MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Wie op beloften steunt of die van waarde schat,
Bedriegt zich zelf en maakt dat andren hem beschimpen:
Indien men laken koopt, het krimpt gemeenlijk wat:
Maar ’t geen ons wordt beloofd zal doorgaans alles krimpen.

De Regt.

Het was niet zonder meermalen het gelaat naar de herberg om te wenden, dat de monnik het plein was overgestoken en zijn weg voortzette, verdeeld tusschen de ongerustheid, welke de onbeschaamde ruwheid der gasten bij hem achterliet, en de bekommering, waarin hem de onzekerheid bracht over den uitslag van zijn voorgenomen bezoek. Toen hij echter een hoek was omgeslagen en de herberg uit het gezicht verloren had, verhaastte hij zijn tred en verbande, zooveel in zijn vermogen was, alle andere gedachten, om slechts aan het toekomstig lot van zijn dierbaar vaderland te denken.

De laan, welke hij nu volgde en die recht op den ingang van het slot aanliep, was aan de eene zijde beplant met een rij schrale berken, wier witte bladeren door den westenwind aangeraakt, in gestadige, ritselende beweging waren. Aan de andere zijde was een sloot, wier groene zoom met heestergewassen begroeid was, en over wier effen water talrijke zwaluwen heen en weder vlogen. Aan het einde van deze lange en eentonige laan gekomen, vond zich de wandelaar aangenaam verrast, daar hij eensklaps een ruime vlakte ontdekte, die een uitgestrekt en in vele opzichten schilderachtig uitzicht opleverde. Tusschen rijke graanvelden en groene weilanden kronkelde een kleine rivier. Haar oever was hier en daar door bevallige bosschages bezet, wier welig groen de laatste stralen der ondergaande zon met liefelijke tinten kleurden. In ’t verschiet zag men de torens van een paar rijke en welvarende dorpen, en verder nog, over de vlakte, den halfvolbouwden kegel van de Utrechtsche Domkerk, die, sedert voltooid, na zoovele eeuwen, als tot een baak en wegwijzer aan de omliggende landstreken verstrekt. De rivier, waarvan wij gesproken hebben, besproeide in eene van hare veelvuldige bochten een onbebouwd, eenigszins rijzend stuk gronds, hetwelk, door een breede rijkelijk met kroos bedekte gracht omgeven, met de laan, waaruit de monnik kwam, gemeenschap had door middel van een brug, uit losse planken samengesteld, die bij het minste gevaar voor overal konden worden weggenomen. De brug overgaande, kwam men langs een pad, met keisteenen bevloerd, tot den ringmuur van het slot, waarom een tweede gracht gegraven was, wel niet diep, doch ondoorwaadbaar door de modder, waarmede zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door een dubbel rasterwerk, hetgeen  wel gedeeltelijk verrot of vervallen, maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje, slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten, leidde tot een ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals de brug gedekt door twee torentjes, op den buitenmuur geplaatst. Een smalle ronde gang aan ’t eind der brug bracht in het slot zelf, ’t geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop, waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien; en zonder andere versterkingen, dan de zoodanige, welke de dikte der muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd, toen dergelijke gebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af tegen het vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was, dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar op een bloembed doet.

De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt niet of vader Syard zich met dusdanige vergelijkingen bezighield, toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe ’t zij, hij trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest echter dit sein tweemalen herhalen eer hij gehoor kreeg: althans eer een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in den toren vertoonde, hem bewees, dat zijn verzoek om binnengelaten te worden verstaan was.

Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg, over zijn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de ophaalbrug staan.

„Wien zoekt gij? en wat wilt gij zo laat?” riep hij, zijn hoofd achter op de klep van de brug stekende, den monnik toe.

„Goede vriend!” zeide deze: „laat uw brug neer, ik moet uw Heer spreken en heb geen tijd te verliezen.”

„Gij zijt oud genoeg,” zeide de wachter, „om te weten, dat ik geen Heer heb dan onzen Bisschop, en dat die in ’t Zuiden van Frankrijk woont.”

„Om ’t even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist.”

„Die is weer vertrokken,” riep de portier, zijn hoofd terugtrekkende, „en zoo, God zegene u.”

„Hij had mij toch gezegd,” zeide de monnik, met drift, „dat hij mij nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam.”

De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden.

„Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen,” zeide de portier, „zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat niets ter zake doet. Ga binnen en wacht op mij. Zoodra ik de brug weder heb opgehaald, zal ik mijn Heer gaan waarschuwen.”

Vader Syard liep een kromme gang ten einde en vertoefde een wijl op een klein binnenpleintje, terwijl de man, die hem ingelaten had, na alles weer behoorlijk gesloten te hebben, een smaal wenteltrapje opklom, dat naar de bovenvertrekken geleidde. Spoedig kwam hij terug en verzocht den monnik met hem te gaan. Deze volgde zijn geleider, die hem een paar verdiepingen hooger bracht, tot zij aan een zware eikenhouten deur kwamen, waar zij aanklopten. Een stem van binnen gaf verlof om in te komen: de portier ontsloot de deur en ging vervolgens dadelijk weer naar beneden.

Vader Syard trad het vertrek in, hetwelk achtkantig en vrij ruim was, naardien het een gansche verdieping des torens uitmaakte, en dus den geheelen omvang bevatte, welken de binnenmuren overlieten, uitgenomen vier hoeken, waarvan er drie tot kabinetjes dienden en het vierde de trap verborg. Uit de nauwe venstergaten had men een ruim uitzicht op den omtrek; doch de opening liet bijna geen licht meer in, dan noodzakelijk bleek te zijn. De wanden waren naakt en met spinrag bedekt: ruwe figuren, met krijt en houtskool op den muur geteekend, en waarmede men, zoo het scheen, de gedaanten van krijgsknechten had zoeken na te bootsen, duidden aan, dat hier meermalen gewapenden hun nachtwaken met dergelijken uitspanningen hadden vervroolijkt. Meubelen waren volstrekt nergens te zien: en een open koffer, met onderscheidene voorwerpen gevuld, kondigde alleen de nabijheid aan van menschen. Vader Syard wendde dan ook terstond het oog naar de eenige plaats, welke bewoond scheen, gelijk de lichtstraal aanduidde, welke uit de halfgeopende deur van een der kabinetjes op den vloer scheen. Hij trad derwaarts en zag nu in dezen afgezonderden hoek een tafel met papieren, waaraan de man zat, in wien hij terstond dengene herkende, wien hij zoeken kwam.

Deze droeg echter thans noch het gewaad van Barbanera, gelijk in het schuurtje bij den Hout, noch de wapenrusting eens ridders, als op het Zand te Haarlem, noch de kleeding zonder naam, als in de cel des monniks, maar een ruimen en gemakkelijken tabberd, die hem los om ’t lijf hing, en hier en daar geopend, het eenvoudig huisgewaad eens edelmans vertoonde. Voor hem stond een beker met zuiver water, en een stuk brood met sterkers, waarmede hij zijn avondmaaltijd scheen te zullen doen. Hij sloeg een onverschillig oog op den monnik, toen deze voor den ingang van het kabinetje stand hield: en wendde terstond, zonder hem te herkennen, zijn blikken weer op het blad, dat voor hem lag, om den begonnen volzin te eindigen. Hierop vroeg hij, zonder op te zien:

„Van wien komt gij, huisman?”

„Ik kom uit mijn eigen naam,” antwoordde de monnik.

„Bij Sint-Maarten!” zeide de andere: „ik ken die stem: maar wat duivel! ik ken dat gelaat ook. Welke vreemde gebeurtenis voert u hier, Vader! en hult den vromen monnik in het gewaad van een boschwachter?”

„Ik heb vreemder vermommingen gezien dan deze,” zeide vader Syard, op een stekeligen toon: „en had niet verwacht, dat gij mij het vreemde van mijn gewaad zoudt verwijten.”

„Gaat zitten, Vader!” zeide de Stichtenaar, hem een zetel aanwijzende: „en zeg mij eens, hoe en waarom gij u hier bevindt.”

„De oogenblikken zijn te kostbaar en mijn tijd is beperkt om dien met beuzelen door te brengen,” zeide vader Syard: „ik breng u gewichtig nieuws.”

„Dat de Graaf naar ’s-Gravenhage is en heden of morgen de stad Utrecht ontzegt, ik wist dit reeds. – Of is er meer?”

„En dat de Friesche gezanten heden verlof gekregen hebben met slecht bescheid

„Waarlijk! ziedaar inderdaad een nieuws, dat goud waardig is. En wat zal men in Friesland doen?”

„Waarschijnlijk zich wapenen en gereed zijn, als de Graaf ons aanvalt.”

„Ik had mij gevleid, dat zij van hunnen kant den aanval zouden beginnen en onze Stichtenaren met de wapenen ondersteunen. De Jonker van Adeelen scheen daartoe niet ongenegen.”

„Naar ik de Friezen ken, zullen zij zich ongaarne mengen in een twist, die hun niet aangaat; doch met onbezweken moed den vreemden krijgsman van hun erf afweren.”

„Het ware toch hun belang, zich met Utrecht te vereenigen, eer de Hollanders ons een voor een en alzoo met beter kans beoorlogen; – of moeten wij doen wij doen als de kat, en de kastanjes voor u uit het vuur halen?”

„Wij zullen, volgens onze overeenkomst, vaardig zijn om onzen grond te verdedigen! maar ik twijfel of gij éénen Fries zult vinden, die geneigd is voor eene hem vreemde zaak te strijden: en dit was ook onze bedoeling niet.”

„En waarom niet? Ik ken den invloed, welken uw Abten in Friesland bezitten, en ik ken evenzeer den invloed, dien broeder Syard op de Abten heeft. Onze afspraak was immers dat gij hen zoudt overreden, zich voortaan geheel en uitsluitend aan den Utrechtsen stoel te onderwerpen; welk beter bewijs van die onderwerping kunnen zij geven, dan door een kruisvaart tegen de Hollanders te prediken, nu het Bisdom bedreigd wordt.”

„Versta mij wel,” zeide de monnik: „ik heb, ja, beloofd alles in ’t werk te stellen om de kloosters in Friesland meer afhankelijk dan tot nu van den Bisschop te maken; maar ik had daarmede alleen in ’t oog de geestelijke zaken, de tucht en orde in het kerkbestuur, welke te niet gaan, zoo geene vaste hand onze monniken in toom houdt: nooit is het bij mij opgekomen eenen Fries te willen dwingen om voor een vreemde zaak de wapens op te vatten. In het gesprek met Adeelen gevoerd, hebben wij een bondgenootschap bedoeld, een gelijktijdige oorlogsverklaring, waarbij het Bisdom ons zoude stijven; maar nooit was het onze meening, hulpbenden herwaarts te zenden. Herinner u onze afspraak: het oogenblik, dat het Sticht tegen Holland opstijgt, zal ook Friesland de wapenen aangrijpen om zijn erfgoed te verdedigen.”

„Met uw verlof,” hernam de Stichtenaar: „zeg niet dat gij op den avond, dat wij met Adeelen spraken, niet onderricht waart van de voornemens der Kapittels: gij wist dat er een uitbersting volgen moest: gij waart toen geneigd, mij van dienst te zijn: Adeelen was dit even zoo: ik zie niet, in welken opzichte de staat van zaken tusschen ons beiden veranderd is?”

„Wij hebben elkander verkeerd begrepen,” zeide de monnik, de schouders ophalende: „Adeelen haat den Graaf zooveel als gij kunt dien; maar hij zal het evenzeer als ik ongepast oordeelen, dat een Fries zich in deze omstandigheden buiten zijn land begeeft, om de Hollanders te bestrijden, en dat nog wel onder een vreemden aanvoerder.”

„Ik weet nog niet, aan wien Utrecht het beleid van den oorlog zal toevertrouwen,” zeide de Stichtenaar: „maar ik vlei mij, dat de veldheer, dien zij bekomen zullen, niet aarzelen zal, om aan de Friesche hulpbenden te vergunnen, onder hun eigen banier te strijden.”

„Hoe!” riep de monnik uit, met een verwondering, welke hij niet verbergen kon: „zult gij zelf dan niet het opperbestuur van den strijd aanvaarden?”

„Gij vergeet,” zeide de Stichtenaar, met een spotachtigen glimlach, „dat de Bisschop te Grenoble is, en dat alleen hij tot het opperbestuur gemachtigd is.”

„Is het dan tijd tot boerten?” riep de monnik op een bitteren en verwijtenden toon: „hoe! als Jan van Arkel, door het lossen der verpande sloten, door het afbetalen der schulden van het Bisdom, door het aanwerven van krijgsbenden, den toorn des Graven tegen het Sticht ontstoken heeft, zal hij dan achterblijven en zich schuilhouden in de ure des gevaars?”

„Broeder!” zeide de Stichtenaar, op wiens gelaat de taal des monniks een meer ernstige tint had teruggebracht: „de tijden zijn voorbij, toen een Bisschop van Utrecht, zonder andere wapenen dan een misboek en een kruis, en zonder ander gevolg dan eenige geestelijken in plechtgewaad, een zegevierenden Graaf op de bres kon staande houden, en hem en zijn geheele leger doen sidderen voor den vloek des banbliksems. Het zijn de ridderdegen en de veldheersstaf, die hij thans moet zwaaien, wil hij zijn gezag niet miskend en bespot zien.”

„Welnu! laat hij die dan zwaaien. Is dit niet juist wat ik bedoelde?”

„Hoe nu!” zeide de Stichtenaar met een fijnen glimlach, terwijl hij een zegepralende blik op den monnik sloeg: „is het een geestelijke, die mij dezen raad geeft? Ecclesia abhoret a sanguine.”

Vader Syard zag den spreker eenige oogenblikken met verbaasdheid aan, terwijl hij in diens beweegbare trekken zocht uit te vorschen, welke de geheime bedoeling zijner woorden kon zijn. Het kwam hem onbegrijpelijk voor, waarom de Bisschop, die door zijne daden, hoe verschoonbaar, ja hoe prijselijk in sommige opzichten, toch aanleiding tot den oorlog gegeven had, en die de noodzakelijkheid erkende van het zwaard aan te gorden, weigerachtig zou kunnen blijven om zich aan het hoofd der zijnen te plaatsen. Hij maakte eindelijk een aanmerking in ’t wilde, evenals iemand die, in de duisternis rondtastende, de hand uitstrekt zonder te weten wat hij vatten zal.

„Mag ik vragen,” zeide hij, „of het slechts een proef is, waarop gij mij zetten wilt? of sluiten uw woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid in?”

„Noch het eene noch het andere, goede Broeder! en ik zal geen mijner woorden terugnemen. Ik begrijp echter uwe verwondering: en ik geloof dat de groote hoop, die de innige drijfveeren onzer daden niet kent, als gij zoude oordeelen. Gij denkt, dat wraak alleen, of zucht naar meerder gezag in het hart van Jan van Arkel woont; – beiden bestaan bij hem; – wie zou het ontkennen? – maar slechts in een ondergeschikten zin.”

„Ik zie niet,” zeide de monnik, „welke andere redenen er kunnen aanwezig zijn…”

„Arme man! gij zelf, welk doel beoogt gij met uwe geheime woelingen? waarom hebt gij zelf zoo vurig verlangd naar een oorlog tusschen Friesland en den Graaf?”

„Omdat ik mijn vaderland liefheb: – omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen aldaar te doen ophouden, en ons van het juk van Holland te ontslaan.”

„Recht zoo! er kunnen dus edele drijfveeren bij iemand bestaan, al beoordeelt hem de menigte slechts naar den schijn. – Welaan! – Het ware reeds op zich zelf een grootsch denkbeeld, het Sticht onafhankelijk te maken van allen vreemden invloed; maar er ware nog meer te doen dan dit! – Er was een tijd, monnik! althans onze jaarboeken verhalen het, dat bisschop Arnold zijn heerschappij over al de omliggende landstreken voerde, dat Hertogen en Graven zich het een eere rekenden, dienstbare betrekkingen aan zijn hof te vervullen; die tijd moet en kan terugkomen: – maar zoo het Sticht zijn aloud overwicht herwint, het moet zulks niet te danken hebben aan de loutere eerzucht zijns Bisschops, om na den dood van dezen weer tot staat van onderdanigheid te geraken, om als een luchtverheveling slechts voor een korte stond aan den gezichtseinder der eeuwen te schitteren. Neen Broeder! dat overwicht moet duurzaam blijven; – maar daarom moet het ook een onmisbaar gevolg zijn van den loop der omstandigheden, en ontspruiten uit de noodzakelijkheid, die machtige heerscheres der wereld. – Ik weet het, indien ik mij thans aan het hoofd der mijnen stelde, en hen ten strijde riep, dat mijn naam in de eerste oogenblikken van opgewondenheid als een talisman zou werken; maar wanneer dat eerste vuur van geestdrift had uitgebrand, wat zou dan het gevolg wezen? Bij den minsten tegenspoed, door onze wapenen ondervonden, zoudt gij den jaloerschen naijver der Kapittels en bet-weterij van Vroedschappen en Overlieden de schuld daarvan op mij zien werpen: men zou tegen den Hollandschen Bisschop het wantrouwen, ja den haat der gemeente weten op te wekken: of zoo men al aan de oprechtheid van mijnen haat tegen het huis van Avennes geloof sloeg, het zou slechts zijn om mij te beschuldigen, dat ik het geluk van het Bisdom aan eigen heerschzucht had opgeofferd: – verdeeldheid zou weldra in onze vergadering en in ons leger heerschen, en Graaf Willem zou zonder moeite zegevieren over een gewest, door tweedracht verzwakt. – Neen! zoo ik het masker afwerp en mij aan de oogen mijner onderzaten vertoon, het zal slechts dan zijn, wanneer de oorlog een bepaalden, stelligen uitslag doet voorzien; wanneer de Stichtenaars de noodzakelijkheid zullen gevoelen van een opperhoofd: wanneer zij luidkeels om hun Bisschop roepen: dan zal ik onder hen verschijnen als de gezant uit den hoogen, die hen onder de banier van orde en wettigheid komt scharen: dan zal ik meester zijn, mijne voorwaarden voor te schrijven aan hen en aan die Kapittels en regenten, die de beste bedoelingen eens Bisschops verlammen zouden; en – gelijk ik hoop – tevens aan al wie hunne onafhankelijk belaagt.”

De monnik, nog weinig overtuigd, schudde het hoofd, en wierp een twijfelachtigen blik op den Bisschop, (want het wordt eindelijk tijd aan den tot nog toe onbekenden jongeling, den titel te geven, die hem toekomt): „gij vergeet,” zeide hij: „dat de Graaf het wakkerste krijgshoofd is van zijn tijd, en dat, zoo zijn wapenen Utrecht bemachtigen, uw ontwerp in duigen ligt.”

„Ook die kans is door mij voorzien; en het hangt slechts van den uitslag des oorlogs af, of ik als legerhoofd dan wel als middelaar zal optreden. In beide gevallen zal mijn komst gezegend worden, en het is slechts door aan mijn Stichtenaren te toonen, hoezeer ik hun onmisbaar ben, dat ik de ontwerpen, door mij gevormd, zal kunnen ten uitvoer leggen.”

„Het vertrouwen der Stichtenaren zal slechts een armhartige pleister op de wond zijn,” zeide vader Syard, „ingeval Graaf Willem overwint, en u erger voorwaarden oplegt dan die, waarop hij u tot Bisschop deed aanstellen.”

„Graaf Willem is thans machtig,” hernam de Bisschop: „maar geloof mij, zijn gezag heeft den hoogsten top bereikt en kan niet anders dan dalen. Hij heeft geen zoon: – komt hij te sterven, dan vervalt Holland aan den eersten, die moed en beleid genoeg heeft, het te winnen. Het Huis van Henegouwen zal met Willem den Vierden ophouden; maar de Bisschop van Utrecht is onsterfelijk.”

Vader Syard bleef een wijl in diep nadenken verzonken: hij was nog weinig gerust omtrent den uitslag van des Bisschops vooruitzichten; want hij beschouwde die als onzekere luchtkasteelen, door het jeugdig en opgewonden brein des jongelings ontworpen, en hij kon geene hooge staatkunde toeschrijven aan iemand, die, ja in vele opzichten blijken van volharding had gegeven, maar zich evenzeer gekenmerkt had door daden, welke in ’s monniks oogen een buitensporige loszinnigheid ademden. Bovendien was de monnik geheel uit het veld geslagen door de tijding, dat de Bisschop zich niet bekend wilde maken: – daarmede ging al zijn hoop te leur om de Friesche geestelijkheid eenparig te doen handelen, hetwelk hij had gedacht te kunnen bewerkstelligen, wanneer hij in naam en op het gezag des kerkvoogds, des erkenden vijanden van Willem den Vierden, tot haar sprak. Hij besloot dus nog eene poging te doen, om hem tot een openlijke handelwijze over te halen.

„Ik ben bezorgd,” zeide hij, „dat gij de kans om zulke schoone plannen ten uitvoer te brengen, reeds verspeeld hebt, en weldra gedwongen zijn zult het masker af te lichten.”

„En hoe dat?” vroeg de Bisschop met eenige bevreemding.

„Uw komst alhier zal niet langer een geheim meer zijn. Die Barbanera en zijn hansworst boezemen mij weinig vertrouwen in, en zullen spoedig, wat zij weten, voor een weinig gouds aan den Henegouwer verklappen.”

„De laatste weet niets: en wat den kokeler betreft, hij was een noodzakelijk werktuig; maar het heeft uitgediend en zal verbroken worden, eer het mij schaden kan.”

„Die Walger, dien ik in de herberg van ’t dorp heb gezien, weet ook meer dan noodig is…”

„Hij kent slechts den Ridder van den Rooden Adelaar, meer niets.”

„De bedienden van het slot en de dorpelingen, die u hier zagen komen…”

„Er is hier geen vaste bediende, dan de oude Peter, die u inliet: – en van dien heb ik geen verraad te vreezen. De dorpelingen weten niets meer dan mijn eigene knapen, die mij voor een vazal van ’t Bisdom aanzien. Zoo ik aan mijn broeder Robbert, die in mijn afwezendheid mijn zaakgelastigde was, hier had moeten schrijven, en door hem den gang der zaken besturen, en zoo een gelukkig toeval mij niet te Haarlem in broeder Syard mijn ouden leidsman door de Friesche kloosters had doen ontmoeten, zou mijn geheim slechts bij twee lieden berusten.”

„Maar zoo de Hollanders dit grensslot bestormen en u vangen?”

„Ook denk ik hier niet te blijven. Ik ga naar Utrecht en zal daar onbekend den loop der zaken afwachten.”

„Of wellicht,” zeide de monnik, de wenkbrauwen samentrekkende, „zal de Ridder van den Rooden Arend voor den Bisschop van Utrecht zijn leven wagen.”

De Bisschop glimlachte; en zonder deze aanmerking te beantwoorden, schoof hij zijn stoel naderbij: – „En nu, Pater!” zeide hij, „nu heb ik u al mijn vertrouwen geschonken. Gij kent mijn inzichten, wilt gij die bevorderlijk zijn? Wilt gij medewerken aan het groote doel, om als de landen, welke om de Zuiderzee liggen, aan het gezag des Bisdoms te onderwerpen?”

„Nog eens,” antwoordde de monnik, „aan het kerkelijk gezag ja; – geenszins aan het wereldlijk beheer.”

„Gij wilt dan zelfs mijn bondgenoot niet blijven? – Bedenk, dat ik u wederkeerig mijne hulp heb toegezegd, indien de Graaf u aanvalt.”

„Onze wenschen en gebeden zullen voor u zijn,” zeide de monnik: „verder vrees ik, dat gij weinig in Friesland verkrijgen zult, althans zooals gij bedoelt.”

„Denk nog dezen nacht over mijn voorstel na. Wellicht zijt gij morgen vroeg tot andere gedachten gekomen.”

„Morgen met den dag moet ik weder vertrekken,” zeide de monnik: „een der oogmerken mijner komst was vrijgeleide door het Sticht verzoeken voor mij en voor een reisgenoot, aan mijn opzicht toevertrouwd; doch dar gij niet bekend wilt zijn…”

„Ik zie u morgen weer,” zeide de Bisschop, op een koelen toon: en meteen van zijn zetel oprijzende, blies hij op een zilveren fluitje, dat hem om den hals hing, waarop weldra de oude Peter, dezelfde man, die den monnik had bovengebracht, zich aan den ingang der zaal vertoonde.

„Geleid dien man weer buiten,” zeide de Bisschop: „en laat alles verder wel gesloten blijven.”

Dit bevel geuit hebbende, groette hij den monnik met een minzame beweging der hand, en ging wederom zitten, terwijl vader Syard, na een stijve buiging, het vertrek verliet, en zijn geleider volgde, die hem buiten het kasteel voerde.

Het was in een weinig tevreden stemming, dat de monnik de terugreis deed. Het gesprek met den Bisschop had hem geene dier uitkomsten opgeleverd, waarmede hij zich gevleid had: in plaats van stellige hulp en bondgenootschap, had hij zelfs geene onvoorwaardelijke beloften ontvangen: en verre van den Bisschop naar zijne hand doen loopen, had hij moeten ondervinden, dat Jan van Arkel zich sterk of wijs genoeg waande om zijn eigen weg te gaan zonder zich veel om de Friezen te bekreunen, welke hij zelf tot afval genoopt had. De monnik zag nu duidelijk in, dat de Bisschop, hoe loszinnig en wispelturig ook, hem nog te fijn was geweest: en hij gevoelde denzelfden wrevel, welke een bekwaam en oplettenden schaakspeler zou bevangen, die zich overwonnen zag door een weer partij, welke slechts ternauwernood een oog op het spel geworpen en achteloos daarheen gespeeld had. Wij moeten intusschen aan vader Syard het recht doen wedervaren, dat, hoewel gekwetste eigenliefde het hare toebracht om hem in een kwade luim te brengen, zijn ontevredenheid echter nog een andere, meer edele oorzaak had. Hij had namelijk, steunende op des Bisschops vroegere toezegging, een verbond tusschen het Sticht en Friesland als een zekere zaak beschouwd, en daarom ook geoordeeld dat het oogenblik voor de Friezen gekomen was om het Grafelijke juk af te schudden: en hij zag met schrik de gevolgen in van een vredebreuk met Holland, indien de Bisschop niet verkoos gezamenlijk met hen en openlijk te handelen. Hij doorzag spoedig, dat, zoo de Graaf zijn wapenen eerst tegen het Sticht wendde, hem daarna het ten onder brengen van het door binnenlandsche partijen verdeelde Friesland te gemakkelijker vallen zou. Alleen troostte hem nog de hoop, dat de Bisschop, eerlang door de omstandigheden gedrongen het masker af te lichten, hem die volmacht zou schenken, welke hij noodig oordeelde om met gepaste klem in Friesland te kunnen spreken en aldaar dien invloed uit te oefenen, welken hij, tot herstel des vredes van binnen en tot afwering des vijands van buiten, begreep te moeten aanwenden.

Onder deze gepeinzen trad hij de herberg binnen. Het was reeds volkomen duister geworden: het voorhuis was ledig en verlaten, ’t geen hem te meer genoegen deed, dewijl hij daaruit opmaakte, dat zich de luidruchtige gasten ter ruste hadden begeven. Bovendien ontving hij van de dienstmaagd de geruststellende verzekering, dat Madzy boven in diepe sluimering lag, waarop hij zich verzekerd te hebben, dat de beide paarden goed verzorgd waren, strekte hij zich ter ruste neder op het stroo, dat hem in een hoek van den stal bereid was: maar de bekommernissen, welke zijn gemoed vervulden, lieten hem niet toe, vroeger dan tegen het aanbreken van den dag het oog te luiken.


[Hoofdstuk 19] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 21]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.