MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Waard.   Mijnheer! de lui voor een civielen prijs,
Lodewijk. Ik weet wel, hospes, dat is te Utrecht zoo de wijs,

Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.

De herberg van het dorpje, waar onze reizigers stilhielden, maakte een niet onaanzienlijke vertooning, in vergelijking met de overige woningen, die in een halven cirkel verspreid lagen rondom een groot grasperk, met eenige iepeboomen beplant, onder wier gebladerte ettelijke biggen en schapen hun voedsel zochten, of zich in gezelschap van eenige kwakende eenden laafden in een plas of waterkom, midden in het perk aanwezig, en aan welken sommige oudheidkenners van vroege dagen beweren dat het dorp zelf zijn naam verschuldigd was. Anderen echter leidden dien naamsoorsprong af van de venen, die in den omtrek gevonden worden; want Plaswijk, hetwelk men thans vergeefs op eenige kaart zou zoeken, daar het in de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten grootendeels in assche gelegd en sedert met de naburige gemeenten ineengesmolten is, lag juist op de grensscheiding tusschen de lagere veen- en  weilanden van Amstelland en den hoogeren Stichtschen grond. Het leverde hierdoor ook van beide kanten een geheel verschillend uitzicht op, want achter de huizen zag men kampen met haver en wintergerst beteeld, en door kleine hagen of dijkjes vaneengescheiden, langs welke tallooze musschen en vinken op en neder vlogen; terwijl aan de overzijde onafzienbare landerijen zich uitstrekten, met poelen en slooten doorsneden, en rijk in prachtig rundvee. Alleen aan de oostzijde werd het uitzicht belemmerd door een boschje, waarboven het slot Nyenstein, hetwelk den Bisschop van Utrecht toebehoorde, zijn ronden toren slechts even ophief.

„Kunnen wij her vernachten, moeder?” vroeg de monnik aan de dikke, gezonde kasteleines, die met een vroolijken glimlach op den mond en de handen in de zijden, de deur uit kwam scharrelen, zoodra zij de beide reizigers voor haar woning had zien stilhouden.

De waardin antwoordde niet op deze vraag. Waarschijnlijk was zij in een tweestrijd met zich zelve, als willende zij, aan den eenen kant, haar nieuwe klanten niet afschrikken, indien zij bekende dat zij geene plaats meer had, en aan den anderen, haar ziel met geen logen bezwaren. Zij hield zich dus, of zij de vraag niet gehoord, of niet verstaan had, en zich dadelijk half omkeerende, riep zij naar binnen: „Peer! Kees! hei daar! komt hier en helpt me dien huisman ereis waar zij de luiaards! hier Trui! komt ereis uit en hou de paarden van de luit vast, dat ze af kunnen stijgen.”

En Trui, een frissche boerenmeid, kwam de herberg uitdraven en nam met haar purperkleurige handen de teugels der beide rossen, terwijl haar meesteres er Madzy afhielp, eer deze nog wist of zij blijven zou dan verder gaan.

„Ik vroeg u, moeder!” zeide vader Syard droogjes, en nog altijd in den zadel blijvende, „of wij her vernachten kunnen.”

„Komt binnen maar, menschen,” zeide de kasteleines, Madzy met een beschermenden lach top den schouder kloppende: „Kees zal wel zorg dragen voor die knollen.”

En inderdaad, Kees, een half blinde, half lamme boerenknecht, kwam strumpelende voor den dag uit een schuurtje, dat aan de herberg paalde, en vatte post naast zijn medehelpster Trui.

De monnik, ziende dat Madzy zich reeds genoodzaakt zag tegen wil en dank de waardin te volgen, steeg nu ook af: en terwijl de beide dienaars de rossen als in zegepraal naar de stalling voerden, trad hij naar de meesteres en vatte haar bij den arm, juist zooals zij zich gereedmaakte, met Madzy binnen te treden.

„Een oogenblik, vrouw!” zeide hij, haar met een strakken blik aanziende: „voor wij binnengaan, wenschten wij te weten, of er al of niet kans voor ons is hier hedennacht te vertoeven, althans of gij mijner nicht een slaapstede kunt bezorgen.”

„Dat zal de vraag zijn,” zeide de waardin: „doch komaan! het oude spreekwoord zegt: er kunnen vele makke schapen in een hok; maar gaat toch binnen, goede lien, wij zullen er in ’t voorhuis over praten.”

„Neen, met uw verlof!” zeide de monnik, die door de opene deur verscheidene lieden in het voorhuis bijeen zag en zich niet onnodig aan het gezicht wenschte bloot te stellen, „dat niet: hier geeft gij mij antwoord of wij rijden terstond verder.”

„Wel, dat zou toch wat erg zijn,” hernam de vrouw, al grinnekende en zich de handen wrijvende: „den Roerdomp voorbij te rijden zonder eens binnen ten zijn geweest! neen huisman! dat gaat niet. Het huis is wel mooi vol; doch met overleg komt men wijd; en wij zullen het wel zoo schikken, dat gij tevreden zijt.”

„Mijn nicht is wat vermoeid.” zeide de monnik, „en wenschte wel, terstond haar kamer te betrekken, en daar wat te gebruiken.”

„Zoo!” zeide de kasteleines, de onderlip vooruitstekende, en Madzy met een verwonderd gelaat aanziende: „is die deerne te grootsch om aan de gemeenen haard te zitten, waar ik knaptste vrouwlui uit den omtrek, ja zelfs deftige poortersvrouwen uit Utrecht en Gouda heb ontvangen: en waar nooit anders dan bescheiden volk wordt toegelaten; en denkt gij dat de herberg van Maaike Jaspersz een klooster of een bijenkorf is waar ieder zijn celletje heeft?”

„Ik voel mij wat ongesteld,” zei Madzy op een smeekenden toon.

De zachte en innemende stem der Friezin scheen eenigen indruk op het hart der waardin te maken: althans zij bracht haar gelaat in een vriendelijke plooi, en Madzy op den schouder kloppende: „wij zullen zien,” zeide zij: „maar waarschijnlijk; ik moet eens bedenken! – Truitje! is het achterkamertje al besproken?”

„Daar ligt de Leidsche koopman in lakens al sedert een half uur te ronken,” zeide de dienstmaagd, die zich weer bij hen gevoegd had: „de man wenschte morgen met den dag weer op reis te gaan.”

„Ja! morgen! als zij hem morgen maar laten doorreizen,” mompelde de waardin: „doch dat is hetzelfde: er zal geen kans zijn den man meer uit zijn bed te krijgen: – en is er nog een plaats in de groote kamer open?”

„Dat ’loof ik niet,” antwoordde Truitje: „laat zien: daar is de Ydeljaander met zijn kameraad in één bed, en die gast van straks in het andere, met dien kerel, die zulk een zwarten mantel om heeft, en oogen nog zwarter dan zijn mantel.”

„Dat is tot daar aan toe,” viel haar Maaike Jasperz in de rede: „een meid uit een ordentelijke herberg behoeft de jonge knapen niet in de oogen te kijken… laat zien: – de bedsteden zijn bezet; maar er zal nog wel een ledig hoekje zijn om een stroozak te leggen.”

„Wat beduidt al dat gehaspel?” vroeg vader Syard vertoornd: „gij wilt mijn nicht toch niet in uw groote kamer plaatsen? Ik heb voor haar een kamer alleen verzocht.”

„Recht zoo, huisman!” hernam de waardin: „maar gij zult zelf ook wel een plaatsje willen hebben?”

„Ik ben met een weinig stroo in de schuur tevreden,” zeide de monnik: „mits mijn nicht slechts wel bezorgd zij.”

„Ja! ik zal haar mijn eigen bed dienen te geven: – maar een goed akkoord bederft geen krediet: en mijn dunkt, dat een kleine schadeloosstelling boven den gewone prijs…”

„Zoo het slechts daaraan hapert,” hernam de monnik, haar een paar stukken van achten in de hand stoppende: „hier is al wat voor de moeite, die wij u veroorzaken: maar haast u! en laat ons het verblijf zien, dat gij aan mijn nicht wilt geven.”

„Komaan, kind!” zeide de waardin, terwijl zij met de eene hand het geld opstak en met de andere Madzy voortstuwende: „zien zullen wij: en het zou mij verwonderen, indien gij niet tevreden waart.”

Madzy trok haar mantel nog dichter over haar gelaat en vergezelde nu met vader Syard haar geleidster naar binnen. Met een haastigen stap traden zij het voorhuis door, waar eenige menschen rondom het vuur bijeenzaten, gingen een paar smalle zijtrapjes op en bevonden zich weldra in een klein vertrekje onder het dak, hetgeen zich, wat de zindelijkheid betrof, vrij wel voordeed; maat dit was de eenigste verdienste. Behalve dat het er geweldig heet was, waren er geene andere meubelen te vinden dan een koffer ter berging van het linnengoed der waardin, en een stoel, waarop haar nachtgewaad lag. Vader Syard, vreezende dat Madzy dit verblijf vrij ongeschikt zoude voorkomen, wild bedenkingen opperen; maar Madzy verklaarde, dat zij er volkomen genoegen mede nam.

„Wel dat geloof ik,” zeide vrouw Jaspersz, terwijl zij haar boeltje bijeenpakte, en met een bezemstok de dekens instopte: „er hebben hier wel knapper lui in geslapen: zooals laatst de eigen zuster van Bartels, die vrouw is van den Overman van het Weversgilde te Leiden: en nooit heeft iemand ergens over geklaagd: – als over de muggen misschien: maar dien ontzien rijk noch arm: en als men den geheelen dag gereisd heeft, zooals gijlieden, naar ik aan uw paarden zien kan, dan slaapt men wel in, eer men de steken voelt. Maar wat zult ge nu gebruiken?”

Madzy antwoordde, dat zij zich maar dadelijk ter rust wenschte te begeven, en verzocht de waardin haar eenig vleesch en brood te brengen, dat zij op haar bed zou nuttigen.

„Dat zel je geworden,” zeide de waardin: „ik heb een kostelijke zijde spek hiernevens hangen: en daar zal ik je een snede van brengen, beter dan je ooit gegeten heb.”

„Waarlijk,” zeide de monnik, zoodra de waardin vertrokken was, „indien ik geweten had, dat hier zoo weinig gelegenheid ware, om behoorlijke huisvesting te erlangen, ik had u nimmer laten binnenkomen. Dat is voorwaar geen verblijf voor de erfdochter de Dekama’s!”

„Men moet zich op reis behelpen,” zeide Madzy met een vriendelijken lach: „en schoon deze peul vrij hard schijne en het hier onverdraaglijk warm zij, heeft alles echter een zindelijk voorkomen. Wat dunkt u? zou ik het venster durven openlaten? De nachten zijn niet koud en ik zal in mijn kleederen te bed gaan.”

Vader Syard zette het raampje open, en zag naar buiten. „Gij zijt, geloof ik,” zeide hij, „hier tegen alle onverhoedschen overval beveiligd.”

„Inderdaad, ik zie hier hoog en droog en zal niet licht een bezoek ontvangen, of het moest dat van een verdwaalde kat zijn!… maar zeg mij, Vader! wien zou het slot toebehooren, dat ik ginds boven het geboomte zie? ”

„Dat slot,” antwoordde de monnik, „wordt thans bewoond, door iemand, die ons van dienst kan wezen en een veilig geleide naar de plaats onzer bestemming bezorgen. Het is mijn voornemen, hem nog hedenavond te bezoeken; althans indien het u geene ongerustheid veroorzaakt, zoo ik mij gedurende een halfuur van dit huis verwijder.”

„Wat zou ik vreezen?” zeide Madzy: „en wie zou mij hier zoeken? – doch gij spreekt raadsels, goede Vader! wie kan die slotvoogd wezen, wiens bescherming ons van zoo grooten dienst zal zijn?”

„Ik heb u niet gezegd, dat het de slotvoogd ware, mijn dochter! de man, dien ik zoek, is thans slechts een tijdelijke bewoner van Nyenstein: wie hij is zal zich eenmaal, wellicht spoedig, ophelderen: tot nog verbiedt mij een heilige plicht zin naam te noemen;… ook hoor ik onze waardin reeds terugkomen: en ik acht mijn tegenwoordigheid hier verder onnut. Hebt gij nog eenige bevelen voor mij? anders beveel ik u der bescherming onzer Lieve Vrouwe aan, en wensch u wel te rusten.”

„Rust wel, eerwaarde vader!” zeide Madzy: „en ontvang mijn hartelijken dank voor uw trouwe zorgen.”

De monnik vertrok en liet de Jonkvrouw alleen met de waardin, welke haar het avondeten bracht. Madzy gevoelde wel eenigen trek om haar te vragen, wie de geheimzinnige bewoner ware van het slot, daar zij met den monnik over gesproken had: maar het gevoel van bescheidenheid, haar ingeschapen, weerhield die vraag op hare lippen. Zij begreep, dat de monnik goede redenen moest hebben, waarom hij haar het geheim niet mededeelde en achtte het daarom ongepast, een anderen weg in te slaan om daar achter te geraken. Ook zou zij weinig tijds gehad hebben om een vraag te doen, daar de waardin, wier nieuwsgierigheid was opgewekt geworden door het gunstig uiterlijk van Madzy, die haar mantel had afgedaan, en door de fijnheid van het linnen, dat onder hare boerinnenkleeding zichtbaar was, haar overlaadde met een vloed van vragen, waarop de Jonkvrouw slechts half verdacht was en die zij, het veinzen ongewoon, met moeite wist te beantwoorden. Wel had zijn reeds gezegd (gelijk zij dit met den monnik had afgesproken), dat zij uit Alkmaar was en met haar oom naar Utrecht reisde om aldaar een bloedverwant te gaan bezoeken; maar toen de waardin haar over eenige nadere bijzonderheden begon te ondervragen, geraakte zij al meer en meer in de war en wist zich eindelijk niet meer te redden dan door grooten vaak en vermoeidheid voor te wenden. Echter zou haar de belangstellende nieuwsgierigheid van vrouw Jaspersz nog geene rust hebben gelaten, zoo niet een rumoer, in het benedenhuis ontstaan, de aandacht van deze getrokken had.

„Ik moet eens zien wat daar gebeurt,” zeide zij; „ik geloof waarlijk dat zij weer aan ’t bekkesnijden zijn. Maar ik zal hun doen zien, wie of baas in mijn huis is, zij of ik. Gij neemt het mij niet kwalijk, hoop ik, dat ik u alleen laat. Wij waren zoo recht genoeglijk aan ’t keuvelen; maar de zaken gaan voor alles, en ik ben maar een arme weeuw alleen en moet nacht en dag in de weer zijn om te zorgen dat mij de kaas niet van het brood gehaald worde. Tot ziens dan. Goede nachtrust!”

En met deze woorden kloste zij de trap af en vond werkelijk bij het komen in het voorhuis, dat haar tegenwoordigheid aldaar noodzakelijk vereischt werd. De aanleiding van den ontstanen twist was de volgende:

De monnik had, toen hij de trap afdaalde met het oogmerk van zich naar het kasteel te begeven, het belang gevoeld om zich, voor hij het huis verliet, te vergewissen, welk slag van lieden hij in de herberg achterliet en of zijn reisgenoote ook iets van hen te vreezen had. Bovendien, schoon het vasten gewoon, had de voor hem ongewone beweging zijn eetlust aangewakkerd en verlangde hij naar eenige verversching. Hij verzocht dus bij zijn intrede in het voorhuis aan de dienstmaagd, hem een snede brood met een teug water te halen.

„Water!” klonk een stem van den haard: „laat dat aan de kikkers, huisman. Eilieve! kom mede in ’t gelag en wij zullen u van onzen drank schenken.”

De monnik wendde bij deze uitnoodiging het oog naar het aldaar vergaderd gezelschap. Onder een schouwe van uitgebreiden omvang, hoedanige er wellicht niet meer, dan in sommige afgelegen Geldersche of Overijselsche dorpen te vinden zijn, en waarin ettelijken stukken vleesch te rooken hingen boven het altijd brandend turvenvuur, zaten eenige lieden op lage houten bankjes in een halven kring om een tafeltje. Dicht aan den wand bevond zich de man, die tegen den monnik gesproken had, en wiens kleeding een wapenknecht aanduidde, terwijl zijn roode neus en de kan, welke hij op de eene knie vasthield, hem als een vlijtigen aanbidder van den wijngod deden kennen. Wat de uitdrukking van zijn gelaat betrof, zij was die van iemand, die steeds genegen schijnt, ieders woorden kwalijk op te nemen: en schoon zijn voorstel aan vader Syard op zich zelf verplichtend was, de norsche en onaangename toon, waarop het gedaan werd, nam er alle verdiensten van weg en gaf zooveel te kennen, als dat de man, tot wien het gericht was, er zich ten hoogste mede vereerd moest achten en dat een weigering kwalijk zou worden opgenomen.

Naast dezen persoon waren twee lieden gezeten, kermisgasten van beroep, althans voor zooverre men dit kon afleiden uit hun vreemde spraak en kleedij, uit hun verbrand gelaat en uit de kast, welke nevens hen stond, en waarop een dier lag te slapen, welk soort de schaduw, welke de tafel daarover wierp, belette te onderscheiden. Drie dorpelingen, vaste klanten van de herberg, maakten met de bovengenoemden het gezelschap uit; want men kon bezwaarlijk een zevende mederekenen, die, afgezonderd van de overigen, op een bank tegen den muur lag en geheel bedolven scheen onder een grooten zwarten muur lag en geheel bedolven scheen onder een grooten zwarten mantel.

„Ik dank u, goede vriend!” zeide de monnik tot den wapenknecht: „uw voorstel is hupsch; maar ik mag het niet aannemen.”

„Hoe nu!” zeide de man met het zwaard op een hoogen toon: „zijt gij een kerel? gij komt nog wel op een goed paard aanrijden, en zoudt vrekkig genoeg zijn om een dronk te weigeren? – Ik zou bijna denken, dat gij al uw munt te Haarlem verslempt, en geen onnoozel kopstuk meer overgehouden hebt, om eens met eerlijke lui te klinken.”

„Ieder weet best wat vertering hem lijkt,” zeide de monnik: „mits slechts de waardin niet klage over kwalijke betaling; bovendien, goed vriend, kan ik om een andere reden uw voorslag niet aannemen; ik heb nog een boodschap in het dorp te verrichten, en moet haast maken. ” Dit gezegd hebbende, zette hij zich op eenigen afstand aan een klein tafeltje.

„Bij mijn zolen!” zeide een der dorpelingen: „gij zult  niemand in ’t dorp meer op vinden dan ons drieën: het is al bijkans halfacht, en ieder gaat hier met de kippen op stok, uitgenomen wij, die hier alle avonden klokke zeven uren post vatten, om een Christenplicht te verrichten.”

„Een Christenplicht!” herhaalde de wapenknecht: „ik ben waarlijk benieuwd te weten, hoe gij dat uitlegt?”

„Wel!” hernam de vorige spreker: „is vrouw Jaspersz niet een weduwvrouw, en zeit de pastoor ons niet alle Zondagen, dat wij de weduwen en weezen hebben voor te staan? Mijn dunkt, ik kan niet vromer handelen, dan dat ik een goede vertering bij haar maak.”

„Dat gij hier vertering maakt is zeker, Melisbuur!” zeide een der andere dorpelingen: „maar of vrouw Jaspersz er veel zijde bij spint, daaraan zoude ik haast twijfelen: – hoe dikwijls in ’t jaar hoort zij den klank van je geld?”

„Eilieve! wij zullen elkaar wel eenmaal met gesloten beurzen betalen,” zeide Melis, lachende, „want ik denk haar met Kerstmis te trouwen en dat zal de rekening effen maken: – maar dat tot daar aan toe: die nieuwe gast moet er zoo niet afkomen – zeg een paai! wien duivel zoekt gij zoo laat op het dorp?”

„Ik zoek iemand, die mij geen nuttelooze vragen zal lastig vallen,” antwoordde de monnik, droogweg.

„Dien kunt gij in uw tasch steken, Melisbuur!” zeide een der andere landlieden, lachende.

„Ik geloof, dat de vlegel lust heeft, met mij aan ’t snijen te komen,” zeide Melis, de hand aan het heft van zijn zakmes slaande.

„Foei Melis! een oud man!” hernam degene, die zooeven gesproken had, terwijl hij hem tegenhield.

„Indien hij oud is,” zeide Melis, „moest hij op zijn woorden hebben leeren passen en geen onbeschofte taal voeren, wanneer men hem in ’t ordentelijke een vraag doet.”

„Had hij maar school gegaan bij mijn aap,” merkte een der kermisgasten aan, in wien mijn lezers aan dit gezegde den hansworst van Barbanera zullen herkend hebben: „meester Cezar, dat vrome beest, geeft nooit anders dan bescheidene antwoorden.”

Deze geestige zet werd door al de aanwezigen met een luid gelach ontvangen. Vader Syard, zijn eenvoudig maal uit de handen der dienstmaagd aannemende, vergenoegde zich met te zeggen:

„Indien gij, mijn zoon! in de plaats van met ongure dieren, met vrome lieden verkeerd hadt, zoudt ge althans de lessen der beleefdheid jegens vreemdelingen beter hebben leeren in acht nemen.”

„Hij spreekt bylo of hij een pater ware,” zeide Daamke, wiens vroolijkheid verdubbelde. Barbanera, die naast hem zat, zag op dit oogenblik den monnik in ’t gezicht, die hem echter niet herkende, daar zij elkander slechts eenmaal aan het ziekbed van Elske gezien hadden, en de kwakzalver thans den wassen neus niet ophad, die hem anders vermomde.

„Een pater!” herhaalde de wapenknecht met een schuinschen blik op den monnik: „hij is dan waarschijnlijk uit het Karthuizer convent te Arnhem, waar de monniken, zooals men weet, nooit uitgaan den met een mooi Mariëndaalsch zusje.”

„Of het een mooi zusje was, is nog de vraag,” zeide de hansworst: „want zij was zoo dichtgestopt als een metworst, toen zij ons voorbijstoof.”

„Niet zoo ingestopt,” zeide de wapenknecht, „of ik heb een voetje gezien, dat ik in mijn vuist had kunnen sluiten, en een blank malsch handje, dat de kruik vasthield. Zeg eens, huisman! is ’t je dochter, of je vrouw! want ik wil je wel van je reisgenoot ontslaan, zoo je haar voor een slok verkopen wilt.”

„Dat ware met recht een kat in den zak koopen,” zeide Daamke.

„Nu, wij konden haar wel eens bekijken gaan,” hernam de wapenknecht, opstaande: „zij zit zeker bij moeder Treuzel in de keuken.”

„Ja! laat zien of wij haar kennen,” zeide Melis, zijn voorbeeld volgende.

„Een oogenblik, goede vrienden!” zeide vader Syard, zich voor de deur stellende, met zulk een vastberadene houding, dat de beide gasten een poos besluiteloos stonden: „ik ben een man van jaren en ongewoon om met rauwe gasten als gij zijt te vechten; maar ik zou nog kracht genoeg hervinden om den eerste, die zich verstoutte aan den wervel van deze deur te raken, zijn vermetelheid duur betaald te zetten.”

Onder het uiten dezer woorden sloeg hij de dorre hand aan den degen, die aan zijn zijde hing.

Melis trad een stap terug; schoon eenigzins door den drank verhit, was hij niet beschonken genoeg of hij besefte, dat een aanval op den vreemdeling in dit geval meer dan een gewoon messengevecht zoude wezen en hem strafbaar maken voor het gerecht. De wapenknecht echter, meer oploopend en stout, trok zijn zijdgeweer half uit en wilde op den monnik aandringen, toen het gewaad van dezen zijne opmerkzaamheid wekte: „wat duivel!” riep hij, plotseling stilstaande: „hoe komt gij aan dat pak? – Dat zijn mijne kleeren… mijne laarzen… mijn tasch!”

Deze opmerking, in stede van den monnik van zijn stuk te brengen, gaf aan het schrander oordeel van vader Syard integendeel een wapen in de hand, waarvan  hij met wakkerheid bediende. – „Uw naam is Walger!” zeide hij.

Inderdaad, het was Walger, die, na zijn vrouw, gelijk wij vroeger verhaalden, te hebben mishandeld, zijn hut had verlaten in den waan dat zij dood was. Den avond van dien dag teruggekomen zijnde, om zich van de gegrondheid zijner vrees te verzekeren, had hij door het venster naar binnen gezien, en Madzy, den monnik en de beide Italiaansche Ridders bemerkt bij de legerstede, waarop zijn vrouw, dood zoo hij meende, lag uitgestrekt. Vervuld van schrik had hij geene uitkomst geweten als in de vlucht, en ten einde spoediger weg te komen, had hij de paarden der Ridders losgemaakt, en een daarvan bestijgende, was hij met de twee naar Leiden gedraafd, waar hij ze een paar dagen later aan den Ridder van den Rooden Arend verkocht had, die, van hem vernemende dat hij dienst zocht bij de Stichtschen, hem met een aanbeveling aan Jonker Robbert van Arkel naar Utrecht had gezonden, waar hij aangenomen en met een wederkeerige boodschap naar Plaswijk was gestuurd.

„Moordenaar!” vervolgde de monnik, op een bestraffenden, doordringenden toon: „wat hebt gij met uwe vrouw gedaan? weet gij niet dat zoowel de wet des Heeren als die der menschen het doodslaan verbiedt? En in plaats dat gij in zak en asch uw misdaad beschreien, en door berouw en boete de genade Gods afbidden zoudt, vind ik u hier dartelend en wijn drinkende, als de menschen in de dagen Noachs deden, voor de zondvloed kwam en ze allen van de aarde wegnam. – Beef! wat het bloed zal bloed eischen en de wraak zal u vervolgen waar gij ook schuilen moogt.”

Walger trad onthutst en bedremmeld terug; en terwijl de overigen, die weinig of niets van des monniks toespraak begrepen hadden, hen beiden met bevreemding aanzagen, kwam de waardin juist op het gerucht af.

„Wat beduidt dit, vrienden?” zeide zij: „mijn herberg is een ordentelijk huis en ik wil hier geen rumoer hebben. Een eerlijke bekkesnijderij op Zon- en Feestdagen of met kermis, in goede eendracht, dat gaat er nog mede door; maar in de week en nog wel ’s avonds, verkies ik geen ruzie in huis.”

„Er is geen ruzie ter wereld, moeder Jaspersz!” zeide een der boeren: „daar is Melisbuur, die u ongetrouw wordt en eens effentjes een vriendelijk bezoek wil gaan afleggen bij de deerne, die hier t’ avond gekomen is.”

„En denkt gij, leelijke slungel,” vroeg de waardin, met de handen in de zijden naar Melis toestappende, „dat ik dat van u velen zou? Ga zitten man!” vervolgde zij, terwijl zij hem bij de schouders name en op zijn bank neerkwakte: „en drink je zoopje; maar wee je gebeente, zoo je verder dan het voorhuis je pooten durft te zetten.”

„De droes!” zeide de hansworst: „vriend Melis! zo gij u ooit bekeeren wilt, doe dan als je daar zeidet: neem moeder Jaspersz tot vrouw en zij zal u spoedig zoo tam maken als een lammetje.”

„Hij mij tot zijn vrouw nemen!” riep de waardin: „Maaike Jaspersz laat zich niet zoo nemen: ik zou nog liever, dan dat ik zoo’n apenbakkes in mijn slaapkamer zag en mij zuur verdiend penningske door zijn keelgat wandelen. Hij moest maar liever eens denken, hoe hij bij mij in ’t krijt staat, en wachten tot hij mij betalen kan, eer hij zooveel praats had, Maar ik alsnog: die buiten het voorhuis komt, neem ik bij de lurven en gooi hem de deur uit.”

Hoewel de wakkerheid der waardin en het gezag, dat zij over haar gasten scheen uit te oefenen, vader Syard eenigszins geruststelden, begreep deze echter niet heen te moeten gaan zonder alvorens nog eenig gewicht aan haar vermaning bij te zetten: „luistert vrienden!” zeide hij: „ik ga naar het slot, en zoo iemand in mijne afwezigheid zich verstout mijn nicht te beleedigen, beloof ik hem morgen een plaats in de kelders van het kasteel.” – Dit gezegd hebbende, begaf hij zich het huis uit.

„Ik lach wat met zijn dreigen,” zeide Walger, zijn onbeschaamdheid terugvindende, zoodra hij den scherpen blik des monniks niet meer te vreezen had: „de slotvoogd zal zich wel wachten mij een vinger aan te raken. Ik heb op het kasteel althans zoveel invloed als die oude gek.”

„Vertrouw daar niet te veel op, vriendje,” zeide de hansworst: „het zou mij niet verwonderen, indien die grijskop langer dan gij kennis had met degene, die op dat slot huisvest.”

„En wie huisvest er dan op?” vroeg Melis: „behalve de oude Peter en een aantal uilen en kraaien!”

„Zeg daar maar niets van,” zeide een der andere boeren: „ik heb er niet later dan gisteravond een Ridder zien binnenrijden in volle wapenrusting met een helm op ’t hoofd en op een fraaie zwarten hengst gezeten.”

Hier lichtte de reiziger die op de bank lag, en die zich het vorige tooneel volstrekt niet had aangetrokken, even het hoofd op; doch hernam terstond weer zijn onverschillige houding.

„Wie weet dan beter dan ik,” zeide Walger, „die hem het paard verkocht heb waar hij op zat? een echten Antilliaan, dat beloof ik u.”

„Is het sedert niet lang, dat gij kaartverkoper geworden zijt?” vroeg Daamke: „voor weinige dagen stond gij nog in den Hout naar onze kunstverrichtingen te kijken, met het wapen van Holland op uw jachtbuis.”

„Heugt u dat!” zeide Walger: „welnu, wat steekt daarin? ik heb een ander beroep bij de hand genomen.”

„Gij neemt andere dingen ook,” zeide de hansworst: „want gij hebt bij uw vertrek twee paarden meegepakt”

„Wie durft dat zeggen,” riep Walger, met drift opstaande en de hand aan het geweer slaande.

„Dat durf ik zeggen,” hernam Daamke: „ik, die er bijna klappen om gehad heb.”

„Goede hemel!” riep de waardin uit, terwijl zij haar handen naar boven hief: „een paardendief in mijn huis.”

„Zottin, geen dief!” zeide Walger, terwijl hij wrevelig weder plaats nam: „maar, dewijl het toch morgen, naar men zegt, oorlog wordt tusschen Holland en het Sticht, moest al wat onder het Bisdom behoort mij danken, zoo ik twee paarden op de Hollanders heb prijsgemaakt en aan den Bisschop de aanwinst bezorgde van een knappen kerel als ik ben.”

„’t Is dan zeker ook om afbreuk te doen aan de Hollanders,” vervolgde Daamke, „dat gij uw Hollandsche vrouw half doodgeslagen hebt?”

„Lieve Maagd!” herhaalde de waardin: „een die en een wijvesmijter! kameraad! je zoekt maar een andere herberg op dan de mijne.”

„Hoe nu!” zeide Walger, „heeft de oude Peter mij niet zelf hier gebracht en u gezegd dat ik een Bisschopelijke wapenknecht was en dat gij mij zoudt herbergen?”

„Dat is waar,” antwoordde de waardin: „maar…”

„En zoudt gij denken,” vervolgde Walger, met meer en meer drift, „dat de slotvoogd of zelfs de Bisschop mij zoude vragen wat ik in Holland verricht had en mij niet gaarne absolutie geven voor het kwaad, dat ik er mocht hebben uitgevoerd? Komaan! tap nog een kan ouden wijn en laat er niet meer over gesproken worden.”

„’t Is wel!” zeide de waardin: „maar daar gij morgen wel eens in ’t hoofd zoudt kunnen krijgen om weer naar de Hollanders over te loopen, zal ik zorgen, dat ik bij uw vertrek de paarden tel, die op stal staan.”

„En wat u betreft,” vervolgde Walger, zich tot den hansworst wendende, zonder acht te geven op het gezegde der waardin, „zoo er nog een woord over het voorgevallene bij Haarlem uw lippen ontrolt, zweer ik u, dat ik u kennis met mijn zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak van den kraag af tot op de hoos toe de kleur van uw bloed doen aannemen.”

„Kom! kom!” zeide Daamke: „heb maar zooveel praats niet: die lange Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen, zooals hij in den Haarlemmerhout deed.”

„Schurk!” riep Walger: „wat let mij of…”

„Welnu,” zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: „begint gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en laat dat eeuwige gekijf varen. ’t Is of gij heden allen van den Booze bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man, die op de bank ligt te slapen.”

„Slapen!” zeide Walger: „ja, zoo gij ’t maar gelooven wilt. Wij hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie weet, misschien is hij wel een spion van den Graaf, gezonden om ons te verderven.”

„Licht mogelijk,” zeide Melis, „mij dunkt, hij deed beter van naar zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten.”

„Wij konden hem wel eens even wakker schudden,” zeide Walger.

„Gij zult den man stil laten liggen,” zeide de waardin: „hij heeft zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet, waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als gij om rustig te drinken.”

„Nu! maar eventjes,” hernam Walger: „ik zal den man geen kwaad doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hij ook trek krijgt om mede te doen.” En zijn kroes volschenkende, zwaaide hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus; maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende, die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van Reinout van Verona

„Onbeschaamde dief!” zeide hij: „kunt gij dan niemand met rust laten.”

De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat hij zwichtte voor het zedelijk overwicht, hetwelk iemand van hoogeren rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter weldra, vooral toen hij bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen droeg dan een dolk.

„Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!” riep hij: „ziet daar, zooals ik zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf Willem, wiens vangst meer genoegen aan het Kapittel zal doen dan de inneming van een kasteel.”

„Indien het zoo is,” zeide Melis, met de andere boeren toetredende, „dan ware het zeker wel de moeite waardig?…”

„Lompe kinkels!” zeide Reinout, de armen kruisende en in een onbeweeglijke houding blijvende staan: „is dan de oorlog reeds verklaard, dat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat u betreft, schurk!” (zich tot Walger wendende) „gij bezorgt mij het paard terug, dat gij mij volgens uwe eigene betekenis ontstolen hebt.”

Walger stond eenigzins versuft, te meer, daar hij aan de weifelende houding der boeren bespeurende, dat er weinig staat was te maken op hun bijstand, en dat zij nog nuchter genoeg waren om te begrijpen, dat een beleediging, eenen gunsteling des Graven, eenen Edelman aangedaan, in allen gevalle hachelijke gevolgen voor hen zou kunnen hebben.

„Welnu!” herhaalde Reinout, met een donderende stem „mijn paard! hebt gij mij niet verstaan?”

„Bij Sint-Maarten!” zeide eindelijk Walger, op den koppigen toon van iemand, die zijn besluit genomen heeft en op al de kansen is voorbereid, „indien gij uw paard wilt hebben, zoek het dan, waar het te vinden is.”

„Ik geloof,” zeide Daamke, die dit gansche tooneel met een vrolijk meesmuilen had aangezien, „dat hij uw paard en dat van uw vriend in den buidel draagt, die aan zijn gordel vast is: – althans voor zooverre de lieve beestjes zijn keelgat niet reeds zijn doorgereden.”

„Beken!” zeide Reinout: „aan wien hebt gij mijn paarden verkocht?”

„Dat laat zich raden,” zeide de nar: „aan dien Ridder met den rooden arend, die gisteren op het slot gekomen is.”

„Welnu! volg mij dan naar het slot.” zeide Reinout met drift tegen Walger.

Perdonatemi!” zeide Barbanera, opstaande en hem terughoudende: „zoudt gij den morgen niet afwachten?” voegde hij er bij in de Italiaansche taal: „ik stel mij borg, dat de Ridder op het slot u de paarden zal teruggeven, en dat wel zonder zwarigheid te maken; – maar, zoo gij mij gelooft, zullen wij hem in zijn rust niet storen.”

„Het is wel, Paolo,” zeide Reinout: „maar intusschen hebben wij elkander nog veel te zeggen, en deze kerel moet ons niet ontsnappen.”

„Wilt gij mij gevangenhouden?” vroeg Walger, die, hoewel het gezegde des Ridders, dat in ’t Italiaansch gehouden was, niet verstaande, genoeg aan zijn gebaren begreep wat hij zeggen wilde, en meteen haalde hij zijn zwaard half uit.

„Hoe nu! weer vechten?” riep de waardin: „wij zullen vechterijen genoeg hebben als de oorlog uitberst. Hou u gemak, of ik zet u de deur uit, zoowaar ik Maaike Jaspersz heet.”

„Hij zou niets liever verlangen,” zeide Daamke, lachende, „hij heeft evenwel trek om te blijven als een verzadigde muis, die in de val zit.”

„Welnu! waarom gaat hij dan niet?” vroeg de waardin: „ik heb al last genoeg van dien oproermaker en zal blij zijn zoo ik van hem ontslagen raak.”

„Ik zal gaan of ik zal blijven, juist zooals ’t mij goeddunkt,” zeide Walger, zijn beker ledigende en met een koppige houding weer plaats nemende: „wat het paard van dien Ridder betreft, ik heb het niet gestolen, maar in ’t bosch opgevangen: en daar het op den stal van ’t kasteel staat, kan hij het ieder oogenblik van den dag terugvinden. Zoo ik reden had van uit Holland te vluchten, hij zal ze ook wel gehad hebben en misschien erger dan ik.”

Reinout zweeg en sidderde: de woorden van Walger hadden een dieper uitwerking gedaan dan deze zelf vermoeden kon.

„Komt!” zeide een der boeren: „laat ons een einde aan al dat gehaspel maken. Het wordt laat: nog één kroes en daarmede afgedaan.”

„Wel gezegd,” zeide Daamke: „het is altijd betamelijk te ruste te gaan, wanneer de kan ledig is.”

Allen dronken hierop, behalve Reinout, die met groote stappen het vertrek op en neder wandelde. Zoodra de drank op was, trokken de dorpelingen af en begaven zich de gasten naar hun slaapverblijf. Walger wierp zich zonder een woord te spreken op zijn legerstede, alwaar weldra een zwaar gesnork aanduidde dat hij in diepe rust was: de hansworst volgde zijn voorbeeld en Barbanera maakte zich gereed hetzelfde te doen, toen Reinout hem weerhield.

„Gij zijt mij nog het einde van uw verhaal schuldig,” zeide hij in ’t Italiaansch.

„Wat zal ik u zeggen?” zeide de kwakzalver, de schouders ophalende en Reinout met een blik aanziende, die zooveel zeide als: „gij zult thans minder dan ooit in staat zijn, mijn ontdekkingen goed te beloonen,” – „ik heb u niet veel meer te verhalen; want het zal hoe langer hoe meer onzeker zijn, of gij, dan wel uw vriend Deodaat de echte zoon van Bianca is.”

„Mijn vriend Deodaat slaapt om niet weer op te staan,” antwoordde Reinout met een somberen blik: „welke rechten hij moge gehad hebben, zij zijn in de mijne versmolten. Er is geen keuze meer tusschen hem en mij.”

„Met dat al,” zeide de kokeler

„Hier Paolo!” zeide Reinout, hem naar zich toe trekkende: „ik vermaan u, niet langer met mij te spotten. Bij God! ik heb gedaan wat ik onmogelijk had gedacht: ik heb mijn besten vriend, mijn wapenbroeder een dolk door het hart gejaagd. Gelooft gij dat ik, na zulk een daad, voor den moord van een ellendeling als gij nog zou terugdeinzen? Neen, bij de Almacht! Gij zult mij alles mededeelen wat gij weet: en wel terstond. Rijkdom en eer, de helft van mijn vermogen wachten u zoo gij spreekt; – uw dood is zeker, zoo gij langer aarzelt!”

Paolo bedacht zich een oogenblik. Eindelijk, ziende dat het Reinout ernst was, en indachtig, dat zijn plannen, om zich te verrijken, toch zonder eenige vrucht zouden blijven indien hij niet sprak, gaf hem te kennen, dat hij alles verhalen zou wat hij wist. Voor wij echter aan onze lezers den uitslag van hun onderhoud mededeelen, voegt het ons te zien  wat vader Syard wedervoer bij zijn avondbezoek op het kasteel.


[Hoofdstuk 18] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 20]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.