MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Lodewijk. Gij zult Baron zijn, Jan!

Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.

Het was gelijk Arkel gedacht had. Reinout, onverduldig geworden van niemand te zien komen, en wanende dat men hem gevangen wilde houden, was juist bezig, met zijn dolk de kracht van het deurslot te beproeven, toen hij zijn gastheer hoorde aankomen en dezen terstond daarna over zich zag staan.

„Ik heb u wat laten wachten,” zeide Arkel, op dien hoffelijken maar koelen toon, waartegen alle toorn af komt stuiten, evenals een afgeschoten pijl over de oppervlakte van het ijs heenglijdt: „vergeef mij: ik heb veel en zwaar werk bij de hand gehad. Op den weg zal ik u alles verhalen. Indien ik tot op dit oogenblik misschien wat te erg den meester jegens u gespeeld heb, zoo staat het aan u thans de rollen te veranderen. Van stonden aan zult gij Heer, en ik slechts uw schildknaap zijn. Gij zult uw paard terugbekomen: en daarbij, indien gij ze uwer niet onwaardig acht, de wapenrusting van den Ridder van den Adelaar. Deze vermomming kan u van dienst zijn; want ook in ’t Sticht zoudt gij lieden kunnen vinden, die den moord van Deodaat zouden wenschen te wreken.”

Reinout stond verzet: „den moord!” herhaalde hij: „wie heeft u sedert ons gesprek met de omstandigheden”

„Om ’t even,” zeide de Bisschop; „dat alles zal zich wel ophelderen. Onderweg ben ik tot uw dienst on den tijd met mededeelingen over en weder te korten: voor  ’t oogenblik zullen wij den innerlijken mensch gedenken; want na al wat ik verricht hebt, roept mijn maag mij toe, dat het tijd is te rampeneren. Hei ho! Peter!”

Peter kwam binnen met de dienaars van Arkel, die na een tafel uit het celletje in de zaal te hebben geschoven, eenige spijzen opdischten, waaruit een verkwikkende geur opsteeg, welke de zinnen des Bisschops liefelijk scheen aan te doen.

„Kom!” zeide hij: „neem plaats, Heer Ridder! en zet alle grillen uit uw hoofd. Peter! is de draagstoel gereed”

„Ik heb het paard van de deerne uit de herberg laten komen en er voorgespannen,” zeide de trouwe dienaar.

„Voortreffelijk! – komaan, wakkere Ridder! laat het hoofd niet hangen; maar proef liever eens van dezen wijn: het is geen lacryma Christi, gelijk men in uw vaderland drinkt, noch Sint-Jans-wijn, gelijk men op de feesten  te Haarlem dronk, noch van het roode druivensap, dat te Avignon op de tafel des Heiligen Vaders prijkt; maar eenvoudig Bleeker van de vruchtbare velden, die door vader Rijn besproeid worden. Hij is echter niet te minder om, nu hij eenige jaren in de kelders van die oude kraaiennest gelegen heeft; en wanneer  gij in Utrecht zijn zult, hoop ik u beter te onthalen: ik heb er nog Kamerijks bier liggen: en dat, weet gij, is het puik van alle bieren. Wees heil! heer Ridder! dit gaat u voor! op onze goede reis, en den gelukkigen uitslag onzer wenschen.”

Reinout beantwoordde den hem toegebrachten dronk; maar de sombere gedachten, welke zijn ziel vervulden, hadden hem in een stille afgetrokkenheid doen vervallen. Het was hem onmogelijk te deelen in de vroolijke luim des Bisschops, die met een levendige gemakkelijkheid, welke Reinout in andere oogenblikken met bewondering zou hebben beschouwd, zijn post van gastheer vervulde, uit elke spijs of drank, die hun voorgediend werd, gepaste stof ontleende tot een geestig betoog, waarin hij zijn fijne proef als lekkerbek en zijn begaafdheden als man van de wereld ten toon spreidde. Wie hem gezien had, zooals hij op de netste en volmaaktste wijze een duif opsneed en toebereidde, en wie hem tevens had hooren redeneeren over ringduiven en pauwstaartjes, gekapte nonnen en briefdragers en allerlei soorten van duiven, en over de wijze van die te stoven met eieren en citroen, of op te vullen met zoete melk, zes dooren van eieren en sjalotten en pieterselie quantum sufficit, of over de wijze, waarop het   half doorgespouwd beestje, dat hij inde hand hield, op de reis bewaard was gebleven, in een oude charter, met boter wel gesmeerd door middel eener vooafgemaakte omwenteling in fijngehakte ajuin, peper en zout, en het daarna braden van alles te zamen op een rooster, zou weinig gedacht hebben, dat diezelfde man, die geheel was overgegeven aan het genot van een goed gebraad, en zijn buik tot zijn afgod verkoren scheen te hebben, een oogenblijk te voren in een maalstroom was rondgesleept van hooge staatkundige plannen en inzichten en van kleine en verwarde verwikkelingen van allerlei aard. ’t Is omdat Arkel een van die gelukkige (?) egoïsten was, wier hart altijd in rust blijft, hoe werkzaam ook hun brein moge wezen: die alleen voor zich zelven levende, hun gevoel verhard hebben tegen alle indrukselen van buiten, en zich van lieverlede de kunst hebben eigen gemaakt om alle onaangename denkbeelden en lastige zorgen te verbannen, van elke omstandigheid des levens die zijde aan te grijpen, welke hun het aangenaamste toeschijnt, en daardoor nimmer dulden, dat het genot van het oogenblik vergald worde door pijnlijk herinnering aan het verledene of zorg voor de toekomst.

Welke voorstelling men zich wijders, uit het vroeger verhaalde, van het karakter des Bisschops moge vormen, dit is zeker, dat de tijd, waarin hij leefde, en de omstandigheden, waarin hij zich geplaatst vond, veel toebrachten om hem daden te doen bedrijven, welke, ja, terecht als misdadig beschouwd, maar, naar den zedelijken maatstaf van zijne eeuw beoordeeld, meer verschoonbaar kunnen gerekend worden. Jan van Arkel was een dier menschen, die zich op de wereld als bij wijze van uitzondering met alle begaafdheden toegerust, maar met een hart vol verzadelijke en nimmer rustende begeerten: een dier gevaarlijke wezens, die door een eeuwige behoefte aan werkzame beweging worden verslonden: die op de gewone stervelingen met een glimlach van verachting nederzien en niet tevreden zijn met een dagelijksche bestemming: een dier genieën, die door de nakomelingschap somtijds vervloekt, maar door dichter en den wijsgeer beschouwd worden met diezelfde bewondering, waarmede zij een onrustbarend gesternte aan de bogen des hemels gadeslaan. Reeds in zijn eerste jeugd bezat hij de stoutmoedige onbeschroomdheid van een meer gevorderden leeftijd: zijn moed was even vernuftig en vruchtbaar in uitkomsten als zijn manieren hoffelijk en bevallig waren. Hij verstond evenzeer de kunst om zich door een aangenamen omgang bemind te maken bij hen die hij noodig had, als om zijn vijanden onder de geweldige wapenen der bespotting te verpletteren. Hij was vasthoudend in al wat hij ondernam, en nimmer af te brengen van een eenmaal gevormd besluit; maar daar die vaste wil, om zijn zin te doen, zich dikwijls ook in kleine en onbelangrijke voorwerpen vertoonde, nam die, door een zonderlinge tegenstrijdigheid, niet zelden doen schijn van loszinnigheid aan en bracht hem in ongelegenheden, waaronder een ander bezweken en de fabel van het algemeen zou geworden zijn; maar waarin hij slechts een gelegenheid in het partij trekken van elke omstandigheid, te doen schitteren. Zoo hij echter dat vernuft hoofdzakelijk tot duistere kuiperijen en staatslisten aanwendde, en zoo zijn hart, dat van nature open en edel was, zich reeds spoedig met een driedubbele ijskorst omschorte, dit moet, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, hoofdzakelijk aan de omstandigheden worden toegeschreven. In een anderen tijd geboren, had hij, naar zijn keuze òf in de rij der beroemdste helden òf aan de zijde der volkomenste staatslieden een eervolle plaats kunnen bekleeden; maar in zijn eeuw mocht het hem niet vergund zijn, openlijk naar den oorlogsroem te dingen; en was de staatkunde nog niet, als later, eene eerverschaffende wetenschap.

Hij was tot den geestenlijken stand gedrongen geweest, terwijl zijn neigingen als kind reeds naar den wapenhandel helden; zijn onrustige geest had hem in het stille klooster niet toegelaten zich te vergenoegen met het betrachten der eentonige en weinig beduidende werkzaamheden aan zijn betrekking verbonden: eenmaal zich in den stand geplaatst ziende, waartoe vaderlijke dwang hem verwezen had, nam hij voor, zich daarin een naam te maken: – niet zoozeer nog uit eerzucht, als wel om zich te ontslaan van hetgeen hem het onverdraaglijkste van alles was, de afhankelijkheid van anderen. Hij had daarom ook zijn ledige uren nuttig besteed: en het was aan iemand als hij, die met een gelukkig geheugen, een scherpzinnig oordeel en een vasten wil begaafd was, niet ongemakkelijk gevallen, om het spoedig door ijver en studie zooverre te brengen, dat zijn tijdgenooten hem als een wonder beschouwden, en de ergernis over ’t hoofd zagen, veeltijds door hem gegeven, wanneer hij, als zich daartoe de gelegenheid aanbood, of gedurende de dagen dat hij zijn ouders bezocht, in de ridderspelen zijner broeders en van andere jeugdige edellieden deelde: – uitspanningen, welke hij verschoonde, door aan te voeren, dat zij voor zijn gezondheid, die van ’t letterblokken kwijnde, noodzakelijk waren. Naarmate hij echter in jaren vorderde, werden dergelijke oefeningen, welke men in den beginne door de vingeren gezien had, gestrenger berispt en hem eindelijk door den Prior van zijn klooster volstrekt verboden. De jongeling kon geen dwang verdragen, en meer dan eens ontstond bij hem de lust om den monnikskap weg te smijten en alleen met lans en zwaard de wereld in te gaan. Hij was echter nu eenmaal aan het makkelijke kloosterleven gewend, en wanneer hij de voordeelen, aan den geestelijken stand verknocht, overwoog, maakte hij de slotsom op, dat hij te veel zou opofferen om dien te verlaten en als dolend Ridder honger te lijden. Het viel hem echter zwaar om aan zijn geliefkoosde uitspanningen vaarwel te zeggen; – en nu vormde hij het besluit om zich oogenschijnlijk naar den wil zijns kloostervoogds te schikken, maar in ’t geheim te doen wat hij verkoos: in ’t kort, hij veinsde, alle wereldsche gedachten te laten varen en zette zich met meer ijver dan ooit aan zijn studiën; maar dikwijls, terwijl een ieder hem in zijn cel waande, verdiept in afgetrokken bespiegelingen, of ter bedevaart naar deze of gene heilige stad, was hij vermomd of onder een valschen naam, bij jachten of ridderspelen tegenwoordig en deelde in een vermaak, dat hem te meer smaakte omdat het verboden was.

Eindelijk bereikte hij het doel van zijn verlangen, en de invloed van Graaf Willem bracht hem op de Bisschoppelijken zetel; maar hoe groot was zijn teleurstelling, toen hij ontdekte, dat hij bestemd werd, om ook daar niet zijn eigen meester, maar de speelpop eens anderen te worden. Dit verdroot hem: en hij besloot zich ook van deze afhankelijkheid te ontslaan. Zijn handelingen als Bisschop, vroeger door ons verhaald, getuigden, hoezeer hem dit voornemen ernst was en met welk een vastberadenheid hij dit wist door te zetten. Het Sticht bewonderde een kerkvoogd, die, reeds op zulk een jeugdigen leeftijd, met zulk een ijver de belangen van het Bisdom wist te behartigen, en aller harten waren met smart vervuld, toen hij zijn grootsch opzet bekroonde door zijn vrijwillige ballingschap naar Frankrijk. Wat hem betrof, hij had een driedubbel oogmerk bereikt; hij had de harten der zijnen gewonnen: hij had het Sticht onafhankelijk gemaakt van vreemden invloed: en hij vond zich in een vreemd gewest, vrij en onbelemmerd als de vogel in de lucht, op een plaats, waar niemand zijn gangen bespiedde en waar hij zich dus kon overgeven aan al de genoegens, waarvoor zijn boezem blaakte. Maar, te midden dier vermaaklijkheden, ontving hij van zijn broeder en vertrouweling de tijding, dat Graaf Willem zijn verloren invloed in het Sticht op alle wijzen zocht te herwinnen. Het was toen dat de wijdluchtige plannen, welke wij hem hoofdzakelijk aan vader Syard hebben hooren mededeelen, in zijn brein tot rijpheid kwamen. Het begon hem nu ook te vervelen, op steekspelen lauweren in te oogsten, welke hem geene eer aanbrachten, vermits zijn naam onbekend bleef: en de stem der staatzucht verdrong eindelijk alle andere neigingen uit zijn borst. Ten einde den staat van zaken beter te leren kennen, vertrok hij in stilte uit Grenoble en maakte, gelijk wij gezien hebben, zijn aankomst in Holland slechts aan weinigen bekend. Het steekspel te Haarlem was voor hem nog een beproeving, aan welke hij geen weerstand kon bieden en die bijna zijn geheele plan  van onbekend te blijven had  in duigen geworpen. Echter was het hem in zooverre voordeelig geweest, doordien het hem in kennis gebracht had met Reinout, van welke hij zich nu hoopte te zullen bedienen als van een nuttig werktuig, dat hij naar zijn verkiezing kon gebruiken of vernielen: – vernielen, ja; want gelijk wij uit zijn handelwijze met vader Syard en Barbanera gezien hebben, aarzelde hij niet, tot bereiking van zijn doel, die middelen aan te wenden, welke de zedekunde verwierp, maar die gepredikt worden door de noodzakelijkheid, welke hij, met vele staatslieden ook van latere dagen, als de bestierder onzer daden eerbiedigde.

Men vergeve ons deze uitweiding, die zeker lang genoeg is om onze dischgenooten de gelegenheid te hebben gegeven hun maal te eindigen; na welks afloop Arkel eensklaps een verhandeling over de onderscheidene kersensoorten afbrak met aan dienaars last te geven om de wapenrustingen te halen. Men gehoorzaamde: en nu gespte de Bisschop zelf Reinout het harnas aan, en zette hem den helm op ’t hoofd met den rooden Arend, welken hij zelf op het steekspel gedragen had: terwijl hij zich vergenoegde met de nederige rusting van een eenvoudige schilknaap.

Nauwelijks waren zij ten volle gewapend, toen zich trompetgeschal liet hooren, en Peter het bericht kwam brengen, dat Wouter van IJselstein met zijn bende voor de poort stond.

„Dat is een vierde uurs vroeger dan de afspraak was,” zeide Arkel: „zij zullen niet binnenkomen voor het oogenblik, dat ik bepaald heb.”

Dit zeggende ging hij de zaal uit en begaf zich naar het verblijf van Madzy, die, nu geheel gekleed, hem, zat te wachten.

„Ik hoop, dat het u aan niets ontbroken heeft,” zeide hij, de oogen slaande op een schotel, welken de voor alles zorgende Peter haar gebracht had, en die nog onaangeroerd was.

Madzy verzekerde hem, dat men haar met alle mogelijke voorkomendheid bediend had, doch dat zij niet in staat was geweest, iets te nuttigen.

„Gij hebt kunnen hooren,” hernam Arkel, „dat de Stichtsche bende voor de poort staat. Een draagstoel is gereed voor u en gij kunt voor ieder onbekend blijven… indien gij namelijk het besluit genomen hebt, van met ons te vertrekken.”

Dit zeggende, bood hij haar de hand aan om haar de deur uit te brengen.

„Ridder!” zeide zij, terwijl hare oogen een zoo edele uitdrukking aannamen, dat de hardvochtige Arkel een onrustige beweging in de borst gevoelde: „ik vertrouw mij aan uwe rechtschapenheid. Het zou schandelijk van u zijn, indien gij mij misleidet.”

Na het uiten dezer woorden, welke de Bisschop slecht met een hoofdbuiging beantwoordde, legde zij hare hand in de zijne en, zich het gelaat met haar kaper bedekkende, vergezelde zij haar geleider.

Intusschen waren Wouter van IJselstein en de zijnen ongeduldig geworden: en de eerstgemelde, wanende dat men hem misleid had, begon met zijn strijdbijl op de buitenpoort te rammelen, toen Arkel, die Madzy in haar draagstoel gebracht had, zich aan de binnendeur vertoonde.

„Met uw verlof, vrome Heeren!” riep hij hun toe: „breekt gij nu reeds de poort af, om aan de Hollanders, wanneer zij komen zullen, een vrijen en onbelemmerden intocht te verschaffen?”

„Wij hadden verwacht die open te vinden,” zeide Wouter brommende: „en het was onze afspraak…”

„Dat gij na éénen zoudt binnengelaten worden,” zeide Arkel: „en indien gij uwe oogen gelieft te slaan op den zonnewijzer, die daarginds tegen den toren gespijkerd is, zult gij zien, dat ik mijn belofte nakom. Wees zoo goed en schaar uw volk op het buitenwerk, dan zal ik u intusschen kennis doen maken met het slot.”

IJselstein voldeed aan het verlangen des Bisschops, waarna deze hem en zijne hoplieden de wallen rondleidde, hem de zwakke en sterke punten aanwees, hem de verbeteringen opgaf, welke hier en daar nog te maken waren, en verscheidene middelen aan de hand deed op partij te trekken van de gelegenheid van den grond: bij zijn inlichtingen een zoodanige kennis van zaken ten toon spreidende en zoovele blijken van een juist oordeel gevende, dat allen hem verbaasd aanstaarden, en elkander vroegen, wie toch de man ware, die er meer van af wist dan een van hen.

Na deze wandeling bracht Arkel hen in de zaal, waar hij hun Reinout voorstelde als een Duitsch Ridder, die van het steekspel te Haarlem gekomen was, en thans naar Utrecht reisde om het Sticht in gevalle van oorlog te dienen tegen den Graaf van Holland. Met een beker wijns werd het onderhoud besloten, en eenige oogenblikken later zaten Arkel en Reinout te paard en reden zij de slotbrug over, gevolgd door de twee dienaars van eerstgenoemde, mede te paard, en den draagstoel, waarin Madzy zich bevond, en welk door een boerenknaap gemend werd. IJselstein en de getrouwe Peter deden hun uitgeleide tot over de brug. Gereed om den tocht aan te vangen, scheen Arkel zich nog niets te herinneren: hij wendde zijn paard om, en, Peter op zijde komende, fluisterde hij hem zachtjes in ’t oor:

„Wat de twee gevangenen in den kelder van het slot betreft, gij zorgt, dat zij onder geen voorwendsel hoegenaamd iemand te zien of te spreken krijgen.”

„Ware het dan niet beter,”  zeide Peter, „dat men hen liet uithongeren? Het zijn twee onnutte monden meer op het slot.”

„Wacht er u wel voor: hun bloed zou van u teruggeëischt worden. Niet dan in de hoogste noodzakelijkheid moeten zij opgeofferd worden.”

En zonder in verdere opheldering te treden, haastte hij zich weder naar zijn gezelschap.

„Ziedaar een juweel van een dienaar,” zeide hij, terwijl zij nu gezamelijk den weg op naar Utrecht reden, tegen Reinout: „of liever een persoonsverbeelding der dienstbaarheid. Er is geen hond, hoe getrouw ook, die zoo volkomen en zonder aarzelen de bevelen zijns meesters volbrengen zal. Zoo ik hem gelastte, onzen Heiligen Vader van zijn zetel te gaan halen en mij dien, aan handen en voeten gebonden, hier te brengen, hij zou het doen ook.”

„Is het verknochtheid aan uw huis, of aan uw persoon, welke hem aldus doet handelen?” vroeg Reinout.

„Het is mij onbewust. Vraag aan het hondje, dat in huis geboren is, waarom het één der huisgenooten bij voorkeur op zijn wandelingen vergezelt, het dier zal er u evenveel reden van geven als mijn oude Peter. De man was een dienaar mijns vaders; maar van mijn geboorte af was hij bij mij. Mijn vader had hem gezegd: „gij Peter! zult Jonker Jan bedienen. en hij heeft den hem opgedragen last volbracht. Toen ik naar Frankrijk vertrok, zeide ik tot hem: „Peter! gij zult het slot Nyenstein gaan bewonen en er niemand op laten, en zorgen dat ik het bij mijn terugkomst vinde zooals ik het gelaten heb:” – en Peter vertrok naar het slot, en toen ik voor een paar dagen terugkwam, vond ik op de trap een handschoen, dien ik er, bij mijn vertrek, vier jaar geleden, had laten vallen.”

Reinout glimlachte even over dit voorbeeld van nauwkeurigheid: maar weldra hernam zijn gelaat een ernstige plooi en reed hij weder zwijgend en treurig voor zich heen.

„Ik had verwacht,” zeide de Bisschop, „dat gij uw zwarten hengst met meer genoegen zoudt hebben teruggevonden na een scheiding van zes dagen; maar waarlijk, gij slaat niet mee acht op hem, als ware hij de ezel van Barbanera’s hansworst.”

Reinout zuchtte diep; want inderdaad, zijn hart werd door de pijnlijkste aandoeningen gefolterd. Hij had gedurig de beeltenis voor zich van zijn wapenbroeder, van den vriend zijner jeugd, van dien Deodaat, met wien hij altijd zoo innig verknocht was geweest en wiens moordenaar hij geworden was. Hij herdacht die gelukkige en kommerlooze dagen, toen zij, eens van zin en ziel, geene gedachten voor elkander verborgen, leed en lief te zamen deelden en altijd gereed waren elke opoffering voor elkander te doen: toen zij, in spijt hunner twijfelachtige geboorte, aan ’s Graven hof geëerd en gezien waren, de fortuin hun toelachte en de roem hun laurieren bood; – en thans! welk een onderscheid! – als een moordenaar zwierf hij rond, half overgeleverd aan de genade van een onbekende, wiens inzichten hij niet doorgrondde, vervallen uit den eerestaat, waarin hij geplaatst was en beladen met den vloek van velen. En met dit al, zoo hevig is de macht van een dwazen hartstocht, hij zou zelfs nu nog zijn liefde niet hebben willen opofferen om zijn vriend in ’t leven terug te roepen: – hij zou zijn tegenwoordig ongeluk niet tegen zijn vroeger geluk hebben willen ruilen: en hetgeen hem meest folterde was niet zoozeer berouw over zijn euveldaad, als spijt over het nuttelooze van zijn feit: het was woede over de kloof, die hij zelf tusschen Madzy en hem gedolven had: het was bruisend verlangen om haar terug te zien: het was heete liefdekoorts, zonder tusschenpoozen, zonder nadenken, zonder hoop. O! had hij geweten, dat het voorwerp dier brandende drift slechts weinige schreden achter hem, en éénen weg met hem uitreed; niets in de wereld in de wereld had hem teruggehouden om haar uit haar draagstoel te lichten en haar met zich te voeren in spijt van alle hinderpaalen: – en zij, de arme duif, had zij slechts kunnen vermoeden, dat de  Ridder, wiens gedaante zij nu en dan door de reten der lederen gordijnen onderscheidde, de gehate Reinout ware, zij had zich liever in de Vechtstroom geworpen, dan een stap verder te gaan.

„Ik beken,” zeide eindelijk Reinout tot zijn reisgezel, „dat mijn omstandigheden niet van een vroolijken aard zijn; en dat de onzekerheid, waarin ik nopens de toekomst verkeer, niet wel in staat is mij op te beuren… dan, gij had mij beloofd, mij opheldering te geven omtrent uw gedrag jegens mij.”

„En belofte maakt schuld, nietwaar? – Welnu! ik beken u openhartig, dezen morgen mistrouwde ik u en daarom hield ik u in bewaring: maar een onderhoud met Barbanera lost mijn zwarigheden op. Ik schroom niet, u mijn vertrouwen te schenken. Gij kent mij reeds als den man, aan wiens zaak gij uw arm en uw ervarenis kwaamt aanbieden; maar, wat u misschien vreemd zal voorkomen, in plaats van u mijn bescherming te schenken, moet ik om de uwe vragen.”

„De mijne!” herhaalde Reinout verbaasd: „welk bescherming kunt gij van een ongelukkigen zwerver verwachten?”

„Ik zal u zulks verklaren. Staatskundige redenen, wier gewicht u later blijken zal, verbieden mij, vooralsnog mijn rang en naam openbaar te maken. Ik reken op uwe stilzwijgendheid, en zoo ik u geen eeden afverg, is het, omdat ik u tot geen verraad in staat acht. Indien ik mij alleen in Utrecht vertoonde, zou ik vermoedens wekken en het zou mij spoedig onmogelijk vallen zoo onbekend te blijven als ik verlang. Daarom wil ik er slechts als uw schildknaap verschijnen, in wien niemand den kerkvoogd vermoeden zal. Mijn broeder Robbert heeft een woning besteld voor den Ridder van den Rooden Adelaar: die zult gij betrekken: gij zult er meester in zijn; ik zal onder uwe vleugelen schuilen.”

„En onder wiens vleugelen,” vroeg Reinout, „zal onze reisgenoot schuilen, die zich in gindschen draagstoel bevindt?”

„Wat die betreft, zij (want het is eene zij) zal een paar vertrekken in onze woning bekomen, waar ik begeer, dat niemand, wie hij zijn moge, haar kome storen. Wat meer is, ik verlang, dat niemand pogingen aanwende om haar te zien, veelmin met haar te spreken.”

„Ik versta u: ik weet, dat het niet geoorloofd is, aan geestelijk eigendom te raken.”

„De Graaf van Holland is minder nauwgezet,” zeide Arkel: „hij zou den geheelen Dom in zijn tasch steken zonder er een oogenblik berouw over te gevoelen; – maar, nu ik u mijn voornemen heb medegedeeld, verwacht ik wederkeerig u vertrouwen. Ik weet, dat Barbanera u niet slechts mijn geheimen heeft medegedeeld; hij heeft u ook openbaringen omtrent u zelven gedaan.”

„Gij weet ook dit!…”

„Ik weet, dat gij, nog liever dan mij te vergezellen, naar Friesland zoudt reizen, indien gij aldaar met zekerheid aan den Heer van Aylva bewijzen kondet, dat gij zijn zoon zijt.”

„Inderdaad!” zeide Reinout: „doch hij heeft mij een nader bewijs beloofd, zoodra…”

„Zoodra gij in staat zoudt wezen, dit met goud te betalen, daarvoor ken ik hem genoeg. Ik weet, dat onze kwakzalver zijn waren zoo min als zijn valsche geheimen anders dan tegen klinkende munt verkoopt.”

„Ik heb,” liet Reinout zich ontvallen, „hem bewogen, met mij naar Friesland te gaan, zoodra…”

„Zoodra gij mij goedschiks kunt verlaten, nietwaar?… Zoo! ja! dus is uw reis naar Utrecht slechts een voorwendsel om verder te komen: en zal ik mij eerstdaags een schildknaap zonder meester bevinden? – Het zij zoo! Alleen zult gij nog eenige dagen op uw vriend den kokeler moeten wachten; want ik heb hem tot een geheime zending uitgezonden.”

Reinout zweeg en beet op de lippen, terwijl Arkel achter zijn helmvizier lachte. Wellicht zal men zich verwonderen, dat de Bisschop, die zooveel belang stelde op het bondgenootschap der Friezen, niet dadelijk aan Reinout de bewijsstukken, welk hij bij zich had, terhandstelde en hem naar Friesland afvaardigde; maar, behalve dat hij den Ridder noodig had om zijn komst te Utrecht bedekt te houden, was hij nog niet overtuigd, of deze zijne wel indachtig zijn zoude, wanneer hij in Friesland kwam, en wild hij den Italiaan wat nader doorgronden, eer hij hem een zoo belangrijke zending opdroeg. – Met deze bedoeling ging hij aldus voort:

„Er is, geloof ook, nog een andere reden, waarom een reis naar Friesland u hoogst aangenaam zijn zou. Men verhaalt, dat, zoo Deodaat viel door den dolk van zijn boezemvriend, zulks alleen geschiedde, omdat hij wat dieper in de gunst van zekere Madzy Dekama gedrongen was dan den anderen aangenaam was.”

Dewijl gij alles weet,” zeide Reinout, „waartoe dan deze nuttelooze vragen? Ja! ik heb mijn vriend gestraft, omdat hij mij trouweloos behandeld, ja, laaghartig verraden had.”

„De wijze, waarop gij u gewroken hebt,” zeide de Bisschop, „getuigt, dat het bloed uwer Italiaansche moeder feller door uw aderen stroomt, dan dat van uw Frieschen vader; maar gij hebt het dom aangelegd: ik begrijp, dat men iemand uit den weg ruimt, die ons hinderlijk is; maar dat men zulks uit loutere wraakzucht doet en zonder er eenig nut uit te trekken, dat kan ik… gij zult mijn vrijpostigheid verschoonen… niet ander dan aan een aanval van zinneloosheid toeschrijven. – Wat hebt gij met dien moord gewonnen? Aylva zelf zal er u om haten.”

Reinout zweeg en zag zuchtend voor zich neder; hij gevoelde de juistheid van Arkels gezegde: ofschoon zijn hart gruwde van een stelsel, waarbij een moord in koelen bloede meer verschoonbaar gerekend werd dan een moord in drift gepleegd.

„Maar één ding moet gij mij nog verhalen,” zeide Arkel: „hoe zijt gij toch uwe gevangenis ontkomen?”

„Seerp van Adeelen, wien ik als medeminnaar haatte, toonde zich mijn vriend. Hij verschafte mij een dolk. Toen ik nu in den toren van het jachthuis zat opgesloten, viel mij een middel ter ontkoming in, waar ik vroeger wel eens van had hooren gewagen; doch hetgeen ik altijd als onmogelijk beschouwde. Het bestaat hierin: men houdt het gevest van den dolk met beide handen stijf vast, plaatst de punt tegen den buitenmuur en zet zich op het lemmet te paard: dan daalt men af: de scherpe punt glijdt den muur langs naar beneden: terwijl de kracht, waarmede men den dolk tegen de steenen aandrukt en de zwaarte van het lichaam zelf beletten dat hij uitschiet. – Het was onvoorzien: ik beproefde het: en het gelukte mij boven verwachting.”

„Ziedaar een kunstgreep, behendiger dan die van meester Barbanera.”

„Van hem gesproken, hoe komt die gelukzoeker aan uwe kennis en aan uw vertrouwen?”

„Oho!” zeide Arkel: „mijn nieuwe meester begint zijn gezag al uit te oefenen; maar ik zie geene redenen om niet aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. De oude gauwdief is te Grenoble, waar hij baardscheerder was, in mijn dienst getreden. Ik gaf hem, ruim vier maanden geleden, zijn afscheid, omdat ik bemerkte, dat hij mijn belangen minder goed behartigde dan de zijne. Toen ik een paar maanden later, begreep, dat mijne tegenwoordigheid alhier noodzakelijk was, verliet ik Grenoble onder voorwendsel eener reis naar Italië en nam mijn weg over Zwitserland en Duitschland. Te Keulen gekomen, hoorde ik van een steekspel spreken, dat te Haarlem gehouden stond te worden. Terstond was mijn besluit genoemd: dit, dacht mij, was een heerlijke gelegenheid om onbekend in deze gewesten te verschijnen. Ik schafte mij de wapenrusting aan, die gij thans draagt, dankte mijn dienaars af, nam in mijnen dienst de beide knapen, die ons vergezellen en mij niet kennen, en trok door. Te Nijmegen gekomen, vond ik de stad opgepropt met reizigers: ik moest mijn intrek in een slechte herberg nemen: daar vond ik Barbanera, die mij terstond herkende. Ik begreep zijn stilzwijgen te moeten koopen, en tevens oordeelde ik, dat hij, wiens schranderheid ik kende, mij van dienst zoude kunnen zijn. Den hansworst had hij in Duitschland opgedaan: van dezen was geen ontdekking te vreezen, maar ik vond in hem een geschikten en ijverigen bode. Te Leiden werd mijn paard ziek: ik liet het daar met mijn wapenen en dienaars, en hield mij bij Haarlem verborgen: den dag voor het steekspel kocht ik de paarden, die wij thans berijden, van iemand, die zich voor een paardenkooper uit Asperen uitgaf…”

„Van een onbeschaamden dief,” zeide Reinout: „die meer van uwe zaken schijnt te weten, dan wel dienstig is. Althans hij verhaalde gisteravond, dat gij hem voor den dienst des Bisschops geworven hadt.”

„Gekheid! hij weet niets! – Ik had spoedig in den neus, dat hij met zijn persoon machtig verlegen was: ik zond hem daarom naar mijn broeder met een brief in cijferschrift, waarin ik meldde, dat ik te Plaswijk antwoord wachtte. Dit bracht mij de knaap gistermiddag. Ondertusschen had hij bij de Stichtschen dienst genomen.”

„En… die draagbaar,” zeide Reinout: „heeft die u op uwe reizen bestendig gevolgd?”

„Neen!” antwoordde Arkel droogjes weg; „die is mij somtijds voorgegaan; – maar ik had verzocht, dat daarover niet gesproken zou worden. Gij weet nu al wat gij verlangt te weten. Wij zouden onzen tred wat kunnen verhaasten.”

Onder het uiten dezer woorden, gaf hij zijn paard de sporen: en de trein reed op een vluggen draf naar Utrecht voort”


[Hoofdstuk 22] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 24]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.