MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming, hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg moest hebben: angstige zucht om te weten of zijn eeuwig dierbare Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien; maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke hooge muren omgeven, dat men niet van de lucht gewaar kon worden en alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.

Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen, die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo flauw, dat hij zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde: men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder, boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets buitengewoons moest plaats hebben: – en weldra zag hij zijn vermoeden bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde, dat men bezig was het klooster te belegeren. O! hoe onverduurbaar werd toen de toestand van den wakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij, daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn cel blijven en mocht werkeloos in zijn cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot, op en neder.

Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken, die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was wellicht in brand gestoken! – En hij zoude het weerlooze slachtoffer worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit deze toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde, onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde, toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets den een blinde muur, rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had, waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan de andere einde van de gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor, ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar voor hem bestond; – wat hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was eenigzins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in ’t harnas en met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen waren: en die gedaanten streden en vluchtten voor elkander, en bewogen zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben, dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak, die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond, was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden, waar zij nu de monniken en conversen bevochten.

Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den muur aan de overzijde; – de brand was dus aan zijnen kant: – was juist onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende liet hij zich weder van het venster afvallen: hij snelde terug naar ’t einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen: – al wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf: nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen: maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed, hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem, die hem antwoord gaf.

„Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, die wij zoeken!” – De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had, gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van Spangen de voorpoort overweldigd had.

„Ik wist wel, Ridder!” zeide Zweder, „dat wij u eindelijk zouden vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters zich lang meer zullen verweren: – hier geeft den Ridder een zwaard… een bijl… wat het eerste de hand is… en nu haastig naar benenden; eer de trap afbrandt: – ik heb u nog juist bijtijds gehoord.”

Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord; dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond hij zich met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde beider leven: – want nauwelijks bevonden de gewapenden zich op de trap, of deze stortte in met een oordoovend gekraak, en de beide aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen en van rook, die uit het puin naar boven sloeg.

„Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!” kreet Zweder, zich voor het hoofd slaande: „ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf zijn! – Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!”

„Die ongelukkigen!” zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende beneden lagen; – „maar kom!” vervolgde hij: „wij moeten alle hoop op lijfbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt; waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte van het gebouw voert.”

Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was.

„Bij Sint-Japik!” zeide Zweder: „ik geloof, dat dit de weg naar den toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk.”

„Hoogstwaarschijnlijk!” zeide Deodaat: „maar om ’t even! Wanneer wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader overleggen, hoe wij verder komen.”

De schildknaap had wel geraden; want zoodra hij de opening binnen- en onder eenige dwarsbalken doorgekropen was (niet zonder zijn hoofd eenige keeren geducht te stooten), bemerkte hij, dat hij zich in den toren bevond. Het was echter meer door den toch, die hem tegenwoei, dat hij zulks gewaarwerd, dan door de scherpte van zijn gezicht: want het was hier bijster donker: en geen wonder, daar zij zich op een middelzoldering bevonden, waar van geene zijde eenig licht kon doordringen, dan alleen de flauwe terugkaatsing der vlam, die tegen de wanden scheen van de gang, die zij uit waren gekomen.

De toren, waarin zij zich nu op twee derden der hoogte bevonden, was een oud en hoog gebouw, dat wellicht reeds gestaan had vóór de oprichting van het klooster, waarvan het nu den noordwestelijke hoek uitmaakte, en het woonhuis met de kerk vereenigde. Het was achthoekig van gedaante en van zwaren grauwachtigen steen opgetrokken tot op een hoogte van ongeveer negentig voet: de muren, dik genoeg om geen schade van brand en bestorming te vreezen, waren slechts hier en daar met een enkel kijkgat voorzien, en verder geheel ontbloot van allen zweem van versiering; zoo men, den koepel uitgezondert, die later, toen men de Oostersche bouworde in Friesland begon na te bootsen, op den top was nedergezet, en waarboven een kruis prijkte, dat, evenals de platen, welke den koepel dekten, van koper was. Deze koepel was, gelijk wij vroeger gezegd hebben, peervormig; doch had, evenals de toren zelf, acht zijden, van onderen met een breeden metalen band omsloten en zich van daar tot op den torentrans uitspreidende, evenals de voet van een ouderwetsch kelkje, of als de neergekrulde halve schil van een sinaasappel. In dien omgeslagen benedenrand waren twee vooruitspringende venstertjes, met luiken en een leien dakje voorzien: het eene, waaruit de seinlantarens staken, naar den zeekant uitziende: het andere, dat thans gesloten was, over het kloostergebouw heen, naar de oost- of landzijde. Van binnen was de toren volkomen vierkant, niet ruimer dan ongeveer tien voet in de doorsnede, en van onder tot boven volkomen hol. Om den top te bereiken waren, op elke dertig voet hoogte, houten zolderingen bijgebracht, van welke de niet overal veilige planken op dwarsbalken rustten, en in wier midden een opening gelaten was, welke men bereikte door middel van een trapladder, die van onderen tegen den muur vaststond en van boven, met een paar ijzeren krammen voor het wiggelen bewaard werd. Er waren dus in ’t geheel drie van deze ladders; of liever: er behoorden er drie te zijn; want de onderste was, gelijk wij hierboven verhaald hebben, op last van vader Syard weggenomen. Verder had, als ons gebleken is, de toren ook nog een zijdelingsche gemeenschap met het kloostergebouw; en onze beide zwervers, die daarvan gebruik hadden gemaakt, bevonden zich nu op twee derden der hoogte, boven de tweede, en aan den voet van de hoogste ladder.

„Ziezoo!” zeide Zweder: „hier zitten wij hoog en droog: wisten wij nu slechts een middeltje te bedenken om hier vandaan te geraken.”

„Mij dunkt,” zeide Deodaat, naar beneden ziende, waar hem de flauwe schemering, die uit den kerk voortkwam, de ladder ontdekken deed: „wij kunnen hier afdalen.”

„Om ons de hersens op de zerken tot gruis te slaan?” viel Zweder in: „ik dank u, heer Ridder. De onderste trap is weggehaald. Die vervloekte monniken wisten wel wat zij deden. Bovendien, de kerk zelve staat in lichterlaaie.”

„Kunnen wij ons niet aan de klokketouwen aflaten?”

„Die gebruiken zij niet. Zij luiden hier door middel van groote hamers, die Belialskinderen! – en bovendien geloof ik niet dat er hier een klok in den toren is: – die zwelgers hebben alleen een etensbel noodig: – en die hangt boven de bakkerij.”

„Welaan!” zeide Deodaat: „dan moeten wij nog hooger onze fortuin beproeven, en zoeken of er ook een raam in den toren is, ten einde eens uit te kijken, of wij hulp of verderf te wachten hebben.”

Dit zeggende klom hij, van Zweder gevolgd, de hoogste ladder op, die hen in den voet van den koepel bracht. Dadelijk staken beiden het hoofd door het opene venster: en, ofschoon er zonder vleugels aan geene ontkoming te denken viel, ondervonden echter zoowel Deodaat als zijn schildknaap een gewaarwording van verkwikking en genoegen, toen de frissche wind hun in het gelaat woei en zij weder in Gods vrije schepping mochten rondzien. Het onweer was bedaard: slechts enkele dunne, waterlooze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld van den storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk: en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen, Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken.

„Spoedig, Zweder!” zeide hij, „laat ons zoeken, of er geen ander venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren.”

„Een oogenblik!” zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde: „hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze omstandigheden niets verzuimen.” – Dit zeggende, maakte hij een eind touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol lie0p, welke aan het einde van den uitgestoken staak hing, en bond het zich om het lijf.

„Ziezoo!” zeide hij, „nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in ’t donker zit, van dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien.”

Dit zeggende opende hij het luik van het andere venster: en beiden zagen uit. – Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der stille natuur: aan deze, die van den oorlog in zijn schrikkelijkste gedaante.

In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder, die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als de drie overige zijden van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikke nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of liever in de gapende krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen moed verweerden tegen de krijgsknechten die hen van alle zijden bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen, stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende: quare fremuerunt gentes; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hun nu en dan dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen.

„Mij dunkt,” zeide Deodaat, „die monniken vechten als leeuwen: gij hadt gezegd, zij zouden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het mij voorkomt, staat de kans vrij gelijk en kunnen zij blijven vechten tot de gansche boel ineenstort en vrienden en vijanden samen verplet.”

„Inderdaad,” zeide Zweder, peinzende: „het getal onzer manschappen komt mij voor, geringer te zijn, dan het behoorde te wezen. Ik zie den Heer van Beaumont niet; noch ook den Heer van Spangen. Wij waren straks ruim zoo talrijk. Zouden er zoo velen door de handen dier papen zijn gevallen? Of is de rest vertrokken en heeft men gedacht, dat er manschappen genoeg bleven om het klooster te winnen.”

„Het komt mij voor, als ware men buiten ook nog aan het strijden,” zeide Deodaat: „althans ik hoor een luidruchtig alarm aan de landzijde. Indien slechts die satansche rook het uitzicht over de landtong niet belette.”

Terwijl beiden, onbewust van de redenen, die Beaumont genoodzaakt hadden het klooster te verlaten, zich in gissingen verdiepten, trad de Heer van Spangen, door een der zijgangen, welke alsnog door het vuur gespaard was gebleven, de binnenplaats op.

„Geeft u over, vervloekte papen!” riep hij: „uw klooster staat in brand en het is immers al gewonnen”

„Neen! nog niet gewonnen!” klonk een stem, die het gansche gebouw scheen te doen daveren: en van uit de deur van het voorportaal vertoonde zich, tussen een dicht ineengedrongen drom van strijdende Hollanders en Friezen, de reusachtige gestalte van den Abt van Lidlum, niet geharnast als zijn ambtsgenoot van Oldeklooster; maar in de dracht zijner orde, blootshoofds en met opgestroopte mouwen, een zware strijdkolf omhoogheffende. „Houd u goed, vader Volkert!” riep hij: „houd u goed. Daar zijn wij al, klaar om u te helpen. Ter helle met de Hollanders! slaat dood! slaat dood!”

„Bij Sint-Japik!” zeide Zweder: „de kans is verkeken: zooeven wezen ons de steenen twee vijven aan: maar nu heeft de vijand twee zessen geworpen.”

„En wij moeten hier als bloote toeschouwers zitten!” zuchtte Deodaat: „o! waarom schenkt God mij de gunst niet, naast mijn dappere spitsbroeders te strijden?”

„Al wat wij doen kunnen, is hen aan te moedigen met woorden,” zeide Zweder; en terstond begon hij met luider stemme te schreeuwen: „Holland! Beaumont à la rescousse! Spangen! Ligny! Naaldwijk!” en alle andere namen, die hem voor den geest kwamen, totdat een nieuwe rookkolom hem zoowel het zien als het geluidgeven belette.

De rol der Hollandsche benden was nu geheel omgekeerd: en van aanvallers waren zij verweerders geworden. Van alle kanten rukten versche benden van Friezen het plein op: en Deodaat herkende weldra onder hen den Heer van Aylva, die zijn ziekte in de hitte van het gevecht scheen vergeten te hebben, en aan wiens zijde de wakkere Feiko streed, zijn meester nergens verlatende en elken slag, die op dezen gemunt was, van zijn hoofd afkeerende. Vreeselijk woedde de Abt van Lidlum, wiens strijdkolf de zwaarden aan spaanders sloeg en de helmen verbrijzelde of zij van glas waren geweest. Maar ook Spangen en de zijnen deden wonderen van dapperheid: en, daar de ruimte van het binnenplein betrekkelijk klein was, deed zulks den strijd minder ongelijk zijn, dan die buiten op het open veld was geweest. Intusschen nam de brand al meer en meer de overhand, en kwam de eene zolder voor, de andere na, met een oorverdovend gekraak en gedruisch naar beneden. Soms stortte er een lange balk, een gedeelte van het dak, of een brok van den muur op de binnenplaats, die dan Hollanders en Friezen met éénen slag verpletterde en de strijdenden uitelkander deed stuiven, maar slechts om dadelijk het gevecht met eene dubbele woede te hernieuwen. Het was een schouwspel zonder wedergade, om van den toren af op die menschen neder te zien, die zoo nietig en onbeduidend schenen, en die als helsche duivels door de vlammen en den rook heenwaarden en zich onderling vermoordden bij het schijnsel van den brand: het was een akelig geluid, dat noodgeschrei der gekwetsten, dat triomfgebulder der overwinnaars, dat gehuil van den wind, dat gerammel der wapenen en dat sissen en kraken van den brand, dooreengemengeld te hooren! – Eindelijk dreef het geweld der vlam nu den eenen, dan den anderen drom van het strijdperk af; en, evenals ware de dood door het staal verkieslijker boven dien door het vuur, drong men zich al vechtende weder naar de hoofdpoort, of vlood als met onderling goedvinden derwaarts, om, buiten gekomen, het gevecht te hervatten. Weldra zagen de jongelingen niets meer, dan den zwarten rook, die alles gelijk als met een mantel omhulde; en na weinige oogenblikken stortten de beide vleugels en eindelijk ook de kerk in puin en asch naar beneden.

De nacht was voorbij: en de zon begon zich alreeds aan den gezichteinder te vertoonen, maar nog was de woede van den strijd niet verminderd. Van het gehele gebouw, dat weinige uren te voren zoo stevig daar neder stond, was bijna niets meer overig gebleven. Alleen de toren stond nog in zijn geheel, die, zwart geblakerd van onder en met zijn door de eerste zonnestralen vergulden koepel op een Afrikaanschen reus geleek, wiens hoof met een schitterenden helm versierd ware. Ook de vier muren, die, met den toren, mede, den noordwestenlijken hoek van het gebouw uitmaakten, waren nog gedeeltelijk, hoewel zwaar beschadigd, blijven staan; maar al het overige vertoonde een onkenbaren en verwarden klomp van steen en hout en asch, waarbinnen de vlam smeulde en waaruit hier en daar dwalmende rookwolken naar boven stegen.

Het overschot der Hollandsche bende, die buiten het klooster voor de overmacht had moeten zwichten, was wederom binnen den omtrek van het ingestorte puin zijn toevlucht komen zoeken en bood daar een hardnekkigen, maar, helaas! vruchteloozen wederstand. Vergeefs had Aylva, wiens medelijdende ziel niet stemmen kon in den moord van zoovele dapperen, alle pogingen in ’t werk gesteld om hen te bewegen, de wapens neder te leggen; zijn stem was niet vernomen geworden door de Hollandsche krijgsknechten: en de Friezen luisterden niet naar hem, wanneer hij hen wilde aanmanen, den overwonnenen lijfsgenade te schenken; maar sloegen alles dood wat hun voorkwam. Geen deelgenoot van die gruwelen willende zijn, en buiten staat die te beletten, was de Olderman teruggetreden, met het voornemen om te gaan zien hoe het met Beaumont en de zijnen afliep, toen hem vader Syard op zijde kwam, met den angst op het gelaat geschilderd.

„On Gods wil!” zeide de monnik: „mij Heer van Aylva hebt gij Ridder Deodaat ook ergens in ’t gedrang opgemerkt?”

„Deodaat!” herhaalde de Olderman, verbleekende: „neen! ’t Is waar ook! hij was hier in ’t klooster! – Dat ik hem een oogenblik vergeten kon!”

„Hij zal toch, hoop ik, den brand bemerkt en zich naar beneden begeven hebben.”

„Dat zou moeilijk geweest zijn,” zeide de vader Guardiaan, die kort daarbij met den Abt gezeten was op een brok steens, waar zij van hun heldendaden uitbliezen: „ik beloof u, ik heb hem wel deftig achter dubbele grendels gesloten: en, al is hij zijn kamerdeur uitgekomen, de trapdeur heeft hij zonder hulp niet kunnen openbreken.”

„Hij zal… wel… daaronder liggen,” merkte de Abt aan, terwijl hij hijgende op den muur van den toren wees.

„Ongetwijfeld!” hervatte de andere monnik: „de brand is aan de kerkdeur begonnen, die vlak bij de trap is, welke naar de cellen geleidt. Hij zal dus geroost zijn als een braadspiering.”

„Maar welk overgroot belang… hoe! wanneer zal ik mijn adem terugkrijgen?… welk belang stelt gij toch in dien Deodaat?” vroeg de Abt, zijn onbeteekenende oogen wijd opspalkende en vader Syard aanziende: „ehugh! ehugh! die vervloekte rook!… Er zijn er zoovelen gevallen, die zoo goed, ja beter waren dan hij.”

„Ik had voor hem moeten zorgen,” zeide de monnik, zonder op de vraag van vader Volkert acht te slaan: „ik heb hem schandelijk vergeten toen het tijd was. O! dat hij nog kon ontkomen zijn.”

„En al is hij den brand ontkomen,” zeide Aylva, het hoofd schuddende: „dan heeft hij zich zeker bij zijn wapenbroeders gevoegd en hij is met hen omgekomen: want die vreeselijke jubelkreet achter ons verkondigt mij dat de slachting volbracht is.”

„’t Is uit!” riep de Lidlummer, die, zich op dat zelfde oogenblik op een der puinhoopen vertoonde, waar hij met zijn bloed en asch besmeerde armen en half verzengd gewaad en aangezicht den genius der vernieling had kunnen voorstellen: „’t Is uit! de laatste man is gevallen. Hoezee voor Friesland!”

„Hoezee!” riep al het volk.

„Hoezee!” riep een ruiter, die in vollen ren kwam aansnellen. „Martena en de Bloemkampers hebben de zege! Beaumont alleen is het ontkomen, met behulp van den schelm, die zich Aylva’s zoon noemde; maar die een verrader was.”

„Met behulp van Reinout!” riep Aylva, de handen wringende.

„Hij deed zich zelven recht,” zeide vader Syard: „hij moest een verrader worden.”

„Hoe!” vroeg de Olderman, verbaasd opziende: „en wat beweegt u, zulks te vermoeden?”

„Ik heb geen vermoedens meer,” zeide de monnik: maar te gelijk wendde hij zich af, bemerkende dat hij te veel ging zeggen; want nu het hem bijna zeker toescheen, dat Deodaat was omgekomen, achtte hij het noodeloos den Olderman het geheim van ’s jongelings geboorte mede te deelen, ten einde hem niet des te meer te bedroeven, indien hij hoorde dat de vermiste zijn zoon ware.

„Welke raadsels spreekt gij toch?” vervolgde Aylva; maar voor de monnik kon antwoorden, deed een nieuw geroep van: „kijk die twee! daarboven!” hen beiden het hoofd naar den toren wenden.

„Wat duivel zijt gij, Hollanders of Friezen?” riep de Abt van Lidlum aan de beide jongelingen toe: „antwoordt gij niet? nu dan behoeven wij niet verder te vragen.”

„Maar hoe komen zij daar?” vroeg vader Volkert: „de toegang tot den toren was immers afgebroken? En wie kunnen het zijn?”

Niemand wist deze vraag te beantwoorden; want de afstand belette aan een iegelijk, Deodaat te herkennen, van wien bovendien alleen het bovenste gedeelte van het gelat zichtbaar was.

„Komt dan af, mannen!” riepen de Friezen beneden: „dan zullen wij u vertellen hoe het met uwe makkers gegaan is.”

„Wacht!” riep een uit den hoop: „wij zullen hem wel doen schreeuwen, indien zij niet spreken willen!” en te gelijk zijn boog spannende, legde hij op het venster aan.

„Jawel! zij zullen uwe pijlen afwachten,” zeide de andere: „of zij gek waren! Wat doken zij spoedig weer in den toren terug, toen zij u een pijl zagen grijpen.”

„Wij zullen hen van daar moeten ontnestelen,” hernam de eerste

„Ja! laat ons in den toren klimmen!” zeide de derde: „een ladder! een ladder! en dan zullen wij hen dwingen, van boven neder te springen.”

En dadelijk snelden eenigen binnen de muren der afgebrande kerk, ruimden zooveel zij konden de nog brandende binten en balken uit den weg en kwamen eindelijk, niet zonder moeite, onder den toren, terwijl anderen ladders haalden en die aaneenbonden.

„Om Godswil!” zeide Aylva, wien opeens het denkbeeld voor den geest was gekomen, of ook Deodaat wellicht een dier beide personen in den toren wezen kon, en die hierop den woesten hoop gevolgd was: „wat wilt gij doen vrienden? haalt die lieden van boven; maar doet hen geen leed. Gij hebt u als helden gedragen; gedraagt u als menschen na de overwinning.”

Maar niemand sloeg acht op zijn smeekingen: integendeel waren er sommigen, die hem vrij ruw bescheid gaven, en hem vroegen of hij evengoed gezind was als zijn zoon, en de Hollanders verkoos te sparen: ja, het liep zooverre, dat Feiko, die zijn meester niet verlaten had, zich genoodzaakt zag hem bijna met geweld van daar te halen.

De toestand van onze beide vrienden in den toren was intusschen allesbehalve vermakelijk. Zij hadden het gerucht beneden gehoord, en op de tweede zoldering afgedaald zijnde, bespeuren zij al spoedig dat men zich gereedmaakte, hen in hun hooge schuilplaats te komen bestoken.

„Dat begint er slecht voor ons uit te zien,” zeide Zweder, die nu en dan met de noodige voorzorgen naar beneden keek.

„Er blijft ons niets over dan om ons ter dood te bereiden,” zeide Deodaat: „en ons leven zoo duur te verkoopen als het ons eenigzins mogelijk is. Wij kunnen althans uit onze hooge standplaats nog eenigen tijd met voordeel het hoofd bieden.”

„Dat zal ons weinig baten,”  zeide Zweder: want om hen te bevechten, moeten wij ons vertoonen: en dan staan wij voor hun pijlen bloot. Kom! het is gedaan. Wij overleven de grap niet: en ik zal ons slot van Naaldwijk en men lieve moei Ottilia nimmer terugzien. De goede ziel! zij heeft mij voor mijn vertrek nog een geborduurden hanger vereerd voor mijn dolk. Wat zal zij treuren, als zij hoort dat haar neefje, dat haar altijd zoo plaagde, zoo jammerlijk aan zijn eind is gekomen.

„Arme jongen!” zuchtte Deodaat: – „maar helaas! gij zijt nog gelukkiger dan ik: – want niemand – neen niemand zal mijnen dood beweenen. – Wat zeg ik? – Reinout wellicht… en misschien ook…”

„Ja welzeker zal zij u ook beweenen,” zeide Zweder, dat gedachte van Deodaat aanvullende: „maar wat hamer! laten wij niet dwaas zijn en als kinderen schreien, terwijl er misschien nog redding mogelijk is. Zoolang er leven is, is er nog hoop. Gij noemdet uw vriend Reinout; dat doet mij ergens aan denken. Is hij niet, althans volgens uwe meening, op een dolk naar beneden gereden?”

„Hoogstwaarschijnlijk! Maar dat kan ons hier niet baten; want dan vallen wij des te eerder in de handen onzer bespringers.”

„Alles moet beproefd worden,” zeide Zweder: en tevens zag hij de opening uit, door welke zij in den toren gekomen waren. Het trapje, de gang en al de zolders aan deze zijde waren ingestort; maar de drie muren van den vleugels waren gelijk hierboven gezegd is, blijven staan, en verhinderden, dat iemand hen van beneden zien kon. Zweder keek naar benden; maar de oneffenheden van den muur en de hier en daar vooruitspringende brokken van boog- en muurwerk, die nog aan den toren vast waren blijven zitten, beletteden hier de uitvoering van het ontkomingsmiddel, door Reinout gebezigd. Ook had alleen Zweder een dolk, die door zijn vorm weinig geschikt was om dat middel te beproeven.

„Maar hij hebt een touw,” zeide Deodaat. – „Er ware nog mogelijkheid…”

„Ik heb het,” riep Zweder: „ik heb het… Wacht! Eerst moeten wij zorg dragen, dat zij ons niet verrassen. Het wordt tijd; want ik geloof waarlijk, dat zij aan ’t klimmen zijn.”

En onder het spreken dezer woorden keerde hij zich om en zag in den toren naar beneden, waar de Friezen reeds een paar aaneengebonden ladders tegen de eerste zoldering aangezet hadden, en zich gereedmaakten, die te bestijgen. Haastig greep nu Zweder de middelste trapladder bij de bovenste sport, rukte die met de kracht de wanhoop uit de krammen, trok haar vervolgens met behulp van Deodaat van haar steunpunt los, hield haar een oogenblik boven den openen koker verheven en liet toen de handen los. Het lang en zwaar gevaarte stortte naar beneden, verbrijzelde de ladders der Friezen, deed een aantal van hen bloedende en vloekende op den vloer nedertuimelen en sprong zelf tegen de zerken tot spaanders.

„Ziezoo!” riep Zweder: „nu zullen zij ons vooreerst met vrede laten. Wat ons betreft, wij moeten denzelfden weg uit, dien wij gekomen zijn. Het smeult en rookt nog wel wat beneden; maar des te beter; zooveel te minder zullen zij ons komen hinderen.”

En nu, met spoed het touw losgewonden hebbende, dat hem om het lijf zat, sloeg hij het dubbel om een plank, die hij uit den vloer losbrak, let de beide einden de opening uithangen en plaatste de plank dwars daarvoor: waarna hij zich naar buiten liet afglijden. Toen hij niet lager kon, en bemerkte dat hij nog ruim twintig voet boven den grond of liever boven het ingestorte puin was, slingerde hij zich op een tegen den muur in een nis gemetseld voetstuk, en klemde zich aan de nog heete krammen vast, welke gediend hadden om een standbeeld tegen te houden, dat half verteerd beneden lag. Deodaat volgde zijn voorbeeld, liet zich insgelijks aan het touw afglijden en stond weldra aan zijn zijde; waarna zij dadelijk het touw naar zich toe trokken en het aan een vooruitspringenden boog nevens hen vastmaakten. Zij daalde hierop lager af, zich nu eens van Zweders strijdbijl, welke zij over de steenbrokken vasthaakten, dan weder van den dolk, dien zij tusschen de openingen staken, bedienende, om de reis naar beneden gemakkelijk te maken.

Zij stonden eindelijk boven het rookende puin en door het vierkant der muren voor aller oog verborgen; maar het was er verre af, dat zij zich nu buiten gevaar konden achten. Integendeel, zij hadden slechts het eene met het andere verwisseld. Want vooreerst stond hun elk oogenblik een bezoek der conversen te schromen, die wellicht spoedig zouden komen om den brand te blusschen en te redden wat nog redbaar was: en ten anderen verkondigde hun de onverdraaglijke hette van het brok steen, waarop zij stonden, dat het vuur nog onder hun voeten blaakte en dat zij kans liepen bij een nieuwe ineenstorting van het puin in den gloed te vallen en jammerlijk om te komen. Al trippelende en met verschroeide ledematen sprongen zij van den eenen hout- of steenhoop op den anderen, nu eens op den rechtervoet staande, dan weder, wanneer zij de pijn niet langer verduren konden op den linker rustende: ja somtijds omvattenden zij een over de bouwvallen liggenden en half verzengden balk met beide armen en lieten de beenen hangen, om die een oogenblik rust te gunnen. Opeens deed Zweder een ontdekking, welke hem met blijdschap vervulde. Hij zag namelijk onder zich een donker gat, hetwelk hem toescheen, naar een gewelf te geleiden.

„Daarheen!” fluisterde hij, den Ridder aanstootende: en, zich van een omgestorte plank latende afglijden waren beiden weldra, ofschoon met deerlijk gebrande handen, nabij de opening.

„Hier is de kelder van de vrome vaders,” zeide Zweder: „of ik bedrieg mij grootelijks. Laat ons den ingang onzichtbaar maken, dan houd ik het er voor, dat wij vooreerst gered zijn.”

En, de handen aan ’t werk slaande, stapelden zij, hoe pijnlijk hun deze verrichting ook viel, met allen spoed een menigte brokken steen en zengende balken en planken tegen de opening, alleen zooveel ruimte overlatende, dat zij er op handen en voeten konden binnenkruipen. Een treurige gewaarwording overviel hen, toen zij, bij het opruimen van het puin, op eenmaal twee verzengde lijken, waarschijnlijk van hun makkers ontdekten.

„Die arme halzen!” zeide Zweder: „zij trokken nog kort geleden zoo wakker met mij de kerkramen door. – Maar wacht! zij kunnen ons nog na hun dood van dienst zijn!” – En meteen zich van zijn kuras ontdoende, gespte hij het om een der lijken; terwijl zijn oogmerk radende, zijn pij uittrok en daarmede het andere omhing, waarna zij de twee lichamen aan den voet des torens sleurden en vervolgens in hun schuilplaats kropen.

„Ongelukkig,” zeide Zweder, in de duisternis rondtastende, „dat al de wijnvaten hier vandaan zijn gehaald. Mijn keel is even verschroeid als mijn voetzolen en ik gaf het halve erfdeel mijns vaders voor een frisschen dronk, als was het dan ook maar koud water.”

„Een krijgsman moet honger en dorst kunnen lijden, mijn goede Zweder!” zeide Deodaat: „en bovendien moet gij u niet te zeer beklagen, dat de wijnvaten weg zijn: wij hebben nu te minder kans, door de dorstige monniken bezocht te worden.”

„Dat is waar!” zeide Zweder, terwijl hij zich op den vloer uitstrekte en het heete gelaat tegen den vochtigen grond verkoelde: „want waar iemand zijn schat heeft, daar is ook zijn hart.”


[Hoofdstuk 34] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 36]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.