoo wakker gedraagt, een paardendief zoude zijn; maar stel u over hem, Reinout! en zie, dat gij uw beest terugwint. En gij, Deodaat! bestrijd den Fries, dan kunt gij een voorproefje hebben van uw strijd morgen. Wat mij betreft, ik heb aan de eer van den dag genoeg.”

Het bleef op deze wijze het lot van Montfoort om met den Duitscher te kampen, en voorspoedig kweet hij zich van de hem toevertrouwde taak. De beide lansen gleden over de kurassen heen, terwijl de beide Ridders, elk van zijn kant, het gouden koord overvlogen en met een zegeteeken aan de lanspunt terugkeerden.

Een geheel anderen uitslag had de ontmoeting van Adeelen met Deodaat gevolgd. Zij braken hun lansen met gelijken kracht: doch niet met hetzelfde geluk; want het paard van den Fries, door de schok verschrikt, deed een zijdesprong, struikelde en stortte met zijn ruiter in de beek, onder het luid hoezee der toeschouwers.

Wat Reinout betrof, in stede van zijn weerpartij den overtocht van het fis d’or te beletten, had hij met opzet de vaart van zijn paard vertraagd, en reed nu, de lans in de hoogte houdende, den Ridder van den Rooden Arend te gemoet, zoodra deze het koord was oversprongen. De onbekende, dit bespeurende, hield zijn ros staande.

„Met uw verlof, Heer Ridder!” zeide Reinout: „ik kan niet kampen tegen iemand, die op mijn eigen paard zit, zonder eerst te weten hoe hij er aankomt.”

„Gelooft gij, dat ik het gestolen heb?” antwoordde de andere: „ik heb het gisteren op de markt te Leiden gekocht.”

„Bij alle heiligen!” riep Reinout, zich op eens bezinnende; „ik ken die stem! waart gij het niet, dien ik eergisteren in het gewaad van Barbanera met dien Frieschen monnik zag praten?”

„Gij zijt een luistervink!” zeide de onbekende.

„En gij een verrader!” riep de Italiaan. „Hier! hulp mijne Heeren! deze schelm brouwt aanslagen tegen den Graaf.”

Onder het uitten dezer woorden greep hij den vreemden Ridder met de linkerhand in de borst; maar deze, zijne lans wegwerpende, bukte zich, vatte Reinout met beide handen bij ’t been en slingerde het zoo behendig over den zadel, dat de jongeling aan de andere zijde op het veld viel, waarop de vreemdeling terstond den teugel wendde, en, eer de Kamprechters, die op dit vreemde gezicht van twee worstelende ruiters aan kwamen draven, het verhinderen konden, dwars de kampplaats overreed, zijn paard over de omheining deed springen, door de verschrikte menigte heendrong en, zonder dat iemand zich tegen hem verzette, zich door een zijstraat aan aller oogen onttrok. Zijn schildknaap, die de beweging zijns meesters gezien had, haastte zich insgelijks te verdwijnen, ’t geen hem te gemakkelijker viel, daar hij zich aan den ingang van het perk bevond, alwaar niemand de oorzaak van zijn vertrek bevroeden kon, noch eenige reden zag om zijn aftocht te belemmeren.

Intusschen was Reinout weder opgestegen en met drift naar Beaumont toegereden: „die schelm, die daar heenvlucht, is een dief en een verrader!” riep hij: „laat hem najagen! hij moet beroofd worden van de wapenrusting, die hij onwaardig is te dragen.”

„Gij hadt u vóór het steekspel deswege moeten beklagen,” zeide Beaumont: „ieder kamper, die eenmaal door de Herauten is toegelaten, heeft vrijgeleide en moet onverhinderd kunne aftrekken.”

Graaf Willem en Dusmer waren ondertusschen naar de plaats gereden, waar Adeelen overwonnen was en waar Deodaat en Montfoort na het volbrengen van hun rit, waren teruggekeerd. De Fries had, na zijn nederlaag, het veld in haast verlaten.

„Wat zegt gij, edele Dusmer?” vroeg de Graaf: „zullen wij nog eene lans breken?”

„Ik ben alleen,” antwoordde de Grootmeester: „en ik geloof mijn eer genoeg te hebben gehandhaafd, om te mogen erkennen, dat de overwinning, hoe goed ook betwist, aan uwe zijde is verbleven.”

„Uw beste kamper heeft u verlaten,” zeide Willem, „anders stond uw kans nog zoo kwaad niet. Hoe het zij, laten de Kamprechters uitspraak doen.”

De uitspraak deed zich niet lang wachten: Beaumont, na de Kamprechters te hebben gehoord, rees op, en verklaarde, dat de partij, welke door Graaf Willem was aangevoerd geweest, de zege had behaald; doch dat aan den Graaf, aan Hendrik Dusmer, aan Deodaat van Verona en aan Floris van Montfoort gelijke prijzen, wegens de door hen betoonde dapperheid behoorden te worden toegekend.

„Wat den Ridder van den Rooden Adelaar en Reinout van Verona betreft, zij zouden op gelijke belooning aanspraak kunnen maken; maar de eerste heeft zich vrijwillig verwijderd en wat den anderen betreft, hij heeft zijne aanspraak verloren, doordien hij, bij den laatsten rit, in stede van op zijn weerpartijder aan te rijden, hem op een onridderlijke wijze in de borst heeft gevat en een steekspel in een vuistgevecht heeft veranderd.”

„Kon ik een deugniet, die mijn paard stal, ridderlijk behandelen?” bromde Reinout tusschen zijn tanden.

„Met uw verlof, genadige Oom!” zeide Willem: „wij zullen uwe uitspraak in zooverre wijzigen, dat wij de verschooning aannemen, door onzen trouwen Reinout bijgebracht en hem een gelijken prijs toekennen als door ons werd behaald. Ook zijn er nog aan weerszijden menige Ridders, die, na zich wakker gekweten te hebben, niet uit vrees, maar uit beleefdheid zich aan een verderen kamp onttrokken hebben: ook die moeten niet vergeten worden. Wij zullen u verzoeken, genadige Oom! dat ook hunne namen door den Heraut worden opgelezen, ten einde zij het loon hunner dapperheid ontvangen.”

Aan den wensch des Graven werd voldaan, en na een kort beraad tusschen de Kamprechters, werd hunne uitspraak overluid aangekondigd door de Herauten, en door een uitbundig feestgejuich der menigte ontvangen.

Hierna volgde de bekrooning der overwinnaars, welke op de gebruikelijke en elders meer beschrevene wijze plaats vond, en de uitreiking der geschenken, uit fraaie paarden, gouden en zilveren ketenen of sierlijke bewerkte wapenen bestaande; waarna de Wapenkoning het feest voor afgeloopen verklaarde: terwijl de Hofmaarschalk, op last der Gravin, al de aanwezige Edelen tot den maaltijd noodigde, die op ’s Graven lustslot zou gegeven worden.


[Hoofdstuk 13] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 15]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.