MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Aylva nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende, zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan, toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken.

„Daar zal onze goede Feiko zijn!” zeide Madzy, haar boek nederleggende: „die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is.”

„Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen,” zeide Aylva „om zijn lang uitblijven te vergoeden.”

„Ach!” hernam Madzy, met een zucht: „in de tegenwoordige dagen is een belangrijke zelden een welkome tijding.”

„Ik ben overtuigd,” zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek zat te spinnen, „dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar zijn tijd verpraat.”

Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het hart van den jongeling gemaakt had.

„Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?” vroeg Madzy, toen de dienaar het vertrek binnentrad.

„Weinig goeds,” antwoordde deze: „de Hollandsche vloot is in aantocht en misschien voor morgen op de kust.”

„De Hollandsche vloot!” herhaalde Aylva: „Feiko, zegt gij waarheid? – Breng mijn wapens! – Ik heb reeds lang genoeg als een nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft.”

„Om ’s Hemels naam! mijn goede voogd!” zeide Madzy: „denk om uw zwakheid, om uw ongesteldheid.”

„Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijn een pijl af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind? – Hedennacht, zegt gij?”

„Laten wij ten minste eerst vernemen,” zeide Madzy, „wat Feiko te verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt.”

„Gij hebt gelijk: – welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en gehoord hebt… alles; daarmede versta ik het noodige, zonder uitweidingen of herhalingen.”

„Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken van den dag naar Stavoren was getrokken op een pond of wat honig te halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer men hoest, sedert hij de pillen inneemt, die Daamke hem gegeven heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester… hij deed beter, sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven; maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen, ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls zeg: Daamke! zeg ik…”

„Wat bruien ons Daamke en zijn pillen,” zeide de Olderman, ongeduldig wordende; „ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken te maken. Gij waart dan te Stavoren.”

„Nog niet, Heer Olderman!” hernam met veel koelbloedigheid: „ik was maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken, omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was als mijn hemd… Zoodat ik maar zeggen wil,” vervolgde hij, ziende dat Aylva van drift begon te stampvoeten, „dat ik er uitzag als een Urker varensgast.”

„Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper kleedt? ” vroeg Sytsken spijtig.

„Maar Feiko!” zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: „wat kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan ’t lijf hadt?”

„Meer dan gij denken zoudt misschien,” antwoordde Feiko: „ik kwam dan te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel wonderlijke dingen.”

„Nu vraag ik toch eens,” zeide Sytsken: „wat Feiko altijd met die varenslui te maken heeft?  Is dat een gezelschap voor den dienaar van een edelman?”

„Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen aanhooren?” vroeg Aylva: „kom tot de zaak: „wij hebben uw gedraai niet noodig.”

„Wij komen er al,” zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurteling aanziende: „maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans om alles te vertellen zonder iets te vergeten.”

„Kom, ga voort, mijn goede Feiko!” zeide Madzy, verontrust door den staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurde dat zich Aylva bevond: „verhaal ons alles, maar zoo kort mogelijk.”

„Welnu!” vervolgde Feiko: „de Workummer verhaalde dan, dat hij met vader Syard uit de Eem was gekomen en dat…”

„Is vader Syard terug? – Is het mogelijk!” riepen Aylva en Madzy verheugd uit.

„En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook twee gewapende koggen op de Workummer jacht gemaakt; maar oomkool was hun te vlug.”

„Welnu! is dat alles?”

Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand was wasgeraakt, ’t geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn overal verzet of…

„Wij weten het: – ga voort.”

„Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat vaartuig: – ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder; – maar wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was, die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid.”

„Een mantel met lieren…” riep Madzy; „was niet Ridder Deodaat op het steekspel juist zoo gekleed? – Het is het wapen van de Scalieri!”

„Dat dacht ik ook zoo bij mijn zelf, toen de Workummer dat verhaalde.” zeide Feiko: „maar ik hield mijn mond. – En toen kwam er een ander, en vertelde dat vader Syard aan Seerp van Adeelen gezegd had, dat de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen – en dat er gewapend volk in dien bierhaalder school: – en toen werd het volk zoo giftig, dat het aan ’t plunderen en aan ’t hangen ging.”

„Hangen! wie hing men?”

„Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;  – maar daar bemoeide ik mij niet mee: – ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen, dat die nu van een slechte reis kwam.”

„Dat was wel van u gedacht,” zeide Aylva. – Madzy sprak geen woord; maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen, hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken.

„Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden: en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken.”

„Dacht ik het niet?” zeide Sytsken: „en wist gij nergens beter raad te krijgen, dan bij de nuffen?”

„Zwijg Sytsken!” zeide Aylva: „en laat Feiko zijn rede voleindigen. Welnu! – gij waart dan bij Wybinga.”

„Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij zich zelve vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet tegen de anderen varen kon; –   want zij liepen nu allen naar de kaai, omdat men het vaartuig al in ’t gezicht kreeg: – en ieder wou de eerste zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus; want hij was op stroom gaan liggen.”

„En toen?”

„Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende hield mij voor een varensgast; ’t was ook de eerst aan boord: maar jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld.”

„Goede God!” riep Madzy: „en hebben zij hem vermoord?” vroeg zij met een nauwlijks hoorbare stem.

„Neen! – maar ’t heeft weinig gescheeld: – Ridder Reinout heeft zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen zal blijven.”

„Reinout!” riep Madzy: „God loone hem!”

„Hij is mijner waardig,” zeide Aylva, verheugd: – „maar nu de tijding der vloot, is zij echt?”

„Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden heengestuurd: – mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem heden niet zien zoudt: – zij hebben het ook druk genoeg.”

„En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel mijn paard.”

„Met uw verlof,” zeide Feiko: „Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast, u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond, hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook.”

„Zal ik van hem mijn plicht leeren?” vroeg Aylva, vertoornd. „Doe als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze stins verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige wijkplaats meer verstrekken zal.”

„Ach! sta mij toe, hier te blijven,” zeide Madzy: „hier kan ik u, hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het niemand ontbreken.”

„Dat weet ik,” zeide Aylva: „niemand dan ik, kan beter getuigenis geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppaster gij zijt. Nu! ik begeer dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten doodslaan dan het veld verlaten, zoolang zij nog tanden in den mond hebben om hun vijand te bijten. – Wees nu zoo goed en help mij, mij van dit nachtgewaad te ontdoen: – Waar blijft Feiko toch? – Het is waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden.”

„Waarlijk, mijn waarde voogd,” zeide Madzy: „gij overhaast u te zeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebbe, wanneer u die het meest te stade zult komen.”

„Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd; – maar zie, gij beseft dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht. – Maar laat ik eens aan ’t raam gaan, en naar den wind zien.”

„De wind is om, dunkt mij,” zeide Madzy.

„Ha! welk een heerlijk gezicht,” zeide de Olderman, het venster openslaande en de lucht beschouwende: „wat zeide hij, de Hollandsche vloot was nog niet in ’t zicht? – Indien zij hedenmorgen is afgezeild, moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind in naar ’t zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor ’t lapje!”

„Met den nacht reeds!” zeide Madzy, verbleekende.

„Gewis; – maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken en menig vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in ’t oog krijgen. Er is zwaar weer op zee: – zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt: merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo gij over den heuvel heen kondet kijken gij zoudt de zee zien schuimen als een ziedende pot. – Aha! eindelijk is Feiko klaar.”

„Waarlijk, Heer Olderman,” zeide Feiko, die met de wapenrusting aan kwam dragen: „ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken noodig, die…”

„Wat beenstukken! – Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm: de beenen zullen wij maar ongedekt laten: – indien wij vechten, zullen wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle onnutte wapenrusting maar tot overlast. – Voorwaar!” vervolgde hij, toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: „ik kan toch merken dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen.”

„Hoe dunner hoe beter,” zeide Feiko lachende: „des te meer plaats is er naast u voor de pijlen.”

„Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter…”

„O! wat dat betreft,” zeide Feiko: „daar heeft Jonker Reinout al voor gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden naar uw stinsen Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden.”

„Hij is een braven borst, dat moet ik hem nageven,” zeide Aylva met een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde.

„Maar hoor! – daar is weer iemand: de hond blaft…”

„Ik herken die stem!” zeide Madzy: „ja waarlijk, het is vader Syard, die binnengelaten wil worden.”

„Wat jaagt hem hier?” zeide Aylva: „Feiko! gij zult mij mijn helm achternadragen. – Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien voor den tijd. – Hoor hoe het onweer buldert! – Ha! daar is de vrome man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk, wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien.”

„De Heer heeft mij verlost,” zeide de monnik, „gelijk Hij Daniël uit den leeuwenkuil verloste.”

„Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd,” zeide de Olderman: – „maar daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden? – waar is mijn zoon?”

„Het is dan waar! – Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die Ridder Reinout…”

„Dat zal Madzy u alles wel vertellen: – ik moet voort: zeg mij slechts, waar ik hem vinden zal.”

„Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar…”

„Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?”

Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten, zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden.

„Om ’s hemels wil, mijn goede voogd!” zeide Madzy: „zult gij u waarlijk aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel hersteld zijt.”

„Een heerlijk weer,” zeide Aylva: „zie, de Hemel strijdt met ons. In een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel omslaan: en dan lach ik met een bui.”

„Nog een woord, eer gij vertrekt,” zeide de monnik: „God weet, of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen, dat Ridder Reinout uw zoon is?”

„Vanwaar die vraag? – En op dit oogenblik?” zeide Aylva: – „nu ja, ik heb die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd, ten strijde te gaan.”

„Gij hebt gelijk,” zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. „Maar dan heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u, draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks, bij uw zaligheid!”

„Ik zal mijn best doen,” zeide Aylva: „ik zelf heb dubbele redenen om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy betoond.”

Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending genomen: thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag, een in zijn toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken toch te ondernemen, vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko leunende daalde Aylva de trap af; zoodra, hij zich echter buiten en in den zadel bevond, scheen het, of zijn zwakheid geheel verdwenen was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld, in vollen draf den weg op naar Stavoren.

Zodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen, terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander veel te vertellen hadden en als ’t ware verlegen waren hoe te beginnen.

Eindelijk vatte de monnik het woord op: „Wij hebben wel reden om God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te zullen wederzien.”

„God heeft mij gesterkt,” zeide Madzy: „maar ik heb veel geleden.”

„Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop,” zeide de monnik: „men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart gevangengehouden. – Mag ik u vragen, was deze ook dezelfde als de Burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?”

„Ik zag hem het eerst op het slot,” zeide Madzy: „wie hij was heb ik gezworen te verzwijgen.”

„Zooveel ik dan kan opmaken uit het onsamenhangend verhaal van uw lotgevallen, die hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om te gelooven, dat dit zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de hand in ’t spel heeft gehad.”

„Die zoogenaamde zoon? – gij hebt reden om te gelooven dat…?”

„Dat heir een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft; – maar om des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen sedert ik u verliet.”

Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de aanleiding tot haar opneming in ’t slot Nyenstein te vermelden. De monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan van Arkel in ’t werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij verslag van haar reis en van het gebeurde in ’t Gaasterbosch vernam.

„Hoogst zonderling!” zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had: „die Reinout heeft zich dus voor den zoon van de Olderman doen erkennen? – En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?”

Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke in Reinouts dienst was.

„Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout zijn stilzwijgendheid koopt! – Dat alles moet zich eenmaal oplossen of… misschien…: weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns meesters Barbanera heeft met zich gebracht?”

„Voorzeker,” zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag”„maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust zijne pillen en tincturen te gebruiken.”

„Misschien!” zeide de monnik op een ernstigen toon: „ik geloof dat gij met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren… het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog niet missen te Sint-Odulf. – Zoo gij dus geen vaak hebt, luister.”

„Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren, deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten”

„Mijn eerste gevoel,” vervolgde hij, „was, gelijk gij denken kunt, een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog lang in de waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te dulden eens gevloekten godslasteraars; – maar ik offerde mijn lijden den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer: Hij maakte mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden, en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat anders wellicht verborgen ware gebleven.”

„Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep: – weder geen voedsel: – gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal ’s weeks gevuld werd, nog halfvol; – maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera: en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn handelswijze te mijwaart, hij biechtte mij zijn zonden en toonde een hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen: en toen smeekte hij mij, om zoo ik tegen alle verwachting het leven behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan, dat hij mij half in ’t Italiaansch, half in krom Latijn, half in gebroken Hollandsch deed: het kwam hierop neer, dat hij zich in ’t verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland aankwam, die naar Italië trok en in ’t voorbijgaan de Prelaat bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekendis. Hij besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld: dat viel hem te gemakkelijker, doordien pelgrim kort daarna ziek werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde, en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken, en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond toevallig čn uw pleegvader čn de beide jongelingen te Haarlem. Gij weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in ’t werk stelde om hun nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard, hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had; anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde.”

„Goede God!” riep Madzy: „en van waar bekwam hij die overtuiging?”

„Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich ’s nachts ontkleedde, zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had.”

„En zou Deodaat dat teeken…?”

„Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in ’t oog kreeg, zijns gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding, dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval eenigzins gewijzigd. – Maar hoor verder: – Barbanera verhaalde mij, dat hij met opzet Bianca’s brief, waarin deze omstandigheid vermeld was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbele bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust.”

„Hemel indien er slechts mogelijk is, die kist te bekomen!”

„De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam, den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te voldoen; – maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims: – en in   niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u.”

„Ik dank u, goede Pater! – En hoe werd gij verlost?”

„Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou spoedig delen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben, het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid, daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn wond hersteld, en in ’t leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te Utrecht om den zegenpralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende, dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De Bisschop had nu, zoo ’t scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik begaf mij naar den listigen kerkvoogd.”

„Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?”

„Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij, niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten: – en inderdaad, ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere, u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben.”

„En… waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt?…”

„Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven van Deodaat.”

„En hij zelf, wie is hij dan…?”

„De zoon van Bianca’s dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht voor het ongenoegen van diengene der beide jongelingen, welke hij niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was van een hunner. – En thans!” vervolgde de monnik, opstaande, „moet ik naar Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland wijden. – Ha! indien die looze Bisschop  mij niet bedrogen had, – het ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard had in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen brengen eer Willem nog een leger bijeen had.”

Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op ’t gelaat geschilderd.

„Heilige maagd!” riep zij: „daar is de bliksem zeker in den toren van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand.”

„De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren neerkomt?” zeide de monnik: „dat zou mij vreemd voorkomen.”

„Ik verzeker u,” hernam Sytsken, „dat het geheele zwerk rood is van de vlam die opstijgt.”

„Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen is?” stelde Madzy voor.

„Het zwerk rood van vuur!” herhaalde vader Syard: „dan zeker moet er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u te volgen.”

De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen, dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam, die ten Noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen hetwelk aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had, dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was.

„Het is niet Stavoren dat in brand staat,” zeide hij: „Stavoren ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft uitgestoken.”

„Ik hoor alarmgeklep!” zeide Madzy: „de vijand moet geland zijn.”

„Hij is geland!” riep de monnik: „ik moet geen tijd verliezen, de ure des gevaars kan voor ons klooster komen: – en dan mag niemand zeggen dat broeder Syard afwezig was.”

Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den landweg af derwaarts geleidde.


[Hoofdstuk 30] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 32]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.