MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Le flux les apporta: le reflux les remporte,

Corneille, le Cid

Terwijl dit alles in de omtrek van Sint-Odulf plaats had, was Reinout, gelijk wij hierboven vermeld hebben, aan Martena het bericht gaan geven, waarmede Adeelen hem belast had, en van haar over Warns naar Gaasterland gereden, om die zelfde tijding aan Helbada te brengen. Terwijl hij heendraafde over den kronkelenden zandweg, die van het genoemde dorpje naar Rys geleidt, was het hem meer dan eens voorgekomen, alsof er, derhalve Daamke, die achter hem reed, nog iemand was, die hem volgde, die stilhield, wanneer hij stilhield en zich weder in beweging stelde, zoodra hij voortging. Hoe moedig Reinout ook ware, zijn landaard, de eenzaamheid van den weg en de onbekendheid met het land waren zoovele redenen, geschikt om hem bijgeloovig en ongerust te maken. Hij kortte eindelijk den teugel, en, zich tot Daamke wendende, die hetzelfde deed: „hoor Daamke!” zeide hij: „er iemand achter ons.”

„Achter ons!” riep de vreesachtige dienaar, die reeds weinig zin had in deze nachtelijke onderneming: „en wie zou dat wezen?”

„Ik weet het niet; maar het is juist, alsof ik behalve door u, door nog een ruiter gevolgd worde, die een kreupel paard berijdt, en desniettegenstaande altijd gelijken tred met ons houdt.”

„Een kreupel paard! o wee! dat is de Booze,” dacht onze voormalige nar.

„Weet gij wat, Daamke!” vervolgde Reinout: „rijd gij eens vooruit: dan zal ik volgen, en zoo de onbekende ons weer op de hielen durft blijven, geest of man, ik zal hem den schedel splijten.”

„Ik vooruitrijden!” riep Daamke, wien het denkbeeld alleen over het geheele lijf deed sidderen: „dat ware immers met alle betamelijkheid strijdig.”

„Ik wil het zoo!” zeide Reinout, op een strengen toon: „en ik zweer u, dat ik u den kop insla, zoo gij eenig blijk van lafhartigheid geeft.”

„In Gods naam dan! zeide de ontstelde knaap: en de orde van den tocht omkeerende, reed nu de dienaar voor den Heer; maar nauwelijks waren zijn weder een eind wegs gevorderd, of Reinout hoorde hetgeen hij een kreupel paard achtte te zijn, niet meer achter, maar voor zich uit. Een huivering overviel hem; maar hij vermande zich en besloot wijselijk te onderzoeken wat het ware: hij gaf zijn ros de sporen; en zoodra hij naast zijn dienaar kwam, klonk het vreemde geklots hem dicht aan zijn oor. In hetzelfde oogenblik ontdekte hij, hoe dwaas en buitensporig zijn bijgeloovige angst geweest was. Hetgeen hij voor een hem volgenden ruiter hield, was de tooverkast van meester Barbanera, welke op Daamkes rug hing, en onder ’t rijden op en neder wippende, juist het ongelijke geluid maakte, hetwelk hij voor het trappelen der hoeven van een kreupel paard had gehouden.”

Zijn eerste beweging was een schaterende gelach; zijn tweede, een beweging van ongenoegen en gramschap.

„Wie heeft u, dubbele ezel,” vroeg hij, „verlof gegeven, zulk een kast op uw nek mede te nemen, wanneer gij de eer hebt mij te vergezellen? Wilt gij, dat men mij voor een kokeler aanzie?”

„Laat uwe Edelheid niet toornig op mij zijn,” antwoordde Daamke, terwijl, voor slagen beducht, geheel achter het onderwerp van het gesprek wegschool. „Er zijn zeer goede redenen, waarvoor ik die kast medeneem: vooreerst heeft die mij eens het leven gered, toen wij door de Hollandsche voorposten vloden, waar mijn arme Cezar bij omkwam, het goede beest, zooals uwe Edelheid weet, dat…”

„Ik weet alleen, dat gij geen bloode schobberd zijt” zeide Reinout: „en dat u die kast niet beveiligen zal tegen een goede dracht slagen, welke ik u zal toetellen, zoodra ik er den tijd toe vinde.”

„Dan wensch ik, dat uwe Edelheid nog lang de handen vol moge hebben. – Ten tweede: er is immers een bevel bij het leger uitgevaardigd, dat ieder strijder zich achter ’t een of ander verbergen moet, om niet gezien ten worden ten einde…”

„En dat bevel wilt gij zoo nauwkeurig nakomen, dat gij in uw kast zult kruipen, om er niet uit te komen, dan als de slag voorbij is, nietwaar?”

„Niet in de kast, maar daarachter, heer Ridder! – en dan bovendien, ten derde, zullen er geen gewonden zijn? en bevat deze kast niet de gansche nalatenschap van Barbanera? (God hebbe zijn ziel; want het gerucht loopt, dat hij van honger is omgekomen); namelijk een uitgelezen schat van poeders, pillen, zalven, tincturen, talismans en wat dies meer zij, waar ik mijn medemensch mede van dienst kan zijn, tegen een kleine belooning, als vanzelf spreekt.”

Reinout kon niet nalaten te lachen over de kluchtige verdediging van zijn dienaar, en over de vrees, die met speculatiezucht vereenigd, hem de voorzorg had doen nemen van zich met een meubel te belasten, dat aan anderen in gelijke omstandigheden tot hindernis zou uitgestrekt hebben. Hij maakte dan ook geene verdere aanmerkingen: maar zijn paard, dat hij gedurende het gesprek had laten stappen, wederom in den draf zettende, kwam hij weldra aan den ingang van het bosch, waar hij begreep, de manschappen van Helbada te zullen vinden. Hier stond hij stil en blies den hoorn, die om zijn hals hing. Terstond zag hij overal zwaarden en bijlen schitteren en van achter al de struiken en struweelen kwamen menschengedaanten te voorschijn, welke echter, zoodra hij zich bekend maakte, weder verdwenen. Een hunner intusschen verzocht hij, hem naar Helbader te geleiden, dien hij te Rys vond, bezig een zijner verspieders te ondervragen, die hem bericht bracht, dat de Hollanders op de Zuidvenne bij Sint-Odulf geland waren.

„Gij komt mij zeker uitnoodigen, om derwaarts te trekken, Jonker!” zeide Helbada, zoodra hij Reinout zag.

„Integendeel!” antwoordde deze: „Adeelen laat u smeeken, u niet van uw post te verwijderen, eer de nood zulks eischt. Hij vreest een landing aan de Lemmer of aan deze zijde der kust.”

„Moge de Hemel mij mijn vurigsten wensch ontzeggen en mij beletten den moord mijn zoons op Worp Ropta te wreken, indien ik hier als een onnut meubel blijf suffen, gelijk een verroest zwaard, dat nergens toe deugt. – Neen! bij alle duivels!” vervolgde Helbada, op de tanden knarsende en op het gevest van zijn slagzwaard slaande: „ik wil mij hier niet staan te verkniezen, en al de eer van den strijd anderen gunnen! Hier! Else! Wopko! zeg terstond dat een ieder zich vaardig make.”

Vruchteloos waren de pogingen, welke Reinout aanwendde, om den stijfzinnigen, naar den strijd hakende Fries van zijn voornemen te doen afzien. Al wat hij verkrijgen kon was, dat Helbada den morgen, die niet verre was, alsmede de nadere tijdingen die hij uit Lemmer wachtte, zou verbeiden, en zich verzekeren, dat er aan die zijde geen landing te vreezen ware, eer hij op Zuidvenne aantrok.

Na een korte rust aan zijn paard gegund te hebben, keerde Reinout met zijn dienaar terug, doch nu den kortsten weg naar Stavoren, langs den zeekant nemende. Hij deed zulks, in de verwachting, te zullen zien hoe de zaken bij Sint-Odulf stonden, en daarvan kondschap aan Adeelen te kunnen geven. Misschien zullen sommigen onzer lezers zich verwonderen, dat Reinout, wiens moed niet in twijfel kon getrokken worden, het zich had laten welgevallen, de rol van boodschapper voor lief te nemen. Maar de waarheid is, dat hij zelf daarom verzocht had. Een inwendige tegenzin deed hem huiveren tegen het oogenblik, waarop hij met zijn voormalige vrienden zou slaags raken, en dat oogenblik wilde hij hoe langer hoe liever uitstellen. Bovendien was zijn gansche ziel nog te zeer vervuld met het gebeurde van den dag, dan dat hij het van zich zoude hebben kunnen verkrijgen, rustig en bedaard achter een hegge of kade de komst des vijands te verwachten, gelijk de andere Friezen deden, wier anders zoo onstuimige zielen door de zekerheid der overwinning (die allen bezielde) in staat gesteld waren met een ijskoude kalmte het uur van treffen af te wachten. Hij haakte alleen naar verandering van plaats en tooneel: en welkom was hem dus elke gelegenheid die zulks verschafte.

De lucht was nu eenigzins helderder geworden; maar de weg, die hier bovendien weinig bereden werd, was door de regenplassen van den vorigen nacht schier onbruikbaar geworden, zoodat de Ridder, van de vermoeide rossen niet te veel willende vergen, stappende voortging. Verre vooruit, achter de torens van Stavoren, die er donker tegen uit kwamen, verhieven zich nog nu en dan hooge vlammen en dikke rookwolken uit het brandende Norwert; maar een ander schouwspel, dat dichterbij zich in de richting van Sint-Odulf vertoonde, boeide de aandacht des ruiters nog sterker. Het scheen hem toe, alsof het klooster in wolken smooks gehuld was, waaruit nu en dan vlammende vonken vlogen; en hoe meer zij naderden, hoe meer zij de overtuiging verkregen, dat zij een krijgsrumoer hoorden, hetwelk al gedurig dichterbij kwam.

Het begon nu meer en meer te dagen: en Reinout zag met genoegen, dat hij niet verre was van een heuvel, van wiens hoogte hij zich een ruim uitzicht over het slagveld beloofde, toen Daamke hem met een bevende stem opmerkzaam maakte op eenige menschengedaanten, welke zich aan den voet dier hoogte schenen te bewegen.

„Zouden wij niet terugkeeren, Ridder en bij Helbada hulp vragen? Die lieden daar hebben ongetwijfeld niets goeds in den zin.”

„Wij zullen ons eerst verzekeren, of het vrienden of vijanden zijn,” zeide Reinout, en zijn hoorn nemende, blies hij het herkenningsteeken, hetwelk terstond vóór hem uit werd beantwoord. „Het zijn Friezen!”   zeide hij: „er valt niets te duchten:” en vooruitrijdende met zooveel spoed als de slechte weg toeliet, was hij in weinige oogenblikken aan den voet des heuvels.

„Hoe staan de zaken?” riep hij een zwaargewapenden krijgsman toe, die op de helling der hoogte stond.

„Aha! zoo! zijt gij het, Jonker van Aylva?” vroeg de man, tot wien hij zijne toespraak richtte: „eilieve stijg eens af! ik zal u een schouwspel laten zien dat geschikt is, aller hart te verheugen.”

„Ik kom bij u,” zeide Reinout, den Abt van Bloemkamp herkennende: „maar ik kan niet lang blijven. Adeelen wacht mij terug” – Dit zeggende, steeg hij en Daamke met hem van hunne paarden, welke laatstgenoemde aan een paal bond, en beklommen zij den heuvel. Niet zonder bevreemding bemerkte Reinout, dat de oppervlakte daarvan geheel overtogen was met een grauwe korst, naar welker bestanddeelen hij vruchteloos giste; maar zijn verwondering steeg ten top. toen hij zag dat die korst zich bewoog las een reusachtige mierenhoop.

„Wat gebeurt daar?” vroeg hij aan den Abt, naar boven wijzende.

„Gij zult het wel zien,” zeide deze: „maar één ding moet ik u zeggen: gij kunt nu onmogelijk verder: – al het volk tusschen hier en Stavoren is op de been: en gij zoudt al zoo goed kunnen ondernemen, de markt te Bolswart op en neer te draven, wanneer het kermis is, als u door gindsche menigte een weg te banen. Volg mij maar: gij zult hier ook de gelegenheid vinden om een goede beweging te nemen!”

Reinout volgde den krijgshaftigen kloostervoogd den heuvel op, en werd nu onder het naderen gewaar, dat hetgeen hij voor een zwarte korst had aangezien niets anders was dan een bende monniken in hun ordegewaad, welke over de geheele hoogte verspreid lag. Op den top gekomen, stond hij stil en zag met diepe belangstelling naar de zijde van Sint-Odulf, waar de Abt hem heen wees.

De plaats, waar zij stonden, welke Reinout zich nu herinnerde nogmaals bezocht te hebben, was geene andere dan het in de Friesche geschiedenissen zoo beroemde Roode Klif. De gestadig invretende golf, die voornamelijk sedert het aanleggen van den zeedijk deze natuurlijke zeewering met verdubbelde woede ondermijnt, heeft haar tegenwoordig ten halve afgeslagen, zoodat zij zich voordoet als een klein voorgebergte, steil aan den zeekant en aan de binnenzijde meer glooiend afloopende. Maar in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, was nog het Roode Klif een heuvel, volkomen gelijk aan die, welke zich in den omtrek bevinden, alleen met dit onderscheid, dat hij boven al de overige uitstak en derhalve van zijn top een prachtig panorama opleverde over de omliggende landstreek en de wateren der Zuiderzee. Zijn zuidelijke helling, wier voet de golven bespoelen, stak bijna even verre in zee uit als de landtong van Sint-Odulf, die een halfuur gaans vandaar gelegen was. Tusschen deze beide vooruitspringende punten en den zomerdijk, die beide aan de landzijde vereenigde, lag het lage, onvruchtbare strand bloot, hier en daar met helm en duinplanten begroeid, en slechts enkele terpjes of verhevenheden bevattende, welke tot een schrale weide verstrekten voor de kudden van diegenen uit den omtrek, die niet rijk genoeg waren of zelf eenigen grond te bezitten en zich aldus vergenoegen moesten hun vee aldaar op het domein van ’t algemeen te laten grazen: een voorrecht, dat niet vrij van gevaren en tegenspoeden was: want ofschoon het zeewater, wanneer het bij gewonen vloed den geheelen zandigen oever bedekte, de genoemde terpjes doorgaans vrijliet, gebeurde het niet zelden, wanneer de wind op de kust stond, dat ook die verhevenheden overstroomd werden en het daarop weidende vee, indien het niet tijdig landwaarts opgedreven was, door het geweld der golven werd weggesleept. Thans echter had men, zoowel uit vrees voor de vijanden als om den storm, de kudden binnengehaald: en, daar het water was afgeloopen, vertoon de zich de gansche ruimte tusschen den hierboven genoemden omtrek geheel droog, uitgezonderd eenige kuilen en diepten, waar het zeenat altijd in staan bleef, en ettelijke plassen, door den regen gevormd. Het was op den bovengenoemden zomerdijk, die mede tot landweg langs de kust diende, dat zich ongeveer op een kwartuurs afstand een verwarde klomp menschen vertoonde, en zich een krijgsgedruisch hooren liet, oorverdoovend als het golfgeklots bij den storm

„Gij ziet het,” zeide de Abt, zich de handen wrijvende: „zij zijn ingesloten, en niets is in staat hen te redden. Hun schepen, die ginds machteloos tegen de ebbe liggen te worstelen, kunnen hen niet opnemen: willen zij naar de landtong keeren, daar wachten hen de Lidlummers: pogen zij landwaarts in te dringen, het leger van Martena is opgerukt en bezet al de passen: dalen zij af naar het strand, daar worden zij door de overmacht verplet en tot den laatsten man toe afgemaakt, als een troep reebokken, die in een wildbaan gejaagd zijn: en die aan het staal ontkomen, verzuipen zoodra de vloed komt opzetten.”

Reinout sidderde; maar gaf geen antwoord: het begon nu helder dag te worden, en hij zag duidelijk de Hollanders al vluchtende naderbij komen, door hun grimmige vervolgens van alle zijden bestookt. Reeds begon hij die banieren te onderscheiden, welke hij zoo vaak op het pad der overwinning verzeld had, en het denkbeeld, dat die nu moesten wijken voor een saamgeraapten, ongeordenden hoop monniken en boeren, deed kille huivering in zijn boezem ontstaan. Hij begon ijverig na te denken over den toestand, waarin hij zich bevond: gedwongen te strijden tegen hen, met wie hij voorheen dikwijls de lauweren des zegepraals had geplukt, of, wat nog erger was, een koel aanschouwer te blijven van de slachting, onder hen aangericht. Het is waar, ook voor Utrechts wallen had hij de Hollanders bevochten; maar toen was zijn gemoed door zoovele hartstochten geslingerd en in zulk een staat van spanning, dat hij, onbekwaam tot nadenken, als in een gestadigen roes had geleefd. Thans echter was zijn gemoedsgesteldheid veranderd: hij was tot zich zelven teruggekeerd; hij had zijn vriend hervonden. Geen bloedschuld drukte hem langer: een zoo streelend was hem het denkbeeld aan die verzoening, dat zelfs de gedachte aan Madzy, aan het voorwerp der dolzinnige liefde, die hem schuldig had gemaakt, daarbij op den achtergrond stond. Was het wonder, dat onder zulke omstandigheden, hem de gedachte onduldbaar toescheen, zich met die Friezen, waarvoor hij geene neiging gevoelde, voor dat land, in hetwelk hij zich nog vreemdeling vond, het zwaard te moeten ontblooten tegen zijn voormalige wapenbroeders, ja den moord te aanschouwen van weerlooze vluchtelingen? o! hoe ongelukkig gevoelde hij zich niet! Hoe gaarne had hij de partij, aan welke hij thans verbonden was, willen verlaten en zich weder voegen bij hen, met wie hij vroeger de gevaren des oorlogs had doorgestaan! Maar ook deze, dit gevoelde hij, zouden den dubbelen overlooper met verachting terugwijzen! En wat zou het hem baten, al ontvingen zij hem in hun gelederen? Hij kon hen niet redden, en niets zou hem overschieten, dan de treurige eer, van met hen te mogen sterven.

„Hoe nu!” zeide de Bloemkamper, hem vrij onzacht op den schouder kloppende: „hoe staat gij daar zooals een druiloor? Ginds komen zijn aan. Houd u nu als een kerel en toon, dat gij werkelijk een Aylva zijt en het goed met Friesland meent, of, bij O. L. Vrouwe! ik sla u den kop in.”

De zoogenaamde opwekkende toespraak was op haar zelve niet beleefd; maar aan Reinout klonk zij dubbel onwelkom in de ooren: zij verschilde zoo hemelsbreed van die hartelijke, echt ridderlijke aansporingen, waarmede zijn leermeester in de krijgskunst, de edele Beaumont, gewoon was, de jeugdige strijders aan te moedigen. Hij weerhield dan ook met moeite de uitdrukking van gramschap, die gereed was hem te ontvallen, ter beantwoording van het onbescheid des monniks; en de armen over elkander slaande, bleef hij zwijgend staroogen op de aansnellende krijgsdrommen. Opeens werd zijn gelaat bleek als een doek en hij gaf een kreet van ontroering.

„Mijn God!” riep hij, zich voor ’t hoofd slaande: „het is de banier van Beaumont!”

„Beaumont!” herhaalde de Abt, met verrukking: „is dat niet ’s Graven oom, die Henegouwer, daar Adeelen tegen kampte? Hoe jammer, dat deze niet hier is, om eens te zien, hoe wij hem wreken zullen.”

„Monnik!” zeide Reinout, zich niet langer kunnende bedwingen: „ik zweer u, wee hem, die den grijzen Ridder een haar deert. Neem hem gevangen: hij kan u een goeden losprijs betalen: en uw altaar zal blinken van gouden en zilveren vaten. Hij kan ons niet ontkomen en zal zich wel moeten overgeven.”

„Neen!” zeide de Abt, met een boozen lacht: „ontkomen kan hij niet, zoomin als een der zijnen. Zij zullen allen vallen en na hun dood op het strand blijven rotten, totdat de vloed hen wegslaat of de vogels des hemels hen komen opvreten. Zie eens! daar vergaderen zich de arenden reeds, om hun aandeel van den buit te verkrijgen. Komt! Broeders! zij willen dezen weg uit; maar, bij mijn Heiligen Patroon, wij zullen hun den doortocht sluiten. Op! elk en iegenlijk!” en tevens sloeg hij met zijn strijdbijl op een schild, dat naast hem lag. Dadelijk rezen al de monniken en conversen op en begaven zich naar het punt, waar de dijk of landweg over de helling des heuvels heenliep. Hier hadden zij te voren een versperring gemaakt, welke zij nu nog met een aantal zware keien, hoedanige te dier plaatse in menigte te vinden waren, alsook met huisraad, dat door de vrouwen der naburige woningen gewillig werd aangebracht, voorzagen.

„Zoo vriend!” zeide de Abt tegen Daamke, die op zijn kast nabij de paarden zat; „brengt gij ook wat mede om den weg te stoppen?”

„Dat daar?” zeide Daamke: „neen! dat is een medicijnkist om…”

„Wij hebben nu geen medicijnen van doen,” zeide de Abt: „en uw kast kan ons best te pas komen: plak die maar mede tegen de borstwering aan,” en onder het uiten dezer woorden gaf hij met zijn bijl een zoo geduchten slag op de kast, dat de verschrikte Daamke zich spoedde om te voldoen aan een bevel, dat op een zoo nadrukkelijke wijze gegeven werd. Hij bracht de kast bij de overige meubelen en plaatste die op de hem voorgeschrevene wijze: terwijl hij echter zorgde, dat hij zich niet meer verwijderde dan noodig was, en zijn schat voortdurend in ’t oog bleef houden.

Slechts een vierde gedeelte van de zeshonderd man, die aan den viersprong gestaan hadden, was nog overig, toen het met zijn aanvoerder op een boogscheuts afstand van de versperring genaderd was. Al de overigen waren òf  bij den eersten aanval gesneuveld, òf lagen zieltogende langs den weg. Wat de overblevenen betrof, dezen waren meest Ridders, knapen of geharnaste speermannen, die hun leven te danken hadden aan hun wapenrustingen, waarop de pijlen afstuitten. Bijna allen hadden hun paarden verloren, en de meesten waren met wonden en kneuzingen bedekt; maar sedert het dag was geworden, hadden zij zich weder in staat gezien, zich in gelederen te stellen en een dichtgesloten klomp te vormen, die niet gemakkelijk te verbreken was. Hun vijanden bleven hen met verbittering najagen; doch waren op dit oogenblik minder in staat hen te deren; want die Friezen, die langs het strand en dus beneden hen gingen, werden zonder moeite afgeweerd: die, welke hen volgden, konden door hun dichten drom niet heen dringen: en die, welke aan de landzijde langs den dijk liepen, werden in hun vervolging belemmerd door de talrijke slooten, heggen en dijkjes, die hun in den weg stonden.

Dan, de moed der Hollanders begon opnieuw te verflaauwen, toen zij voor zich uit de versperring gewaarwerden, en de talrijke bende van den Abt van Bloemkamp ontdekten, die, met bogen en slingers gewapend, het Roode Klif bezet hielden.

„Voorwaarts, mijne kinderen!” riep Beaumont: „onze laatste toevlucht ligt in de punt van ’t staal. Bemachtigt die versperring; dan kunnen wij die tot onze eigene bescherming aanwenden.”

De geestkracht, welke hem dit kloek besluit ingaf, deelde zich mede aan zijn volgers. Zij sloten zich in nog dichter gelederen samen, en, allen aanval, die van ter zijde kwam afwerende, drongen zij moedig vooruit.

„Hoe hebt gij voor die verachtelijke dorpers kunnen vluchten?” riep Beaumont: „de overmacht kan ons immers niet deren, zoolang wij ons hier op den hoogen landweg blijven houden, waar geen vijf man zich naast elkander roeren kunnen; en wij overtreffen dat gespuis verre in wapenen en beleid. Komt wakkere knapen! neemt die verschansing in: dan zijn wij ook tegen de pijlen gedekt.”

Aldus sprekende was hij met de zijnen tot dicht bij de versperring genaderd, niettegenstaande de hagelbui van steenen en pijlen, welke de Bloemkampers van uit hun hooge stelling op hem afzonden, toen opeens Reinout zich boven op de borstwering vertoonde, met een bevende stem uitroepende:

„Heer van Beaumont! geef u gevangen! gij kunt onmogelijk tegen de overmacht kampen.”

„Is dat niet de stem van den verrader Reinout?” vroeg Beaumont, overluid: „hij kent mij, hij weet dat ik mij niet overgeef, zoolang er nog hoop op redding bestaat.”

„Zijt gij razend?” riep de Abt, Reinout terugtrekkende: „wij willen geen gevangenen! Smijt hen dood, mannen! smijt hen dood!”

En de Hollanders werden opnieuw begroet door de werpschichten en steenen, die de monniken op hen wierpen, terwijl hun talrijke vervolgers van het oogenblik, dat zij stand moesten houden, gebruik maakten om van alle zijden op hen aan te dringen. Beaumont gelastte hierop aan zijn achterhoede rechtsomkeert te maken, om de hen vervolgende Friezen af te houden, terwijl hij zelf met de voorhoede de versperring bestormde. Het gevecht hield nu met hevigheid aan, en ofschoon nu en dan een der Hollanders viel, bleef Beaumont echter zijn stelling inhouden niet alleen, maar wist weldra het krijgstooneel op de versperring zelve over te brengen. Intusschen begon het water te wassen, en het strand beneden te overstroomen, zoodat de Friezen, die zich daar bevonden, zich haastten om het Roode Klif te bereiken en zich bij de Bloemkampers te vervoegen. Dit ontging ook Beaumont niet; hij wendde het oog naar de zee en met verrukking zag hij de afgedrevene vaartuigen, welke met den vloed weder kwamen opzetten.

„Daar zijn de schepen, kinderen!” riep hij: „nog een halfuur volgehouden! en wij zijn gered!”

„Nog een halfuur!” brulde de Abt, die dezen uitroep hoorde. „hoort gij dat, Broeders! wat staat gij daar en kijkt? Met steenen werpen is het niet te doen! Gij moet voor den dag komen en hen verpletteren. En dat volk van Martena, dat om hen heen staat alsof het naar een hanengevecht keek. Broeder Sicco! haast u! zie dat gij wat haken en latten bijeenhaalt, om het van den dijk af te halen, of van boven neer te stootten. Loop gezwind! ik zal hen ondertusschen hier aan den praat houden.”

De monnik snelde met eenige conversen naar de naaste woningen, van waar zij weldra terugkeerden, met haken gewapend, waarmede zij nu poogden de Hollanders in den gordel te vatten, of met touwen, welke zij hun om ’t lijf wierpen, om hen omver en naar zich toe te halen, en als dit gelukt was, af te maken. Anderen droegen balken en palen, waarmede zij als met stormrammen op de achterhoede van Beaumont indrongen en de slagorde verbraken. Spoedig werd het gevecht nu wederom, gelijk het in den vorigen nacht geweest was, algemeen en man tegen man; en hoe dapper zij zich ook gedroegen, de volgers van Beaumont waren niet langer bestand tegen de overmacht, die als een waterstroom op hen aandrong, en hun geen handbreed ruimte overliet om hun wapenen te zwaaien. Verscheidenen geraakten van den landweg af, waar terstond vijftig handen gereed waren om hen te verpletteren; anderen werden versmoord of ellendig vertrapt in het gedrang; de lijken werden terstond uitgeschud; een taak welke hoofdzakelijk vervuld werd door de vrouwen, die in grooten getale als zoovele furiën het Friesche leger gevolgd waren, en wier afschuwelijke razernij zich niet ontzag, op de naakte lichamen der gesneuvelden te woeden, en die op de onmenschelijkste wijze te verminken.

„Laten wij hun de rest geven,” riep de Abt van Bloemkamp, op Beaumont wijzende, wien het met een tiental dapperen gelukt was, een gedeelte der versperring omverre te halen en zich daarbinnen als in eene kleine schans te plaatsen, waaruit hij met de zijnen rug aan rug staande, de slagen der aanvallers afweerde: „komt Broeders! zij hebben onze fraaie vesting half vernield: wij zullen hen helpen: en al wat er nog over is hun op het lijf smijten. Handen aan ’t werk!”

Een ieder zijner volgers maakte zich vaardig om aan het bevel te gehoorzamen en de steenklompen of brokken huisraad op het rampzalig overschot der Hollandsche dapperen te doen nederkomen. Er waren slechts twee onder al de hier verzamelde lieden, die geen deel aan den strijd namen: Reinout namelijk en zijn dienaar Daamke. De eerste was, sedert Beaumont aan zijn verlangen geen gehoor had willen geven, met het hoofd in de beide handen achter de versperring blijven zitten, als hoorde of zag hij niets van al wat in zijn nabijheid plaats had; want hij gevoelde noch de kracht om zich aan dit afschuwelijk tooneel te onttrekken, noch die om daaraan eenig deel te nemen. Wat Daamke betrof, deze was bezig, zijn medicijnkast van onder den omgestorten hoop voor den dag te halen en zag nu niet zonder innige droefheid den deerlijken staat, waarin zich het voorwerp zijner nasporing bevond. Hij werd in zijn onderzoek gestoord door een geweldigen oorveeg, hem door de met ijzer bekleede hand des Bloemkampers toegediend.

„Wat doet gij daar, luiwammes?” vroeg deze: „en waarom helpt gij niet een handje? Spoedig! smijt mij die kast over de versperring heen op den kop der Hollanders. Ziet gij niet, dat hunne sloepen reeds naderen?”

„Bij Sint-Julfus!” antwoordde Daamke: „ik dien Ridder Reinout, en, wanneer die niet vecht, zie ik niet waarom ik het doen zoude.”

„Gij zijt een schelm! en uw meester een verrader, wien ik zal doen hangen. Handen af van die kast!”

Daamke wilde zich zijn schat echter niet uit de handen laten rukken, waarop de Abt, woedend geworden, zijn strijdbijl oplichtte om hem een slag toe te brengen, die dien armen hansworst wel altijd zoude belet hebben, medicijnen te gebruiken of die aan anderen te slijten; maar gelukkig sprong de knaap ter zijde en het neergevallen moordtuig trof alleen het voorwerp van hun twist, waar het in vast bleef zitten. De verschrikte Daamke vluchtte bij zijn meester, en de Abt, na vol woede de kast in elkander getrapt te hebben om zijn bijl los te krijgen, stoof over de borstwering heen en op de Hollanders af.

„Wat is het?” vroeg Reinout, als uit een droom ontwakende en een wilden blik op zijn dienaar werpende: „wat komt gij mij verhalen?”

„Wel, ik zeg het u immers, Ridder!” zeide Daamke: „die vervloekte monnik, die den duivel inheeft, heeft mij, uw trouwen knecht, den kop in willen slaan en u wil hij doen hangen: – en mijn kist! mijn armen kist! Zie eens! zij is geheel verbrijzeld.” – En op handen en voeten weder naar de kist toekruipende, vulde hij zijn tasch en muts met al wat heel gebleven was. Op eens, terwijl hij met deze verrichting bezig was, ontdekte hij iets, dat zijn droefheid in vreugde deed overgaan: namelijk een wel voorziene lederen beurs, wier aanzijn hem onbekend was, naardien zij achter een dubbelen bodem, nu door den Abt opengetrapt, verborgen was geweest. Nabij die beurs, en in die zelfde geheime plaats, lag een beschreven blad perkament, hetwelk Daamke met evenveel verachting achter zich wegsmeet als hij de beurs met welgevallen bij zich stak.

Het blad viel juist op den schoot van Reinout, die het werktuiglijk opnam en er het oog op sloeg: maar nauwelijks had hij de onderteekening en een paar regels gelezen, of zijn geheele ziel scheen zich te vereenzelvigen met het geschrift. Hij rees op: zijn lichaam trilde van het hoofd tot de voeten: hij las verder en zijn gelaat kenschetste de hevige gemoedsbeweging. Op dit oogenblik sloeg hij den blik naar het strand: de golven hadden het buitenveld bedekt: de Hollandsche vaartuigen waren genaderd, en hun sloepen roeiden naar wal.

„Daamke!” zeide hij met een vaste stem: stijg te paard! neem dit blad en breng het aan den Heer van Aylva. Vloek over u, indien gij mijn laatsten wil niet voldoet.

„Van harte gaarne,” zeide Daamke, die niets liever wenschte, dan zich van het krijgstooneel te verwijderen: en terstond zijn ros beklimmende, reed hij landwaarts in, terwijl Reinout insgelijks in den zadel sprong.

De medestrijder van Beaumont waren bezweken. Hij zelf, uit zijn verschansing naar beneden gedrongen, stond aan den voet van het Klif op het strand, tot de knieën in ’t water, omringd van zijn bespringers. Reeds scheen hij reddeloos verloren, toen op eens Reinout te paard van het Klif kwam aanhollen, de hem in den weg staande monniken ondersteboven rijdende, terwijl hij met een daverende stem den oorlogskreet weergalmen deed van: „Holland! Holland! Beaumont à la rescousse!” Zoo groot was de verbazing, dat een ieder opzag naar den Ridder, wien men veronderstelde, dat door meer gevolgd werd. Snel als een weerlicht was Reinout aan de zijde van Beaumont, en terwijl hij met de eene hand den Abt van Bloemkamp, die juist zijn heirbijl boven het hoofd des grijzen oorlogsman had opgeheven, een vuistslag gaf, die hem in het zilte nat voorover wierp, tilde hij met de andere zijn waardigen leermeester op het paard en holde zeewaarts in. Er was een oogenblik van verbazing: maar weldra, terwijl de monniken hun doornatten Abt weder ophielpen, snelden eenige rappe gasten, half wadende, half zwemmende, den vluchteling na. Deze was echter door de manschap in de sloepen bespeurd en met alle macht roeide men naar hem toe.

„Blaas den aftocht!” zeide Martena, die juist op het Klif aankwam: „daar moet er ten minste één zijn, die in Holland vertelle, hoe de Friezen hun bespringers ontvangen.”

Hetgeen aan de Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld er verschillende ontmoetingen, welke dan Hollanders bij hun landing aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden van Stavoren, waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar zij door de benden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig aan wal te zetten, had de vloot die niet dan bij gedeelten kunnen ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vernield was, eer die van het volgende haar hulp kon komen. Wat den Graaf betrof, hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, die reede van Enkhuizen verlaten om op het brandende Norwert aan te zeilen, en hierdoor het voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk ontwijffelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied; daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op ’s Graven schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte.

Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van ’s Graven vaartuig en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken somberen blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zij waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het veld gevolgd, en getuige geweest was van den opgeruimden blik, waarmede hij anders gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij aan zijnen wist in te boezemen – voelde een angstige huivering door zijn aderen waren, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden, bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek.

Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in ’t rond weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had, deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van het vuur der hoop. Hij hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen:

„Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meesters.”

„God geve!” antwoordde de bezorgde Edelman, „dat het de lijktoorts onzer vrienden niet zij. Ook hier brandt nog een dorp,” (en hij wees op de smeulende puinhoopen van Norwert) „maar waar zijn de handen, die het aangestoken hebben?”

„Wellicht reeds in het binnenland,” zeide Walcourt, „en bezig om dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een vijand, die ons het inrukken zou beletten?”

„Gij zijt een vreemdeling,” hernam Teylingen, „en kent den aard en de strijdwijze van dit volk niet: eer gij er om denkt, zult gen hen als vorschen voor uwen voet zien opspringen.”

„Het zij zoo,” hernam de luchtige Henegouwer: „wij zullen hen dan als vorschen vertrappen.”

Terwijl zij nog spraken, kwamen eenige knapen, die dor den Graaf over den dijk waren uitgezonden om den staat van het binnenland te bespieden, in aller ij met de schrikbarende tijding, dat het geheele land met gewapend volk overdekt was, en dat een kleine bende Hollanders in wanorden voor de overmacht des vijands terugtrok.

Zonder een woord te spreken, reed Willem naar den dijk, en , die beklommen hebbende, zag hij voor zijn oogen het bedroevende schouwspel. Het waren den Baanrotsen van Merwede en Antogne, die, vroeger geland, door de gansche macht van Cammingha waren overvallen en op de vlucht gedreven.

„Ontplooit de banier!” riep de Graaf, zich omwendende: „en voorwaarts! op die muiters aangerukt!”

„Graaf! in den naam van alle Heiligen!” riep Teylingen, die na hem op den dijk gestegen was: „wat wil uw Genade verrichten? Beschouw ons klein getal en de overmacht der vijanden. Ik bezweer u, laat ons wachten, tot de overige vaartuigen aankomen.”

„Zijt gij bevreesd, Teylingen?” vroeg Willem, terwijl hij te paard steeg. „Ontvouwt de banier en rukt den dijk over!”

„Graaf!” vervolgde Teylingen, zich voor Willem op de knieën werpende, en zijn paard bij den teugel houdende: „o! ik bid u! veracht den raad niet van een ouden, getrouwen dienaar uws huizes. Wat kan het uw eer verkleinen, een korte wijl te toeven? Waarom zoudt gij u zelven en al de waardige Edelen, die met u zijn, aan een wissen ondergang blootstellen?”

„Laat af!” riep de Graaf, toornig: „wie bevreesd is, moge naar de schepen keeren: wie ons liefheeft, volge ons!” – En, zijn paard de sporen gevende, rende hij de opening door, welke men in den wierdijk gehouwen had.

„In Gods naam!” zeide Teylingen, met de woorden des Apostels: „laat ons dan medegaan en met hem sterven.”

Met gevelde lans en ontrolde banieren reed nu de kleine maar dappere hoop het binnenland in en stuitte weldra op de vluchtelingen, aan de slachting, ontkomen, welke laatsten terstond gedwongen werden, met hen voort te rukken. Weldra ontmoette men het Friesche leger, dat, zonder orde of leiding, maar met een onwederstaande woede en dorst naar slachting bezield, gedeeltelijk langs de wegen en voetpaden kwam aansnellen, gedeeltelijk over sloten, heggen en dijken heen sprong om de nieuwaangekomenen te vernielen. Zij waren echter niet in staat den eersten aanval des Graven en zijner welgeoefende wapenbroeders te wederstaan: en de kans van den oorlog scheen zich voor een oogenblik te herstellen ten voordeele van Willem; maar, ofschoon het dezen al een wijl gelukken mocht, den weg schoon te houden, hij was daarom niet ontslagen van zijn vijanden, die uit de akkers en perken hun pijlen op de Hollanders afschoten en gedurig in nieuwe zwermen voor den dag sprongen, nu van ter zijde, dan van achteren, de zwaargewapende volgers der Graven bestokende. Het was een vreeselijk schouwspel, die schier ongekleede Friezen, met hun bloote hoofden en ruige blonde lokken, met de oogen fonkelende van razernij, zonder ander wapen dan de naakte forsch gespierde armen, tegen de paarden te zien opspringen, zich aan de ruiters vastklemmende zonder de wonden te tellen, die zij bekwamen, en zich met hun vijanden latende voortsleepen: of, wanneer zij eindelijk onder de paarden geraakten, met hun tanden den armen dieren de pezen van den voet afbijtende. Want het was meest op de strijdrossen, dat men het afgeladen had: en het leed ook niet lang, of het grootste gedeelte der ruiterij, de Graaf zelf niet uitgezonderd, zag zich genoodzaakt te voet te vechten.

Onverschrokken echter bleven Willems wakkere Edellieden stand houden en den roem handhaven van hun gevreesde namen. Maar helaas! terwijl zij gedurig verliezen ondergingen, vermeerderde het getal der aanvallers met ieder oogenblik; want Adeelen, die tot nog toe geen deel aan eenig gevecht genomen had, was op het bekomen der tijding, dat de Graaf zelf geland was, met den rechtervleugel komen toeschieten, niet begeerende, dat Cammingha alleen de eer der overwinning zou genieten. Nu baatte geen dapperheid noch krijgskunde der Hollanders meer: geen orde wer langer in acht genomen: en elk was genoodzaakt voor zijn eigen leven te vechten. De een vroeger, de ander later vielen onder de bijl- en knotsslagen der Friezen, die met de felheid, hun landaard eigen, den zoo gehaten vijand rust noch duur lieten. Zeven Baanrotsen, allen hoofden der edelste huizen in Willems Graafschappen, twintig Ridders, allen vermaard door hun heldenfeiten, werden door de handen van verachte dorpers verslagen. Vreeselijk vooral woedde de vuist van Adeelen en zesmalen ontwrong hij een versch wapentuig aan de handen der verslagenen, omdat hij het zijne op des vijands lijf verbrijzeld of in de diepe wonden had laten steken. Maar noch het aantal der dapperen, die hij ternedergeveld had noch hun beroemde naam was hem genoeg. Hij zocht den Graaf van Holland: dien had hij tot zijn offer uitverkoren: op hem wilde hij de beleedigingen wreken, te Haarlem ondervonden. Terwijl hij overal, brullende als een woudstier, naar hem zocht, ontmoette hij Walcourt, die, onthelmd en zonder schild, zich met het zwaard in de vuist een doortocht baande.

„Waar is uw meester, gevloekte Henegouwer?” riep hij, hem herkennende.

Het eenige antwoord van den Ridder was een geweldige sabelslag; maar Adeelen, dien afwerende, verbrijzelde hem met zijn strijdkolf den rechterarm.

„De linker blijft mij over!” riep Walcourt, zijn zwaard met de andere hand vattende. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij een woesten boerenknaap op hem afkomen, met een dorschvlegel gewapend. Terstond herinnerde hij zich de voorspelling van Barbanera, en het hoofd bukkende, onderging hij zwijgend den genadeslag, die hem bij de overige lijken voegde.

„Is die gevloekt Graaf dan nergens te vinden?” brulde Adeelen, terwijl hij rondliep als een leeuwin, die van haar jong beroofd is.

„Waar zoude hij wezen?” zeide Cammingha, die hem tegenkwam: „zij zijn allen dood op één na.”

„Leeft er nog één?” vroeg Adeelen, zich omwendende, met een verschrikkelijken blik: „Waar is hij?”

Cammingha wees hem op een terp, die niet verre vandaar gelegen, vroeger gestrekt had tot inhuldiging van ’s Graven vader als Heer van Friesland. Weinig dacht toen Willem III, dat die zelfde plek eens het moordtooneel zoude wezen, waar zijn dappere zoon met zoovelen zijner helden den dood zoude ondergaan. – Adeelen snelde derwaarts heen. Daar stond nog een enkele krijgsman tegen de helling der hoogte zich alleen tegen een drom van aanvaller te verdedigen. Zijn om hem gevallen wapenbroeders en de Friezen, die hij zelf had neergehouwen, vormden een verschansing van lijken om hem, die niemand straffeloos overschreden had. Zijn helm was afgeslagen, zijn schild gebroken en zijn geheele lichaam zoodanig met bloed en slijk en stof bedekt, dat men bijna niet zien kon of hij een harnas aanhad, al dan niet; maar zijn beide handen zwaaiden nog met ontzettende kracht een tweesnijdend zwaard waarmede hij al wat hem omringende het naderen belette.

„Hoe is het bloodaards!” riep Adeelen: „deinst gij? laat mij met hem begaan: mij de eere, den laatsten man der bende te vellen.”

Met deze woorden drong hij door de schaar heen, en den vreemden krijger onvoorziens naderde, bracht hij hem een geweldigen slag op het hoofd toe.

„Neem dat,” zeide hij: „en ga in de hel vertellen dat Seerp van Adeelen er u heenzond.”

„Hoezee! leve Seerp van Adeelen! riep het volk, dat den Hollander zag duizelen onder den slag.”

Maar deze, hoezeer bedwelmd, was niet gewond geweest; want de strijdkolf was in de handen zijns bespringers gedraaid. „Zoo gij Seerp van Adeelen zijt,” zeide hij, zich herstellende, ofschoon met een gesmoorde stem, „neem dan dit laatste aandenken mede van uw Heer en Meester.”

De woorden waren nog niet uitgesproken, of Willem de Vierde had zijn zwaard omhooggeheven: en met een slag, luider klinkende dan die, welken de moker op het aanbeeld geeft, kwam het lemmer op het hoofd van Adeelen neder, drong door de helmplaten heen en spleet den schedel in tweeën. De onstuimige Fries viel zielloos neder: maar zijn overwinnaar poogde vruchteloos het zwaard uit de wond terug te halen: en vijftig knotsen, opgeheven door de Friezen, wie de dood huns aanvoerders nog meer verbitterde, deden in een oogenblik den weerloozen Graaf den stapel der dooden met zijn vorstelijk lijk vermeerderen.

Maar het is tijd om, alles daarlatende wat eigenlijk meer tot het gebied der geschiedenis behoort, tot den goeden Deodaat terug te keeren, dien wij, sedert zijn overbrenging naar Sint-Odulf, wat te lang uit het oog hebben verloren.


[Hoofdstuk 33] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 35]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.