MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

……Die zich inbeeldt, door het bukken,
Te vinden ’t einde van den nood,
Is van gesond verstand ontbloot.
’t Moet er heel door, of wel aan stukken.

Anon, bij Scheltema, Mengelw. II, 11, 129.

Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een geestelijk gesticht, een adelijke state of een stad geleidden, zag men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting, doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden, en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen zich zelve en hunne paarden te verfrisschen, die alleen, zeggen wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers, die hun vergezelde, ’t zij uit voorzorg tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewoon verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen, dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen, en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had, en die aan de burgers zijn bescherming verleende.

Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte, ditmaal tot het houden van een algemene landdag, werf of weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven de Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde: anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden zich op een tijdstip, dat men een landing der Hollanders vreesde, niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen.

Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aan aannemen, zoowel om niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg, waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals Urk, vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur om het Zuidermeer gevormd, verbroken en diens plas met de Noordzee vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor ’t overige leverde hij weinig anders op, dan ruige steenachtige heiden, hier en daar met bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide keisteenen, zoodat men aankomende oplettendheid en overleg had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend, had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter, het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte der kamperfoeli, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een behoorlijk tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met de zee in ’t verschiet, en daarvoor de West-Friesche kust, welke den gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan, het was dat van medelijden met een landstreek, welke zoo ’t hun voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw, die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren.

Het as, gelijk reeds gezegd is, in ’t midden van dit oord, dat zich de plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik, dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden, de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder den naam van de wilde merkt behouden heeft.

Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren, welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter werd het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De alszoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonde zich, zooals het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale, en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen, die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden, geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden.

Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek, hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander met een blijden groet de hand drukken: ginds wandelen eenige rijke Vetkoopers te zamen, en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken, om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een weinig vetweiderij. Eindelijk kom men nog, aan de donkere blikken en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor ’t oogenblik en om de heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten om weder uit te barsten.

Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden, dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen, die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein daartoe gaf, door met zijn staf eenige heldere slagen te geven op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des voorzitters aan een ouden dwergachtig eikeboom was opgehangen en waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in de andere een ontbloot naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende.

Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende zitplaatsen. De vaste rangschikking, welk in andere landen op dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet, of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de machtigste en voornaamste Edelen of Grietluiden, de beste plaatsen innamen (zijnde die welke zich dichts aan den zetel des voorzitters bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard, en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde, waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen.

Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen, aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbende nevens zich een monnik van Sint-Odulf en een Luidinga-kerke, om aanteekening te houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering.

Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren, en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw door dwang in ’s Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en onbewimpeld verklaren zoude.

De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen in Friesland waren in ’t algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden, na gedurige stroop en plundertochten van West-Friezen en Nooren ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten, welke echter toen nog den trap van woede niet bereikt hadden, waartoe zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid des lands te bewaren, maar men schroomde, die van ’t zwaard te doen afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt kon worden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd) had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzamer Seerp van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die zich daardoor ook in Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva’s taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte dat iemand van meer leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte, vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in de navolgende bewoordingen uit:

„Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd: hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen, daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in heldere trekken afgemaald; – maar indien ik, indien gij geroepen zijt, om hier alleen te beslissen, hoe men ’s Graven vriendschap en den vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat kostbaar erfdeel onzer vaderen, – dan verklaar ik ronduit, dat men ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem, welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen doodvijand, en kan ’t zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons veracht en versmaadt! – Vrede met Holland! met Holland, dat sinds eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze landen braakt te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en onze landgenooten in slavernij te brengen! – En denkt gij, dat het met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf, die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen nemen? – Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi  bespringen, en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de tanden niet verstompt zijn. – Gelooft mij: elke poging, aangewend on onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal slechts strekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken, om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet zelve den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping, dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem: dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit, Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, haatdunkend, den Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te fnuiken. – Ik heb uitgesproken.”

Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit, brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen, naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem aan zijn woorden te geven: de vredeliefenden daarentegen die zijn taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht, waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het aan Aylva de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te hooren wat ook andere sprekers mochten in ’t midden brengen. Er trad er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen: men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer, dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door een Helbada werd voorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon vergramd, de hand aan ’t zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te verliezen om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden:

„Zwijgt! zwijgt allen!” riep hij met een donderende stem: „wordt het hier een kinderspel? – Wat zijt gij, gij allen tot wie ik spreek? – Vetkoopers en Schieringers? – IJdele dwaasheid! ziet op het schild. – Wat staat daarop afgebeeld? – Is het het merk der Vetkoopers? – Is het een vette koe? – Past maar op! de Hollanders zullen haar melken. – Is het een schieraal, de leus der Schieringers? – Draagt zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen. – Neen Friezen! het is het wapen van Friesland: een gewapend man! – Wapent u dan! – Zorgt, dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen: – en dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt! – ik heb ook getwist, – met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit; – maar wij hebben vriendschap gemaakt: – wat de Hollanders lachten in hun vuist. – Spreekt bedaard! – want bij den hemel! den eersten, die zijnen landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!”

Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf, die juist aan ’t woord en bezig was der vergadering te verhalen dat broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen, en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen: – en nu vertoonde zich, zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwers, het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den voormaligen Marktschrijver van Haarlem.

Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten, maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aan te bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag, ten einde hem te vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen: welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest, maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen een recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten dat geene redenen tot klachten gegeven had, en mederechters, vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden; maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij ook ongenoodigd derwaarts te moeten te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat ’s Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet, daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen.

Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken, stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende met een beschermden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen gelden. Weinig gesticht over dat onthaal, en bemerkende dat zijn persoon hier omtrent denzelfden indruk maakte als een bunzingstaart zou doen in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid, welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde, liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen, den nieuwaangekomene toesprak:

„Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?”

„Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!” zeide Claes Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter hield als bemerkte hij zulks niet: „ik dacht weinig, toen wij malkaar laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten zich niet, maar…”

„Maar kort en goed,” viel Aylva in: „wat is het doel uwer komst?”

„Lieve Hemel! Is het hier geen landdag? – Ik kom een weinig laat, ’t is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen…”

„En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen,” riep Adeelen, lachende.

„Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen,” hernam Aylva.

„Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het belang der Heerlijkheid?”

„Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen,” zeide Aylva: „hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken stap hebben afgeraden: en,” vervolgde hij halfluid, „ik rade u thans nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig gelaat, dat u weinig goeds belooft.”

„Hoe!” zeide de Ambtsman, onthutst om zich heen ziende: „ik wil niet hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan…”

„Wat wil hij? – wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!” riepen nu verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de vergadering rondgingen.

„Welnu!” riep Adeelen: „Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij ziet het! – op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn verspieders zenden.”

„Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik trommelen!” riep Helbada.

„Zijt bedaard, vrienden – riep Aylva: „laat mij hem ondervragen. Vriend! —  Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet om hier zitting te nemen?”

„Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V,” hernam Claes Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, „zullen ter plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten, Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen…”

Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen door de geweldige kreten, die van alle zijden opgingen.

„Hij verlangt zitting onder ons,” riep Aylva met luider stemme: „Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven.”

„Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!” schreeuwde Helbada.

„Wel willen geen verspieder van Graaf Willem!” riepen anderen: „wij zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal. – Is er geen water in de buurt? – Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!”

En reeds drong menigeen op de Ambtman aan, om door daden klem aan zijn woorden te geven.

„Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen,” kraaide Claes Gerritsz, zijn schrille stem tot de hoogsten toon verheffende welke zij bereiken kon; „denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen ofte anderen ’s Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden zal beleedigd hebben…”

„Toon ons lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u,” zeide Aylva, op een gestrengen toon: „de gemoederen zijn verhit: en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen.”

„Hier is de opene brief,” zeide Claes Gerritsz, een perkament voor den dag halende, „waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft aangesteld tot…”

„Wij zullen u het lezen besparen,” zeide Adeelen, die, inmiddels genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een boomtak hangen bleef.

„Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?” vroeg de Ambtman, zich met drift tot Aylva wendende, die onbeweeglijk op zijn zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden blik beschouwde.”

„Gij ziet uw kaarteblad hangen,” vervolgde Adeelen: „welnu! zoo gij geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want, bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft.”

„Geene onberadenheid, Seerp van Adeelen!” riep Aylva, op een strengen toon: „dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne landdagen gedoogd.”

Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval, dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtige vertoogen ter aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw gedruisch op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen.

„Daar is zij! daar is freule Madzy weer,” riep hij springende, en zijn muts in de hoogte werpende.

En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland, hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den weerstal zouden vinden, waren zij ’s morgens derwaarts gereden.

„Mijn dochter!” riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met tederheid omarmende: „zijt gij het waarlijk?”

„Hoezee voor Madzy Dekama!” riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis eenstemmig: „Hoezee voor de Roos van Dekama!” riepen de Schieringers en Vetkoopers: „Hoezee!” riep de gansche vergadering. Adeelen alleen bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen.

„Verschoont mij, edele Friezen!” zeide Aylva, „zoo ik een oogenblik aan mijn gevoel toegeve: – ik zie, met vreugd, dat gij alleen in de blijschap dezer heugelijke ontmoetingen deelt. – Maar zeg mij, mijn kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?”

„Aan god alleen komt de dank toe voor mijn redding,” antwoordde zij, hem de hand kussende; „maar ik weet, gij handelt hier over ’s lands belangen: veroorloof mij voor te reizen: mijne tegenwoordigheid is hier onvoegzaam. – Waar zal ik u afwachten?”

„Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert: daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn.”

Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende, maakte zij zich gereed te vertrekken.

„Men zal zorg voor u dragen, goede vader!” zeide Aylva, ziende dat de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef.

„Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht,” zeide deze, „’t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond: ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen uitstel lijden mag.”

Bij dezen woorden, welke Madzy’s geleider op een krachtigen, doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren, waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den onbekende. Madzy bleef plotseling staan als van den bliksem getroffen; haar gelaat werd met een doodskleur overtrokken en teekende de angstigste verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde, keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in ’t gelaat te zien.

„Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries,” zeide Aylva: „of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van Friesland betreffende.”

„In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor,” zeide de onbekende, „de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij zegen.”

Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de een knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil: en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk, Reinout van Verona herkende.

„Wat wil dit?” zeide hij: „is dit een scherts, dan is zij afschuwelijk!”

„Geene scherts!” zeide Reinout, zonder van houding te veranderen: „of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te smeken, die hem te lang onthouden werd?”

„Gij!” riep Aylva in hevige ontroering: „gij de zoon van Bianca di Salerno?”

„Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw naricht geven kan.”

Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen bedekkende, viel hij op zijn zetel neer.

„God wat heb ik gedaan?” riep Reinout, opspringende: „de ontroering, de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt.”

De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk een beeld der wanhoop als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de toekomst dacht, en zag in ’t vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijk liefde vervolgen.

Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen, lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: „ik neem u gevangen,” zeide hij, „als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig uit ’s Graven gevangenis.”

„Hoe! wat? wat zal dat?” – riepen verscheidene stemmen.

„Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!” vervolgde de Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep, die hier weinig gezag had: „Reinout van Verona, die gij hier ziet, ligt onder de ban des Graven: – ik eisch dat hij in mijne worde overgeleverd.”

Reinout keerde zich met een half verwonderenden, half toornigen blik naar den spreker: „Er is geen Reinout van Verona meer,” zeide hij: „dus is de ban uws Graven nietig: – en wat Deodaat betreft, die is zoo levend als ik: – gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid.”

„En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel verhuisd,” zeide Adeelen: „welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt u zoo stout,” vervolgde hij tot Claes Gerritsz, „om niettegenstaande onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak van hier, of ik sla u ’t hoofd van den romp.”

„Neen!” zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: „Laat hij nog een oogenblik blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven, dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan Friesland alleen.”

„Wèl gesproken!” zeide Adeelen: „en wie anders denken moge, Seerp van Adeelen houdt u voor een echten Fries.”

Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen volgden zijn voorbeeld.

„Goddank!” zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden en zich uitsluitend met deze had bezig gehouden: „hij opent de oogen weder.”

„Wat is hier gebeurd?” vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende: „was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde? – Maar neen, de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind, gij daar? – Gij zijt toch altijd mijn dochter!” —

„O! laten wij van hier gaan, mijn vader!” zeide zij: „laten wij naar een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen,” herhaalde zij, ziende dat Aylva weder ineenzakte.

Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn hoofd gaf te kennen, dat hij toestemde in haar voorstel. Door Madzy, den getrouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout, dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden.

„Wat wilt gij?” vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging aanziende: „verlangt gij hem te vermoorden?”

„Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?” zeide Reinout met een smeekend oog: „wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen.”

„Terug!” zeide Madzy met fierheid: „verdien eerst den naam van zijn zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen.”

Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden.

Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel of die behoorenden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen, gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door, om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij, dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend.

„Friezen!” zeide hij: „ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in uw aller harten vinden zal. Te wapen! – Het is de vraag niet meer, of gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is, ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het, dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche haven benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen: zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen zal door geen vreemden voet bezoedeld worden.”

Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich, nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware, dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringen het geval is, en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting besloten, een leger naar Utrecht te zenden.


[Hoofdstuk 26] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 28]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.