MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Adusta is alleen de bron van al uw tranen:
Hy zette, razende van minnenijd en smart,
Om ’t missen van zijn prooi, zijn’ vriend een dolk op ’t hart.

Van Merken, Louize d’Arlac.

Het maal, at op ’s Graven jachtverblijf was aangericht, beloofde al de feesten, welke tot dien tijd in Holland gegeven waren, in pracht en rijkdom te overtreffen. Daar het weder, hoe ongestadig anders hier te lande, sedert een geruimen tijd zoo aanhoudend gunstig was, alsof het voor de feestvieringen ware uitgekozen geweest, had men zonder eenige moeite de toebereidselen op den Vogelesang kunnen maken. Vermits het jachthuis te klein was om de genoodigden te bevatten, waren er terzijde van het gebouw verscheiden tafels aangericht van een aanzienlijke lengte, omringd van banken, die wel uit ruw hout samengesteld, maar met sierlijke kussens overdekt waren. Op en om die tafels waren al de fraaiigheden ten toon gesteld, welke de kunst in die eeuw bekwaam was op te leveren. Zoo prijkten hier, instede der plateaux van lateren tijd, twee gansche kasteelen op tafel, met hun schansen en torens, van welke de banieren des Graven waaiden en waar binnen zich een deel hoornblazers bevonden, die gedurende den maaltijd het gezelschap op hun muziek moesten onthalen. Zoo stonden er onder de hooge linden rijke dressoiren of aanrechttafels, waarop blinkende vazen en kannen en koelvaten van allerlei vorm en metaal pronkten, en welke, vreemd genoeg, door tamme beren werden bewaakt, die geleerd hadden, bij de aankomst der gasten, de spietsen, waarmede zij gewapend waren, ter aarde te buigen. Maar, wat de meeste bewondering verwekken moest, waren drie nagemaakte olifanten, zoo groot als in ’t leven, maar welke de dorpsschilder, die waarschijnlijk nooit deze dieren gezien had, ter eere van ’s Graven blazoen, met roode, gele en zwarte strepen had beschilderd. Uit den snuit den eenen vloot Rijnwijn; de tweede gaf Franschen witten wijn, en de middelste hypocras. Nog merkwaardiger, wat de kunst betrof, doch minder belangrijk in de oogen der gasten, was een boom, die midden op de tafel stond en alle mogelijke vruchten droeg, deels natuurlijk, deels nagebootst, en in wiens gouden bladeren kunstig gemaakte vogeltjes, door verborgen werktuigen bestuurd, met de vlerken klapperden en allerlei deuntjes floten.

Het was ongeveer zes uren na den middag, de tijd, waarop men gewoon was den tweeden maaltijd te nemen: de meeste gasten waren reeds verzameld en wandelden de bekoorlijke dreven op en neder, ofschoon zij die beweging niet behoefden om hun honger te scherpen. zij hadden door het tornooispel van dien morgen verzuimd hun middagmaal te nemen, of te rampaneeren, gelijk men het noemde, en benijdden de paarden, die in haastig opgeslagen noodstallen zich reeds vergasten mochten aan het versche gras, waar de ruiven mede gevuld waren, toen de Graaf  met zijn hofstoet van Haarlem kwam aangereden. Zijn voorhoofd was somber, en hoewel hij  zijn best deed om zich te bedwingen en zijn gasten met gulheid en wellevendheid te verwelkomen, ontging het echter niemand, dat hij zich in een onaangename luim bevond.

De oorzaak hiervan lag in de tijdingen, welke hij dien dag uit het Sticht bekomen had. Ieder, die met de geschiedenis van ons land bekend is, weet, hoezeer de Graven van Holland er altijd en met reden op gesteld waren geweest, een Hollander , of althans een hunner bloedverwanten of Leenmannen, op den Bisschoppelijken zetel te zien, ten einde hun invloed op het Sticht te behouden en de anders zoo gestadige twisten tusschen Holland en Utrecht te voorkomen. Dit was ook het doel van Willem IV geweest en hij was daarin in zooverre geslaagd, dat hij Jan van Arkel, den zoon van een mijner machtigste vazallen, den mijter had doen bekomen. Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, hoe de nieuwe Bisschop weinig aan het oogmerk zijns beschermers had beantwoord. In den bloei der jaren, tegen zijn zin in den geestelijken stand getreden, bovendien uit hooggevoelend en trotsch geslacht gesproten, dat slechts noode iemand boven zich gesteld zag, had de fiere jongeling weinig lust gevoeld, aan den leiband des Graven een berooiden boel te beheeren en alleen in naam Bisschop te zijn, zonder het vermogen te bezitten op zijn waardigheid op te  houden of zijn gezag te doen gelden. Het gevolg hiervan, de reis des Bisschops naar Grenoble, het lossen der aan Graaf Willems verpande sloten en al hetgeen verder gedaan was om diens invloed te verminderen, hebben wij reeds verhaald. Om dezen invloed te herwinnen had de Graaf onderscheidene middelen in het werk gesteld, en, nu kort te voren, inzage der rekeningen van het Bisdom verlangd: maar het was juist na den afloop van het steekspel, dat een renbode hem een brief gebracht had van de Kapittels van Utrecht, waarbij hem die inzage gladaf geweigerd werd. In de eerste opwelling van gramschap over dezen grievenden hoon had hij, zonder iemand te raadplegen, en alleen zijn drift gehoor  gevende, terstond een ontzeggingsbrief aan de stad Utrecht terug doen zenden: en het was de wrevel over dit voorval ontstaan, welke thans nog op zijn gelaat te lezen was.

Terwijl hij zich in deze gemoedsgesteldheid bevond en bestreden werd door de heftige gewaarwordingen, welke slechts een nieuwe gelegenheid wachtende waren om uit te barsten, evenals het kruit slechts een vonk nodig heeft om te ontbranden, naderde hem Adeelen, Madzy aan de hand geleidende en door zijn beide medeafgevaardigden gevolgd. Een beter hoveling dan Adeelen zou de gefronste wenkbrauw des Graven hebben opgemerkt, die zich nog sterker samentrok toen hij den Fries in ’t oog kreeg; hij zou gevreesd hebben, den grammen leeuw te tergen, en een meer geschikte gelegenheid afgewacht hebben om tot den Vorst te spreken, maar Adeelen was er de man niet naar, om zich door een donker gezicht te laten afschrikken. Stoutweg deed hij een stap naar den Graaf, en hem Madzy voorstellende: „Heer Graaf,” zeide hij: „gisteren had Madzy Dekama nog een vijftigtal vrijers, die het slechts voor de leus waren: heden heeft zij een bruidegom; maar die meent het goed. Ik zou u gisteren ons huwelijk reeds hebben aangekondigd,” vervolgde hij, de stem verheffende, ten einde door Deodaat, die niet verre van daar stond, gehoord te worden, „maar toen was ik nog niet zeker van mijn zaak; en het doet mij leed, dat ik, door een valschen waan misleid, de bedoelingen van dien Ridder daar” (op Deodaat wijzende) „heb miskend. Ik herstel hem in zijn eer, en beken, dat ik verkeerd deed, hem te hoonen: meer kan ik niet zeggen: heden heeft zij mij de toedracht der zaken opgehelderd en het is tusschen ons beiden beklonken. Zoodra wij in Friesland teruggekeerd zullen zijn, ’t geen God geve dat spoedig plaats hebbe, gaat het huwelijk door.”

Deze aanspraak was, door Graaf Willem ten einde toe aangehoord, maar niet zonder herhaalde teekenen van wrevel, toorn en ongeduld, welke Adeelen niet had opgemerkt. Toen deze echter had uitgesproken, kon de Graaf zich niet langer  bedwingen. Het voorgenomen huwelijk van Madzy wierp weder een der door hem gevormde plannen in duigen, dat namelijk, van een verbintenis tusschen haar en een zijner vertrouwde hovelingen: en de vrijmoedige taal van den Fries, welke hij tot nu toe uit staatkunde en ridderlijke toegevendheid geduld had, was hem eindelijk ondraaglijk geworden. Hij stampte driftig met den wandelstaf, dien hij in de hand had, op den grond, en toen den Fries met woedende oogen aanziende: „Bij Sint-Japik!” riep hij uit: „en zijt gij zoo zeker, lompe Fries! dat gij den dag van morgen beleven zult, om nu reeds een trouwdag te bepalen. Bij alle Heiligen, die Jonkvrouw is ouderloos en als zoodanig zijn wij als landsheer haar echte en natuurlijke voogd: en niemand zal haar trouwen, die niet onze toestemming verzocht en verkregen heeft.”

Al de omstanders waren verbaasd en ontzet over dezen heftigen uitval: en Adeelen zelf, hoe weinig door woorden af te schrikken, was zoo uit het veld geslagen door de onverwachte wijze, waarop de Graaf zijn toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblik stom bleef, en zonder te weten wat hij deed, met de linkerhand zijn sabelknop omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval.

Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd aan zijn zijde stond, haastte zich, hem zachtjes in ’t oor fluisteren: „Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons geene nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen.”

Deze welgemeende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: „De duivel hale alle bedaardheid!” riep de Graaf: „wat ben ik? wettig Heer van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van een vazal verdragen, die het er op toelegt, ons in ’t aangezicht te beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven, van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in Den Haag geworpen.”

Adeelen, die zijn vrijmoedigheid inmiddels teruggekregen had, was op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met de linkerhand afweerde.

„Graaf!” zeide hij: „zoo Seerp van Adeelen u hedenmorgen beleedigd heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te verschoonen. Maar wij konden billijk verwachten dat wij aan het hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen, des volmaaktsten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien betrachten, waarop wij als genoodigden en als waardigheid van afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiën in achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan, dat hinderlijk schijnt geworden te zijn.”

De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen, toen Beaumont tusschen beiden trad en hem weerhield.

„Blijf, edele Aylva!” zeide hij: „blijf, waardige Abt! u kunnen de woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laat hen niet vertrekken met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid.”

„Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken,” zeide Willem, op een hoogen toon: „doch het was tijd, dat zij een les ontvingen, hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden hen beter behooren te onderrichten.”

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand van daar, in ’t midden van een stoet van hooge genoodigden en adelijke Jonkvrouwen bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maar zijn laatste woorden waren niet verloren gegaan, en de oude Wapenkoning, die ze gehoord en als een zijdelingsch verwijt had opgenomen, trad op Adeelen toe en begon hem, op een half beleefden, half bestraffenden toon, de les te lezen over zijn gedrag, terwijl Beaumont en Teylingen den Abt en den Olderman poogden over te halen, het feest niet te verlaten om een woord, dat den Graaf in drift ontvallen was.

„Gij moet weten,” zeide de oude Paypaert tot Adeelen, „dat het hoogst onbetamelijk en met alle gebruiken strijdig is, het woord tegen den Graaf te voeren, zonder daartoe alvorens verlof te hebben doen vragen door een Heraut, of, zoo er geen aanwezig is, door een van ’s Graven schildknapen, of eindelijk bij mangel van dien, door een dienstdoende page. Geloof mij, Jonker! dat ik, die mijn waardigheid reeds bekleed heb onder Graaf Floris, die de minzaamste aller vorsten was, ja zelfs zoodanig, dat hij het slachtoffer zijner te groote goedheid werd, als iedereen weet: onder Graaf Jan den Eersten, die de zachtheid zelve was: onder Graaf Jan den Tweeden, die alles deed wat in hem was, om de welwillendheid zijner onderzaten te winnen: onder Graaf Willem den Goeden, wiens naam alleen genoeg zegt om aan te duiden wat hij was: dat ik, zeg ik, nooit heb ondervonden, dat een van die edelen Graven, wier zielen God genadig zij, nooit geduld heeft, dat een onderzaat, al ware hij een Baanderheer, onaangediend en ongevraagd het woord tot hem voerde, tenzij over tafel of aan ’t spel, uitgezonderd alleen de magen van het Grafelijk Huis, als de Heeren van Brederode, van Voorne, van…”

„Dat is alles schoon en goed,” zeide Adeelen, wien deze predikatie reeds sedert lang verveelde, maar die geen kans zag om er aan te ontkomen, zonder tegen den ouden man, die hem bij de mouw hield, geweld te gebruiken: – te meer daar hij ingesloten was tusschen een drom herauten, pages en hofbeambten, die zich vermaakten met zijn ongeduld en met den gewichtigen toon, waarop Paypaert de regels der hofetiquette voordroeg: – „maar wij Friezen volgen liefst onze eigen weg en zeggen gaarne wat wij meenen en ware het ons best gelegen komt. Hoe dit zij, de Graaf zal over mijne woorden niet meer te klagen hebben.”

„Ja, waren het slechts uwe woorden,” hervatte de onverbiddelijke Wapenkoning: „maar gij hebt ook een zeer verkeerde daad gedaan, door uw bruid zelve aan den Grave voor te stellen. Zulks had behooren te geschieden door den voogd der Jonkvrouw, die haar alsdan had moeten toevertrouwen aan een Edelvrouw der Gravin, door welke zij vervolgens aan de Grave op eene door Zijne Genade nader te bepalen wijze zoude zijn voorgesteld, waarop gezegde Jonkvrouw uwe bruid…”

„Mijn bruid!” riep Adeelen eensklaps uit: „ja! waar is zij? – gij spreekt van toevertrouwen… maar ik vertrouw haar hier aan niemand toe” – En degenen die naast hem stonden ter zijde schuivende, trad hij met drift buiten den kring en zag naar Madzy uit.

Deze was, bij de eerste uitbersting van ’s Graven woede, een weinig teruggeweken, en vervolgens, toen Willem zich verwijderd had, en haar vrienden huns ondanks (gelijk wij gezien hebben) in diep gesprek gewikkeld werden, op een kleinen afstand blijven staan, zonder  op dat oogenblik iemands aandacht tot zich te trekken. Terwijl zij zich dus alleen en in dien onaangenamen toestand bevond, waarin men verkeert, wanneer men zich van de zijnen afgescheiden en onder vreemden bevindt zag zij op eens het hinderlijke van dien toestand nog vergroot door de onverwachte nadering van den bruinen beer, die deftig tusschen de herauten en haar in kwam aangetreden. Dit ongure dier had zich waarschijnlijk op zijn post aan het dressoir verveeld en verkozen een wandeling op zijn eigen houtje te doen. Niet wel op haar gemak bij dit vreemd verschijnsel, week zij terug in een slingerpad, dat zich juist achter haar bevond: – een paar bedienden, die dien beer waren achtervolgd, dreven hem met stokslagen weder naar zijn plaats: en toen zij het pad weder uit wilde komen ontmoette haar aan den ingang Deodaat.

„Een enkel woord!” zeide deze: „een enkel woord, edele Freule! Ik gevoel, dat plaats noch gelegenheid geschikt zijn; maar nood breekt wet, en het is de laatste reize, dat ik u met mijne toespraak lastig wezen zal.”

„Ridder!” zeide Madzy: „ik ben de bruid van Seerp van Adeelen, in ik mag uwe taal niet aanhoren. Verloof mij, naar mijn voogd terug te keeren.”

„Een enkel oogenblik slechts,” hernam Deodaat op een smeekende toon: „het is, of de hemel zelf mij deze gelegenheid toeschikt en mij voorschrijft, die niet ongebruikt te laten ontglippen. Bedenk, dat ik morgenochtend met uw bruidegom, den Fries, op dood en leven moet kampen.”

„Helaas!” zeide Madzy met een bevende stem: „ik weet het te wel! en kan niets dien strijd voorkomen?”

„Ziedaar, wat ik mij genoodzaakt vond, u te zeggen. De ziel van uwen… van Adeelen, is te trotsch om te buigen, dit is mij bekend. Van zijne zijde is dus geen terugstap te verwachten. Wat mij betreft, gewillig gave ik mijn leven, eer ik de lans velde tegen iemand, wien ik heden eerst bemerk dat u dierbaar is; doch het is niet voor mijne wraak alleen dat ik strijden moet: het is de zaak mijns meesters, die aan mijn arm, aan mijn eer is toevertrouwd; en ik ware in de oogen der geheele Ridderschap onteerd, indien ik mij niet in den kamp gedroeg gelijk het eenen braven Ridder betaamt. Wij moeten dus kampen; daar is geene mogelijkheid om zulks te voorkomen.”

Madzy zweeg en sloeg de oogen neder. Haar hart bloedde; maar zij gevoelde, dat Deodaat gelijk had.

„Welnu!” vervolgde deze: „hiervan is het alleen dat ik u wilde overtuigen, opdat gij, zoo ik in ’t strijdperk treed, het mij niet wilt, zoo ik mijn plicht als Ridder volbreng: en zoo het noodlot wil, dat Adeelen door mij valt, haat mij dan, Jonkvrouw! maar laat voor ’t minst uw hart mij rechtvaardigen, en zeg dat ik niet anders kon handelen.”

„Zoo deze verzekering iet tot uws geluk kan toedoen…” zeide Madzy zuchtende.

„Het geluk en ik,” zeide Deodaat, „hebben afscheid genomen, sedert Adeelen u aan den Graaf heeft voorgesteld; – want waarom zou ik het nu niet bekennen, Freule! ik bemin u! en is de zekerheid, dat ik, verwinnaar of verwonnene, geen hoop op uw bezit mag voeden, niet genoegzaam om mij voor mijn leven ellendig te maken? Wee mij! dat ik nog moet trachten een vijand te vellen, door wiens handen ik liever om uwentwil zou vallen.”

Al sprekende waren zij het zijlaantje langzaam op en neder geloopen en bevonden zich door het kreupelhout aan de oogen der omstanders onttrokken. Deodaat had in de drift van zijn hartstocht de hand van Madzy gevat en zij had die niet teruggetrokken; want  het bloed vloeide haar naar het hart terug en zij was buiten de mogelijkheid om eenige beweging te maken. Dat oogenblik van bedwelming duurde slechts kort.

„Om Gods wil, Ridder!” zeide zij: „laat mij gaan; het voegt mij niet, langer naar u te hooren: men heeft ons misschien zien gaan: men zal ons bespieden… men heeft ons reeds bespied.”

En dit zeggende, gaf zij een angstigen, half gesmoorden kreet. Naast hen stond Reinout, doodsbleek, met gekruiste armen en het oog vonkelende van toorn.

Deze had, sedert hij zich van Deodaats ontrouw te hemwaart overtuigd hield, in dien staat van hevige gemoedsaandoening verkeerd, waarin het verhitte bloed beide verstand en hart bedwelmt en den mensch zoowel onbekwaam maakt wel te gevoelen als wel te onderscheiden. Zijn wrok tegen zijn wapenbroeder was niet verminderd door de dubbele eer, welke dezen boven hem op het tornooispel was te beurt gevallen: – eene week vroeger zoude hij die hebben toegejuicht: thans was hem die een nieuwe spoorslag tot ijverzucht en wraak; want karakters als die van Reinout kennen geen middelweg tusschen liefde en haat: en zoo vurig te voren zijn vriend bemind had, zoo hevig was hij thans op hem verbolgen. Iets later op het feest gekomen, had hij niets van de woordenwisseling tusschen de Graaf en Seerp van Adeelen vernomen: maar hij had uit eenige losse uitdrukkingen der feestgenooten verstaan, dat de schoone Friezin de bruid was, zonder recht begrepen te hebben met wien: en toen hij het vorstelijk paar genaderd was, had hij deze woorden aan ’s Graven mond hooren ontvallen:

„Dat meisje zal niet met dien lompen Fries huwen: zoo Deodaat morgen de overwinning behaalt, zal zij het loon zijner dapperheid wezen, of in het klooster gaan.”

Dit gezegde was voor Reinout genoeg geweest. Woedend van minnenijd was hij Deodaat gaan opzoeken, om hem zijn vermeende ontrouw te verwijten, en hij had ter bekorting het laantje genomen, waarin zijn medeminnaar bevond. Zoodra deze hem gewaarwerd, liet hij de hand van Madzy los en wilde spreken; maar Reinout schonk hem daartoe den tijd niet.

„Gij zult mij niet meer met schoonschijnende woorden bedriegen, listige verrader!” riep hij; „wat ik gezien heb is mij genoeg: maar hier is uw straf.” Eer nog deze woorden geheel waren uitgesproken, had hij zijn dolk getrokken en stootte dien Deodaat in den boezem.

De jongeling wankelde en viel. Met een ontzettenden gil schoot Madzy toe, en ontving hem in haar uitgespreide armen, waarna zij, eene knie ter aarde buigende, op de andere het hoofd des gewonden ondersteunde. Reinout had zijn dolk laten vallen en stond onbeweeglijk.

„Gij hebt welgedaan, broeder!” zeide Deodaat , op wien gelaat zich de doodskleur reeds had verspreid: – „ofschoon het niet uwe hand had moeten zijn, die… vlucht Rinaldino – vlucht!… het is mij zoet zoo te sterven,” en zijn brekend oog rustte op Madzy met innige liefde. Weldra echter sloot het zich en zijn hoofd viel neder als dat eens dooden.

„Reinout bedekte zich het gelaat met de beide handen: en toen, een vervaarlijken sprong nemende, verdween hij in het kreupelhout. Bijna in hetzelfde oogenblik kwam Adeelen te voorschijn, van eenige Edelen gevolgd.”

„Voor den duivel!” zeide hij: „wat heeft dat te beteekenen? Een vreemdeling in de armen van Madzy!”

„Hulp! in ’s hemels naam!” riep deze: „hulp! hij sterft! zoo gij vrome lieden zijt, helpt! en houdt den moordenaar vast! hij is door het kreupelhout gevlucht.” – En bij het uiten dezer woorden wees zij in het boschje naar de zijde, welke Reinout was ingegaan.

„Wie, wie is de moordenaar?” vroegen terstond onderscheidene stemmen.

„Wie? wie? – Zijn vriend, zijn wapenbroeder, die zwarte Italiaan!”

„Reinout!” riepen allen in verbazing uit; en verscheidenen snelden het boschje uit om hem na te jagen.

„Ik ben hem wellicht dank verschuldigd.” zeide Adeelen somber en bedaard, terwijl hij beurtelings de gelaatstrekken van Deodaat en die van Madzy, waarop een bijna gelijke bleekheid was verspreid, bleef beschouwen.

„Hij is nu dood,” zeide Madzy, halfluid, op een toon van innige droefheid, die niet zonder bitterheid was: „hij zal u geen minnenijd meer baren.”

„Madzy! mijn kind!” riep Aylva, die inmiddels met verscheidene gasten genaderd was: „bedenk waar gij zijt en wat gij doet;” en hij nam haar bij den arm om haar van dit treurtoneel te verwijderen.

Maar in dit oogenblik sloeg hij zelf een oog op de bevallige, doch thans wezenlooze gelaatstrekken des jongelings, en een koude rilling, waarvan hij de oorzaak niet kon nagaan, doorliep zijn aderen. Schoon teergevoelig van aard, had hij den dood dikwijls onder alle gedaanten voor oogen gehad, dan dat gezicht van een lijk bij hem iets meer dan een gevoel van medelijden zoude hebben opgewekt; – doch hier bezielde hem een ongekende gewaarwording; het was, of de dolk van Reinout hem mede in ’t hart getroffen had.

„Is er geen hoop meer?” vroeg hij, angstig op het lichaam starende.

„Zou hij nog te redden zijn?” zeide Madzy, de gelegenheid haastig aangrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij legde de hand op zijn hart en na eenige oogenblikken van gespannen verwachting riep zij uit: „God lof! het slaat nog: een arts! een arts!”

„Wat heeft er plaats gehad?” vroeg de Graaf, driftig het moordtoneel naderende: „is het die ellendige Fries, wiens dolk mijner edellieden heeft durven zoeken?” En zijn vorschend oog ondervroeg beurtelings Beaumont en Adeelen.

Weemoedig schudde de eerste het hoofd: „niet deze,” zeide hij, op Adeelen wijzende: „de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd, dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren.”

Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl Beaumont het hoofd ondersteunde, en Aylva, door een onwederstaanbare aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen van het doodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden of omringden   hem met zichtbare blijken van deelneming. Adeelen alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen, het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter zijde getreden.

„Wel hoe!” zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een hoonende grimlach aanziende: „volgt gij het lijk van uw minnaar niet? ”

„Seerp! gij zijt wreed!” was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten te zeggen.

„Minder dan gij,” zeide Adeelen, „die op den dag zelven, dat gij mij trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat dan uw boel ontvangen heeft. Ha! dubbelen dank ben ik dien Reinout verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft.”

„Gij behandeld mij onwaardig,” zeide Madzy: „gij miskent mij en den edelen jongeling, die…”

„Bloos niet, maar ga voort! – Welnu! die edele jongeling?… herhaalde Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette voort te gaan.”

„Nu, ja dan,” zeide Madzy, haar vrouwelijke waardigheid geheel hernemende: „waarom gebloosd? Hij voedde voor mij een hopelooze liefde en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude.”

„Voortreffelijk!” hernam Adeelen: „verdedig hem nog. – Wat mij betreft, ik weet genoeg: herneem de trouw, die gij mij geschonken hebt, en uw ring daarbij: ik begeer hem niet meer.”

Dit zeggende, trok hij den ring, dien hij van Madzy ontvangen had, van zijn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor de voeten der ongelukkige maagd waarna hij haar snel den rug toekeerde en zich verwijderde, haar alleenlatende in een gemoedsgesteldheid, die zich beter laat gevoelen dan beschrijven.

Deze daad van Adeelen, of liever de beweging, waarmede hij die volbracht, was niet zonder getuigen gebleven. De Gravin, verscheidene van hare aanzienlijke gasten en de stoet van edelvrouwen en juffers, die haar vergezelde, waren juist langs dezen weg komen aanwandelen om iets naders omtrent de ware toedracht der zaak te vernemen, en hadden aan Adeelens gramstorige bewegingen en aan Madzy’s bedrukte houding reeds half geraden wat er gaande was.

„Het schijnt ons toe,” zeide de Gravin, „dat die bruidegom zijn bruid niet zeer tevreden verlaat.”

„Mij dunkt,” zeide Oda van Wassenaar fluisterende tegen hare vriendinnen, „dat hij niet kwalijk tevreden zijn moet, nu men hem met éénen slag van een medevrijer en van een doodvijand ontslaat.”

„Foei Oda! kunt gij nog spotten met den dood dien goeden Deodaat,” zeide Ottilia met tranen in de oogen.

„Ik beklaag den armen Ridder van ganscher harte,” hernam Oda: „doch mijns bedunkens is die Frieschen Roos nog meer te beklagen, die, op één dag, haar éénen minnaar vermoorden ziet, door haar bruidegom verlaten wordt en misschien haar derden vrijer ziet onthoofden.”

„Zou het dan wezenlijk Reinout zijn,” vroeg Ottilia, „die zulk een laagheid begaan heeft?”

„Noem het geen laagheid,” viel Oda in: „waarlijk, ik zou iemand wel liefhebben die mij genoeg beminde om zijn oudsten en trouwsten vriend aan zijn liefde op te offeren. Daar zou geen van onze Hollandsche edelen, die karnemelk voor bloed in de aderen hebben ooit toe komen.”

„Goddank neen!” zeide Ottilia: „gij zijt afschuwelijk, Oda! en ik spreek u heden geen woord meer toe.”

„Gij hebt gelijk,” zeide Oda: „ga liever die Friesch nuf opbeuren, die eergisteravond zooveel spels maakte en nu te kijken staat als een boerenmeid, die haar eieren over den weg heeft laten vallen.”

Ottilia volgde dezen raad, of liever, de inspraak van haar medelijdend hart. De Gravin was Madzy voorbijgetreden, zonder schijnbaar eenige acht op haar te slaan; want de omstandigheden der verwonding niet volkomen wetende, en vermeenende , dat Madzy wel schuldig zijn kon, wilde zij hare waardigheid niet te kort doen door zich met haar in te laten. Ottilia daarentegen, altijd genegen het beste van iemand te denken, bleef achter, trad naar de arme verlatene toe, nam haar bij de hand en deed haar de weinig romaneske, doch in deze omstandigheden zeer natuurlijke vraag, of zij niet doodelijk ontsteld was en of zij reeds iets gedronken had.

„Ik ben vermoeid,” zeide Madzy, die haar knieën onder haar voelde knikken: „ik wilde, zoo mogelijk wel een oogenblik nederzitten.”

„Neem mijn arm,” zeide Ottilia: „en leun op mij: wij zullen ons ginds op dat bankje nederzetten, en Zweder zal u wat te drinken brengen, niet waar Zweder?”

Zweder was een neefje van Ottilia en diende als page bij de Gravin. Zoodra hij het verzoek zijner tante vernomen had, snelde hij als een pijl uit den boog vooruit om eenige verversching te halen terwijl de beide Jonkvrouwen langzaam naar het bankje traden.

Met die hoffelijke bescheidenheid, welke het kenmerk is van een goed hart en een goede opvoeding, weerhield Ottilia zich, in spijt harer nieuwsgierigheid, de bedrukte Madzy door eenige vraag te kwetsen, nam zwijgend met haar op de tuinbank plaats en drong haar iets te gebruiken van het water, dat Zweder had aangebracht en waarin de knaap, die door zijn post gewend was vrouwen te bedienen, eenige droppelen van een meer geestrijk vocht gemengd had.

Na haar dank op hartelijke wijze te hebben geuit, gaf Madzy haar verlangen te kennen om huiswaarts te keeren, en vroeg of er niemand aan den Heer van Aylva kon gezonden worden om hem te verzoeken haar derwaarts te geleiden.

„Ik zal mij gaarne met deze boodschap belasten,” zeide Zweder: „ofschoon het mij altijd aangenamer ware de tijding van uwe komst dan van uw vertrek te brengen.” – Onder het doen dezer hoffelijke betuiging, welke hij met al den zwier eens volslagen hovelings uitbracht, deed hij op een bevallige wijze zijn toppermuts een halven cirkel in de lucht beschrijven en verwijderde zich. Dan nauwelijks ter halverwege gekomen, ontmoette hij de Gravin, die met haar gevolg van haar ontdekkingsreize terugkwam, in druk gesprek met Beaumont. Hij bleef dus staan en wachtte eerbiedig af dat de stoet voorbij was getrokken.

„Hebt gij een boodschap, knaap?” vroeg de Gravin, zijn houding opmerkende.

„Ik ging den Heer van Aylva het verlangen der Jonkvrouw van Dekama overbrengen: zij wenscht te vertrekken.”

„Ik wil het gaarne gelooven,” zeide Beaumont de schouders ophalende; „maar dat zal nu niet gaan, vrees ik.”

„Jonkvrouw!” vroeg intusschen Ottilia aan Madzy: „wilt gij niet op een meer afgelegene plaats gaan zitten? Ik zie den hofstoet aankomen.”

„O ja!” antwoordde Madzy, opstaande en haastig haar arm nemende: „laten wij ons verwijderen.”

Maar reeds had zich een der edelknapen van den stoet afgescheiden en de wijkende jonkvrouwen ingehaald

„De Heer van Beaumont verlangt u te spreken, Freule!” zeide hij tot Madzy.

Deze gevoelde op die taal een trilling, welke haar geheele gestel in beweging bracht, en werktuiglijk volgde zij, aan den arm harer geleidster, den bode van Beaumont.

De Gravin, nu beter onderricht en, hoewel nog niet zeker van Madzy’s onschuld, echter iets, dat naar medelijden zweemde, met haar gevoelende, begreep het nu veilig te kunnen wagen om haar toe te spreken: en na eenige weinige onbeduidende vragen, waarop Madzy nauwelijks in staat was antwoord te geven, zeide zij:

„De Heer van Beaumont heeft iets met u te verhandelen, weshalve wij u zullen verlaten. Jonkvrouw van Naaldwijk! wij hebben u gemist. Uwe plaats is bij ons, zoo wij ons niet bedriegen.”

Ottilia kleurde en zuchtte, en met moeite een traan verbergende, die haar bij dat openbaar verwijt in de oogen schoot, wilde zij zich weder bij den hofstort voegen: doch Madzy hield haar hand tusschen de hare vast.

„Ik dank u,” zeide zij: „gij voor ’t minst weet medelijdend te zijn, Madzy Dekama zal u nooit vergeten. O! bloos niet en laat het u niet smarten, vriendelijk jegens mij te zijn geweest. Een enkele traan om mijnentwille gestort, zal u in uw ouderdom zoeter herinneringen geven dan al de hofgunst u bieden kan.”

Hier liet zij de hand van Ottilia varen: en geroerd en verlegen trad de Jonkvrouw van Naaldwijk tusschen hare gezellinnen terug.

„Welnu,” voegde haar Oda toe: „hebt gij u de fraaie predikatie wel in ’t hoofd geprent, die ons Friezinnetje in ’t bijzijn der Gravin heeft opgedischt?”

Beaumont had intusschen Madzy met de hem zoo eigene minzaamheid bij de hand genomen: en zoodra de hofstoet zich verwijderd had, vroeg hij haar op vriendelijken toon, hoe zij het had. Madzy dankte hem voor zijn deelneming en gaf op hare beurt haar verlangen te kennen om zoo spoedig mogelijk met haar voogd te vertrekken.

Beaumont hield zich, of hij haar niet begreep, en van onderwerp veranderende, verhaalde hij haar, dat de wond van Deodaat onderzocht was, en dat men, in afwachting van den wondheler, om wien men gezonden had, er een doek met olie van hertshoorn op had gelegd, welk middel door den eerwaarden Abt van Sint-Odulf als hoogst weldoen was aangeprezen. „De wond,” voegde hij er bij, „is diep; maar men vleit zich nog, dat er geen edele deelen geraakt zijn.”

Madzy gevoelde zich opgebeurd door deze tijding. Zij had naar den toestand des gewonden niet durven vernemen en de mededeeling van Beaumont was haar daarom dubbel welkom. „Wij hebben ons veel te verwijten,” vervolgde deze, „dat wij u zoolang aan u zelve hebben overgelaten; doch wij meenden allen, dat uw bruidegom zich bij u bevond.”

„Ik heb geen bruidegom meer,” zeide Madzy met een ontstelde stem.

„Is het dan waar?” vroeg Beaumont; „inderdaad, Mevrouw de Gravin heeft mij iets verhaald van een onderhoud, dat tusschen u plaats schijnt te hebben gehad… doch, vergeef mij, ik raak een onderwerp aan, dat mij niet betreft en voorzeker pijnlijk is voor u. Ook wordt het tijd, dat ik mijne boodschap doe. Uw waardige voogd wilde u gaan opzoeken; – maar hij was zelf zoo ontsteld over die noodlottige gebeurtenis, dat hij ternauwernood gaan kon. Hij heeft zich dit geval zoo sterk aangetrokken, als ik zelf kon doen, ik, die nog een oude betrekking heb tot den goeden Deodaat. Daar ik den last des Graven ongaarne door een hofbediende had laten volbrengen, heb ik zelf de vervulling daarvan op mij genomen, en kom u thans vragen, of gij krachts genoeg zoudt gevoelen om den moordenaar te zien? – Vergeef mij,” vervolgde hij, den plotselingen schrik ontwarende, waarmede Madzy bevangen werd: „het zal wellicht heden nog niet noodig zijn; doch gij alleen zijt bij het misdrijf tegenwoordig geweest, en uwe getuigenis is onmisbaar tot zijn overtuiging.”

„Heden of morgen,” antwoordde Madzy, „het zal er toch toe moeten komen, en waarom dan maar niet terstond? Mijn ziel is nu toch zoozeer geschokt, dat een pijnlijke gewaarwording te meer schier geen invloed meer op mij hebben zal.”

„Ik geloof, dat gij recht hebt,” zeide Beaumont, „maar in dat geval, wees zoo goed, en leun op mijn arm. Het doet mij leed dat mijn genadige Nicht u de hulp van haar Jonkvrouwen niet gelaten heeft… maar ik zal zorgen, dat gij na afloop van het verhoor eenige juffers tot uw dienst hebt.”


[Hoofdstuk 15] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 17]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.