MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Kom, beul en doet u werck, kom laet de deught niet knielen
En wilt hem door het sweert van stonden aen vernielen.
Siet, daer ist al geseyt. Men doet het recht te kort,
Indien men niet terstont het schendigh bloet en stort.

Cats. Trou-ringh.

Deodaat trad met vader Syard de zaal binnen, welke hem geopend werd, en haastte zich een nieuwsgierig oog in ’t rond te slaan op de aldaar aanwezige personen. Hij herkende terstond Seerp van Adeelen, die, met het ongeduld op ’t gelaat en de handen op den rug, heen en weer wandelde achter een tafel, aan welke eenige wereldlijke en geestelijke personen gezeten waren. De Abt van Sint-Odulf was onder deze laatsten, en men kon aan ’s mans gelaat, vooral aan den doffen blik, dien hij voor zich uitwierp, ras bespeuren, dat hij niet op zijn gemak was. Wat verder stonden, in de sponning van een groot kruisraam, een drietal gewapende edellieden in een druk gesprek bijeen. Deodaat meende te hooren, dat een hunner bij zijn binnenkomst een uitroep van verbazing deed en zich toen terstond weder omwendende, zijn mantel om zich heen trekkende als wilde hij niet herkend wezen.

„Aha! daar is onze vrome broeder Syard weer,” riep de Abt van Sint-Odulf, terwijl zijn strak gelaat op eenmaal opklaarde: „ja! mijn waarde Broeder van Lidlum,” vervolgde hij, zich tot den geestelijke wendende, die naast hem gezeten was: „het is broeder Syard, die ons tegen dat Satansche plan van den Graaf is komen waarschuwen: hij is door een bestiering Gods in de handen der Amalekiten moeten vallen om het te ontdekken. Wij achtten hem reeds dood, en ik had al gelast, dat men zielmissen voor hem zoude lezen; mar nu kunnen wij het Halleluja zingen om zijn wederkomst; hoewel gij ziet, dat de man een schrale keuken heeft gehad bij de Hollanders: ja hij ziet er waarlijk uit, of hij al dien tijd alleen op hiera picra geteerd had; en dat is niet het middel om vet te worden.”

„Thans moeten wij alleen om de hiera gladii denken,” zeide de kloostervoogd van Lidlum, die een reusachtig man was, aan wiens forsche ledematen het harnas beter zou gepast hebben dan de monnikspij: en meteen stak hij zijn breede hand over tafel toe aan vader Syard, dien hij kende en hoogachtte, en heette hem van harte welkom. Hetzelfde deden ook de overige aldaar gezeten lieden.

„Wien brengt gij ons daar mede, monnik?” vroeg Adeelen, op een haastigen toon: „de duivel hale mij!” riep hij eensklaps uit, na Deodaat aandachtig beschouwd te hebben, „indien het die vervloekte Italiaan niet is!”

„Ik ben het zelf, Seerp van Adeelen!” zeide Deodaat: „en ik dank het den eerwaardigen vader, dat gij mij herkennen kunt. Hij heeft mij uit de handen van het grauw verlost, dat mij te lijf wilde. – Men bereidt hier een slecht onthaal aan hen, die uwe stad bezoeken komen.”

„Wanneer zij vermomd en met slechte inzichten komen, bereidt men hun het onthaal, aan verraders bestemd,” zeide Adeelen op een strengen toon. „Wat komt gij hier zoeken?”

„Mag ik weten, of ik hier voor een rechtbank sta?” vroeg Deodaat: „welke vergadering vermeet zich hier, mij te verhooren?”

„Aha! gij wilt weten, met wie gij te doen hebt? – Welnu! ik zal niet minder beleefd zijn, dan uw Graaf op den Vogelesang was. – Den Abt van Sint-Odulf kent gij: deze is zijn ambtgenoot van Lidlum: en hier zit de kloostervoogd van Bloemkamp of Oldeklooster.”

Deodaat zag verbaasd op. De kloostervoogd van Bloemkamp was een breedgeschouderd ventje, barsch van uitzicht en van top tot teen geharnast.

„Hier ziet gij de Edelen Eelco Galama, Sytse Martena, en aan deze zijde Tiete Cammingha en Jouke Helbada; – gezamelijk met mij het tegenwoordig bestuur van Friesland uitmakende. Moet ik die ginds aan ’t raam staan ook noemen: – het zijn Epe Fadinga en…”

„Al genoeg,” zeide Deodaat; „alleen begrijp ik niet, wat gij van een bestuur van Friesland praat, hetwelk alleen bij Graaf Willem berust, als Heer van dit gewest.”

„Noch rechtens, noch in daad heeft Willem hier iets in te brengen,” zeide Adeelen: „maar ik verlang in geen woordenwisseling te treden. Wat begeert gij?”

„Mijn eerste boodschap was aan zekeren Ambtman des Graven, Claes Gerritsz genaamd,” zeide Deodaat.

„Begeert gij dien te zien?”

Deodaat knikte toestemmend.

„Zie uit dat kruisraam en gij zult hem ontdekken,” zeide Adeelen, met een woesten glimlach.

Deodaat, zonder de meening dezer woorden te beseffen, begaf zich naar het aangeduide raam, waarvan de drie Edelen die er voor stonden, dadelijk bij zijne nadering terugweken, als om hem een vrijen doortocht te laten. Van het venster had men het uitzicht over een gedeelte van den stadswal: en Deodaat trad met ijzing terug, toen hij van verre het lijk van onzen armen Haarlemmer aan een pereboom zag hangen. Vol verontwaardiging begaf hij zich weder naar de tafel.

„Wie is de bedrijver van een zoo schendig stuk?” vroeg hij met fonkelende oogen: „zijn hier de wetten omgekeerd, dat men ’s Graven dienaren ophangt?”

„Het doet u zeker leed,” zeide Adeelen, met bitterheid, „dat gij nu met hem de middelen niet kunt beramen om ons in slavernij te brengen. Uw plan is ontdekt, hoe listig het ook overlegd ware. De muis zal in de val blijven, zelfs zonder het spek geproefd te hebben.”

„Kom! kom!” zeide de Abt van Bloemkamp, met zijn gewapende vingers op de tafel trommelde: „straks waart gij zoo voortvarend, Adeelen! en nu houdt gij ons met allerlei snorrepijpen op. Wat bruit ons de Hollander? Laat  hij zijn makker hangen. – En hoe is het? ’t Is of ik Eise Makkinga nog buiten hoor met zijn krijgsvolk. Is dat schip nog niet in brand gestoken?”

Adeelen vloog naar het raam, dat op de straat uitzag: „bij alle duivels!” riep hij: „gij hebt gelijk. Wat sammelt gij, Eise?” schreeuwde hij, het venster openende: „en waarom gaat gij uw last niet ten uitvoer brengen?”

„Vader Syard heeft mij gelast, hier post te houden,” antwoordde de Hopman van beneden.

„Vader Syard is een ezel, en ik gelast u te handelen als afgesproken is, en niet weer te komen, voordat het schip tot pulver is verbrand. Scheer u weg! – Ik wilde wel eens weten, Pater!” zeide hij, terugkomende: „waar gij u mede bemoeit? – Ware het niet om den dienst, dien gij ons heden bewezen hebt, ik liet u opknoopen.”

„Dat is te zeggen,” zeide de Abt van Sint-Odulf, „gij zoudt u, geloof ik, tweemaal bedenken, eer gij een broeder van mijn klooster dorst aanranden.”

„Met dat al, ’t is toch vreemd,” zeide die van Lidlum, „dat een wijs man, als broeder Syard, bevelen geeft, strijdig met die van de Abten en de Grietlui. Wij moeten hooren, welke redenen hij daartoe heeft gehad.”

„Ik heb,” zeide vader Syard, die dit luidruchtig gesprek staande en zwijgend had aangehoord, „ik heb den Hopman verzocht, voor de veiligheid van dezen Ridder te zorgen, dat ik overtuigd was, dat mijn vader Abt het hoogst euvel zou opnemen, indien men iemand onverhoeds veroordeelde in een stad, welke onder de bescherming van onzen Heiligen Patroon staat.”

„Gij hebt volkomen wel gehandeld, Broeder!” zeide de Abt van Sint-Odulf: „en ik zou in uwe plaats niet anders gedaan hebben. Wij mogen niemand onverhoord ter dood brengen, veelmin toelaten, dat zulks door dat domme gepeupel worde gedaan.”

„Recht zoo!” zeide een der Edelen: „verhoort dan dezen man ook; maar maakt het spoedig.”

„Eer gij hiermede aanvangt,” zeide Deodaat, die de noodzakelijkheid gevoelde, onbeschroomdheid tegen geweld over te stellen: „zoo wil ik vragen, of gij opgehouden hebt, het gezag van Graaf Willem, uwen Heer, te erkennen?”

„Moet men het u tienmaal zeggen?” grauwde hem Adeelen toe: „wij erkennen geen gezag ter wereld. Wij zij vrij en willen vrij blijven.”

„Welnu! het is dan als afgevaardigde van den Graaf, dat ik tot u spreek. Hier is mijn geloofsbrief!” en meteen haalde hij een perkament uit den boezem, waarmede hem de Graaf voorzien had, ten einde zich daarvan in een oogenblijk van nood zou kunnen bedienen.

„Hij wil in alles het voorbeeld van den Haarlemmer volgen,” zeide Adeelen: „die kwam ons ook met schrifturen aan boord. Ziedaar het werk, dat wij van dergelijke prullen maken!” En, het perkament verscheurende, wierp hij Deodaat de stukken in ’t gezicht.

„Gij zijt een lafaard,” riep de Ridder, „maar ik zal mij bedwingen, omdat mijn last niet aan u gericht is. Eerwaarde Vaderen! Dappere Edellieden! ik spreek tot u in naam des Graven, wiens weldaden met ondank geloond, wiens goedheid getergd is! Staat af van uw roekeloos bestaan! – Stoot u zelf en uw landgenooten niet in een onherstelbaar verderf, door u te verzetten tegen hem, wiens macht u allen kan verpletteren. Bedenkt, dat Utrecht, het geheele Sticht, door zijn wapenen overweldigd zijn. Het ware noodeloos het u langer te ontveinzen; eer twee dagen om zijn, zal dit land met Hollandsche wapenknechten overdekt wezen, tenzij gij u onderwerpt. Staat af van uw rasch besluit! – Legt de wapens af en zendt woorden van onderwerping en vrede. Zoo alleen kunt gij den storm afweren, die anders geweldig op uwe kusten woeden zal.”

En als wilde de natuur zijn overdrachtelijke spreekwijze metterdaad bevestigen, een donderslag deed zich in de verte hooren.

„De storm!” zeide Adeelen: – „daar komt hij al; maar wij hebben dien niet te vreezen. – Friezen! gij hebt hem gehoord; welk lot hebben wij bepaald dat hem beschoren zoude wezen, die van Graaf Willem tot ons kwam?”

„De dood!” riepen schier al de leden der vergadering als uit éénen mond.

„Gij hoort het! zeide Adeelen: „uw dood is bepaald! – Hier knapen! knevelt hem, en hangt hem naast meester Claes Gerritsz.”

Deze woorden verwekten geene geringe opschudding in de zaal. Deodaat, besloten hebbende zijn leven duur te verkoopen, had reeds zijn dolk getrokken, toen hij onverhoeds van achteren werd aangegrepen door eenige staffieren, die achter een gordijn verborgen hadden gestaan en hem knevelden eer hij zich kon verweren. Vader Syard vouwde de handen met ontzetting in elkander en scheen te peinzen op een middel om den gevangene te redden: een der aan het raam staande Edelen mompelde een verwensching en deed een paar schreden voorwaarts; de Abt van Bloemkamp wenkte met de hand, dat men voort zou maken: die van Lidlum ledigde in eene teug eene geweldige bierkan, die voor hem stond: vader Volkert keek eenigszins bedrukt: de Grietlieden fluisterden halfluid met elkaar: en Adeelen bleef rustig, op zijn sabel leunende, het tooneel aanschouwen.

De Abt van Sint-Odulf scheen de eenige man van gewicht te zijn, die medelijden met den gevangene gevoelde: „Is er gezorgd voor een biechtvader?” zeide hij: „nu onze waarde broeder Syard uit de handen der Philistijnen verlost is, zou hij waarschijnlijk gaarne de gelegenheid aangrijpen zijn heilige bediening weder eens te vervullen.”

„Eerwaarde Vader” zeide de monnik: „er is nog een heiliger plicht, die op mij rust en waarvan ik gehoor moet geven. Heeft deze vreemdeling iets gedaan dat des doods waardig is? Heeft hij niet integendeel aanspraak op de dankbaarheid van Friesland, daar hij het was, die Seerp van Adeelen uit de klauwen van het Haarlemsch gepeupel redde, en die Madzy Dekama veilig door de legerplaats van Willem liet brengen en haar vergunde tot ons te keeren?”

„Ziedaar juist wat ik nog dacht aan te merken,” zeide de Abt van Sint-Odulf: „ik verheug mij dubbel in uwe terugkomst, Broeder! – Niemand wist in uwe afwezigheid mijne meening te vatten. Inderdaad, Seerp van Adeelen was den vreemdeling een beter dank verschuldigd dan een streng touw.”

„Bovendien,” vervolgde de monnik: „deze Ridder komt als afgevaardigde, en het recht aller beschaafde natiën eerbiedigt de personen van gezanten en herauten.”

„Dat is volkomen waar,” zeide de Abt: „en ik wilde wel weten, met welk recht Seerp van Adeelen een stuk verscheurd heeft, dat niet aan hem, maar aan ons allen gericht was?”

„Met welk recht?” herhaalde Adeelen op een schamperen toon: „ben ik hedenmorgen niet door de aanwezigen, ook door u, vader Volkert! verzocht geworden het hoofdbestier te nemen van den verdedigingsoorlog, die wij voeren zullen? Heb ik geene machtiging van u ontvangen om te doen, wat ik oorbaar en nuttig voor ’s lands welzijn zou achten? Ik had hem op eigener gezag kunnen doen ter dood brengen; maar ik heb uw aller oordeel gevraagd: en heeft zich wel ééne stem te zijnen voordeele doen hooren, toen ik voorstelde, dat hij als verrader den dood zou ondergaan? Zouden wij van ons besluit terugkeeren om het gereutel van een monnik, die zijne zinnen in een Hollandschen kerker verloren heeft en hier ongeroepen in de vergadering verschijnt?”

„Ik kwam hedenmorgen ook ongeroepen tot u, Seerp van Adeelen!” zeide vader Syard: – „en zoo ik niet gekomen was, ware de stad met dezen nacht in handen der Hollanders.”

„’t Is waar,” zeide Adeelen: „gij bracht zelf den os ter slachtbank en nu de slachter zijn bijl opheft, wilt gij het beest sparen.”

De Abt van Lidlum, die ondertusschen met zijn buren gefluisterd had, vatte nu het woord.

„Wij meenen,” zeide hij, „dat men dezen vreemdeling in aanmerking der door hem bewezene diensten het leven zou kunnen schenken, indien hij ons de noodige kondschap wilde geven omtrent de voornemens van zijnen meester.”

Deodaat had sedert den onverhoedschen aanval, op hem gedaan, een somber stilzwijgen bewaard, als gevoelde hij, dat welsprekendheid even nutteloos zou zijn als wederstand. Maar bij de woorden van den Lidlummer voelde hij al zijn geestkracht herleven. „Spaart u de moeite,” riep hij uit, terwijl zijn oog met verachting op den forschgebouwden kloostervoogd rustte, „mij een zoo onteerenden voorslag te doen. Ik ben in uwe macht en het staat aan u, mij te dooden; maar weet vooraf, dat ik u allen, Edelen, Prelaten en Burgers, wat gij zijn moogt, in naam van mijnen en uwen Heer, den Grave van Holland en Henegouwen, uitmake voor rebellen en muiters, en tegen u inroep al de straffen, die uw opstand verdient. – En u bovendien, Seerp van Adeelen! verklaar ik een onwaardige bloodaard te zijn, die van de overmacht gebruik zoekt te maken, om een bijzonderen wrok tegen mij te koelen.”

Alle oogen wendden zich bij dezen laatsten uitval op Adeelen: de goedhartige Abt van Sint-Odulf knikte Deodaat goedkeurend toe; Zijn ambtgenoot van Lidlum, die, gelijk men zich herinneren zal, een oude veete tegen Adeelen had, wreef zich vergenoegd de breede handen: terwijl de Edelen nieuwsgierig schenen, te vernemen op welke wijze Adeelen zich van deze betichting zoude zuiveren.

Wat deze betrof, hoe geraakt hij zich ook gevoelde, de hoogmoed zegevierde bij hem over den toorn: „Ware ik bloot een krijgsman,” zeide hij, „ik zou met vreugde de uitdaging beantwoorden, mij eens door u gedaan; – als veldheer kan ik thans het welzijn des vaderlands aan geene bijzondere twisten opofferen.”

„Het is wel gezegd!” zeide de Abt van Bloemkamp, terwijl hij met de in ijzer gehulde vuist krachtig op de tafel sloeg: „niemand zal hier te lande in Seerp van Adeelen een bloodaard zien, omdat hij de zotte gewoonten van vreemde landen niet opvolgt en zijn leven waagt, nu Friesland zijn arm en hoofd behoeft. Al genoeg geredekaveld! Waarom brengt men den verrader niet ter dood!”

De wachters maakten zich gereed, dit bevel te volvoeren: Deodaat zag reeds geene andere uitkomst dan den dood: hij wierp een scherpen blik op Adeelen, over wiens gelaat een glans van zegepraal verspreid was, en dwong hem, de oogen neder te slaan. Vader Syard scheen zich gereed te maken om nog eene poging te doen en iets mede te deelen, hetwelk hij niet dan op het uiterste had willen ontvouwen, toen de geheimzinnige persoon, die, aan het raam staande, tot dien tijd het geheele tooneel met afgewende gelaat en zonder zich te verroeren had bijgewoond, eensklaps toesnelde. „Dat zal in eeuwigheid niet gebeuren,” riep hij; en, te gelijk tusschen de wachters springende, ontrukte hij Deodaat aan hunne handen. Deze wendde zich om, en men oordeele over zijne verbazing, toen hij in zijn beschermer, zijn voormaligen wapenbroeder herkende, die hem in de armen drukte.

„Reinout!” riep hij: „gij zijt mijn vriend nog! O! dan is al het verledene vergeten.”

„Wat beduidt deze nieuwe dwaasheid?” vroeg Adeelen.

„Nee!” riep Reinout, wiens onstuimige zie gedurende het verhoor een bangen kamp gestreden had, en die, eerst beschaamd op het onverwacht herzien van den man, dien hij beleedigd had, bij diens gevaar al zijn vorige vriendschap had voelen herleven: „neen! ik verzet mij tegen zulk een schanddaad! – Ik zal nimmer gedoogen, dat een edel Ridder, dat de vriend mijner jeugd, aan een verfoeilijke wraakzucht worde opgeofferd. Al stond geheel Friesland op om hem aan te vallen, ik zal hem blijven beschermen, zoolang er een droppel bloeds in mijn aderen vliet. O mijn Deodaat! mijn eenige, mijn oprechte vriend! kunt gij het mij vergeven – Ja – ik geloof nu aan uwe onschuld; want Madzy heeft mij daarvan verzekerd: – en uw eerlijk oog kan niet liegen. – Deodaat! zoo gij sterven moet, sterf ik met u, en wij zullen ten minste als vrienden vergaan.”

„Reinout!” riep Deodaat, hem met vervoering de hand drukkende: „Ik hervind den vriend, dien ik verloren waande! nu kan ik gerust sterven.”

„En met welk recht,” vroeg Adeelen: „durft gij, die u sedert een blauwmaandag onzen landgenoot noemt, u tegen mijn wil en dien van Frieslands overheden verzetten?”

„Bloos, bloos Adeelen!” riep Reinout: „ziet gij hem aan en schaamt gij u niet? Lag zonder hem uw lijk niet te rotten op het Haarlemmer kerkhof? – Heeft Madzy Dekama hem haar ontroming uit het Sticht niet te danken? – uw wil! – ja, het is altijd uw wil geweest, hem leed te doen? – Wat praat gij van uwen wil? moeten wij, die ons van de oppermacht eens Graven ontslaan, van uwe luimen afhangen! Waag het, hem een haar te deren, en al wat in Friesland met Aylva of Dekama vermaagschapt is valt u af.”

„Luistert toch niet naar dien dwaas,” zeide Adeelen: „heden verdedigt hij een man, wien hij drie maanden geleden naar de hel wilde sturen.”

„De vreemdeling heeft den dood verdiend,” zeide de voortvarende Abt van Bloemkamp: „en wij hebben allen daarin medegestemd. Zal dat gehaspel nooit eindigen?”

„Herroept dat schandelijk vonnis,” zeide Reinout: „gij kunt er geen gezonde reden voor inbrengen!”

„En die bende krijgsvolk, in zijn schip verborgen?” vroeg Adeelen, met bitsheid.

„Waar zijn zij? Wie heeft die gezien? – uitgestrooide praatjes, om ’t slechte volk op te ruien. —  Hij zegt, hij komt als afgezant, en gij verscheurt zijn geloofsbrief: – en gij veroordeelt hem onverhoord. – Moet dan de Friesche naam een schandknaap worden?”

De taal van Reinout scheen eenigen indruk op de aanwezigen te maken: de Abten van Lidlum en Sint-Odulf althans gaven blijken van goedkeuring; terwijl Cammingha en Martena een blik van ontevredenheid op Adeelen sloegen.

„Beschermt den weerloze,” vervolgde Reinout, „gij allen, die vrienden zijt van ons huis. Ik smeek u daarom, in naam mijns vaders, in naam van den edelen Aylva.”

„In naam van Aylva!” herhaalde vader Syard, en zag Reinout aan met een blik van verwondering en twijfel: „maar ja,” vervolgde hij: „ook ik smeek u in dien zelfden naam en in dien der gerechtigheid: geeft aan geene onbesuisde drift gehoor. Deze Ridder hier” (op Deodaat wijzende) „zou een twistappel tusschen u worden en Friesland heeft niet meer van doen, dan eensgezindheid onder zijn zonen. Schort zijn vonnis op tot na de beslissing van het lot, dat ons vaderland wacht: en dan, spant de vierschaar over hem. Dat hij intusschen op zijn ridderwoord gevangen blijve, en zij hem een eerlijke kerker aangewezen.”

„Ziedaar juist, wat ik wilde voorstellen,” zeide vader Volkert: „laten wij hem in Sint-Odulf bewaren: indien gij hem dan later van kant wilt maken, is het altoos nog tijd.”

Op dit oogenblik keerde de Hopman Eise Makkinga terug met de tijding dat het Hollandsche vaartuig, reeds voordat hij aan de haven kwam, het anker gelicht had en afgezeild was.

„Goddank!” dacht Deodaat: „mijn brave spitsbroeders zijn gered!”

„Die tijding neemt mijn laatste bezwaren weg,” zeide Cammingha, oprijzende: „en zie ik nu geene redenen meer, om bij ons overhaast besluit te blijven. Er is thans geen bewijs, dat deze vreemdeling een aanslag in den zin had, en ik acht, dat wij zonder gevaar het onderzoek tot een meer geschikte gelegenheid kunnen uitstellen.”

„Voorzeker!” zeide Martena: „en ik zou bovendien niemand willen deren, in wien het huis van Aylva belang stelt.”

De Abten, zelfs die van Bloemkamp, die slechts naar een afdoening van zaken verlangden, en de overige Edelen voegden zich bij het advies.

„Geef uw toestemming, Adeelen!” fluisterde Cammingha hem in ’t oor, „zoo gij niet begeert, dat wij uw handelswijze aan een min zuivere reden dan aan vaderlandsliefde toeschrijven.”

„Gij zijt allen een hoop dwaze kinderen,” zeide Adeelen, „en gij weet zelf niet wat gij wilt. Ik heb voor den dood van dien man gestemd, omdat ik dien noodig oordeelde voor het algemeene welzijn: – en niet omdat ik hem haat, ofschoon ik geenszins schromen ook dit te bekennen. Ja! nog liever dan hem naar de gevangenis te sturen, gaf ik hem geheel vrij, in de hoop van hem in ’t veld te kunnen bestrijden. – Maar dit alles doet er niets toe: – gij verlangt het allen: – en ik moet toegeven. Hij geve dan zijn woord en ga naar den duivel… of naar Sint-Odulf.”

Na deze fraaie inboezeming, welke Adeelen geheel kenschetste, wierp hij zich in een armstoel, den rug naar de vergadering gekeerd.

Deodaat ziende dat hem niets anders overbleef, aarzelde niet om zijn woord te verpanden van gevangen te blijven: en na een korte woordenwisseling werd er algemeen goedgevonden, het voorstel van den Abt van Sint-Odulf aan te nemen. Men besloot echter, den avond af te wachten om hem derwaarts te vervoeren, ten einde hem niet opnieuw aan de woede van het verhitte grauw bloot te stellen, en hem zoolang in het raadhuis te bewaren. Dit alzoo bepaald zijnde, ontboeide men hem en bracht hem in een zijvertrekje, waar men hem alleen liet.

Een geruimen tijd had hij daar gezeten, eer hem de lust bekroop eens aan ’t venster te gaan zien, dat openstond; want de Friezen waren zelve zoo gewoon, aan hun gegeven woord getrouw te blijven, dat zij ook tegen den gevangene geen argwaan voedden, en dus alle voorzorg overtollig rekenden. Men had van uit dit raam het gezicht op een boomgaard, waarin enkele pereboomen groeiden, zijnde schier het eenige houtgewas, dat men op dezen schralen en aan gedurende zeewinden blootgestelden hoek, in ’t leven kon houden: over den lagen aarden wal, welke daaromheen gelegd was, en tusschen eenige huizen door, op den stadswal gebouwd, onderscheidde men een klein meertje, dat (sedert uitgemalen) ten zuidoosten van Stavoren lag: en daarover den heuvel, waarop het bevallige Koudum gelegen is. Weinig dacht Deodaat, dat een der beide torens, die hij in de verte zag oprijzen, het aangebeden voorwerp zijner eerste en eenige liefde bevatte.

Nauwelijks had hij over dit schouwspel dien onbestemden en dwalenden blik doen weiden, welke op de voorwerpen rust zonder die te zien en te kennen geeft, dat de gedachten verre van daar zijn, toen hij zich door een zachte gesmoorde stem hoorde toeroepen. Hij zag in den tuin beneden; daar was niemand; maar nogmaals deed zich het flauwe geroep hooren; en nu ontdekte hij tusschen de bladeren van een zwaar beladen pereboom het gelaat van zijn schildknaap.

„Zweder!” zeide hij: „welk een onvoorzichtigheid. – Indien iemand u zag…”

„Stil!” zeide de schildknaap: „tracht het venster uit te klimmen. Gij kunt u over de heining redden.”

„Ik mag niet: ik ben op mijn woord gevangen,” zeide Deodaat.

„Des te erger. – Ik ben, toen ik u niet meer helpen kon, naar boord gezwommen en heb hun geraden zich te verwijderen.”

Deodaat knikte goedkeurend.

„Zij komen hedenavond terug en zullen ten noorden der stad ankeren. Waar voert met u heen?”

„Naar Sint-Odulf.”

„Dan weet ik genoeg,” zeide Zweder, en zich uit den boom latende vallen, klauterde hij als een kat den aarden wal over en was terstond uit het gezicht. Hij had geen gelukkiger oogenblik kunnen uitkiezen; want bijna op hetzelfde oogenblik ging de deur van Deodaats tijdelijke gevangenis open en Reinout vloog in zijn armen.

„Hoe moet ik het toch verklaren,” zeide Deodaat, nadat de eerste uitboezemingen over waren, „dat gij u hier in Friesland bevindt en u den zoon van Aylva noemt?”

„Gij hebt mij niet willen gelooven,” zeide Reinout, „maar ik had toch geen onrecht mij met dien meester Barbanera te onderhouden. Hij heeft mij de bewijzen mijner geboorte bezorgd en mij gemaakt wie ik ben.” – En hij deelde hem mede hetgeen onzen lezers reeds bekend is.

„En ik? wie ben ik dan?” kon Deodaat niet nalaten uit te roepen, nadat hij zijn vriend geluk had gewenscht.

„Gij!” zeide Reinout, blozende, en hem niet willende bedroeven, door hem te melden dat, zoo een hunner de zoon van Aylva was, de andere noodwendig die van Barbanera zijn moest; „gij zijt… ik weet het niet:… zeker een basterd van Carlo della Scala;… maar dat zal ook wel eens aan ’t licht komen.”

„Ik vrees er voor,” zeide Deodaat, het hoofd schuddende: „maar, ik handel dwaas met mij daarover te bekommeren. – Gij waart dan, zoo ik u wel begrepen heb, bij het leger van Utrecht! – En gij kondet uwe oude wapenbroeders bevechten!”

„Helaas!” zeide Reinout: „het lot heeft het zoo gewild: ik zal het immers wellicht spoedig nogmaals moeten doen! – Maar thans is het mijn plicht; ofschoon ik u zweer, dat het mij tegen de borst stuit, met deze ongelikte beren ééne lijn te trekken; en, dat ik dikwijls het hof van Willem terug zou wenschen, ware het niet om…”

„Welnu! voleindig!” zeide Deodaat.

„Ik durf niet: – ik zou van iemand moeten spreken, wier naam gij ook niet zonder blozen zoudt hooren: – en van die moet tusschen ons de rede nimmer meer zijn; wan bij alle heiligen! Deodaat! ik zou u andermaal kunnen haten, indien ik u weer in haar gezelschap zag. – Spreken wij liever van onverschillige zaken: van Utrecht, bij voorbeeld. – O! toen ik daar tegen de uwen streed, wist ik niet wat ik deed; ik was als iemand, die van den duivel bezeten is. – Maar verhaal mij toch eens, hoe is de stad overgegaan? En op welke voorwaarden?”

„Na den afloop van den wapenstilstand,” zeide Deodaat, „heeft Utrecht het nog eenigen tijd gehouden; maar men kon toch zien dat de verdediging meer slap in haar werk ging, en dat de belegerden weldra tot het uiterste zouden gebracht worden. De Graaf, geheel van zijn wond hersteld, had dan ook het bevel gegeven, dat men den laatsten storm zou wagen, die ongetwijfeld beslissend ware geweest, toen zich eensklaps als een loopend vuurtje de tijding in het leger verspreidde, dat de Bisschop uit Frankrijk terug was gekomen en zich in de tent des Graven bevond.”

„Inderdaad!” zeide Reinout, glimlachende: „hij kwam wel juist van pas!”

„Wat er tusschen hen beiden is verhandeld, heb ik niet recht te weten kunnen komen; maar het schijnt, dat Jan van Arkel ’s Graven vertrouwen heeft weten te herwinnen en genade voor zijn oproerige stad te verkrijgen. De Bisschop is vervolgens naar Utrecht vertrokken, alwaar hij als in triomf is binnengehaald en men den verlosser der stad genoemd heeft. Door zijne bemiddeling is vervolgens het verdrag der overgave tot stand gebracht, waarin voor Utrecht meer onterende dan wel nadelige voorwaarden vervat waren.”

„En gewis, de vrome Bisschop heeft zich zelf bij die gelegenheid niet vergeten,” zeide Reinout.

„Hij heeft althans ten gevolge van dit alles meer gezag in de stad weten te bekomen dan een zijner voorzaten ooit gehad heeft. De Kapittels hebben niets meer te zeggen: de regenten der stad zijn door nieuwe vervangen: en de Bisschop regeert naar zijn welgevallen, daar Willem een onbepaald vertrouwen in hem stelt…”

„Ik wil het gaarne gelooven,” zeide Reinout, zonder na te denken; „”niemand verstaat beter dan Arkel de kunst om iedereen te winnen…

„Hoe!” zeide Deodaat verwonderd: „van waar kent gij hem?”

„Ik?” herhaalde Reinout, verrast: „dat is te zeggen… ik heb het gehoord.”

„Neen, maar,” hernam zijn vriend: „Het ware mogelijk, dat gij hem gezien had; want er zijn lieden, die beweren dat hij sedert een geruimen tijd, eerst nabij Haarlem, en later in het Sticht heeft opgehouden. En hieruit nemen sommigen aanleiding om hem te wantrouwen.”

„’t Ware zeker mogelijk,” zeide Reinout: „dat terwijl uw Graaf met zijn vloot herwaarts komt, Arkel de gelegenheid waarname om hem den oorlog te verklaren.”

„Dat ware niet mogelijk,” zeide Deodaat: „want Arkel zelf zal den Graaf op den tocht vergezellen. Een der punten van het verdrag was, dat hij hem met hulptroepen zouden bijstaan in zijn onderneming tegen Friesland.”

„Die verrader!” riep Reinout: „op het oogenblik, dat wij hier volk verzamelen op tot ontzet zijner stad aan te rukken! – ’t Is waar! ’t heeft hem niet veel gebaat, en hij heeft weinig reden op zich over onze voortvarendheid te verheugen. – En dus is des Graven vloot in vollen aantocht naar deze kust?”

„Ziedaar,” antwoordde Deodaat, met een glimlach, „hetgeen ik mijn Frieschen vriend niet mag verhalen.”

„’t Is waar ook,” hernam Reinout lachende: „welnu! ik zal openhartiger zijn met u: – ik zal u verklaren dat ik het weet – en wel door denzelfden vader Syard, aan wien gij uw gevangenneming en tevens uw leven te danken hebt.”

„Maar, hoe wist hij?…”

„Luister! – de man heeft, ik weet niet hoe en waarom, in een kerker ergens in het Sticht gezeten. Daaruit verlost zijnde, is hem door iemand, dien hij ons niet genoemd heeft, geraden zich zoo spoedig mogelijk herwaarts te begeven en hier de tijding te brengen dat de vloot, welke te Dordrecht werd uitgerust, niet, zooals men algemeen dacht, naar de Fransche kusten bestemd was, maar tot overweldiging van Friesland dienen moest: dat zij reeds langs de binnenwateren kwam aanzeilen; terwijl één vaartuig zou vooruitgaan om Stavoren te bedwingen. De monnik kwam met een Workummer visscher herwaarts. Onderweg stevenden zij een vaartuig voorbij, dat aan den grand zat en met bier beladen was: zij kregen vermoeden, dat dit het bewuste schip zoude wezen.”

„Inderdaad!” zeide Deodaat: „hij heeft wèl geraden.”

„Welnu! de monnik kwam hier en vond er Adeelen, Cammingha, mij, en een paar andere Edelen, die juist gekomen waren om de middelen van tegenweer te onderzoeken, die de stad kon aanbieden. Hij deelde ons den aanslag mede. Terstond werden er boden uitgezonden naar alle kanten. De Abten van Lidlum en Bloemkamp, die hun monniken meer met den wapenhandel dan met gebeden kwellen, en verscheidene Edelen kwamen terstond hier. Ik moet ter eere van Adeelen zeggen, dat zijn beschikkingen verstandig waren. Hij gelastte, dat men het Amsterdammer vaartuig zou laten binnenkomen en voorts prijsmaken; dit laatste ware ook gebeurd, indien men terstond gewapend volk genoeg had en indien het gemeen, dat door den Workummer intusschen onderricht was van de toedracht der zaak, niet naar de haven was geloopen, waardoor uwe manschap het gevaar, dat zij liep, heeft kunnen bemerken en zich daaraan onttrekken.”

Hier kwam een bode binnen en berichtte aan Reinout, dat Adeelen hem wachtte.

„Welaan!” zeide deze: „ik moet u verlaten. Wie had ooit gedacht,” vervolgde hij met een zucht, nadat de bode vertrokken was, „toen wij dien Fries uit de handen van de Haarlemmers verlosten, in ik zoo vertoornd op hem was, dat ik eenmaal, in de plaats van Graaf Willems bevelen, de zijne zou volgen?”

„Ik geloof,” zeide Deodaat, „dat hij meer moeite zal hebben om zich door zijn volgelingen te doen gehoorzamen dan onze Graaf.”

„Ik moet mijn oordeel opschorten,” zeide Reinout, de schouder ophalende: „alles gaat hier zoo zonderling en vreemd in ’t werk: – dit is zeker, dat Adeelen hier te Stavoren als meester heerscht. Het gemeen, dat allesbehalve Hollandschgezind is, heeft zijn komst dadelijk gevierd met de plundering van een paar rijke kooplieden, wier getrouwheid aan vermoedens onderhevig was, met het afzetten van de vroedschap, en het ophangen van onze armen Claes Gerritsz: – de man is zich zelf gelijk gebleven, tot zoolang hij begon te merken, dat zijn leven er mede gemoeid was: toen heeft hij van zijn Privileges, waar hij te voren den mond van vol had, op eens gezwegen, en is bitter begonnen te kermen en het uur te vervloeken, dat hij zijn marktschrijverschap te Haarlem vaarwelgezegd had. – Maar het wordt mijn tijd! – Vaarwel! – Ik moet van hier.”

Hier drukten de beide vrienden elkander nogmaals de hand en Reinout verliet het vertrek, Deodaat ter prooi latende aan duizenden gissingen naar den verrader, die zoo getrouwelijk al de geheimen van den aanslag des Graven aan den monnik van Sint-Odulf had medegedeeld.


[Hoofdstuk 29] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 31]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.