MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Zoo vlught de nachtegael het vogelvangers garen,
En valt in ’s arends klaauw.

Vondel. Maria Stuart.

Ofschoon Madzy’s verlangen om Utrecht zoo spoedig mogelijk te verlaten, de noodzakelijkheid om van den gesloten wapenstilstand gebruik te maken, de toebereidselen tot het vertrek hadden verhaast, was het echter reeds laat in den namiddag, toen onze heldin met haar gezelschap de Witte poort uittrok, voorafgegaan door Arkel zelf, die in zijn dos van schildknaap des Ridders van den Rooden Arend, welke bij het krijgsvolk welbekend was, hun een onverhinderden aftocht verschafte, en uitgeleide deed tot aan de overzijde der stadsgracht. Hier hield hij een oogenblik stil, en, Madzy naderende, boog hij met eerbied zijn gehelmd hoofd over de hand, welke zij hem ter afscheid toestak, waarna hij, zonder een enkel woord te spreken, de teugels wendde en langzaam weder naar binnen reeds, terwijl de Jonkvrouw met haar geleide haar weg vervolgde. Madzy bereed het paard, waarop Arkel bij zijn vertrek van Nyenstein gezeten was geweest: en weinig dacht zij, dat de vos, die een zoo zachte en gelijke beweging had, eens het eigendom geweest was van dien ongelukkigen Deodaat, wiens beeld al de vreemde voorvallen, die zij ondergaan had, nog geenszins uit haar geest hadden geweerd. Naast haar reed Feiko, wiens oplettend oog al de bewegingen van het paard zijner wedergevonden meesteres gadesloeg, ten einde in staat te zijn, zoo er iets gebeurde, dadelijk met zijn hulp bij de hand te kunnen zijn. In de achterhoede kwam onze goede hansworst op zijn ezel, met den aap op den schouder en de tooverkast van meester Barbanera op den rug, en beweerde al lachende, dat zijn vracht zwaarder was dan die van grauwtje, en dat hij nabij de eerste rustplaats beproeven zou, de kast op den ezel te zetten en zelf op de kast te gaan zitten. Nevens hem reed een Cistenser monnik, welken laatsten Arkel, zoo ’t heette uit overmaat van zorg, hun tot gids een gezelschap had medegegeven. Hoewel beiden elkander veel te vragen hadden, zetteden echter Madzy en Feiko hun weg in stilte voort, liever verkiezende, hun onderhoud uit te stellen tot zij in ’t open veld en veilig waren; want niettegenstaande den wapenstilstand, en de gerustheid, welke het gezelschap eens potsenmakers inboezemen moest, bleef het een waagstuk, aldus door een legerplaats heen te trekken, waar men veel kans had kwalijk behandeld te worden, en Madzy bovendien gevaar liep van herkenning, welke haar opzet ten eenenmale zoude verijdelen. Zij reed dan langzaam en met omsluierd gelaat, zonder op te zien, vooruit; maar Feiko daarentegen liet gestadig, zoowel uit bezorgdheid voor haar als uit nieuwsgierigheid, den blik nu her- en derwaarts weiden, om te onderzoeken of er ook eenig gevaar ophanden ware, en om te beschouwen wat bezienswaardig scheen. Reeds hadden onze reizigers rechts en links van zich een paar dier hooge stormtuigen laten liggen, waarvan er dertien om de benarde stad waren opgericht, en waaruit, onder de bedekking van de talrijke boogschutters, die zich op de bovenste verdieping bevonden, steenen kogels van een ontzettende zwaarte in de stad werden geschoten. Thans echter waren die gevaarten verlaten en alleen door een kleine wacht bewaakt. Zij bevonden zich nu aan den ingang der belegeringswerken, achter welke men tallooze horden, karren met aarde, en andere voorwerpen onderscheidde, tot demping der gracht bestemd; maar de belegeraars, afgetobt na de vermoeienissen der vorige dagen, lagen meest allen in diepen slaap uitgestrekt en genoten die rust, welke de wapenstilstand hun toeliet gedurende vier en twintig uren ongestoord te smaken. Met dat al geraakten de vluchtelingen niet binnen het rasterwerk, waarmede deze legerschans omsloten was, zonder door de schildwachten te zijn aangehouden; maar dezen, zoodra zij Feiko en Daamke voor dezelfde personen herkenden, welke dien morgen door Jonker Zweder van Naaldwijk tot aan de poort waren geleid, lieten hen onverhinderd doortrekken, ’t zij uit eerbied voor den hun gegeven last, ’t zij uit aanmerking van den wapenstilstand, ’t zij eindelijk omdat zij te lui en te vermoeid waren om nadere bevelen te gaan vragen.

Onze reizigers waren alzoo de werken doorgekomen, welke de stad als met een ring omsloten, en bevonden zich op een ruimen grond, waar zij het vooruitzicht hadden, vooreerst niet te zullen worden aangehouden; – want de tenten lagen, uithoofde van plaatselijke omstandigheden, niet langs den weg, dien zij volgden, maar aan weerszijden, meer landwaarts in; terwijl schier elk krijgshoofd of Baanderheer zijn eigen kamp had, zoodat men niet slechts ééne legerplaats zag, maar ongeveer evenveel legerplaatsen als er bevelhebbers waren, naar de gelegenheid van den grond hier en daar over de vlakte verspreid. Niet zonder moeite echter vervolgde de kleine stoet zijn weg langs de groote heirbaan op Amersfoort, die zelfs in gewone tijden niet gemakkelijk te berijden was; maar thans, zoo door veelvuldige regens als door den gestadigen overtocht van voet- en paardenvolk, legerwapens, karren met steenen, mondbehoeften en andere benoodigdheden voor de belegeraars, bijna onbruikbaar was geworden. De zon, welke sedert een paar weken achter donkere wolken was verscholen geweest, had echter onze reizigers, even nadat zij Utrecht verlaten hadden, met haar welkome stralen komen verkwikken, als wilde zij haar verschijning tot een goed voorteeken voorden aangevangen tocht doen verstrekken, en bij onze lieve zwerfster de hoop doen herleven, dat na de bange onspoedsdagen, welke zij had doorgestaan, het geluk opnieuw voor haar zou dagen. En los zuidenwindje verdreef de dunne en waterlooze wolken, welke nog in het luchtruim zweefden, en dartelde in het loof der hooge eikeboomen, welke van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vroolijk staken de witte legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide tevens. Men zal vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd, wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zelve, door den onbarmhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met het schieten met den boog; – en daarlangs, hunne in den kring gekwetste makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen, in sloten en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den blauwen hemel te wenden: „ja!” dacht zij dan bij zich zelve: „hier op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede.”

Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden, en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield, kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen, hun op zijde. „Nu!” riep hij: „bij Sint-Julfus zoo die Cistenser broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met een diefleider hetzelfde veer moet oversteken.”

„Hij zit met dat al goed in den zadel,” zeide Feiko, even omziende: „en ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven gedaan had, dan viligiën te zingen en missen te lezen: – in waardigheid!” herhaalde hij, nogmaals omziende: „hij rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit niet beter te paard.”

En door  die warme belangstelling gedreven, die elken liefhebber van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon onze goede Feiko niet nalaten, in spijt van zijn bezorgdheid voor de Jonkvrouw, telken reize het hoofd te wenden om de rijkunst van den vromen pater te bewonderen, die, zonder te bemerken dat men acht op hem sloeg, tusschen de ooren van zijn paard voor zich neder keek en voor niemand eenige gedachten scheen te hebben dan voor het moedige ros, dat hij bereed.

„Voorwaar!” riep onze vroolijke hansworst, terwijl hij de blikken in ’t rond sloeg en zijn tong in vrijheid vierde: „ziedaar een schoon schouwspel! bij Sint-Julfus! mijn waarde Cezar, mochten wij eens samen over die velden trekken als de strijd volstreden is en het slagveld verlaten! Wat een vette buit ware daar voor u en mij ten beste. – Voorwaar! ik heb vrij wat legers gezien; maar men zoude er moeilijk een aantreffen, zoo rijk en prachtig als dat van den Graaf! Wat dunkt u, vriend Feiko! zou de tiendepart van dat troepje niet genoegzaam wezen om uw handje in te pakken?”

„Laten zij in tiendubbelen getale komen,” antwoordde Feiko; „dan waren wij pas gelijk; want als zij komen, staat geheel Friesland als één man op; en zij zullen nog een harden dobbel hebben, dat beloof ik u.”

Op dit oogenblik gaf Madzy een gil en haar paard deed een zijsprong. Het dier was geschrikt voor een lijk, dat dwars over den weg lag uitgestrekt. Feiko, die juist dat oogenblik omkeek naar den monnik, ware te laat gekomen om Madzy te helpen, indien haar paard gestort ware; maar de pater, hoeveel hij oogenschijnlijk zich alleen met zijn eigen ros bezig hield, toonde zich op dit oogenblik meer bij de hand dan de trouwe dienaar zelf, en was dadelijk aan de zijde de Jonkvrouw. Hij kortte de teugels, zoodra hij bespeurde, dat zij, zonder iemands hulp, haar vos weder in bedwang had, en bleef in de achterhoede.

„Wees voorzichtig, Jonkvrouw!” riep Feiko verschrikt: – „wat duivel, Pater! gij hebt uw oogen overal en zoudt er vlugger bij zijn dan ik.”

Een half gesmoord gemompel, dat men niet duidelijk kon onderscheiden of het een gebed dan een vloek ware, was het eenige antwoord, dat de monnik gaf.

Madzy had intusschen haar paard bij het lijk doen stilhouden.

„In Gods naam!” zeide zij: „vrienden! ziet toch eens; misschien leeft hij nog.”

„’t Is een Bisschoppelijke ruiter,” zeide Daamke, het lijk met zijn zotskolf aanstootende: „zie eens! hij is reeds stijf.”

„Dat gezicht heb ik meer gezien,” zeide Feiko, de wezenstrekken des gesneuvelden aandachtig beschouwende.

„Dat geloof ik wel,” zeide Daamke, lachende: „heugt u den Haarlemmerhout niet meer, en den koddebeier, met wien gij zoo dapper aan ’t bakkeleien zijt geweest?”

„Bij mijn zaligheid!” zeide Feiko: „het is dezelfde man; maar hoe duivel komt hij hier in het pak van een Bisschoppelijken ruiter?”

„Zeker is hij bij een uitval gebleven,” zeide de potsenmaker: „wie had kunnen denken, toen wij, zes weken geleden, te Plaswijk bij den kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten? Daar hebt gij nu wat aan gehad, om uw wijf te slaan en met eens andermans paarden door te gaan. Ik geloof wel, Jonkvrouw! dat uw vos voor hem schrikte. Zij zijn oude kennissen.”

„Hoe!” zeide Madzy: „was die ongelukkige den man…”

„De man van Elske, met uw verlof,” zeide Daamke: „en de dief van het paard, dat gij berijdt. Maar kom!” vervolgde hij, de bleekheid bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy’s gelaat hadden verspreid: „het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden te Amersfoort willen zijn.”

Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. „Gij waart dan te Plaswijk,” voer zij voort: „en dat dier, was het met u?”

„Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!” zeide Daamke: „nu ik mij wel bezin, moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd, begin ik te begrijpen, dat hij u uit uw slaapplaats verdreven heeft.”

Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar verraste, natuurlijk ware of niet. „Cezar! Cezar!” zeide zij, het beest met den vinger dreigende: „gij hebt mij vrij wat onheils berokkend.”

„Kom!” zeide de hansworst: „gij moet het hem vergeven. Jonkvrouw! om der goede diensten wille, welke hij u bewees, door dat zaterdagsche wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frissche knauw te geven.”

„Stil!” zeide Madzy: „over haar verlang ik niets meer te hooren, noch ten goede, noch ten kwade… maar zeg mij, ziet gij ginds geen stormhoeden blinken achter de heggen?”

„Juist! wij  komen hier aan den buitenste cirkel van de legerplaats: en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zij houden scherpe wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere doe verwerven, wij hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar ’t zij hoe ’t zij, Jonkvrouw! er moet een vroolijk gelaat getoond worden en een liedje gezongen: hoe luidruchtiger wij zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij zullen wekken.”

En aanstonds ving hij aan met een heldere stem een liedje te zingen, waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt:

DE VEERMAN AAN DE LEK.

Jan Carels zit aan het Lekkerveer
En vaart met zijn pontje al heen en weer:
En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,
Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald
.

Daar roept hem een monnik, een man van verstand:
„Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”
„Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:
„Maar hebje nu al in de beurs getast?” —
„De monniken dragen geen beurs op zij.”
„Dan spreekt je mij straks van mijn zonden vrij.
De pater zijn tol met een aflaat betaalt,
Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!” —

Daar roept hem een kook’ler, een geestige kwant:
„Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”
„Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:
„Maar hebje nu al in de beurs getast?” —
„Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!”
„Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij;
De kook’ler zijn tol met een kunstje betaalt,
Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!” —

Daar roept hem een meistreel, de veęl in de hand:
„Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”
„Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:
„Maar hebje nu al in de beurs getast?” —
„De meistreel is arm, geloof mij vrij.”
„Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij.
De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,
Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!” —

Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:
„Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”
„Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:
„Maar hebje nu al in de beurs getast?” —
„Och veerman, zoo waar ’k heb geen penning bij mij.” —
„Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij.
Het meisje haar tol met een kusje betaalt,”
Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!” —

Daar roept hem een heer, rijk in goed en in land:
„Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”
„Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:
„Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij.” —
„Maar hebje nu al in de beurs getast?” —
„Dan blijfje maar, vriendje aan de overzij;
Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,
Die wordt met zijn pontje niet overgehaald!” —

Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven, zeisen of bogen leunende, deels langs den weg neerzittende, zijn gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy tot een goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen.

„Welzoo, meester hansworst! alweer terug?” riep een der soldaten hem toe: „en nog wel met uw aap? – Begon het u in Utrecht al te vervelen?”

„Men heeft er al te schralen pot,” antwoordde Daamke, „voorlieden, die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik.”

„Ik geloof het wel,” hernam de krijgsman: „en wat mij het meest verwondert, is dat men er u beiden niet aan ’t spit gestoken heeft, en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld sedert hedenmorgen.”

„Bij Sint -Julfus!” zeide Daamke: „dat is buit, dien ik gemaakt heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas en zijn gevangenen.” En hij deed deze woorden vergezeld gaan door eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien.

„Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet,” zeide de krijgsknecht: „wij moeten eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen, tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een veer zou laten? – Neen man! gij hebt zelf gezongen: een kusje van de deerne; en de pater zal ons absolutie geven voor al de zonden, die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven.”

Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral toen zij de onbeschaamde blikken bespeurende, welke sommigen uit de bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich deze en gene onder hen bediende.

„Waar is uw aanvoerder?” vroeg Feiko, vooruitrijdende: „Jonker Zweder heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan en terug te keeren.”

„Tut! tut!” zeide een van de bende: „hij zou wel dwaas zijn, die hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons, en niet één zal er door zonder tol te betalen.”

„Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen,” zeide Madzy: „noem uw eisch; maar bedenk dat wij arme reizigers zijn.”

„Arm of niet,” zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: „een mooi meisje dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg.”

Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvaller deed nederkomen.

„Wij zijn op de flesch!” riep de hansworst, wiens dapperheid gelijk ons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid voort, alsof het in Navarra, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna, maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht.

Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de Cistenser monnik haar op zijde gekomen.

„Vlucht!” zeide hij; en meteen den teugel van haar paard grijpende, zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door een rij berkeboomen was afgescheiden.

Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende een schier sprakeloos naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder, of zij greep den monnik angstig bij den arm: „Om Gods wil!” riep zij: „laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!”

Maar de monnik scheen ňf weinig over het lot van den dienaar bekommerd te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te brengen, ňf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zichzelve in gevaar zouden brengen zonder Feiko van eenigen dienst te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding te hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar moedigde, met een kort zweepje, dat hij in de hand had, het paard van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen.

Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen, wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken.

De plaats, waar  zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met een dubbele rij stevig raster omringd, welker punten naar hen waren toegekeerd. De ingang was nauw en werd ’s nachts door een valboom gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten, onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen, welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten van onderscheiden wapens wandelden heen en weer of waren bezig met het polijsten en opscherpen hunner bijlen en zeisen: enkelen ook met het spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar maken van allerlei stormwerktuigen: – in ’t kort, het was een tooneel vol gewoel; – maar op oogenblik, dat Madzy en haar reisgenoot aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.

De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen, zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig, dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest herkregen had, onvervaard het poortje binnen.

„Verzoek uw hopman  hier te komen,” zeide zij, zich met waardigheid tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.

„Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?” vroeg de speerman, over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning verwonderd: „slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware, waar elke leegloper onverhinderd insnijdt.”

Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden, dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. „Ga!” zeide zij: „en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen.”

„Wat hamer!” zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid komen aanwandelen): „zijn wij onder ’t spinrokken vervallen, dat wij bevelen ontvangen van een jonge meid?”

„Gij kunt vrij lachen,” zeide de speerman, die het eerst gesproken had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen: „er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik wčl zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht.”

„Zie dien ouden snoeshaan,” hernam de andere soldaat: „altijd hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient.”

„Eene zeer juiste aanmerking,” zeide de veteraan: „waarvoor gij, Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is. – Zoo er lieden aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan.”

Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten, terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en  met hen naar den voorpost wandelde.

„Wat wilt gij?” vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.

„Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen: zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in ’s Hemels naam.”

De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid dat hem ontsnapte.

In dit oogenblik werd Madzy’s aandacht door een ander schouwspel gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien, die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige pijlen staken op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek, en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten.

De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen, stuurde ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij gekwetst ware.

„Gave de goede God,” zeide de hansworst, „dat de pijl mij getroffen had, en niet mijn trouwen vriend en makker?”

„Hoe!” vroeg Madzy: „wie dan? wie is gewond?”

„Zijn broertje is gewond,” riepen verscheidenen onder de omstanders lachende uit.

Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke’s bittere smart geen minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had, eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde.

„Lacht vrij, steenen harten!” kreet hij: „lacht vrij: er zullen nimmer zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed; maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt, mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op ’t commando een buiging maken voor ’t gezelschap, en doodliggen, net zooals nu! – maar nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes, over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet verliezen! och! ik ben alles kwijt: – mijn meester, die zelfs de beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!”

Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en bestaan verloor, en dat hij hem ook niet belaagde, gelijk een kind zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoel sproot uit een oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen, schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht afgescheiden.

Onze heldin had echter niet lang tijd op haar meewaarigheid te toonen; de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en haar tegelijk de hand bood om haar van ’t paard te helpen. Terwijl zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in ’t gezicht, en het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening te bevestigen.

De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: „de Ridder heeft nog onlangs gebiecht,” zeide hij: „hij heeft nu alleen van de deerne gesproken: – misschien,” voegde hij er bij, lachende om zijn eigene geestigheid, „zal hij een priester noodig hebben als het meisje van hem af is.”

De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren mompelen: „ja! ’t is misschien beter, dat zij alleen gaat… wie zou haar kunnen weerstaan?” Sommigen echter merkten op, dat hij gedurende Madzy’s afwezigheid blijken gaf van innerlijken onrust en dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht op zich tegen een onverwachte aanval te verdedigen.

Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar, tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.

„Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp,” zeide de schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en waar de banier van afgenomen was: „hij is den Graaf gaan bezoeken, die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert.”

„En wie is uw meester, goede schildknaap?” vroeg Madzy.

„Ho! Jonkvrouw!… dat zult gij ras bespeuren… iemand, wien de schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u.”

„Gij kent mij?” zeide zij verbaasd:… „maar nu ik mij wel herinner, ik heb u ook gezien, in een anderen dos! – zijt gij niet de neef van die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang met zooveel hartelijkheid behandelde?”

„Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons thans bevinden.”

Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Een schildknaap, ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen.

Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare trekken bespeurde van hem wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen zweefde, van Deodaat van Verona.

De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare; want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn, om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.

Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende, welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl hij intusschen geene andere woorden vinden kom om zijn blijdschap te schetsen, dan: „Is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt mij dit genoegen! ’t Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!”

„God zij geprezen! gij leeft dan nog,” was alles wat Madzy uit kom brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.

O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen, dat zijne ziel verhulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen zouden wij de vruchteloos beschrijven.

Weldra echter vervloog als een zaligen droom de zoete vreugde, welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich, aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond, wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.

„Madzy! aangebeden Jonkvrouw!” stamelde Deodaat, terwijl hij voor haar nederknielde en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en lippen drukte.

„Ridder! dit moet zoo niet zijn,” zeide Madzy: „ons laatste onderhoud heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder hersteld te zien.”

„De wond is spoedig geheeld geweest,” zeide Deodaat: „en zou ik niet zegenen, nu zij het genoegen verschaft van een woord van belangstelling uit uwen monde te vernemen!”

„Ridder!” zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: „waartoe dient het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien.”

„IJdele plichtplegingen!” riep Deodaat: „ach! kunt gij dit ernstig zeggen? – maar gij hebt gelijk: – ik herinner mij ter goeder ure, dat gij de verloofde bruid van Seerp van Adeelen zijt.”

„Seerp van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden: hij zelf, hij heeft mij hand afgeslagen.”

„Mijn God!” riep Deodaat: „waar kan de man bestaan, die zulk een prijs weigert?”

„Veroordeel hem niet,” zeide Madzy, blozende en verward: „hij moest denken dat ons gesprek op den Vogelesang een… het gevolg van een afspraak was… en dat ik u…  dat mijn hart… in ’t kort, hij beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt… en misschien had hij niet geheel ongelijk… ik had u nooit moeten aanhooren.”

„Gij zijt wederom vrij!” riep Deodaat, wiens oogen van vreugde fonkelden: „en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?”

„Helaas!” zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt, hem aanzagen met een onbeschrijflijke uitdrukking  van teederheid en weemoed: „waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen, door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt worden?”

„En waarom, vraag ik op mijne beurt,” zeide de Ridder, „waarom zoudt gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken, zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop, te ontzeggen? zal een teedere, belanglooze liefde niet in staat zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet, van u eenmaal de mijne te mogen noemen.”

„Ridder!” hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: „ik wil u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet onverschillig zijn. Ik heb achting voor u… en mijn hart had u wellicht boven anderen verkozen… neen! – spaar uwe betuigingen en antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken. – Gij zijt geen Fries, Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn loon zijn, indien ik tot zulk een stap besloot: en daarin zoudt gij deelen: – wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:… ook dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons hart; – maar! – ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet opofferen: – mijn goede naam ware onherstelbaar verloren.”

„Uw goede naam!” herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigzins gevoelig: „’t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt.”

„Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij, door u te huwen, zou ik mijn vermoedens niet alleen bevestigen, maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom verraden had om eenen anderen mijn min te schenken.”

„Adeelen verdenkt u!” herhaalde Deodaat, zich voor ’t hoofd slaande: „ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel het: gij behoordet mij te haten: maar ik zweer het u, zoodra mijn plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen, dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn.”

„Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen hebben,” zeide Madzy: „mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer van een vrouw aan de punt van ’t zwaard hangt.”

„Gij hebt misschien gelijk,” zeide Deodaat: „en toch behoort er iets gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen, dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen.”

„Wel!” hernam de Jonkvrouw: „laat ons dan beginnen met voor wel het tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen wilt. God weet het: het is mij lief, u wčl gezien te hebben; maar had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit onderhoud te vragen.”

„Hoe!” zeide de Ridder: „gij wist niet… en wien zoekt gij dan?”

Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door ’t hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde, dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten.

„Om Gods wil, Ridder!” zeide zij, „mijn trouwe Feiko!… hij is aan de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd over hem.”

„Wij zullen naar hem laten vernemen,” zeide Deodaat: „Zweder!”

De jonge schildknaap trad binnen.

„Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten gevochten heeft.”

„Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest,” zeide de knaap: „de man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden en wachten op uw bevel omtrent hem.”

„God zij geloofd!” zeide Madzy: „waarlijk, de goede Feiko was misschien wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen…”

„Hoe!” riep Deodaat! „men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?”

„Ik bid u,” antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben: „laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om mijnentwil iemand leed geschiede.”

„Zooals gij verkiest is het wčl! Zweder ga, en zeg dat men den man ontboeie. – En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt van mij te gaan verhalen…”

Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken, ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat, indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet, en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort zou doen.

„Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen,” zeide Deodaat: „ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven, dan zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht als ’s Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had.”

„Ridder!” zeide Madzy, hem haar hand toereikende: „gij zijt een edel mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang met een dankbaar hart gedenken. – Maar nu… o! bedenk wat ik zeide: wij moeten scheiden.”

„Ach,” riep Deodaat: „hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten, daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk ter wereld zou willen verruilen. – Dan genoeg! – Hier scheiden wij! – Ik durf mij zelfs het genoegen niet vergunnen, u tot buiten de deur te geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud, hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u vergezelde. – Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u! – geleid deze… dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En laat Boudewijn intusschen het paard van de… van dit meisje hier brengen. Gij hebt mij verstaan.”

„Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij mijn liefste,” zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.

„Hoe nu, knaap! weet gij…?”

„Uwe Edelheid weet zoowel als ik,” antwoordde Zweder, „dat men Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren, zien en zwijgen; – daarvoor ben ik page geweest.”

Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij te verdragen.

Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het uur van scheiden aankondigde.

Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende, drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol teederheid aan, en haalde toen haar kaper over ’t gezicht. Zij traden de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten, en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.

„Een wakker beestje!” zeide Boudewijn: „maar wat hamer, heer Ridder! het gelijkt, als ’t eene ei op ’t andere, naar den vos, die u ontstolen is.”

„Inderdaad!” zeide Deodaat, „verwonderd van zijn paard te herkennen: „maar des te beter!”

Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, ’t geen hem niet belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen, en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen, nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.

Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen intusschen vooruitreizen, en daar die Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest, in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.


[Hoofdstuk 25] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 27]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.