MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Alexis heeft zijn zusje lief,
Zoolang ze in vrede leven.

Van Alphen, Kindergedichtjes.

Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster.

„Waar is vader Syard?” was wederom zijn eerste vraag onder het afstijgen.

„De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken,” antwoordde Sytsken, die op het binnenplein stond: „een schoone Ridder, die spoorslags van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder is voortgereden.”

„Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?” vroeg Adeelen haastig: „en reed hij niet een zwarten hengst?”

„Of ’t een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen: maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordelen, was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, die u uit de handen van de Haarlemmers verloste… maar goede hemel! Jonker Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of hebben zij u bespoten? – Het water druipt u van den wapenrok af.”

„Genoeg gesnapt,” zeide Adeelen. – „Laat iemand den pater verzoeken in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen.”

Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.

„Welnu, ” vroeg de monnik: „heeft uw uitdaging een goed gevolg gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug,” vervolgde hij, ziende dat Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op en neder wandelde; „en gij schijnt slechts matig tevreden over den uitslag van het kampgevecht.”

„Dat mij de donder sla!” riep Adeelen, „zoo ik morgen het slijk, dat mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed mijner wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is die Ridder van den Rooden Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot.”

„Hij is mij komen zeggen,” zeide vader Syard, „dat hij naar het Sticht ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt.”

„En zult gij zijn raad volgen?”

„Dat men mij vange, ik vrees niets: – elke belediging, die hier eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer landgenooten te feller doen ontbranden; – maar dat daargelaten: – gij hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten.”

„En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!” riep Adeelen, op zijn vochtigen wapenrok wijzende: „zesmalen heb ik mijn wederpartij overwonnen; –   de laatste reis  wierp mijn paard mij in de beek; – doch genoeg daarvan: – wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn.”

Dit zeggende, nam hij een vollen beker,  om op den goeden uitslag van zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in een armstoel liggende.

„Ik beklaag u van harte,” zeide Aylva: „gij had u te dapper geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den prijs te verbeuren; – maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deelnemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven, den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?”

Humiles levat, superbos deprimit Deus,” zeide de Abt, „’t geen zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijn best gedaan heb om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien.”

„Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft,” zeide Adeelen: „zoo gij, mijn Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten voordat ik den hoon gewroken hebt, den Frieschen naam en mijn Madzy aangedaan.”

„Wat mij betreft,” zeide Madzy: „ik heb mij niet beleedigd gevoeld.”

„Dat geloof ik wel,” zeide Adeelen: „gij zijt vriendelijk onthaald, gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware de overwonnene een Fries en uw verloofde.”

Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur: „ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans met bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u leven gered heeft.”

„Ga voort!” zeide Adeelen: voeg er nog bij, van iemand, die uw hart gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene, niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt.

„Seerp van Adeelen!” zeide Madzy met waardigheid: „onze ouders hebben ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn slavin behandelt.”

„En wie der hofvlinders,” vroeg Adeelen, „welke om u heen gefladderd hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?”

„Madzy heeft volkomen recht,” zeide Aylva: „en zoo iemand hier haar gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen, Adeelen?”

„Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Frieschland zullen u eerekransen vlechten uwer terugkomst en uwen lof bezingen, omdat gij zoo schoon der eer der uwen hebt opgehouden.”

„Gij zijt onbillijk Adeelen!” zeide Madzy, terwijl de tranen in haar lieve oogen blonken: „denkt gij, dat ik het gevaar, ’t welk den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie? – Gelooft gij, dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen! – O neen, mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan om naar Friesland te keeren.”

„Ik weet,” zeide Adeelen, bewogen, „dat uw hart goed is, en dat gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dat dat gij mij alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen, indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat, die u van liefde heeft durven spreken.”

Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: „is het waarlijk zoover gekomen?” riep hij uit: „heeft Madzy Dekama, de edele dochter van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp van Adeelen, zich door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker, die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der  hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt, Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen: ik zal u naar de oogen zien: begeerten raden en voorkomen. O! tot dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde; maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan: ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk meer hebben, zoolang ik niet van uwe verzekerd ben.”

Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm, zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken.

„Ja, ik wil uw vriendin zijn, Adeelen! gelijk voorheen,” zeide zij, hem hare hand toereikende: „doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd… neen, antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: de afkomst doet hier niet terzake; – gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij hebt mij in zijne oogen en in die van anderen voorgesteld, als ware ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat van Verona bestrijden; – maar eerst zult gij hem verklaren, dat de woorden u, in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt, dat nooit tusschen hem en mij eenige gespreken zijn voorgevallen, die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt, u door hem ter wedervergelding aangedaan.”

„Gij vraagt veel, Madzy!” zeide Adeelen: „meer dan met ridderplicht kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog op mijn aangezicht gloeit?”

„Gij zijt een Fries,” zeide Madzy: „en draagt roem op uw rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?”

„Welaan!” zeide Adeelen: „ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog aan het hofgezin als mijn bruid en toekomstige gade moge voorstellen.”

„Mij dunkt,” zeide Aylva: „dat deze voorslag niet onredelijk is: zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid.”

Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld is, des te spoediger vruchten voorbrengt, zoo is ook het menschelijke hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.

„Ik geloof inderdaad,” zeide zij met een vaste stem, „dat gij gelijk hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar worden, – maar… vernoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer. – Ja, kan het zijn, dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had… doch ik gevoel dat dit onmogelijk is.”

„Gij zegt wel, Madzy,” zeide Aylva: „had Adeelen mij geraadpleegd, ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te praten; maar nu eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder zijn eer te krenken.”

„En nu!” zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich streelen mocht, bijna op eens in een galanten Ridder herschapen had, „laat vrij in ’t perk komen wie wil: door Madzy’s liefde gesterkt, ben ik onoverwinnelijk.”

„God zegenen u, mijne kinderen!” zeide de Olderman, beiden aan zijn hart drukkende: „maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons gereedmaken voor het feest.”

Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde een andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe neerslachtigheid.

„Wat heb ik gedaan?” vroeg zij zich zelve af: „mijn hand toegezegd aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare aard mij ongelukkig maken zal? – En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig verblijf in Holland mij in ’t hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te worden; – en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig kunnen zijn… gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer men zijn plicht doet!”

Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken, die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het haar behagen zou, zich aan te kleeden.

Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te handelen en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet hebben verschoven.

Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de voorrechten en vrijheden en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat der Dekama’s een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers, hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen, welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gantsche gewest zich voor den overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne had hij meer gedaan en zijne landgenooten in ’t veld aangevoerd, om het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welke gedurende zijn leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen.

Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga’s; maar zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel ruime giften aan kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos: en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote van Sjoerd Dekama het vooruitzicht opende om zijn loop verwezenlijkt te zien. Men schreef deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf of terp zoude bouwen, wist met geen raad om de kloosterlingen aan zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van Pepijn den Korten bestuurde, wat er bij en wist al zoo weinig als de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarde Pegasus afstamde) nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen. – Wat er van deze vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over ’t algemeen heilzame krachten aan de fontein toegeschreven, en vooral een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en stierf in het kraambed.

Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken, den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar ook door de kunnen van het wicht der vergoeding niet aanbood, welke alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenige troost te verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder, die bij de bevalling was tegenwoordige geweest en de Vrouwe van Dekama in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van Juwe van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen toestand van het verschoven weesje, verzocht zij als een gunst van Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen, onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk was geworden, stond dit verzoek volgaarne toe.

Sybe van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig, wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht, en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen, te laten nastamelen.

Ook Juwe van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als Heer des huizes dan wel een gastvriend beschouwde. Hij liet dan ook zijn echtgenote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy: – en zeker had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen.

Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart ras vergeten: – en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid niet spoedig voorbijziet?

Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen als der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meer dan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarte edelman, die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van haar pleegmoeder.

Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt, uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was; maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen schepte hij, gedurende het korte verblijf, dat hij op de Adeelastins maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns moeders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te leeren wat hem nog ontbreken mocht; – door welken dienst hij, gelijk hij zich uitdrukte, de handelswijze der Adeelens jegens zijne dochter hoopt te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven, die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel te verschijnen. Maar behalve de uitelijke bekwaamheden, welke hij van Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was, al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationale trots in, welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat, door zijn kweekeling nog overdreven werden.

Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe van Adeelen, die na verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de gevolgen van een twist uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan: namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenige de Edelen, die de Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren, zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een vreedzamen aard, zag zich genoodzaakt partij te kiezen en ontving in het gevecht een doodelijk wonde. Seerp keerde op het bericht van dit voorval naar zijn stins, om van zijn vaders erfgoed bezit te nemen en zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten, de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van ’t leven te berooven. Deze doodslag  werd wel gezoend; maar niet zonder dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigzins in toom, en beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad en leiding, zich geheel aan de aanspraak van zijn heerschzuchtigen aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan eens bedenkelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel, uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen, tot leidsvrouw en gezellin op ’s levens pad verstrekken mocht. Madzy, die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkerig oor aan de wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben, haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem, dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama’s hem eenmaal tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen, en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen.

De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar kindsheid op Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed gaf zij nog voor ’t laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep geroerde meisje door aandoening werd belet te antwoorden, legde zij de handen der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander, en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende, dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt.

Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in, dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag, hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen; doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen twist geraakte, die hem zijn huwlijksvoornemens voor een wijl deed uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en hielden eindelijk geheel op.

Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijn dochter op aan den Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren, en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner afzondering had willen dulden.

Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn overleden vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, ’t geen Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam, leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij, dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden, noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had: en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan, om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim hoogst noodig waren geworden.

Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntende begaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet slechts niet in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven, was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling van vroolijke en belangrijke gezelschap, de schoone dagen harer jeugd op de aangenaamste wijze door.

Ondertussen had Seerp van Adeelen met de monniken van Lidlum vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben, de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt, die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en zich te verwijten, dat hij haar eenige tijd verwaarloosd had. Daar hij echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde, aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die hij nog altijd als kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof, zij had, wij moeten het gulweg bekennen in den laatsten tijd weinig aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder gedacht: zij zag hem terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een onhoffelijke ruwe landman, die nog veel te leeren had, eer hij geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over hun aanstaande huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te deken.

Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama’s ten huwelijk waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken, door zijn moeder gevoed.

Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats vonden, welke aanleiding gaven, dat in den weerstal of de landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde, in deze geschiedenis genoemd. De keus der geestelijke Heeren viel natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had,  en het best in staat was het gebeurde te beoordelen. Oostergoo benoemde Aylva, die, wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden, in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen, zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad, als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde.

Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder bescherming zouden achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen duchtende, welke ’t zij door dezen of genen minnaar, ’t zij door een geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong hij bij Aylva aan, dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunne vergezellen; – maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg, door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen, om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen, waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in ’t openbaar te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van spotternij te verstrekken: – en het was onder deze voorteekenen dat de reis werd ondernomen.

Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen zien, van welke zelfs gesprekken met haaren voogd haar nog geen denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen, gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als een ruwe goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdagen me Damasceensch lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag, met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren en heusche handelswijze ten haren opzichte.

„Maar wat baat dit alles?” dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi in orde bracht: „het zoude in dien Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in Friesland als echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijne goede naam ware eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaake om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts nestelt aan het dak waar zij uitgebroed is, en niet met den vink naar vreemde luchtstreken, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar gade vinden.”


[Hoofdstuk 14] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 16]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.