MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Que diable allait-il faire dans cette galčre?

Moličre. Les fourberies de Scapin.

Eenige dagen waren er verloopen sedert het tooneel, dat wij in ons vorige Hoofdstuk vermeld hebben, toen in den vroegen morgen een vaartuig, dat het wapen van Amsterdam aan den mast voerde en oogenschijnlijk een lading bier in had, zich in ’t gezicht der Zuiderhaven van Stavoren vertoonde. De nacht was koel geweest: maar nu was de lucht spakerig en als met een gaas bedekt: terwijl de zon, die rood als bloed door dien nevel scheen, een heeten dag voorspelde. De wind, welke gedurende den nacht frisch uit het zuidwesten gewaaid had, was met den dag uitgeschoten en belette het vaartuig zijn weg te vervolgen met dien spoed, welke de omstandigheden schenen te vorderen. De schipper stond zelf aan het roer; en zijn oog, dat onafgebroken op de lucht gevestigd was, scheen met verlangen uit te zien naar de geringste verandering in de streek, die de wind hield, om daarvan terstond een voordeelig gebruik te maken; terwijl de vijf matrozen, die de manschap uitmaakten, aan den voorsteven bijeenzaten in een wel ledige houding maar die slechts één woord verwachtte om in een werkzame te veranderen. Naast den schipper zat iemand, in den bloei zijner jaren, op een blauwen mantel neder, met witte lieren bezaaid. Zijn gewaad was echter dat van een koopman; zijn oog gaf onrust en ongeduld te kennen en scheen bestendig den schipper te ondervragen, die echter te voorzichtig was op dien zwijgenden blik te willen begrijpen. Eindelijk kon de jongeling zich niet langer bedwingen, en, het hoofd oprichtende, dat tot nog toe op de vlakke hand geleund had, ving met de volgende woorden het onderhoud aan.

„Hoe jammer, dat de wind niet uit denzelfden hoek is blijven waaien: wij waren anders met het aanbreken van den dag al binnen de haven geweest.”

„Gij hebt gelijk,” zeide de schipper; „maar tegen de elementen valt niets te doen.”

„Intusschen,” zeide de koopman; „zoo wij niet gisteravond door wiens schuld weet ik niet, op die zandbank waren vastgeraakt, hetgeen ons zeker drie uren heeft opgehouden, zouden wij reeds lang binnen zijn.”

„Door wiens schuld? – Door de schuld van die hagelsche Friezen! van die ongelukskinderen, die de bakens verzet hebben om ons een schipbreuk te bezorgen: gij kunt overtuigd zijn, dat zij al sinds lang voor een overval te vreezen, en er op uit zijn geweest om den overtocht moeilijk te maken.”

„Ik geloof met u,” zeide de koopman, „dat zij op hun hoede zijn, en daarom had ik gistermorgen reeds willen gaan om bij nacht in Stavoren te kunnen komen en het slot bemannen, eer iemand de lucht van ons voornemen kreeg. Maar dat satansch volk kwam zoo laat aan: – Houdt u toch stil daar beneden,” zeide hij, opstaande en op den bodem stampende: „en schept moed! wij zullen wel in de haven zijn binnen een half…” (hier zag hij den schipper aan, die het hoofd schudde:) „binnen een uur…” (de schipper trok het gezicht tot een scheeven lacht en wendde het hoof om.) „Boudewijn! houd toch stilte! wat ik u bidden mag.”

„Wij zijn zoo stil als wij kunnen, Heer Ridder!” riep een stem van beneden; „maar die arme kerels zijn ziek als honden en het vaartuig stoot als een kreupele hit.”

„Geen nood,” zeide de schipper: „dat zal niet lang duren: wij komen zoo in slecht water: en dan krijgen wij een oppertje.”

„Ja! mij dunkt, wij moeten er haast zijn,” zeide de koopman, of liever de Ridder: „ik begin de huizen al te onderscheiden.”

Maar dit vooruitzicht was ijdel; want na weinige oogenblikken liet de schipper het vaartuig wenden en de wal verwijderde zich weer.

Eilieve!” zeide de Ridder: „waar gaan wij nu weer heen?”

„Thans zal het gelukken,” zeide de schipper: „wij zijn boven den wind en krijgen zo dadelijk hoog water. Met een paar gangetjes zijn wij er!”

De Ridder nam geduld, en de armen over de borst kruisende, sloeg hij een aandachtig oog op de Friesche kust. Recht voor hem uit verhief zich de hooge heuvel uit zee, die nog heden, ofschoon door het golfgeweld dagelijks afnemende, zijn naam van het Roode Klif bewaard heeft. Tegen de helling en aan den voet dier hoogte graasde een talrijke kudde schapen, die al meer en meer naar de kruin terugweek, naarmate de vloed kwam opzetten. Ten noorden van het Klif en aan het einde van een zomerkade, bestemd om de invretende zeegolven te keeren, strekte zich een groene smalle landstrook uit, aan wier uiterste einde zich het klooster van Sint-Odulf met zijn hoogen toren en vergulden koepel in al zijn luister verhief: en eindelijk, nog meer noordwaarts en aan den hoek van Friesland, deed zich het trotsche Stavoren op met zijn schitterende daken en ruime kerkgebouwen, met zijn dubbele haven, en zijn ver vooruitstekende kaaien, waarmede het de zee te omarmen scheen. Het gelaat des jongelings werd somberder nog dan het geweest was, en een vloed van gewaarwordingen overstelpte hem.

„Daar is die kust dan,” dacht hij: „die kust, welke ik zoo gaarne als vriend betreden had! Daar leeft, voor wie ik met wellust al mijn bloed zoude offeren, en wier landgenooten ik thans bestrijden ga! – Zal ik haar nog zien? – Ach! zoo zij te Haarlem en te Utrecht mijn hand versmaadde, hoeveel te meer zal zij dit hier doen, nu ik als vijand kom!”

Terwijl Deodaat, wien mijn lezers aan deze uitboezeming herkend zullen hebben, aldus stond te peinzen, kwam de jongste der matrozen, een nauw volwassen knaap, hem op zijde.

„Onze onderneming begint onder slechte voorteekens, Heer Ridder!” zeide deze.

„Dat doet zij, Zweder! maar een goed krijgsman mag nimmer den moed opgeven.”

„Ook geef ik den moed niet op, Heer Ridder! en heb voor mij zelven geene zorg. Zoo gij sneuvelt in dezen tocht, ’t geen God verhoede! dan sneuvel ik met u, en dan is Zweder van Naaldwijk toch met eere gevallen. Maar ik ben bezorgd voor de vloot van den Graaf, die zeker reeds moet uitgezeild zijn. De matrozen zeggen, dat er weer storm zal komen; waar zij het aan zien, weet ik niet; maar zij dienen er verstand van te hebben.”

„Wij willen hopen, dat des Graven stuurlieden het ook zullen zien, en de vloot niet noodeloos aan gevaar blootstellen. Met dat al, er schijnt een vloek op deze onderneming te liggen.”

„Ja! ja!” zeide Zweder: „die voorspelling van Graaf Reinout en van de kokeler is menigeen voor den geest gekomen in deze laatste dagen! en, zoo ik hoor, heeft de Heer van Beaumont den Graaf nog gebeden den tocht niet aan te vangen, zonder tevens eenige benden te land te zenden.”

„Welnu! dat zal immer geschieden,” zeide Deodaat, „De Bisschop heeft bevel gezonden aan zijn vazallen in Drente en in het Oversticht, om gewapenderhand in Friesland te vallen.”

„De Bisschop is een looze vos,” hernam Zweder, met een glimlach: „hij wil ook zijn aandeel in den buit niet missen; – maar ik ben overtuigd, dat zoo de vloot eens niet landde (’t geen God verhoede!)” de heldendaden van ’s Bisschops leger zich zouden bepalen tot het plukken van heidebloempjes op de vlakten van Drente om er kransjes van te vlechten; – maar zie eens, Heer Ridder! Daar naderen wij den wal weer. Is dat nu Stavoren? – Eilieve! – mij dunkt, daar staan menschen op de kaai.

„Dat doen er net,” zeide de schipper: „en dat voorspelt ons weinig goeds. Al die vrome lui staan daar ook niet bloot om naar den wind uit te zien. Ik zou zeer bedrogen zijn, indien die Workummer visscher, die ons gisteren, toen wij op de bank zaten, kwam vragen of hij het anker op mocht zoeken, dat wij gekapt hadden; indien die Workummerman, zeg ik, ons niet vooruit ware.  – Ja bij mijn ziel! daar ligt zijn schuit al in de haven! – De kans is verkeken, Ridder! – en wij zullen wel doen de steven te wenden.”

„Dat niet,” zeide Deodaat: „althans niet, voordat mij de onmogelijkheid blijkt, van mijn last te volbrengen. Maak slechts haast, want elk oogenblik vermeerdert de noodzakelijkheid om spoedig aan wal te zijn.”

„Ook goed!” zeide de schipper: „nog een paar gangetjes en wij zijn er.”

In weerwil van de haast, die hij predikte, was Deodaat niet ontevreden, dat het vaartuig nog die twee gangetjes te doen had, vermits hem zulks den tijd gaf, om nogmaals bedaard na te denken, welke handelwijze hij volgen moest. Des Graven last was geweest, dat hij binnen Stavoren, alwaar vele burgers nog Hollandschgezind waren, op een bedekte wijze eenig volk ontschepen zoude, het kasteel bemannen en de stad in bedwang houden, ten einde alzoo de Graaf dadelijk bij zijn landing een vast punt zou hebben, van waar hij zijn krijgsbeweging kon besturen. Deze taak van Deodaat was hachelijk en de uitslag onzeker, daar men in Holland niet juist met den stand der zaken bekend was, en niet wist of men op de goede gezindheid der burgerij van Stavoren kon blijven vertrouwen, welke daarenboven door de overmacht der overige Friezen of door een oploop van het gepeupel kon machteloos gemaakt worden. Deodaat had daarom de noodzakelijkheid ingezien, bij verrassing te handelen en zijn krijgsknechten onder den valschen bodem verborgen van een schip, dat van boven met biervaten geladen was. Zijn plan was, dit volk bij nacht te ontschepen en daarmede naar het kasteel te trekken; hetwelk (althans zoo luidden de laatste berichten, door Claes Gerritsz gezonden) geene Friesche bezetting had; maar door twee of drie lieden bewaakt werd, op wier trouw aan den Graaf men kon afgaan. Door vertraging bij inscheping en door tegenspoed op reis was er nu een dag verloren gegaan en was het noodzakelijk geworden, de onderneming tot den volgden den nacht te verschuiven. Intusschen gaf de grootte menigte menschen, op de kaai verzameld, geene geringe bezorgheid aan Deodaat, of niet zijn plan verraden en reeds te Stavoren bekend ware: en hij oordeelde het raadzaam, zich hiervan te verzekeren ten einde de zijnen niet nutteloos ter slachtbank te brengen. Het besluit, dat hij ten gevolge dier overdenkingen nam, was dan ook datgene, hetwelk hem de menschelijkheid en de voorzichtigheid voorschreven, hoewel het voor hem zelven het meeste gevaar inhad.

„Boudewijn!” riep hij: „kom boven, maar leg eerst uw harnas af. En gij Zweder! hoor mij.”

Beide schilknapen waren spoedig bij hem.

„Mijn voornemen,” zeide hij, „is alleen en onverwijld de stad in te gaan, om kondschap te nemen hoe de zaken staan: het schip op stroom latende liggen. Binnen drie uren kom ik weder bij u; immers zoo ik alles bevind, gelijk wij wenschen. Kom ik niet terug, dan is het een teeken, dat mijn leven of mijn vrijheid bedreigd wordt: gij wendt in dat geval den steven en boodschapt den Graaf van mijn wedervaren.”

De twee schildknapen zagen elkaar met onrustige blikken aan.

„Welnu!” zeide Deodaat: „hoe kijkt gij zoo zwart? Wat hapert er aan?”

„Ridder!” zeide Boudewijn: „bij God, ik laat u niet alleen gaan: – gij zoudt omkomen in dat vervloekte nest! Laat ons liever, of al te zamen terugkeeren, of terstond met het volk aan wal springen en naar het kasteel trekken, eer die Friesche lomperds den tijd hebben om te bespeuren wat wij in ons schild voeren.”

„Zie eens!” zeide Deodaat, naar de stad wijzende: „ziet gij daar eenig blijk van een vriendelijk onthaal?”

De afstand, waarop zij zich nu bevonden, liet hun toe, dadelijk te bespeuren, dat niet slechts de volksmenigte op de kaai en de hoofden was aangegroeid, maar ook zag men, achter de aldaar verzamelden, ruiters heen en weer draven en hier en daar een helm en een speer in ’t zonlicht flikkeren.

„Mij dunkt, gij weet reeds genoeg.” zeide de schipper tot Deodaat: „en behoeft niet aan wal te gaan om verzekerd te zijn, dat men u daar een slechte welkomst voorbereidt. Gij zijt een wakker Ridder en ik maar een slechte pekbroek; maar neem den raad aan van een oud man en keer, zonder van boord te gaan, met ons terug. Ik ken die Friezen vanouds: zij zijn niet mak als zij beginnen, en hoe best ik altijd met hen overweg gekend heb, ik viel ongaarne in hunne handen.”

„Uw raad is welgemeend, schipper!” zeide Deodaat: „maar het komt hier op plichtsvervulling aan en geen denkbeeld van gevaar kan mij daarvan afschrikken. Door nu terug te keeren, zouden wij de Friezen zoo zij kwaad vermoeden hebben, daarin versterken en des te meer op hun hoede doen wezen. Indien wij daarentegen nu stil op stroom blijven liggen, is wellicht tegen den avond die volkshoop uit elkaar en heeft niemand erg in ons. Daarom ook wil ik aan wal gaan; dan zal de achterdocht van zelf wijken.”

„Neem mij dan in Gods naam mede, Heer Ridder!” merkte Boudewijn aan: „gij zoudt in ongelegenheid kunnen komen, en…”

„Neen, vriend!” zeide Deodaat: „gij keert weer naar beneden. In u zou elk den krijgsman ontdekken. Ook is uw post bij ’t volk, dat gij aan moet voeren.”

„Maar ik mag toch meegaan!” riep Zweder, hem met gevouwen handen naderende: „ik zie er immers volkomen als een scheepsjongen uit; in mij zal niemand erg hebben; en ik zal ongemerkt wellicht nog meer kunnen vernemen dan uw Edelheid.”

„Knaap!” zeide Deodaat getroffen: „ik mag het voor uw ouders niet verantwoorden.”

„Gij hebt aan mijn ouders beloofd, mij tot een braaf Ridder te maken zooals gij,” zeide Zweder: „en dus, het eenigste dat gij niet verantwoorden kunt, is mij te beletten, in de gevaren te deelen, waarin de Ridderplicht u noodzaakt u te begeven.”

„Zal ik het anker laten vallen, Ridder?” vroeg de schipper: „wij hebben hier een goede ligplaats.”

„Doe het,” zeide Deodaat, terwijl hij Zweder, die hem biddende en smeekende bij het kleed hield, van zich afweerde: „en sein om een boot.”

Een en ander geschiedde: en terstond zag men een groote beweging aan wal: in weinige oogenblikken waren niet ééne, maar een twintigtal booten bemand, die met alle haast en als om strijd naar het Hollandsche vaartuig toe roeiden; terwijl al de schepen en schuiten in de haven zich met toeschouwers vervulden, waarvan sommigen tot in de toppen der masten klommen om te ontdekken of zij ook iets in het scheepshol van den bierhaalder konden ontdekken.

„Zeg eens! hoe beleefd zijn de Friezen geworden!” zeide Deodaat: „wij vragen slechts één boot, en er komen er wel twintig. Past maar op, mijn maats! dat er geen ongenoodigde gast aan boord kome.”

„Wij zullen den eersten, die het waagt, met den tandenstoker op zijn kop komen, dat hij het klimmen verleere,” zeide de schipper.

„Alles wel! alles wel!” klonk het weldra van alle kanten van het schip, dat nu van bootjes omringd was.

„Waarom komt gij niet aan ’t hoofd liggen met uw tjalk?” riepen ettelijke stemmen.

„Ik moet met de eb naar Makkum,” riep de schipper.

„Dat kunt gij wel uit uw hoofd zetten,” riep men van beneden: „wij krijgen zwaar weer binnen ’t uur en dan zult gij blij zijn hier in de haven te liggen.”

Intusschen deden verscheidene bootslieden moeite om het vaartuig te beklimmen.

„Handen af!” riep de schipper, een eind hout opheffende: „handen af! wat beduidt dit? Die koopman kan toch niet met u allen te gelijk meegaan. Bij Sinter-Klaas! die een hand aan ’t schip slaat, sla ik de hersens tot gruis. Gij allen kent Krijn Jansz, en gij weet dat hij woord houdt.”

„Deze is er het eerst geweest,” zeide Deodaat, op een boot wijzende, die aan stuurboord lag: „wij zullen de keus op haar bepalen.”

Maar op hetzelfde oogenblik werd hij met geweld bij den arm gevat en naar bakboordszij getrokken door een Fries, die, terwijl de schipper en zijn maats het schip aan weerszijden tegen alle aanranding beschermden, tegen de roerpen was aan boord geklommen.

Deodaat sloeg de hand aan zijn dolk en wendde zich om, met oogmerk om deze onheusche handelswijze te keer te gaan; maar hij liet af en beschouwde aandachtig het gelaat van den Fries, dat hem niet onbekend voorkwam.

„Indien gij wijs wilt zijn, blijf dan aan boord en wend dadelijk den steven,” fluisterde hem de Fries met drift in het oor.

„Ik moet aan wal zijn,” zeide Deodaat: „maar wie zijt gij, die mij zoo ongevraagd raad komt geven?”

„Kent gij Feiko niet meer?” hernam de Fries: „gij hebt mij eens het leven gered en ik wil het u op mijn beurt doen.”

„Welnu!” zeide Deodaat: „ik dank u! en ik zal met uwe boot aan wal gaan.”

„In Gods naam dan!” zeide Feiko: „maar laat niet blijken, dat gij mij kent. Hei ho! Rienk Westra! waar is de boot? De koopman gaat met ons mee.”

De boot van Rienk Westra was spoedig naast het vaartuig, tot groote spijt van al de overige varensgasten.

„Vaarwel schipper!” zeide Deodaat: „gij onthoudt onze afspraak. Kom! wij moeten voort.”

„God zegene u!” zeide Krijn Jansz, hem de hand drukkende: „en brenge u behouden in de haven uwer hoop.”

Deodaat steeg af: maar nauwelijks was hij in de boot, of hij ontdekte tot zijn leedwezen, dat Zweder, die zich aan een touw had laten glijden, er reeds zat, met een riem in de eene en een aarden pot in de andere hand.

„Gaat gij toch mede?” vroeg hij, zijn ongenoegen onder deze onverschillige vraag verbergende.

„De schipper heeft melk noodig,” zeide Zweder: „en ik ga die te Stavoren halen.”

De boot verwijderde zich met snelheid, gevolgd door de andere varensgasten, die haar ettelijke vloeken nazonden.

„Wat vertoont men heden te Stavoren?” vroeg Deodaat, als begreep hij de reden van dien volksoploop niet: „is er een mysteriespel of een processie te wachten, dat alle man dus op de been is?”

„’t Is marktdag,” antwoordde Rienk Westra.

„En komt men hier meer gewapend te markt?” vervolgde Deodaat op eenige krijgslieden wijzende, die hij in ’t verschiet zag.

„Somtijds!” hernam de Fries met een hoonenden lach: „wanneer men menschenkoppen te koop vent.”

„Zoo! nu begrijp ik u,” zeide Deodaat: „er wordt dan heden recht gedaan.”

De bootsman zag hem met een schamperen blik aan, en met verdubbelde kracht voortroeiende, neuriede hij het volgende refrein van een oud Friesch deuntje:

„Onedelen en dorpers hangt men op.
Maar de edelen vreezen den strop,
Zij varen liefst zonder kop
Ter helle! ter helle! ter helle!”

Een onwillekeurige huivering voer door de aderen van Deodaat, en Zweder werd bleek. Gaarne had deze laatste, die bijna overtuigd was dat zij den dood tegengingen, den Ridder willen betuigen, nog terug te keeren; maar deze, begrijpende dat alle poging daartoe vruchteloos zijn zoude, vermits zij van barken waren ingesloten, wenkte hem te zwijgen. „Er zijn ook gewapende lieden aan wal,” dacht hij; „en bijgevolg menschen, die eergevoel in ’t lijf hebben. Zoo wij alleen met een blind gepeupel te doen hadden, ware ik niet gegaan: maar  al wie een degen draagt zal mij niet laten vermoorden.”

Zij waren nu aan het hoofd gekomen, waar de verzamelde menigte hen wachtte. Waar Deodaat het oog wendde, op elk gelaat las hij onbeschaamde nieuwsgierigheid en kwalijk verborgen haat; maar bij de menigte heerschte die doodelijke stilte, welke niet zelden bij volksopschuddingen, gelijk in de natuur, de voorbode is van den geweldigste storm. In een oogenblik was Feiko tegen de dwarshouten opgeklommen en bood hij de hand aan Deodaat om hem te volgen. Het was echter geene gemakkelijke zaak daar boven te komen; want de toevloeiende volkshoop drong zich onder een dof gemurmel van: „daar is hij!” zoo sterk om Feiko heen, dat deze nauwelijks gelegenheid had, den voet aan wal te blijven houden.

„Plaats wat! plaats wat! leegloopers!” riep hij, bij zijn best, de omstanders rechts en links achteruitstootende: „zoo gij ons bekijken wilt, geeft ons dan ten minste de gelegenheid van voet aan wal te zetten: denkt gij, dat men hier komt om uwe leelijke bakkessen te zien? – met u hebben wij niets te maken!”

„Misschien wij met u lieden,” bromde een uit den hoop tusschen de tanden.

„Kunt gij mij den weg wijzen naar meester Claes Gerritsz, den Ambtmans?” vroeg Deodaat aan Feiko, toen hij eindelijk met Zweder boven op het hoofd gekomen was, waar zij nauwelijks genoeg ruimte vonden om op de beenen te staan.

„Hoort! hij wil naar den Ambtman! – hij mag hem gezelschap houden! – daar zal hij net op zijn plaats wezen!” mompelde het volk, terwijl het hoonende blikken op den Ridder wierp.

Deodaat zweeg en vergenoegende zich kalm om zich heen te zien, terwijl hij Feiko volgde, die hem niet zonder moeite en kracht van ellebogen een weg baande door den volkshoop, die zich slechts opende om zich weer dadelijk achter hen te sluiten. Wat Zweder betrof, deze liep achter zijn meester, in de meest achtelooze houding mogelijk, slechts nu en dan vloekende tegen de omstanders, die hem tegen ’t lijf drongen.

„Voorzichtig wat, lomperds!” zeide hij: „gij zult mijn pot breken.”

„Als men u den hals maar niet breekt, mijn boutje!” snauwde een afzichtelijke vrouwmensch hem toe (want het betere deel van het menschelijk geslacht had mede niet weinig vertegenwoordigsters onder de menigte): „hoor mij dien kwaden guit eens aan.”

„’t Zou toch jammer wezen, Makke!” zeide een andere vrouw: „’t is een aardig borstje en het ware zonder, dat hij aan een staak hing.”

Onze Ridder was nu de hoofdstraat ingetreden van die toenmaals zoo welvarende en thans zoo geheel vervallen stad. Wel had het tijdperk van haar hoogsten bloei opgehouden te bestaan, en begon haar handel door de mededinging der Hollandsche steden eenigzins te verminderen; maar nog was haar later verzande haven in goeden staat en druk bezocht: – en de inwoners genoten juist dat tijdperk van welvaart, zoo doodelijk voor een wolk of stad, waarin men op vroegere winsten teert, en aan weelde gewoon, de noodige inspanningen laat varen om te zorgen, dat de vroegere bloei door geene latere armoede vervangen worde. Sierlijke huizen vertoonden zich aan weerszijden: de stoepen waren wel niet met goud beslagen, gelijk een kroniekschrijver verhaalt, die waarschijnlijk verkeerdelijk stoepen voor stoopen (of drinkkannen) las, maar alles ademde toch die weelde, pracht en overdaad, welke aan de inwoners den naam va: de verwende kinderen van Stavoren had doen geven. Wat echter thans aan de stad een minder vroolijk aanzien gaf, was, dat in de huizen der aanzienlijkste meest Hollandschgezinde bewoners, de blinden gesloten waren: alleen zag men zich hier en daar een angstig gelaat vertoonen, dat om een deurpost of over een luik heenkeek en, na een blik van medelijden op Deodaat geslagen te hebben, terstond weder verdween.

De gemeente begon onder ’t voortgaan luidruchtiger te worden. Hier en daar werden vervloekingen gehoord tegen de Hollanders en tegen den Graaf: Rienk Westra, de varensgast, begon zijn deuntje weder aan te heffen, en het refrein werd door honderden herhaald. Dit lied werd door een ander gevolgd, waarvan het slot was, dat de vogel in de knip zat: en voorts door meer, alle weinig geschikt om de gerustheid van Deodaat te vergrooten.

„Een wapeldjepinga!” riepen nu sommigen uit den hoop: „Eilieve! koopman, laat ons eens hooren welk een landsman gij zijt: zeg mij eens na: read hird reekt rierrene lyer; zonder haperen, hoort gij.”

Het bloed des Ridders kookte hem in de aderen, en hij had er veel voor gegeven om op zijn ros te zitten en dat gepeupel voor zich heen te doen wegstuiven. Hij besefte echter, dat zijn lot, en misschien ook dat van de manschappen, die hij aan boord had gelaten, en van afhing, dat hij koelbloedig bleef, en hij wist zich ook bedaard te houden, tot zoolange de Workummer visscher, die zijn komst, naar hij vermoedde, verklikt had, hem op zijde kwam

„Ja hij is het wel,” zeide hij, na hem met een zwenk te hebben gadegeslagen: „het is de man, die ons verrassen wou, maar hij is zelf verrast. Maatje! maatje gij zit in de knip: en het is jammer voor u, dat gij die koopmanspij hebt aangeschoten; want hadt gij een ridderharnas aangehad, gij hadt nog met eer kunnen onthoofd worden; maar nu is het hangen, vriendje!”

„Ga uw weg, vriend!” zeide Deodaat, „ik versta u niet.”

„Zie mij dat wittebroodskindje eens aan!” hernam de visscher: „hij zou mij niet verstaan!”

„’t Staat u zeker schoon,” zeide Deodaat, hem met een toornigen blik aanziende, „dus op een wapenloozen man te vloeken, die hier voor zaken komt.”

„Een wapen kon men u wel verschaffen,” zeide de visscher, en haalde tevens een breed mes uit, hetwelk hij den Ridder voor den neus hield.

„Pas op,” zeide Deodaat: „gij zoudt u kunnen bezeeren. Ga uw roes uitslapen en laat mij met vrede.”

„Mijn roes! Donderskind! denkt gij dat ik bezopen ben?” duwde hem de schipper toe: en zijn arm verhief zich opnieuw in een dreigende houding, toen Zweder, zijn meester in gevaar achtende, zijn melkpot aan stukken sloeg op het hoofd van den Workummer, die bedwelmd ter aarde stortte.

Deodaat keek eenigszins wrevelig om en zag Zweder met een ontevreden en droefgeestigen blik aan. Maar de val van den schipper was het teeken der uitbarsting van de volkswoede. Honderd messen waren in een oogwenk uit de scheede en evenveel dreigende handen verhieven zich.

„Zoo zij mijn leven begeeren, zullen zij het echter niet goedkoop hebben,” zeide Deodaat en trok zijn dolk.

„Laat af,” zeide Feiko, hem weerhoudende: „wat zoudt gij tegen zoovelen? – Zij gij dwaas, makkers!” vervolgde hij met luider stemme: „wilt gij u van het genoegen berooven om dezen liefhebber aan een pereboom te zien hangen?”

Deze toespraak werd met een luid gelach door de naastbijstaanden opgenomen; maar die verder af waren en Feiko’s woorden niet verstaan hadden, begonnen met steenen te werpen. Op dit oogenblik kwam een monnik, die het gewaad van Sint-Odulf droeg, door een zijstraat aan. Nooit was eer iets magerder gezien dan die vrome man, die volkomen een wandelend geraamte scheen, alleen in zijn oogen blonk nog het levendige vuur van betere dagen. Zoodra Feiko dezen zag, snelde hij naar hem toe:

„Help toch, vrome Heer!” beet hij hem zachtjes in ’t oor: „men wil Ridder Deodaat vermoorden, aan wien wij zoovele verplichtingen hebben.”

De monnik naderde terstond, met verbaasdheid en belangstelling op het gelaat: „wat doet gij, mannenbroeders!” riep hij: „schaamt gij u niet, allen gezamenlijk eenen weerlooze op ’t lijf te vallen?”

„Te water met hem! Hij is een Hollander! wat let ons die verbruste monnik?” riepen verscheidene stemmen. – „Neen! neen!” schreeuwden anderen, – „het is vader Syard! – welkom weer te Stavoren, vader Syard! – vader Syard heeft het verraad aan de Grietlui ontdekt! Zij hebben u slecht te eten gegeven, Vader!  —  Hoezee! Leve vader Syard!”

Er ontstond een weifeling onder de menigte. Rienk Westra trad toe:

„Indien gij het verraad ontdekt hebt,” zeide hij tot den monnik, die werkelijk niemand anders dan onze vermiste kloosterling was, „zoo zult gij dezen man niet gespaard willen hebben: hij komt uit het schip: hij is de hoofdaanlegger, de bevelhebber der bende.”

„Gij bedriegt u,” zeide de monnik: „deze is niet de man waar gij hem voor houdt. Hij is een Fries en zal hier niet komen om zijn land ten val te brengen.”

„Een Fries!” riep Westra, verbaasd terugtredende: hij!„”

„Monnik!” zeide Deodaat zachtjes: „bezwaar u met geen logen om mijnentwil. Ik ben…”

„Zwijg!” zeide vader Syard: „ik ken u beter dan gij u zelven kent: of,” vervolgde hij den Ridder scherp aanziende: „weet gij, wie uw vader was?”

Deodaat zweeg en zag den monnik in stomme verbazing aan; want hij begreep niet, welk belang de man in hem konde stellen, daar hij hem nooit dan eens in de hut bij Elske ontmoet had.

„In waarheid!” zeide Feiko, die nu ook Deodaat meer aandachtig beschouwde, en begreep, nadere klem te moeten bijzetten aan hetgeen de monnik gezegd had; hoewel hij zelf niet wist of het waarheid ware dan wel een vrome leugen: „ziet hij er niet van top tot teen uit als een Fries. Kijkt hem maar eens recht aan: bij mijn zolen! – ’t is volkomen de neus,… de oogen,… de mond van…  Ja waarachtig: – hij lijkt immers sprekend op mijn Heer van Aylva, en dien moet ik toch kennen, daar ik zijn dienaar ben. Een Fries is hij, dat zweer ik u, mannen!”

Op dit oogenblik rukte er een bende gewapend volk op, uit dezelfde straat, waaruit de monnik zoo juist van pas gekomen was. Ondanks den benarden toestand, waarin hij zich bevond, kon Deodaat niet nalaten te glimlachen, toen hij dien troep in oogenschouw nam, zoo om haar vreemde marschorde als om de zonderlinge wijze, waarop zij gewapend was, elk naar zijne verkiezing, deze met een bijl, die met een spade, een derde met een houweel; kortom, er schenen er geen twee te zijn, die dezelfde droegen.

Hopman!” zeide vader Syard, zoodra hij den aanvoerder der bende in ’t oog kreeg: „gij neemt dezen koopman onder uwe bescherming, eer hij door het volk mishandeld worde. Gij kent mij, en gij weet, dat ik niet alzoo zou spreken, indien ik geen gewichtigen grond voor mijn zeggen had.”

„Met uw verlof,” zeide de Hopman: „ik moet naar de haven, om dat vaartuig te beknippen, hetwelk zoo vriendelijk is geweest, ons te komen bezoeken met meer waar aan boord dan noodig was.”

„Dat heeft den tijd,” zeide de monnik: „volg nu slechts mijn last: of ’t zou u kunnen rouwen. Gij weet, wie den aanslag ontdekt heeft.”

De Hopman haalde de schouders op; maar gehoorzaamde: en Deodaat met den monnik en Feiko tusschen zijn gewapenden innemende, liet hij deze laatsten rechtsomkeert maken. Zweder, op wien niemand in de verwarring van het oogenblik acht had geslagen, mengde zich onder het volk, en volgde de bende, zijn Heer zoo min mogelijk uit het oog verliezende. Weldra hield de Hopman voor een aanzienlijk gebouw stil, hetwelk het raadhuis bleek te zijn.

„Hopman,” zeide de monnik, op dien toon van gezag, welken hij waar het pas gaf, zoo meesterlijk wist te gebruiken: „gij vertoeft hier met uw bende, tot gij nadere bevelen ontvangt, en gij zorgt, dan niemand in het raadhuis kome, die er niet van doen heeft: – en nu! laat ons spoedig binnengaan.”

„Ik behoef mijn plicht van geen paap te leeren,” bromde de Hopman, terwijl Deodaat met vader Syard binnentrad: „en met dat al, ik zal maar doen wat hij zegt; want die geestelijke heeren zijn altijd in staat ons een kool te stoven.”

„Is de Ambtman Claes Gerritsz hier?” vroeg Deodaat aan den stadsbode, die zich in ’t portaal bevond.

„Er is hier geen Ambtman meer,” antwoordde de bediende op een norschen toon: „wilt gij de Grietlui spreken, die zitten binnen. Ga maar, zij wachten u al.”


[Hoofdstuk 28] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 30]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.