MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Het is een krijghsmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

„Deze vermomming zal u weinig baten, Heer Ridder! of wie gij wezen moogt,” zeide Reinout op een schamperen toon; „het gewaad van den kokeler belet mij niet, mijn bestrijder op het steekspel te herkennen.”

„Bij mijn zaligheid!” riep Arkel lachende, terwijl hij neus en baard afwierp; „gij zijt, geloof ik, de brave Ridder, die mij als een dief wilde laten vatten. Welaan! voor u althans zou ik mij schamen een vermomming aan te houden. – Misschien komt gij mij rekenschap vragen van mijn gedrag: en ik beken, dat ik wat onbeleefd van ’t paard gesmeten heb; maar, wat zal ik zeggen? gij drongt mij zoo nauw op ’t lijf: en ik had gewichtige redenen om onbekend te blijven.”

„De reden van mijn bezoek is tweevoudig,” zeide Reinout „in de eerste plaats kom ik mijn paard terugeischen.”

„Uw paard,” zeide Arkel, eenigzins donker kijkende: „bij Sint-Maarten! ik heb het hoogst noodig: en ik heb het eerlijk aan den man betaald: – maar verder! wat begeert gij nog?”

„Omstandigheden, wier verhaal hier te lang zoude ophouden, hebben mij genoodzaakt, den dienst des Graven te verlaten. Ik wil mij onder de banieren der Stichtschen scharen. – Men heeft mij gezegd, dat gij mij daarin zoudt kunnen van dienst zijn.”

„Ik! wie is de ekster, die dat geklapt heeft?” vroeg Arkel met eenige drift.

„Iemand, die uw vertrouwen schijnt te bezitten, de kokeler Barbanera.”

„Ziedaar een waardigen vertrouweling, dien gij mij toekomt,” zeide de Bisschop met bitterheid.

„Mij dunkt, het is zoo vreemd niet, daar gij beiden ééne kleerkast hebt,” hernam Reinout meesmuilende.

„Wij zullen zien. – Heeft Barbanera u ook geleerd, op welke wijze men toegang bekomt tot dit slot?”

„Zoo is ’t! – maar wees daarom niet ontevreden op een getrouwen dienaar: hij wist dat ik u spreken wilde: en hij gaf mij daarom de middelen aan de hand om u in stilte te spreken en een opschudding te vermijden, welke u onaangenaam ware geweest.”

„En,” vroeg de Bisschop, haastig: „heeft die getrouwe dienaar u nog meer verhaald?”

„Veel, wat mij zelven betreft: niets wat u aangaat.”

„Zoo! – en uw naam…?”

„Was tot nog toe Rinaldo van Verona: welhaast hoop ik er een anderen te voeren.”

„Inderdaad! – en gij wilt dienst nemen bij de Stichtschen?”

„Misschien! – dat zal van de voorwaarden afhangen.”

„Gij verlaat den dienst van Graaf Willem, den meester aller soldaten,” zeide Arkel, op een toon, die niet vrij was van spotternij: „om uw arm te leenen aan een hoop luie monniken en dikgebuikte schepenen?”

„Den Bisschop wil ik behulpzaam zijn.”

„En weet gij, of de Bisschop, die in verre landen is, den gang van zaken goedkeurt?”

„Ik weet het,” antwoordde Reinout, „zoo goed als iemand het weten kan, die het uit zijn eigen mond vernomen heeft.”

Dit beweren kwam Arkel een weinig gewaagd voor; want hij herinnerde zich niet, ooit ergens dan op het steekspel van Reinout te hebben gezien of gehoord. Hij vergenoegde zich dus met op een koelen toon te zeggen: „gij kunt des Bisschops meening niet kennen: want ik heb goede redenen te gelooven, dat gij zijn persoon niet kent.”

„Ik ken ten minste,” zeide Reinout, hem scherp aanziende: „het hooge voorhoofd en den valkenblik der Arkels, ’t zij een monnikskap, een ridderhelm of eene kwakzalversmuts die bedekke.”

„Ongelukkige!” riep Arkel uit, de hand aan zijn dolk slaande: „gij kent den leeuw en gij durft u wagen in zijn hol?”

„En waarom niet, indien ik mij evenals hij voor de jagers verbergen moet? – maar steek vrij uw dolk op: – van mij hebt gij geen verraad te vreezen. Ik heb uw geheim bewaard, toen ik uw gesprek met den monnik van Sint-Odulf beluisterd had, ofschoon ik toen nog aan den Graaf getrouw was: en ik zal het thans niet verklappen, nu ik zijn dienst heb afgezworen.”

„En wie waarborgt mij,” vroeg Arkel, „dat gij niet morgen mijne zijde zult verlaten?”

„De Graaf begeert mijn hoofd. Waant gij, dat ik geneigd ben, hem dat te brengen?”

„Die lust moet dan spoedig bij hem zijn opgekomen; of gij hebt het erg verbruid; want eergisteren nog waart gij zijn getrouwe medekamper… maar zacht! waart gij het niet, die een anderen Ridder, uw boezemvriend, gelijk ik vernam, tot een strijd uitdaagde op leven en dood?”

Reinout verbleekte en beet op de lippen. „Hij was mijn boezemvriend,” zeide hij met een weifelende stem: „maar het heeft zoo moeten zijn. Zie deze vlekken,” vervolgde hij, zijn mouw toonende: „het is het bloed van Deodaat, mijn wapenbroeder.”

„Ik hoop dat het in open kamp was,” zeide Arkel: „intusschen, ik beklaag u beiden; zulk een overwinning moet even zwaar vallen als de nederlaag.”

Op dit oogenblik trad, zeer gelukkig voor Reinout, de oude Peter binnen en meldde zachtjes den kokeler bij zijn meester aan.

„Ik zal bij hem komen,” hernam de bisschop: „welaan!” vervolgde hij tot Reinout: „uw mannelijke uitdaging heeft mij getoond, dat gij een rechtschapen Ridder zijt, en als zoodanig mijn vertrouwen waardig. De tijd spoedt voort: en ik heb nog veel te verrichten. Gij vergezelt mij nog heden naar Utrecht. Wij zullen onderweg ons gesprek vervolgen. Wees zoo goed, mij zoolang in de zaal te wachten.”

Met het uiten dezer woorden vertrok hij, de deur zorgvuldig achter zich sluitende. „Ofschoon ik,” zeide hij bij zich zelven, „veel vertrouwen stel in ’s Ridders eerlijkheid, hecht ik nog grootere zekerheid aan een goeden sleutel. – Aha! meester Barbanera, loopt gij op deze wijze met mijn geheimen te koop? Bij Sint-Maarten! wij zullen zorgen, dat uw geklap niemand meer hindere.”

Beneden aan de trap gekomen, vond hij Barbanera en wenkte dezen, hem in een zijvertrek te volgen.

„Hebt gij tijdingen?” vroeg hij hem, in zuiver Italiaansch: „dat gij ons zoo vroeg reeds de eer van uw bezoek verschaft?”

„Ik kwam de bevelen van uwe Hoogwaardigheid vernemen,” zeide de kwakzalver: „en daar de Stichtsche benden hier weldra zijn zullen, achtte ik het plicht, dat intijds te doen.”

„En was het ook plicht,” vroeg Arkel, op een strengen toon: „onze geheimen toe te vertrouwen aan dien windbuil, die mij zooeven is komen opzoeken?”

„Ik heb hem niets toevertrouwd,” zeide Barbanera: „hij wist reeds alles: en daar ik vreesde, dat hij babbelen mocht, achtte ik het voorzichtiger hem in uwe handen te leveren.”

„Gij hadt mij ten minster kunnen waarschuwen,” zeide Arkel: „maar hoe kent gij den knaap?”

„Ik ken hem beter, dan hij althans gisteren zich zelven nog kende: en dit is zeker, dat hij u van dienst kan zijn. Wat zoudt gij wel geven, Hoogwaardigste! om in Friesland een vermogenden vriend te bezitten, op wiens erkentenis gij zoudt kunnen staat maken?”

„Dit ware een goede aanwinst,” zeide Arkel, „maar wat heeft dit met dien Reinout te maken? In welk verband…”

„Welnu! – Zoo die Reinout eens de zoon ware van den Heer van Aylva?”

„Welke zotte vertelsels zijn dat? – Die Ridder is een Italiaan zooals gij…”

„Juist van moederszijde; maar ik kan hem de bewijzen in handen leveren, dat hij de zoon des Frieschen Oldermans is: – wat dunkt u dat dit geheim waardig is?”

„Dat geheim is goud waardig,” zeide de Bisschop: „hebt gij het hem reeds medegedeeld?”

„Zooveel als noodig was, ja; – maar u wil ik de bewijzen ter hand stellen, opdat gij er de vruchten van inoogst.”

„Zeer onbaatzuchtig voorwaar!” zeide Arkel: „maar vermoedelijk wilt gij mij het geheim verkoopen, omdat Reinout de middelen niet bezit om het u te betalen?”

„Het ware zeker onbillijk,” zeide Barbanera, „dat ik de tafel voor uwe Hoogwaardigheid bereidde, en geen kruimpje voor mij zelven overhield.”

„Recht zoo, voortreffelijke Barbanera! dan, ik heb nog een dienst van u te vergen. Hierboven ligt een jong meisje, dat wellicht de hulp van een geneesheer noodig heeft.”

„Is het garnizoen versterkt?” vroeg de kokeler, meesmuilende.

„Zwijg, en ga bij haar. Onderzoek eenvoudig, of zij ziek is, ja dan neen: – geene van uw kwakzalverkunsten. Zie slechts, of zij in staat is, de reis naar Utrecht te ondernemen.”

Barbanera zweeg en volgde zijn meester tot voor het vertrek van Madzy. Deze, zich vleiende, vader Syard te zullen zien, haastte zich, den kokeler, toen deze aanklopte, te verzoeken van binnen te komen, maar zij zag verbaasd op, bij het beschouwen van een onbekend gelaat; want, gelijk men zich herinneren zal, zij had Barbanera nooit gezien dan aan Elskens ziekbed, waar hij zijn wassen neus voorhad.

„Lieve kind!” zeide de kokeler: „il signor castellano ebbe mij tot u gezonde. hij is over la vostra sanitá bekommerd, en eef mij, il sou medico, verzocht u al die hulp toe te brengen, welke la mia arte verschaffen kan a voi.”

Zonder erg te denken, stak Madzy den geneesheer haar blanke hand toen en vroeg hem, wie de edele Burchtvoogd was, onder wiens dank zij zich bevond.

Non lo sapete?” vroeg Barbanera: bene! hij zal wil ebbe self il piacere van u bekend te maak il sou nomema per Dio! riep hij uit, terwijl hij haar meer aandachtig beschouwde: ik u ook eb kezien, un’ altra volta: ikke fraak moet: il signor castellano, wete hij wie isse gij?

„Wat meent gij?” vroeg Madzy, eenigszins onthutst: „ik versta u slechts half.”

„Gij hebt la febbre, de koortse,” zeide Barbanera, opstaande, en Madzy’s hand latende varen: „maar vien dall’ agitazione, dal freddo: niet is pericolòsa il viaggio non può farvi male.”

Met deze geruststellende uitspraak rees hij op, en Madzy in onzekerheid latende, keerde hij bij zijn meester.

„Welnu?” vroeg deze: „is zij in staat een reis te doen?”

„Ja; maar zij heeft geen kleeren genoeg. Wil ik om de hare zenden?”

„Zoo dit ongemerkt geschieden kan, ware het niet kwaad; want ik vrees dat hier gebrek aan plunje is.”

„Maar,” hernam de kokeler: „kent uw Hoogwaardigste het meisje, dat daar in de kamer ligt?”

„Zoo ik mij niet bedrieg, is zij een Friezin, een nicht van pater Syard , of zoo iets.”

„Alles behalve: het is een Friesche Jonkvrouw van adelijken huize, de bruid van Seerp van Adeelen, Madzy Dekama.”

„Gij raaskalt. Hoe zou een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize hier in ’t gras komen te liggen?”

„Ik weet het niet. Zooveel is zeker, dat ik haar terstond herkend heb, en dat…”

Hier werd zijn rede gestoord door een herhaald hoorngeschal aan de buitenpoort.

„Daar schijnt haast bij te wezen,” zeide Arkel, zich voor een kijkgat plaatsende, vanwaar men op den buitenmuur en op de laan zag: „bij alle duivels! daar is uw trouwe Hans, zoo rood als een kalkoensche haan, die ons zeker de komst der Stichtsche benden komt melden… en ginds zie ik een paar wapenknechten de laan afkomen, zeker om bezit van het kasteel te nemen:… en wat verder komt vader Syard in eigen persoon... juist op gelijke afstanden, als de drie boden in de schilderij van den vromen Job. Ik had heden ten minste zes hoofden noodig; – maar alles met overleg! en wij zullen, den eenen voor, den anderen na, wel helpen. Ho! Peter! laat slechts één persoon te gelijk in!”

Peter, die aan de overzijde der valbrug stond, gehoorzaamde aan den gegeven last, en het poortje voor den hansworst openende, sloeg hij het weer dicht voor den neus der Stichtsche wapenknechten.

„Heer Ridder!” riep Daamke, zodra hij Arkel zag (wiens waren naam hij niet kende): „daar zijn de Stichtenaars en komen het kasteel bezetten. Hun bevelhebber is, naar ik hoor, Wouter van IJselstein.”

„Onbekend, Goddank!” zeide Arkel; „welk een slag van een man is hij?”

„Een jonge ruwe gast, maar mij toeschijnt,” antwoordde Daamke.

„Voortreffelijk! dan is er geen kwaad bij. Ga spoedig, met Barbanera, mijn twee dienaars roepen, en laten zij zich wapenen. Hei! Peter! ontsluit de poort voor de hoplui; – maar al wie verder komt tot nader order wachten.”

De poort ging weder open, en Wouter van IJselstein trad met een ander hopman binnen. Peter geleidde hen met alle deftigheid naar het zijvertrekje, waar Arkel gezeten was.

„Zijt gij de slotbewaarder? – of welke betrekking vervult gij hier?” vroeg IJselstein op een hoogen toon aan den Bisschop.

„Met uw verlof,” zeide Arkel, terwijl hij zonder op te staan, den vrager van ’t hoofd tot de voeten beschouwde: „wie zijt gij zelf, die mij hier vragen komt doen?”

De bevelhebber scheen eenigszins verrast door deze fiere toespraak, gelijk het meer gebeurt aan lieden, die een hoogen toon voeren, wanneer zij iemand vinden, dien hen staan durft.

„Welnu!” vervolgde Arkel, die zich als een kind vermaakte met de bedremmelde houding des hopmans: „ben ik u geen antwoord waardig? komt gij hier alleen binnenstuiven om weer terug te keeren als een schaatsenrijder, die de baan ten einde gereden is?”

„Wij komen hier,” antwoordde IJselstein, die zijn stoutmoedigheid had teruggevonden, „om het slot te bezetten in naam van het Bisdom van Utrecht.”

„Ik ken hier niemand dat recht toe,” antwoordde Arkel, „dan den Bisschop, mijnen Heer en den uwen. Hebt gij een lastbrief, door hem geteekend?”

„Vriend!” zeide IJselstein: „zoo gij een dienaar des Bisschops zijt, zult gij weten, dat hij bij zijn vertrek zijn gezag van de Kappitels heeft overgedragen, uit welker naam ik spreek.”

„De Kapittels mogen vrij over kerkelijke aangelegenheden beschikken,” hernam Arkel, die er genoegen in vond, den hopman in de war te brengen, en tevens naricht zocht te bekomen omtrent sommige punten, waarin hij belang stelde: „maar zij hebben niets met des Bisschops bijzondere eigendommen te schaffen. Hier ben ik meester, tot zoolang zijn Hoogwaardigste terugkeert.”

„Dit slot is gebouwd tot dekking der grenzen,” zeide IJselstein: „en daar men eerstdaags oorlog met Holland verwacht, zoo heeft men begrepen, hier inlegering te zenden. Gaan de Kapittels hunne macht te buiten, zij mogen zulks aan den Bisschop verantwoorden: ik volg mijn last, en zal dit slot bezetten met mijn volk, zonder uw verlof te vragen.”

„Vergeet niet,” zeide Arkel, met een verachtelijken glimlach: „dat uw volk hier nog niet ingetrokken is. Voor ’t oogenblik ben ik nog niet in uwe macht: gij zijt in de mijne.”

IJselstein zag beurtelings den Bisschop en zijn makker aan. Men had hem binnen Utrecht verzekerd, dat er zich niemand op het slot bevond dan een oude dienaar: en hij stond verbaasd, een man te vinden, die als meester sprak.

„Hoe nu!” vervolgde Arkel, „zijt gij de brave borst, die dit kasteel tegen de Hollanders verdedigen moet? en de bloote stem van een wapenloozen man doet u beteuterd staan, ofschoon gij met u beiden, en in ’t harnas zijt?”

„Mijn Heer! wie gij ook wezen moogt,” zeide IJselstein, met fierheid: „weet, dat ik voor geen vijand sidder: en dat, zoo uwe woorden een beleediging insluiten, ik gereed ben, mij met u in besloten kamp te meten, waar gij goedvindt, alles ingevalle gij uit adellijk bloed gesproten zijt. Maar ik beken, ik sta versteld, hier iemand aan te treffen, die uit de hoogte tot ons spreken durft, en de macht der Kapittels in twijfel trekken.”

„Zoo! nu spreekt gij als ’t betaamt,” zeide Arkel: „hoor! ik laat mij wel vinden. Dezen middag kunt gij  met uw volk hier binnentrekken, want ik ben verantwoord, zoodra gij met overmacht aankomt; maar het moet mij vergund wezen, voor dien tijd mijn zaken behoorlijk in orde te brengen.”

„Ik heb bevel,” zeide IJselstein, „geen oogenblik te vertoeven met het bezetten van het kasteel.”

„Zeer wel,” hernam Arkel: „maar het schikt mij nu niet, het u terstond te leveren; gij kunt uw volk gaan halen; maar dan breek ik de bruggen af en gij komt er toch niet spoediger binnen. Stem dus liever goedschiks in mijn voorslag.”

„Wie zijt gij toch?” vroeg IJselstein, hem met verbazing aanstarende.

„Wie ik ben doet niets ter zake. Neemt gij mijn voorslag aan, ja of neen?”

De beide hoplieden zagen elkander een poos besluiteloos aan, maar gaven eindelijk hun toestemming.

„’t Is wel, mijn makkers! Na den middag kunt gij hier vrij den meester komen spelen. Vaart nu wel. – Peter! leid die hoplieden uit en laat den huisman binnen, die aan de poort staat.”

„Victorie!” riep hij Barbanera toe, die hem na het vertrek der hoplieden naderde: „had ik een greintje beleefdheid gehad, die gansche bende ware reeds op ons dak; – maar ik heb hem de tanden laten zien, en de wolf zal niet in de kooi komen, voor de schapen er uit zijn. Hoor eens, Barbanera! die vrome monnik daar komt zijn Friesche Jonkvrouw zoeken; maar ik heb andere voornemens met haar; ik zal hem met een kluitje in ’t riet zenden: wacht gij hem af, wanneer hij zich verwijdert: beloof hem zijn Friezin terug en sluit hem onder ’t een of ander voorwendsel in de kelders van het slot.”

„Hoogwaardigste!” zeide de kokeler verbaasd.

„Welnu! hebt gij mij niet verstaan? Vader Syard verraadt mij: en ik moet hem eenigen tijd afgezonderd houden;… maar,” voegde hij er bij, als bedacht hij zich: „waar zijn uw bewijzen, dat die Reinout de zoon is van den Heer van Aylva.”

„Dat geheim is goud waard,” zeide Barbanera: „en ik ben de eenige, die er van bewust is…”

„Welnu!” zeide Arkel, een goudbeurs uithalende: „haast u: er is weinig tijds over, en zoo ik thans het geheim niet weet, zal het mij niet baten.”

„Ziehier,” zeide de kokeler, de beurs aannemende, „den brief, waarmede Bianca di Salerno haar zoon aan Carlo della Scala vertrouwde: – en hier den ring, dien Aylva aan zijn echtgenoote schok. – Het overige is Reinout bekend.”

„’t Is wel,” zeide Arkel, den ring en het geschrift bij zich stekende: „zeg nu aan Peter, dat hij den monnik binnenlaat.”

Barbanera vertrok. „Sic vos non vobis!” dacht hij bij zich zelven: „de Bisschop zocht mij te verschalken en zelf den prijs voor het geheim in te oogsten; ik dorst hem de bewijsstukken niet weigeren: – hij had mij vermoord; – gelukkig heeft hij het beste stuk niet, morgen trek ik naar Den Haag, verhaal aan Graaf Willem, wat de vrome Jan van Arkel brouwt, ontvang een goede belooning, en zorg dat de Olderman daarna alleen door mij onderricht worde, wie zijn ware zoon is.”

Met deze gedachten zette hij zich onder aan de trap, zich verheugende over de toekomstige belooningen, die hij verwachtte. De ongelukkige dacht weinig, dat zelfs het goud, zooeven ontvangen, hem van geen dienst meer zijn zoude.

„Welnu! mijn waarde Pater!” zeide Arkel, zoodra vader Syard in zijn tegenwoordigheid stond: hebt gij al eens over mijn voorstellen nagedacht? Hoe nu! geen antwoord! wat is er gebeurd? Uw oogen staan zoo verwilderd: uw gelaat is bleek als dat van een doode.

„Hoogwaardigste!” zeide de monnik: „ik bevind mij in de uiterste verlegenheid. Ik had mij belast, om Jonkvrouw Madzy Dekama, welke de Graaf van Holland in het klooster te Rijnsburg wilde plaatsen, door het Sticht heen, naar Harderwijk te brengen, waar de Heer van Aylva haar wacht,… en zij is dezen nacht uit de herberg verdwenen.”

„Gij verwondert mij,” zeide Arkel: „het was ook geene taak, passende aan een man van uwen stand en jaren, een jong meisje tot leidsman te strekken. Maar wat kan ik daaraan doen? – ik ben geen omroeper.”

„O, wees edelmoedig, Heer Bisschop! ik ben een ijdele dwaas geweest. Ik heb gesteund op eigen krachten en ben beschaamd gemaakt. Maar wees grootmoedig! Gelast dat men haar zoeke. Zij moet hier ergens schuilen.”

„Mijn waarde Pater!” zeide Arkel op een deelnemenden toon: „ik ben hier geen meester. Wend u tot Wouter van IJselstein, die de Stichtsche benden aanvoert; klaag uw nood aan den Baljuw; dan hebt gij de burgerlijke en de gewapende macht op uwe hand.”

„En gij, zijt gij niet de Heer, het hoofd van beiden?” zeide de monnik met waardigheid. „Eén woord van uw mond en ik kan vrucht van mijn nasporingen verwachten. Weigert gij mijn verzoek, dan stoot ik overal het hoofd.”

„Gij zoudt dus verlangen, dat ik, om een weggelopen deerne, mijn voornemen verzaakte en de vermomming afleidde, die ik zoo moeizaam bewaard heb?”

„Gij zult die toch niet lang meer kunnen bewaren; men is op het dorp reeds nieuwsgierig. Men wil weten, wie de vreemde Ridder is, die het slot betrokken heeft. Men voedt argwaan… en al had men die niet, uw eer, uw plicht gebieden…”

„Monnik!” zeide Arkel op een strengen toon: „wilt gij mij mijn plicht leeren?”

„Ja! dat moet ik, wanneer gij dien vergeet. Een kerk, als die van Utrecht, een welvarend land als het Sticht, moeten niet opgeofferd worden aan de dwaze grillen van ijdele staatzucht. Ik ter mogelijk uw gramschap; maar uw hart is te groot, te edel, om langer de rol vol te houden, die gij ter kwader ure gekozen hebt, die de omstandigheden voor een poos konden wettigen, maar die thans onbetamelijk, ja onstaatkundig wordt. Wees u zelf weer. Treed als een waardig kerkvoogd voor den dag en handel, gelijk het belang van de kerk en van den grond, dien gij beschermen moet, u gebieden.”

„Wij spraken over het schoone Friezinnetje, dat gij met u voerdet,” zeide Arkel op een ijskouden toon.

Vader Syard zag den Bisschop met zooveel ernst in de oogen, dat deze, hoe hij ook altijd meester over zich zelven bleef, niet nalaten kon, die innige gewaarwording van onrust te gevoelen, welke den schuldige treft, wanneer hij den blik van een eerlijk man ontmoet. Hij begreep dus, het onderhoud te moeten afbreken, en zich in zijn zetel werpende: „Pater!” zeide hij: „ga uwe litaniën elders zingen: mijn tijd is te kostbaar om die aan te hooren.”

„Gij hebt gelijk,” zeide de monnik: „en elk oogenblik dat ik hier blijf is voor mij verloren. Heer Bisschop! vaarwel! ik ben slechts een arme monnik; maar God weet het, ik wilde niet met u ruilen.”

Met deze woorden verliet hij het vertrek. Aan de beneden trap gekomen, hoorde hij zich op eens bij zijn naam noemen: wij wendde het gelaat om en zag onder een donker afschutsel iemand staan, die hem wenkte te naderen.

„Wat wilt gij? wie zijt gij?” sprak de monnik: „mijn oogenblikken zijn kostbaar.”

Piano! stille!” zeide Barbanera: „gij zoeke la Signora Dekama, isse so niete?”

„Hebt gij eenig naricht van haar!” vroeg de monnik, haastig naar hem toetredende.

„Zij isse hier, nella potestà del signore Vescovo,” hernam de Italiaan: „hij eeft aar doen wegpak.”

„Die onverlaat! ik moet naar hem toe!”

Piano dan! Silenzio! kom iere: ikke sal u brenk pij aar. Datemi la mano: is ier donkere”

Dit zeggende, trok hij de monnik met zich mede in den kelder, aan wiens ingang hij zich bevond.

„Blijf mij ier wakte,” zeide hij: „ik zal kaan kaal la Signora.

„Blijf er beide wachten, tot het jongste bazuingeschal er u uitroept,” zeide Arkel, die den monnik beneden gevolgd was: en hij sloeg de kerkerdeur met geweld dicht: „Ziezoo!” zeide hij: „daar zijn er ten minste twee, die mij vooreerst niet zullen hinderen.”

Vervuld van deze geruststellende gedachte, stapte hij de donkere gang weder uit, en zag den hansworst, die onder de hand eens naar het dorp geweest was, met een pak onder den arm en meester Cezar op den schouder, over de brug aankomen.

„Nog een bondgenoot,” dacht Arkel, „die uit den weg geruimd moet worden; – intusschen wil ik mij niet te ras van alle nutte werktuigen berooven. Die knaap weet niet wie ik ben; althans zo Barbanera het hem niet verteld heeft. – In allen gevalle kan hij mij nog van dienst zijn. Ik geloof niet, dat hij verstand genoeg heeft om mij kwaad te doen – Hola ho! meester Hans! wat brengt gij voor goeds?”

„Zoo ik niets goeds breng, breng ik althans goed,” zeide Daamke: „meester Barbanera heeft mij ingefluisterd, dat in ongemerkt de kleeren van die weggeloopen deerne moest buitmaken en hier brengen. Ik heb van de drukte, die er aan den Roerdomp is, gebruik gemaakt, en hier is de buidel”

„Voortreffelijk; – maar wat is dat juweel, hetwelk uw broeder in de hand houdt?” – Dit zeggende wees hij op een schitterend kleinood, daar Cezaar mede speelde.

„Bij mijn zolen!” zeide de hansworst: „dat schijnt wat fraais. Hier Cezar! voor den dag er mede.”

Maar de aap scheen niet genegen, zijn buit aan zijn meester af te staan. Hij schudde den kop, zag Arkel en Daamke beurtelings grijnzend aan, klemde het kleinnood tegen de borst en poogde te ontsnappen. Eindelijk werden zijn beiden tegenpartijders het pronkstuk meester, en nu zag Arkel duidelijk, dat het een gouden haarnaald was van een kunstig maaksel, waaraan een kostbare parel hing.

„Hoe komt het juweel in de handen van dat dier?” vroeg Arkel met bevreemding.

„Vermoedelijk heeft hij het buitgemaakt in het vertrek, waar de Jonkvrouw geslapen heeft, die hedenmorgen verdwenen is.”

Een snel denkbeeld, hetwelk hij terstond met welgevallen aangreep, kwam den Bisschop als een lichtstraal voor den geest. „Dit juweel,” zeide hij, „kan mij van dienst zijn! Hier meester Daamke! neem het terug, bestijg uw ezel, rijd naar Harderwijk: – daar zult gij de Friesche afgevaardigden vinden, wachtende op de Jonkvrouw en op vader Syard. Verhaal hun, dat beiden in handen van den Graaf zijn gevallen, dat gij dit gezien hebt, dat zij met u gesproken heeft, u verzocht heeft, dit aan haar nabestaanden te melden, en u dit juweel ter belooning geschonken heeft: zeg hun, dat zij hen smeekt, haar hoon te wreken. Ga! een treffelijk loon wacht u, indien gij mijn bevel met beleid en spoed ten uitvoer brengt.”

„Maar,” zeide de hansworst, hem met wijdopengespalkte oogen aanziende: „’t is met dal al immers niet waar?”

„Om ’t even,” antwoordde de Bisschop: „wat gaat u dat aan? Is uw geheele leven niet een logen? Liegt gij niet op alle markten en kermissen, dat de steenen er van zweeten?”

„Nu ja,” zeide Daamke: „dat brengt mijn beroep mede en ieder gelooft er het zijne van; maar of nu dat Friesche volkje zich door een praatje om den tuin laten leiden, dat is nog de vraag: en die Seerp van Adeelen draagt een broodmes op zijde, waar ik ongaarne kennis mee zou maken.”

„Zot! zij zullen uw verhaal evengoed slikken als den zoeten koek, dien zij bij de kaas gebruiken. Het staat aan u, uw verhaal met zulke versieringen te omkleeden, dat zij u wel zullen moeten gelooven. Ik heb u immers meer gehoord en weet, hoe geestig gij een vertelling weet op te smukken.”

Niemand is er op aarde, hetzij dan vorst of hansworst, of hij is gevoelig voor vleierij: en Daamkes eigenliefde vond zich dan ook door Arkels laatste woorden zoodanig gestreeld, dat hij de hem opgedragen boodschap aannam en zich verwijderde.

De Bisschop, na alvorens eenige woorden met den getrouwen Peter te hebben gewisseld, betreffende de wijze, waarop deze de gevangenen moest behandelen, begaf zich naar het vertrek van Madzy, die zich opnieuw in haar verwachting teleurgesteld vond, toen zijn, in stede van den monnik, haar gastheer terugzag, wiens koel en ernstig wezen weinig goeds beloofde.

„Meisje!” zeide hij, op een langzamen, indrukwekkenden toon: „ik heb naar de herberg gezonden; maar men weet daar evenmin als hier, waar de man gebleven is, dien gij zegt, dat u vergezelde. De kasteleines kan niets tot uw voor- of nadeel getuigen: zij beklaagt zich alleen, dat gij bij nacht en ontijde haar huis verlaten hebt. Hier zijn uw kleederen, welke zij u terugzendt.”

Met deze woorden overhandigde hij haar het pakje, dat Daamke had medegebracht.

„Helaas!” zuchtte Madzy, met angstig handenwringen: „moet ik dan zoo miskend worden? O! ik smeek u, edele Heer! laat mij van hier gaan. Mijn paard staat aan de herberg ik zal een wegwijzer nemen – maar ik moet weg: – mijn maagschap zal ongerust over mij wezen.”

„Gij zult gaan waarheen gij wilt,” zeide Arkel op een onverschilligen toon: „doch alleen laat ik u niet vertrekken. Het dorp is bezet en de weg vol krijgsvolk: een reis door het Sticht zou, voor een meisje alleen, gevaarlijk zijn. Gij zijt bovendien ongesteld en de arts verbiedt alle zware beweging. Maar ik heb u een anderen voorslag te doen. Het is mijn voornemen van hier te gaan; en zoo onze wegen niet te ver uit elkaar loopen, wil ik u gaarne naar het doel uwer reis voeren: een gemakkelijke draagstoel is tot uw dienst: en zoo gij niet gezien wilt wezen, zal u ook daartoe de gelegenheid verschaft worden.”

Madzy zag Arkel aan, terwijl hij sprak, als wilde zij in het binnenste zijner ziel lezen. Zijn woorden schenen verstandig: zijn aanbod was, in de omstandigheden, waarin zij verkeerde, hoogst aannemelijk: zij had des te minder aanleiding hem te mistrouwen, wegens de koele beleefdheid waarmede hij haar behandelde: en toch lag er in zijn toon en houding iets opgesloten, dat haar, zij wist zelve niet waarom, onwillekeurig huiveren deed. Zoo zeker is het, dat het bedrog, hoe listig het ook achter het masker der waarheid schuilen moge, altijd een kleur behouden blijft, welke heenschijnt door het vernis, waarmede het omtogen is, moeilijk te verbergen is voor het oog der rechtschapenheid, en evenmin kan weggenomen worden als de lucht der verdorven spijs, hoe ook met specerijen vermengd.

Arkel bemerkte den twijfel, welke Madzy omtrent de oprechtheid zijner bedoelingen scheen te koesteren. „Misschien,” zeide hij, „vreest gij u aan het geleide toe te vertrouwen van iemand die u nog onbekend is. Gij zijt meesteres van te handelen zooals gij begeert. De hemel beware mij, uw vrijheid in ’t minst te belemmeren. zoo gij het verlangt, zal een mijner dienaars u naar het dorp terugvoeren: maar ik herhaal u, gij zult het vol krijgslieden vinden. Wat meer zegt, eer een paar uur verloopen zijn, zal ook dit kasteel bezet worden. Zoo gij daarentegen mijn voorslag stemt, zult gij de bescherming genieten van den Ridder met den Rooden Adelaar, wiens wapenfeiten op het steekspel te Haarlem u misschien ter oore zijn gekomen.”

„Hoe!” zeide Madzy verrast: „zijt gij die Ridder, door wien Reinout van Verona van ’t paard geworpen werd en die…”

Hier zweeg zij eensklaps; want zij voelde dat zij zich versproken had, en zich de beschuldiging van paardendieverij herinnerde, vreesde zij te veel gezegd te hebben.

„Die ben ik,” zeide Arkel: „en gij, zijt gij niet de edele Jonkvrouwe van Dekama, wier weergade niet gevonden werd onder al de schoonen, die op het feest aanwezig waren?”

Madzy verbleekte. „Ridder!” zeide zij: „gij hebt mij herkend; o! bij als wat heilig is, maak geen misbruik van hetgeen u een toeval heeft doen weten.”

„Kon men u miskennen, na u eenmaal gezien te hebben?” zeide Arkel, den hoffelijken toon hernemende: „wel is waar; ik wilde in den aanvang mijn oogen niet gelooven; want ik kon niet beseffen, hoe de schoone erfdochter van Dekama in boerengewaad op den gemeenen weg zou liggen”

„Ik reken,” zeide Madzy, „dat ik het aan mijn eer verplicht ben, u de omstandigheden te verhalen, welke aanleiding gegeven hebben tot mijn komst in dit kasteel.”

Hierop gaf zij hem een beknopt verslag van de redenen, die haar genoopt hadden in vermomming het Sticht te doorreizen, en van hetgeen haar in ’t holle van den nacht de herberg had doen ontvluchten. Arkel wist de verschijning van den boozen geest, dien zij waande gezien te hebben, niet anders dan aan een spel der verbeelding toe te schrijven; maar des te beter kon hij haar ontmoeting met Reinout oplossen. Hij verzweeg haar echter de aanwezigheid van dezen laatste op het slot, maar wist door een paar  vragen behendig uit te vorschen, om welke redenen die Ridder des Graven dienst verlaten had.

„Het komt mij vreemd voor,” zeide hij eindelijk, „dat uw geleider zoo spoedig verdwenen is. Het zou mij, uit de gansche toedracht der zaken, niet bevreemden, indien hij voornemens was geweest, u aan uwe vijanden over te leveren. Intusschen was het misschien uw geluk, dat u hier gevoerd heeft: onder mijn geleide zult gij veilig kunnen reizen en welhaast in de armen uwen vrienden de ongemakken der reis vergeten. – Voor ’t oogenblik zal ik u verlaten en u gelegenheid geven u te kleeden: zoo gij inmiddels iets noodig hebt, gelief slechts op den vloer te stampen en men zal zich gereedmaken om aan uw wenschen te voldoen.” – Met deze woorden nam hij zijn afscheid.

„Ik heb haar!” zeide Arkel verheugd, tot zich zelven, zoodra hij de kamer verlaten had. „Het vinkje heeft lang om de baan heen en weer gefladderd; maar het is eindelijk onder het net gekomen en ik heb slechts toe te halen. Bij mijn zaligheid! Ik heb vandaag heet werk gehad! In twee uren tijds en zonder helpers den hoofdman eener benden verschalkt: Syard en Barbanera hunne geheimen onttroggeld en die twee listige en gevaarlijke vertrouwelingen opgesloten: een hansworst van de hand gezonden om Friesland in rep en roer te brengen: een adelijke Jonkvrouw geknipt – en een Ridder bovendien: bij Sint-Maarten! dien had ik bijna vergeten! het wordt tijd, dat ik hem uit zijn gevangenis verlosse! hij zal zeker toornig wezen over mijn verwijl.”

 


[Hoofdstuk 21] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 23]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.