MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Gy zijt men Kodoman, en Curys’ nazaat waard.

Bilderdijk. Darius aan Alexander.

De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak, aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Frieschland bleek zulks in dit geval een onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlogvoeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof: leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk, aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu men het in ’t werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken: en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten, terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat ten prooi vielen.

Nog eene omstandigheid werkte mede om de vorming van een leger te belemmeren: deze was gebrek aan eenheid in het uitvoerend bewind. Voorheen had men in netelige omstandigheden een Potestaat verkoren, die met een macht bekleed, niet ongelijk aan die eens Dictators te Rome, het hoofdbeleid der verrichtingen op zich nam; thans echter geschiedde dit niet: eensdeels, omdat men huiverig was geworden, het gezag aan een enkele toe te vertrouwen: anderdeels omdat de eene partij ongenegen was, toe te stemmen in de keuze van een Potestaat uit de andere. Het opperbewind was daarom toevertrouwd geworden aan een raad van velen, ’t geen zeker niet tot bespoedig der zaken strekte. Wel deed Adeelen zich in dien raad krachtig gelden; maar hij leerde nu ook bij ondervinding, dat voortvarendheid in ’t besluiten, en spoed in het uitvoeren, twee geheel afgescheidene dingen zijn.

Ook van de strooptochten, waartoe men had verklaard, te zullen overgaan, was niets gekomen. De poorters van Stavoren, althans de vermogenden onder hen, waren over ’t algemeen Hollandschgezind: en velen dreven handel met het graafschap: maar zelfs die, welke op de Oostzee voeren, en uithoofde van hun belang moesten verlangen, dat de handel van Holland gefnuikt werd, waren in dit tijdsgewricht bezorgd, daden van aanranding te bedrijven of goed te keuren, welke maatregelen van weerwraak konden ten gevolge hebben: want zij wisten, dat een Hollandsch smaldeel voor Vlie kruiste, en velen hunner wachtten rijkbevrachte schepen te huis, welke zij niet gaarne door Hollandsche kapers zouden zien prijsgemaakt. Zoomin uit deze als uit eenige andere haven van Westergoo zeilden dus roofschepen naar Holland uit: en men bepaalde zich ook daar, en wel nog flauw, alleen tot verdedigingsmiddelen.

Na in deze weinige woorden den toestand, waarin zich Friesland bevond, te hebben afgebeeld, zullen wij terugkeeren tot de schoone Madzy en haar voogd, den Heer van Aylva.

Deze had zich na het verlaten van den landdag, naar een kleine stins begeven, op een paar uren afstands van het Gaasterland nabij het dorp Caudum gelegen, en Awert-state genaamd. Op dit gebouw hetwelk sedert lang in het bezit van zijn geslacht was, was door hem een pachter geplaatst, onder voorbehoud echter van een paar vertrekken voor zich en de zijnen. Zijn voornemen was niet geweest aldaar te vertoeven; doch zich den volgenden dag naar zijn gewoon verblijf bij Scadaert in Wonseradeel te begeven; dan, een geweldige aanval van koorts, die hem dadelijk na zijn aankomst overviel, noodzaakte hem van dit plan af te zien. Madzy bleef, gelijk men gissen kan, bij hem; en daar de eene zuster van Aylva ondertusschen overleden, en de andere met een edelman in Groningen gehuwd was kwam de gansche zorg op haar alleen neder; en zij vervulde jegens haar voogd op de teederste wijze al de plichten eener liefhebbende dochter, terwijl Sytsken (die op de maar der terugkomst van haar meesteres dadelijk naar Awert-state gereisd was) haar in deze taak op de dienstvaardigste wijze ondersteunde. De toestand van den zieke werd weldra van een bedenkelijken aard, en de arts, zijnde een convers uit het naburige Sint-Odulfsklooster, gebood, dat men alles zorgvuldig zou vermijden, wat strekken kon om het geschokt gemoed van den kranke door nieuwe aandoeningen te kwetsen.

Eens, op een schoonen avond, had Madzy het vertrek des Oldermans verlaten, met oogmerk, om voor eenige oogenblikken versche lucht te scheppen; een genot, waarvan zij nu een geruimen tijd was verstoken geweest. De toestand van den zieke had sedert een paar dagen eenig uitzicht op beterschap doen geboren worden: hij lag in een zachte sluimering: en Sytsken, in zijn vertrek gezeten, had aan Madzy beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zij was dus, te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreden en verkwikte zich met de liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van huis willende verwijderen, wandelde zij een geruimen tijd op en neder voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich aan de westzijde bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken, twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was, waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld met een ster en een halve maan van goud. Aan dien toren grensde een half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag men nog sporen van versterking, door den bouwmeester aangebracht; maar deze waren bij vervolg van tijd tot tijd andere gebruiken besteed: en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en weder liep, den al te vrijpostigen voorbijganger door zijn norsch aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja zelfs, toen Madzy zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar, schoon zij van binnen kwam, eenigzins schuins aanstaren, stond stil en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam, dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hen van verre toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden.

Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af: en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp van Adeelen en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan.

„Roep uw hond terug, vrouw!” schreeuwde Adeelen: „wij komen den Heer van Aylva bezoeken.”

De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op.

De eerste gedachte van Madzy was, binnen te gaan en zich te onttrekken aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig, dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, òf om den Heer van Aylva te spreken, ’t geen zij moest zoeken te beletten, òf om een onderhoud met haar zelve te hebben; – en dan was zij nog minder voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude geweest zijn.

„Madzy Dekama!” zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: „wij wenschen den Olderman te spreken.”

„Dat mag niet geschieden,” zeide zij: „de arts heeft het stellig verboden.”

„Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen vriend immers niet betreffen?”

„Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak en moet alle aandoeningen mijden.”

„Gij zult toch,” zeide nu Reinout, „den zoon niet blijven weigeren, de sponde zijns vaders te naderen.”

„Meer dan iemand,” antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien: „was het niet onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon u dan niet aan hem, voor hij u ontbieden laat.”

De beide jongelingen zagen elkander eenige oogenblikken besluiteloos aan.

„Gelooft mij,” vervolgde Madzy: „dringt heden niet aan op een onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan met zich sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomen, twijfel ik niet, of hij zelf zal het onderhoud verlangen, dat hij nu niet in staat is te verduren.”

„Welnu!” zeide Adeelen: „indien gij den ouden Heer achter de traliën wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, mijn boodschap is nog niet geëindigd: – gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken: ik kom u die teruggeven.”

„Ik dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp van Adeelen!” zeide Madzy, op een fieren toon: „althans, na het gedrag, door u te Haarlem gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden.”

„Des te beter! Ik herhaal het slechts, opdat gij weten zoudt, dat gij, zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat van dezen Ridder.”

„Adeelen!” riep zij verontwaardigd uit: „ik ben geen koopwaar, welke men van de eene in de andere hand kan doen overgaan.”

„Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eenigen twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen, dan met geenen Ridder over ’s Heeren wegen reist, die weken lang bij een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder, nog haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten heenstappen.”

De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden. – „Neen!” borst zij eindelijk uit: „zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster werd nooit gesponnen! Ridder Reinout zijt gij de verspreider dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had voorgesteld. – Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is het bewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dien man, die mij beleedigen durft, dat hij zich bedriegt, en dat ik tegen mijn wil in Utrecht ben opgehouden en dat ik u niet kende, toen gij mij als reisgenoot vergezeldet.”

„Kan ik krachtiger bewijs geven, hoe hoog ik u in eere houde,” zeide Reinout, „dan de verklaring zelve, dat ik het mij tot het hoogste geluk zoude rekenen, indien gij mij tot uw Ridder wildet verkiezen? Geef mij slechts eenen lichtstraal van hoop, en mijn zwaard zal elken boezem bedreigen, waarin een gedachte, uwer onwaardig, mocht opstijgen.”

„Ik weet het,” zeide Madzy, met een afkeerige beweging, „uw zwaard is ras geneigd, de scheede te verlaten. Maar uw voorwaardelijk aanbod is onvoldoende. Wie heeft aan Adeelen die valsche berichten medegedeeld, zoo gij het niet geweest zijt?”

„Ik heb hem niets dan de waarheid gemeld,” zeide Reinout: „de gevolgtrekkingen en de wijze van voordracht zijn van hem. Maar dit verklaar ik u, Seerp van Adeelen! dat, schoon gij mij met Ridder-handslag tot wapenbroeder verkoren hebt, schoon ik u dank en trouw verschuldigd ben, dat ik u, als elk anderen, den Ridderhandschoen zal toewerpen, zoo gij u een woord laat ontvallen, beleedigend voor de eer dezer Jonkvrouw.”

„Zooals gij wilt,” zeide Adeelen wrevelig; „ik ben met u gegaan om u een dienst te bewijzen, niet om twist te zoeken. Er heerscht reeds tweedracht genoeg in Friesland.”

„Hoe!” zeide Madzy: „is nog de haat der partijen niet uitgedoofd, bij de gevaren die ons bedreigen?”

„Trekt gij u nog de zaken van Friesland aan?” zeide Adeelen met een spottenden lach.

„Gij behandelt mij onwaardiglijk, Seerp!” zeide Madzy: „misschien moest ik zwijgen en uwe woorden alleen met verachting beantwoorden1 maar ik kan niet vergeten, dat uw ouders mijne weldoeners, dat gij de vriend mijner jeugd waart. Bij de schim uwer zalige moeder, Adeelen! ik ben onschuldig, en de Zuiderzee zal een droge heide worden, eer ik ophoude, een echte dochter van Friesland te zijn.”

„’t Is mogelijk!” zeide Adeelen, de schouders ophalende: „welnu! ik wil dan wel melden, dat de Graaf, zoo ik hoor, den tocht naar Friesland uit het hoofd heeft gezet en bij Dordrecht een vloot laat bouwen om Eduard van Engeland tegen Frankrijk te ondersteunen: dat er nimmer schooner gelegenheid ware, een pleziertocht in Holland te doen, zoo niet iedereen gek was geworden: dat wijders de Vetkoopers en Schieringers vuilaardiger zijn dan ooit; dat de monniken van Bloemkamp met den Proost van Pingjum zijn slaags geweest: dat Lidlum en Luidingakerke overhoop liggen: dat Wybe Reynalda en Seppe Ribalda elkaar hebben bevochten en beiden gesneuveld zijn: dat Helbada’s zoon, Douwe, door Worp Ropta in een hinderlaag gelokt en vermoord is; dat er geene stins in Oostergoo is, waar geen boom op staat en dat Utrecht zich liever vandaag dan morgen moet overgeven, indien het zijn redding van ons verwachten moet.”

„O mijn ongelukkig vaderland!” zuchtte Madzy: „wat moet er van u worden?”

„Dat weet ik niet,” zeide Adeelen: „ik kan niet alles alleen af. Aylva ligt ziek: vader Syard, die zooveel praats had, is verdwenen: – ieder denkt slechts om zich zelf: – maar zooals het nu is zal het niet blijven, of ik werp mijn zwaard in ’t meer en word een monnik. – En nu vaarwel!”

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, sprong op zijn paard en was spoedig buiten het gezicht. Madzy wilde zich nu terstond naar huis begeven; maar Reinout hield haar staande.

„Uw hart is nog tegen mij ingenomen,” zeide hij, op een smeekenden toon: „maar kunt gij op mij eeuwig vertoornd blijven, wegens een opwelling van gramschap, welke haar oorzaak en tevens haar verschooning in mijn blakende liefde vond?”

„God beware mij, Ridder!” zeide Madzy: „dat ik u gestreng zou veroordeelen. Hij zelf heeft u een eeuwig naberouw gespaard, door niet toe te laten dat uw moorddadig opzet den dood van uw evenmensch ten gevolge had: – wat zeg ik? den dood van uw boezemvriend, van hem, die u sedert uwe geboorte als een broeder bemind had… en die, ik betuig het u, u geene oorzaak tot zulk een handelwijze gegeven had?”

„En toont dit juist niet de kracht mijner liefde voor u,” vroeg Reinout, „dat ik hem, die mij zoo dierbaar was, eraan opofferde?”

„Dit toont alleen, dat gij een hartstochtelijk mensch zijt,” zeide Madzy: „een liefde, die tot misdaad vervoert, is geenszins de ware liefde, zooals ik mij die heb voorgesteld.”

„Welnu dan!” zeide Reinout: „zij maakt voor ’t minst die misdaad verschoonlijk. – Maar ik wil het u niet verbloemen: ja! ik heb afschuwelijk gehandeld! Ik wil gelooven, dat Deodaat niet zoo schuldig was als ik dacht: ik heb, meer dan eens, in eenzaamheid, mijn halsvriend betreurd: – maar nu, nu leeft hij weder, en het is niet langer de hand eens moordenaars, die Reinout van Aylva u aan durft bieden.”

„Ridder!” hernam Madzy: „ik ma u niet vleien met een ijdele hoop. Tracht mijn achting, tracht de uwe te herwinnen, en dan zal Madzy Dekama u eeren als den zoon van iemand, wien zij boven elk ander vereert.”

„Wel, in naam van dien braven man bid ik, trek uw onbarmhartige uitspraak in. Ach! Ik vermoed het: mijn vader zelf is tegen mij ingenomen wegens mijn wandaad. Wees gij de engel, de middelaartser, die ons weer te zamen brengt en hem met mij verzoent. Hij ziet, hij hoort slechts door uwe oogen: zoo uw bijstand mij faalt, hoe zal ik genade bij hem verwerven? Maar een woord van u, en hij schenkt mij vergeving en liefde: en dan, bedenk het zelve: gij hebt gehoord in welk licht Adeelen uw gedrag heeft durven plaatsen? Is er een beter middel om zijnen, om ieders mond te doen zwijgen, dan om uw hand te schenken aan hem, die ze niet zou afbidden indien hij niet van uw deugd overtuigd ware.”

„Ik weet een beter middel,” zeide Madzy: „het is van uw liefde af te slaan, en daardoor te toonen, dat ik den laster niet vreeze. – Wat voorts uw verzoening met uw vader betreft, wees gerust, dat Madzy Dekama blozen zou, haar invloed op hem te misbruiken, door zijn hart van u te verwijderen.”

„Ik vertrouw dit,” zeide Reinout: „oordeel zelve, welke waarde ik aan die betuiging hecht, daar ik mij door u een recht laat ontnemen, dat ik bij elk ander zoude doen gelden, dat namelijk, van mijn vader in zijn krankheid te verzorgen.”

Hier werd hun gesprek gestoord door Sytsken, die de deur uitkomende, zich tot Reinout wendde en hem te kennen gaf, dat de Olderman verlangde hem te spreken.

„Is het mogelijk!” riep Reinout uit, terwijl een glans van vergenoegen zich over zijn gelaat verspreidde: „ik zie met blijdschap, dat de toestand mijns vaders niet zo erg is, als mij die werd afgeschilderd.”

„God geve,” zeide Madzy: „dat deze ontmoeting zoo gezegend voor u afloope, als ik dit van harte wenschte. Maar zeg mij, Sytsken! heeft de Olderman uit zich zelve naar den Ridder gevraagd? – Wist hij, dat die zich hier bevond?”

„Wat zal ik zeggen?” zeide Sytsken: „zooeven werd hier vrij heftig gesproken: onze goede heer ontwaakte ervan. Hij gelastte mij te vernemen, wat er gaande was: en daar ik hoorde dat het gerucht hier vandaan kwam, ging ik even met den neus aan ’t venster en zag Seerp van Adeelen, die als een pauw heenstapte, en den Ridder, die met u sprak, en toen zei ik het den Olderman en vroeg of ik de Jonkvrouw roepen zou, gelijk gij mij bevolen hadt te doen, als hij wakker werd. De oude Heer ging recht overeind in ’t bed zitten, zoo fiks gelijk hij nog niet gedaan heeft: „Sytsken!” zeide hij: „ga den Ridder verzoeken hier te komen.” – „Maar,” zeide ik, „uw Edelheid weet wat de arts heeft gezegd.” – „Ik weet het,” zeide de ouder Heer; „maar ik begeer hem te spreken en ’t zal mij geen nadeel doen. – En zoo volgde ik zijn last.”

„O! voldoe dan terstond aan zijn verlangen, Ridder!” zeide Madzy: „en moge de uitslag van uw onderhoud zijn als gij dien wenscht.”

Een dankbare blik was het antwoord van Reinout, en hij volgde zijn geleidster met een blijmoedigheid, die niet vrij was van ontroering. Weldra bevond hij zich in het vertrek, waar Aylva op het ziekbed lag uitgestrekt.

De Olderman richtte zich op toen zij binnentraden: hij zag zwijgend Reinout aan, die zich naast zijn sponde op de knie liet neervallen en de vermagerde hand van Aylva kuste. Deze trok haar zachtjes, zonder ruwheid terug, verzocht Sytsken een waterkruik naast het hoofdeinde te plaatsen en vervolgens het vertrek te ruimen. Zoodra hij met Reinout alleen was, wenkte hij hem, een stoel te nemen en zicht te zetten. De jongeling gehoorzaamde zwijgend, in pijnlijke verwachting van hetgeen er volgen zoude.

„Ik heb verlangd, mij met u te onderhouden,” zeide Aylva; „onze laatste ontmoeting heeft mij geschokt, ik wil dat niet ontveinzen: met dit al hebt gij recht om gehoord te worden. Wees zoo goed en verhaal mij thans eens omstandig de gebeurtenissen, waarop gij uw recht grondt, van mij vader te noemen.”

Reinout gehoorzaamde. hij vermelde de wijze, waarop hij bij Carlo della Scala gekomen was, herhaalde hetgeen Barbanera hem betreffende Bianca had gezegd, en door ons in het achtste Hoofdstuk geboekt is, en gaf vervolgens verslag hoe hij bij dit zonderling toeval, in dezen zijn ouden bekende Paolo ontmoet had, aan wien hij de ontdekking der waarheid verschuldigd was.

„Ik herinner mij dien Paolo,” zeide Aylva, nadat Reinout zijn verhaal geëindigd had: „hij legde het te Milaan op mijn leven toe, en schoon hij het vertrouwen van mijn Bianca schijnt genoten te hebben, blijkt het mij thans, dat hij haar zoowel als den dwingeland van Verona gelijktijdig gediend en gelijktijdig bedrogen heeft. Wellicht is hij het gewest, die aan Bianca de valsche tijding van mijn dood deed weten: en ook hieruit kan ik mij de reden verklaren, waarom hij  geschroomd heeft,  mij te Haarlem te komen opzoeken en mij daar reeds het geheim uwer geboorte mede te deelen. Ach! dat hij het gedaan hadde! Ik had hem een bedrog, dat zooveele jaren geleden plaats had, gaarne vergeven: en wellicht had dan de euveldaad geen plaats gehad, die sedert uw naam bezoedeld heeft.”

Reinout zuchtte: „Wijt die euveldaad,” zeide hij, „aan gekrenkte spijt wegens slecht beloond vertrouwen, aan een opwelling van onbedachten toorn: aan het Italiaansch bloed, dat mij door de aderen vloeit… misschien ook aan  het Friesche… want naar ik bemerk, men ziet er hier te lande ook niet veel kwaad in, elkander het staal in ’t hart te jagen: – in allen gevalle, Deodaat leeft nog, en gewis zijn hart heeft mij vergeven. Zou mijn vader gestrenger over mij oordelen?”

„Leeft hij nog?” vroeg Aylva verheugd: „God zij geprezen! hij was een edel jongeling! en wel waardig,” vervolgd hij met een zucht, „van uit ridderbloed gesproten te zijn. – Hij was met u opgevoed, nietwaar?”

Reinout wendde zich spoedig om, zoodat hij met den rug naar het licht kwam te zitten; wat hij voelde, dat hij op deze onverwachte vraag bloedrood werd. Hij had met opzet de omstandigheid, dat Deodaat met hem te gelijk aan Carlo della Scala was toevertrouwd geworden, aan Aylva verzwegen: niet zoozeer omdat bij hem zelven nog eenige twijfel omtrent de echtheid zijner geboorte uit Bianca bestond, als uit vrees, dat de Olderman nog tusschen hem en Deodaat zou twijfelen, daar toch de bepaling, wie van beiden Bianca’s zoon ware, alleen van de verklaring van Barbanera-Paolo afhing, die niet tegenwoordig was, en aan wien Aylva bovendien wellicht weinig geloof zou slaan. – Intusschen was hij dubbel tevreden, van deze omstandigheid geene melding gemaakt te hebben, nu hij uit Aylva’s woorden kon afleiden, dat Deodaat hem als zoon meer welkom zou geweest zijn dan hij. Hij zweeg dan eenige oogenblikken, en antwoordde toen: „Hij was een braaf en beminnelijk mensch: de speelmakker mijner jeugd… evenals ik door den edelen Carlo als zoon aangenomen: wij hebben samen veel lief en leed doorgestaan: – hadden wij niet beiden ons oog op Madzy laten vallen, wij waren eeuwig vrienden gebleven.”

„Nu spreekt gij, zooals ik het gaarne heb,” zeide Aylva: „en ik ontwaar met vreugde, dat gij hem recht doet, en dat uw misdaad alleen een gevolg van gramschap was en niet uit een boos gemoed ontsproot. Neen: ik mag niet langer twijfelen. Deze brief is van Bianca’s hand! De edele Carlo heeft die zeker herkend – en gezwegen, om haar rampspoedig lot niet te verzwaren! – Deze ring – ik gaf hem aan Bianca bij ons huwelijk. Barbanera heeft dien, zegt gij, van haar ontvangen?”

„Hij heeft haar gezien, voor hij zich naar dit land op reis begaf en hem toen van haar ontvangen om tot bewijs mijner geboorte te strekken.” (Dit had Barbanera aan Reinout in de herberg te Plaswijk verhaald.)

„Zij zou dan nog leven!” riep Aylva in vervoering uit: „leven… maar in de slavernij van dien afschuwelijken dwingeland! – O God! zoo ik naar mijn herstelling zou wenschen, het ware om haar uit hare boei te verlossen! – Kom!” zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens; „ik ben vermoeid; maar wat geschieden moet, dient niet langer te worden uitgesteld. Roep Feiko binnen.”

De dienaar verscheen, en ontving last, om Madzy, den pachter, en Aylva’s huiskapelaan te ontbieden. Zoodra deze binnen waren, gaf hij laatstgemelde bevel, een verklaring op te maken, waarbij hij, Sjoerd van Aylva, Reinout als zijn wettigen zoon en erfgenaam erkende. Dit stuk, opgesteld zijnde, werd door aller onderteekening, voor zooverre zij schrijven konden, en door de overigen met hun kenmerk bekrachtigd.

„En nu, mijn zoon!” zeide Aylva: „kniel neder en ontvang den vaderlijken zegen.”

Reinout viel op beide knieën voor het bed; maar een kille huivering rolde hem door de leden, toen Aylva hem de handen op het hoofd legde en den vaderlijken zegen over hem uitsprak. Hij wist niet, waaraan hij het gevoel moest toeschrijven, dat hem drukte; naar de aandoening, welke hem overstelpte, was gelijk aan die welke volgens zijne gedachten, Jacob moet gekweld hebben, toen hij den zegen aan zijn broeder ontstal. Hij rees op en omhelsde Aylva: maar hij bleef koel bij die omhelzing; hij droeg den Olderman eerbied toe; maar hij ondervond die warme kinderlijke liefde niet, welke hij zich verbeeldde dat in het hart eens zoons jegens zijn vader wonen moest. Hij trad een stap achterwaarts en toen de huispriester hem met deftigheid, Feiko met belangstelling, de pachter met onderdanigheid en Madzy op een recht welmenende toon gelukwensachten, gevoelde hij zich bijna ongelukkig.

„En nu, mijn zoon!” zeide Aylva, „nu heb ik rust noodig. Neem den Heer kapelaan en deze verklaring mede, reis mijn goederen rond en bezoek mijn gezin. Het is voegzaam en nuttig, dat gij een en ander leert kennen. Uw bekwaamheid en kennis in krijgszaken is mij bekend. Gij zijt nu een Fries, en het betaamt u het vaderland te dienen. Gij kunt in de tegenwoordige omstandigheden van nut wezen. Beschik over al het mijne naar uw goeddunken, voor zooveel gij oordeelt, dat zulks voor Friesland heilzaam kan zijn.”

„Ik hoop, mij uw vertrouwen niet onwaardig te maken,” was alles, wat Reinout kon uitbrengen: en, een kort afscheid nemende, verliet hij de ziekekamer en weldra de stins, vergezeld van den huispriester.

„Welnu, Ridder!” vroeg hem aan den ingang Daamke, die na den landdag in zijn dienst getreden was en zijn ezel tegen een paard, zijn zotskolf tegen een zwaard en zijn narrenpak tegen het gewaad eens speermans verruild had: „hoe is uw wedervaren geweest?”

„Ik ben voorgoed erkend als erfzoon van Aylva,” antwoordde Reinout, terwijl hij met een bedrukt gelaat te paard steeg.

„Als erfzoon van Aylva,” dacht Daamke: „en hij kijkt zoo sip als een hoen, dat op ’t sterven ligt! Men zo waarlijk zeggen, dat hem leed deed. – Bij Sint Julius! Indien mij zulk een geluk overkwam, ik zou waarlijk in staat zijn van blijdschap den dood van mijn goeden vriend Cezar te vergeten.”


[Hoofdstuk 27] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 29]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.