MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

O simpele vogels! de listige knippen
Bedriegen u schendig door ’t veinzende voer.
’t Zoet fluitje speelt vrede: ’t loos net dekt den vloer
Der weiden, waarop gy u welstand laat glippen.

Poot.

Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis, die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken, wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin zij belang stellen.

Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof, en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreven eikenhouten tafel gezeten, en hiel zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond, noch het boerinnepak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans door ziels- en lichaamssmarten eenigzins verdoofd schenen; meer dan eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een burgervrouw van middelbare jaren aan ’t spinnewiel gezeten. Zij scheen minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was, zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken, te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was, onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen de zwaar uitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament, dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde nagenoeg die eener loerende kant; – want wat het linkeroog betrof, dit was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan.

Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor ’t overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans allesbehalve aangenaam was; in tusschen moeten wij dit zeggen tot eer van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd was nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde, welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren.

„Lief kind!” zeide zij: „hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot het werk niet, of hebt ge muizenissen in ’t hoofd?”

„Mij dunkt,” zeide Madzy, „ik heb weinig reden tot opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis, waar ik met iemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan ’t harte ligt....”

„Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind, dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom; maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjerheer? – En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd wer op het blonde Femke, schoon het maar een arm schepseltje was, dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten, dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zin als een vink?”

Het scheen , dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te boezemen, op deze laatst geenszins de gehoopte uitwerking maakten; althans de Jonkvrouw zag haar met een blik van verontwaardiging aan en loosde vervolgens een diepen zucht.

Waarlijk poesje!” vervolgde Mechtelt: „gij bezondigt u, met zoo te kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet, toen gij hier aankwamt met de koorts op ’t lijf, doen genezen en verzorgen of gij zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven, toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond, omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zich alleen met groentestelen  en erwtenschillen moeten tevreden houden, dat moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansch beleg, dat men een goudstuk voor een gestopte beuling geeft, dat doet men!”

„Dat moet niet zijn,” zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: „dat mag zoo niet blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal zijn. Ik zal hierover met onze gastheer spreken.”

„Wat een dwaasheid, engeltje!” riep Mechtelt, vervaard en verontrust door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats maken voor den soberen pot der arme burgerij: „ik hoop, dat gij wijzer zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te bezorgen, die zij hadden toen ik u ’t eerst zag.”

„En gij zoudt verlangen,” zeide Madzy, „dat die blos op mijn wangen gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten, hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een lijdend huisgezin had kunnen verzekeren.”

„Nu! ik mag het lijden,” zeide Machtelt: „maar gij krijgt het van onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester, dat is hij! die niet wil. dat iemand in zijn huis gebrek lijde.”

„Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs,” zeide Madzy; „maar ik wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen.”

„Dit huis verlaten!” herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware vatbaar geweest: „heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen de vrucht, dat don wij! en waarachtig al de meisjes hier in de stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij zou het nooit dulden. ”

„Hoe!” zeide Madzy, verwonderd en verontrust: „Nooit dulden! wat meenen deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt.”

De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets, dat een glimlach beteekenen moest: „och mijn hartje!” zeide zij: „gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele: die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond, en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zo bout als gij, dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat ’s waar; – maar er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man, die haar met de pen opvoedt, dat doet hij.”

„Vrouw!” riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): „Vrouw! wat bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen dag langer in dit huis. Ziedaar!” vervolgde zij, een gouden doekspeld op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien zij die Mechtelt in handen gaf: „neem dit tot belooning der diensten, die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis. – Van daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen.”

Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt, waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep.

„Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!” riep zij: „men gaat hier zoo niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik. – En schreeuw maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!”

In dat oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelswijze haar kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg: – en Madzy, omdat zij op een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig met haar stand en geboorte.

„Hoe nu!” zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: „de wangen van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen, Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken, dan met u de minster beleediging aan te doen.”

„Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?” zeide Mechtelt: „Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dacht ik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heenwandelen, dat wou ze: en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik.”

„Gij dacht als een oude zottin,” zeide Arkel, haar verstoord aanziende: „is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan waar zij heen wil? – Alleen smart het mij,” voegde hij er bij, terwijl hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag, „dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij vergund te hebben, afscheid van u te nemen.”

Madzy bloosde en zag voor zich: want, hoewel zij geen berouw gevoelde over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat deze handelswijze den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer: en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet, haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins jegens hem in ’t ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had.

„Vertrek!” zeide Arkel tegen de oude vrouw: „en beef, indien ik ooit weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt.”

Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer nooit ander als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze har voornemen varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid.

Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt, om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden zijn lokken van onder uit de muts van Gentsch scharlaken, die met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel om ’t lijf gesloten, liet een wit zijden buis, zien, met zilverdraad doorweven terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In ’t kort, hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt maken, dan op een geheimen inwoner eener belegerde stad.

„Het is dan waar,” zeide hij eindelijk met een diepen zucht, „gij hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijken van eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder waarschuwing, te verlaten?”

„Ridder!” zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in ’t aangezicht ziende: „het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik het meen. – Wel dan: – ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt: – dit alleen is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven: en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken, dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan die, welke gij mij verleenen kunt.”

„Ik heb vermeend,” zeide Arkel, „de welvoeglijkheid in acht te nemen, door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de keuze bedrogen heb.”

„Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?” vroeg Madzy, hem scherp aanziende: „dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij hij geplaatst…; maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden: – het is mij steeds geweigerd uithoofde van zwakte… het zij zoo! – die reden bestaat thans niet meer.”

„En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zou ontrooven, wat hem het leven draaglijk maakt?”

„Hoe!” riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig verwezenlijkt te zien.

„Ja, bekoorlijke Madzy!” zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: „ik zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk bemin? Zie deze arm,” vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en het verband toonende, dat om den arm geslagen was: „heden werd hij in den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij verheugde de gedachte: Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb, om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde.”

Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, die zij aan hare voeten zag.

„Gij hebt schadelijk en onridderlijk met mij gehandeld,” zeide zij: „gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns ondanks terug te houden.”

„En wat is dan mijn misdaad geweest?” vroeg Arkel: „is het mij te wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord, dat ik uit uwen mond hoorde, mij een nieuwe voortreffelijkheid in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt hebt, om het tijdstip nog verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo ’t zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven. – Is dat een misdaad, u te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel; want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig u te verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden, voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u dat Friesland, waarvan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven, dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een koude vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide, een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt, dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden, nog lomper en onverdraaglijker dan uwe boeren. Maar aan mijn zijde zullen uwe dagen vroolijk blijde daarheen vlieten: al de vermaken, al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd: geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen: en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele blik van tevredenheid mijne pogingen beloont.”

„Ridder!” herhaalde Madzy: „indien ik in vrijheid ware en in ’t midden van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen, dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan het onnoozele vinkje in ’t kooitje sluiten of den kop inknijpen: maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van Gods vrije lucht verkieze.”

„Moet ik,” vroeg Arkel, „uit uwe woorden zelve, niet afleiden, dat ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen, dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?”

„Neen!” zeide Madzy, ontsteld: „zoo laag zult gij niet handelen. Zoo er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van hier vertrekken.”

„En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in: vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren.”

„Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis gebleven; – maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden.”

„Beproef het eens,” zeide Arkel met een boozen glimlach, „bel slechts aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen, dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter.”

Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld dat haar goede naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg.

„Ween niet, beminde vrouw!” zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: „ween niet: mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken: gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden; – doch blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een norsch gelaat te toonen.”

„Neen!” snikte Madzy: „zulk een afschuwlijke boosheid heeft nooit bestaan. Verfoeilijk mensch!” vervolgde zij, hem met ijzing aanziende: „wie zijt gij?”

„Wie ik ben,” antwoordde Arkel, „zal misschien de toekomst ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop; maar dat kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, net de voornaamsten in ’s Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven.”

„Elk uwer woorden,” zeide Madzy, zich van hem afwendende, „maakt u nog gruwzamer in mijne oogen. Één woord van u kan den oorlog doen eindigen! – en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen om kwaad te doen?”

„Neen meisje!” zeide de Bisschop: „in welk ongunstig daglicht gij mijne handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet, dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zal mij schamen, van met geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan ’t zijn, aan de liefde wil dank weten.”

„Geen nadenken, geene overweging,” zeide Madzy, terwijl zij haar oogen afdroogde en met waardigheid oprees, „zijn in staat, eenige verandering in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die, welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden, zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht, tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en hare tranen, geweld moeten gebruiken.”

„Dat zal onnoodig zijn,” zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken, achter een bitteren lacht verbergende: „zoo uw meisjesarm sterk genoeg is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren, u aan uw kerker te gewennen.”

„Welaan!” zeide Madzy: „er blijft mij een middel over om mij aan uw dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten: – dan voor ’t minst zal mij de dood van uw dwang bevrijden.”

„Madzy!” zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud begon te nemen: „o! spreek zoo niet!… zoo gij wist… maar neen; ik mag niet spreken.”

„Voleind,” zeide zij: „onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet, die in uwe ziel komt opgerezen.”

„Helaas!” hernam hij, „zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt, gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt te beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels toe; – welaan! ik zal duidelijker spreken, – Madzy Dekama! ik ben…”

Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den schildknaap Otto riep. Zoodra de bisschop dit geluid vernam, zweeg hij eensklaps, sloeg zich voor ’t hoofd en snelde de deur uit, welke hij echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten; waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was.

Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en gelijk men denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde zij opnieuw den dag, toen zij voor ’t eerst het land van haar geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest, die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe, zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar voorspoed was een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden de roof der Friezen worden?

Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar, in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer den eens werd het door heete tranen afgebroken; – maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij zich gesterkt en opgebeurd, en met kalm gelaat besloot zij haar lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar: zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open: – maar wie schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats van haar gevreesden vervolger, Aylva’s dienaar, den getrouwen Feiko voor zich zag.

Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het volgende hoofdstuk ophelderen.


[Hoofdstuk 23] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 25]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.