MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De Roos van Dekama.

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblyden
Door ’t wercken van de tydt, die alle openbaerdt,
Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.

Rodenburg, Melibea.

Ruim tien dagen waren verloopen, sedert de merkwaardige geschiedenissen hadden plaats gehad, in de vorige Hoofdstukken vermeld. De eerste vervoering van uitbundige blijdschap, door de zegepraal der Friezen verwekt, was voorbij en had plaats gemaakt voor een diepe en plechtige kalmte, gelijk aan die welke men in de natuur gewoonlijk ziet volgen op het woeden van den storm. Ja het scheen, alsof het gewicht zelf hunner overwinning, die meer volkomen en beslissend geweest was dan de hoogst gespannen verwachting zich had durven beloven, de gemoederen der Friezen vervaarde en ter nederdrukte. Bij verreweg de meesten had het vuur des ijvers, dat na den afloop van de slag in aller oogen fonkelde, en de glans van opgewonden vreugde, welke ieder gelaat deed schitteren, plaats gemaakt voor nedergeslagen blikken, die als het ware vreesden elkander te ontmoeten: en op veler wezenstrekken was angstige bezorgdheid voor de toekomst te lezen. De onversaagde helden, die zoo moedig hun onafhankelijkheid bevochten, geleken thans op vreesachtige schoolknapen, die na in een opstand hun leermeesters en opzieners verdreven, en zich in hun schoolgebouw achter versperringen verschanst te hebben, van hun wilde verbijstering teruggekomen, met schrik de gevolgen overdenken, waarop hun vermetelheid hun eenmaal zal te staan komen, en gaarne de verkregene lauweren zouden willen afstaan voor de zekerheid van weder in genade te worden aangenomen.

Een schouwspel, hetwelk op den elfden dag na de overwinning aan Friesland gegeven werd, bracht niet weinig bij, om de algemeene soberheid te vermeerderen. Het was een dier stille en plechtige najaarsochtenden, waarin de sterveling tot ernst gemaand wordt door den aanblik der natuur, aan een grijsaard gelijk, die de dagen zijner jonkheid schijnt te betreuren en zich in het lijkgewaad te hullen, als om den naderenden doodsslaap te verbeiden. De zonnestralen waren aan het gezicht onttrokken door een dichten neveldamp, die als een sluiergaas over het groene veld lag heen gespreid. Treurig en naakt  verhieven hier en ginds enkele slecht opgegroeide boomen hun bladerlooze kruin: geen enkel zuchtje beroerde de oppervlakte der binnenwateren, noch roerde de gerimpelde bladeren aan, die op enkele plaatsen hof en weg als met een goudgelen mantel bedekten. Geen vroolijk gevogelte trok in dit anders zoo levendige jaargetijde door de lucht; alleen brak hier en ginds een raaf, op een staak of boomtronk gezeten, de stilte af met zijn krassend geschreeuw. Een talrijke optocht, voor den dageraad van uit de omstreken van Stavoren vertrokken, en die meer uit beweegbare beelden dan uit levende menschen scheen te bestaan, volgde met langzamen tred den landweg, die lang het vischrijk meer van Parrega, van Workum naar Bolsward geleidt. De visscher, die, in zijn boot staande, bezig wat met het ophalen zijne vangst, liet, als de trein voorbijging, zijn net weder vallen, en afvragende, of het ook een legioen van booze geesten ware, dat zoo twijfelachtig door den nevel voorttrok, ontdekte hij zich de kruin en zeide een pater op. De doggen, die voor de stulp of hoeve waakten, schenen hun anders zoo woeste geaardheid te verliezen en kropen met ingetrokken staart en hangende ooren achter hun meester, die, zelf op zijn erf nederknielende, de gebeden voor de afgestorvenen opzeide en niet opstond, voordat de laatste man van dien talrijken sleep voorbij was. Slechts enkelen wierpen op het treurige schouwspel een blik van zegepraal en hoogmoed; maar weldra gleed een medelijden, waarvan zij zich nauwlijks rekenschap wisten te geven, hun boezem in, en keerden zij huiswaarts, nadenkende over het onbestendige en wisselvallige der ondermaansche zaken.

En wel was die optocht geschikt om de zielen toe nadenken te bewegen; want hij was uitgetrokken om een lijkbaar naar de grafplaats te brengen: en in de lijkbaar was het half vergaan en ellendig overschot vervat van Willem, Grave van Henegouwen, van Holland en Zeeland. Wat bleef er van hem, den bedwinger van Utrecht, die, weinige dagen te voren, toen hij het glansrijkste leger ter wisse zege meende te voeren, zich, met een in hem verschoonbaaren hoogmoed, den machtigsten aller Heeren, den meester aller soldaten, den evenman de Koningen noemde? Helaas! niets dan een onkenbaar rif, waaraan niet dan met moeite een graf verleend werd. En welke was de vrucht geweest van zijn wakkere oorlogsfeiten, met wier roem hij de wereld vervuld had? – Geen andere, dan dat hij een schatkist achterliet, berooid en uitgeput door de ondernemingen, waartoe hem zijn staatzucht vervoerd had, en een erfgoed, over welks bezit een twist uit te barsten, die eeuwen lang na hem zou blijven woeden, en Holland tot eindelooze bron van bloed en tranen verstrekken moest.

De trein, die het lijk vergezelde, was tot Workum toe voorafgegaan door de geestelijken van Sint-Odulf, wier parochiaal toezicht aldaar een einde nam. Daar ter plaatse waren zij in de achterhoede teruggevallen, hun plaats overlatende aan de monniken va Bloemkamp of Oldeklooster, die, door de banier- en kruisdragers voorafgegaan, en het hoofd met kun kappen bedekt, langzaam vooruittraden. Een vreemdeling, die hun deemoedige, eerbiedige houding en hun naar den grond geslagene blikken aanschouwd had, zou zich niet hebben kunnen voorstellen, die zelfde lieden te zien, welke kort te voren, met de wapens in de hand, bij trompetgeschal ter slachting trokken en met onmenschelijke woede hun weerloozen vrijand ontzielden, ja nog na zijn dood mishandelden, die zelfden, die wellicht eenen dag daarna opnieuw naar het moordtuig zouden grijpen, om hun wapenbroeders van de vorige maand met een binnenlandsche krijg te bezoeken.

Na hen kwam, gevolgd van een deel zijner Ridders, de Commandeur der Sint-Jans-Ridders te Haarlem, Heer Hugo van Koukerk. Hij was het, die, zoodra de ontzettende maar der nederlaag Holland in rouw was komen dompelen, zich naar Friesland begeven had, om voor de in den strijd gevallene helden een eerlijke begrafenis te verzoeken. En, wat vreemder scheen, hij was het, die aan de overwinnaars de eerste tijding bracht, dat de Graaf zelf zich onder de gesneuvelden bevond; want niemand had zich aldaar over den rang of hoedanigheid der omgebrachte vijanden bekommerd, die door het woedende gepeupel eerst naakt waren uitgeschud en vervolgens op hoopen gestapeld, om op het slagveld te blijven rotten: – een wreedaardig gebruik, waarmede de Friezen, evenals vroeger de Germanen, zoozeer gehecht aan lijkplechtigheden wanneer het hunne eigene dooden betrof, gewoon hun verachting voor hun vijanden uit te drukken.

Het was dan ook alleen het lijk der Graven, hetwelk de Friezen, op smeeken des Commandeurs en op de voorbede van een nog hoogeren persoon (dien wij straks terug zullen vinden) besloten aan een gewijde aarde te schenken: en nog zelfs te dezen opzichte kon de Haarlemmer zijn wensch slechts ten deele bereiken: want men wilde hem niet toestaan, het overschot zijns meesters met zich voeren, en men bepaalde, dat het als een blijvend pand en gedenkteeken der overwinning, in een der Friesche kloosters, en wel in dat van Bloemkamp, zou begraven worden. Lang duurde, het, eer men het misvormde lijk van onder den stapel de half bedorven lichamen had teruggevonden: en de oogen der vrienschap konden hun tranen niet bedwingen, toen het Koukerk eindelijk te beurt viel, zijn voormaligen meester aan de lange, golvende haarvlechten, welke hem aan den bloedigen schedel kleefden, te herkennen.

Achter de lijkbaar, welke met een effen zwart kleed overdekt, en zonder eenig praalteeken, op eenige overdwars geplaatste lansen rustte en door een twaalftal knapen gedragen, volgde eenige lieden, zoo te paard als te voet, allen bedekt met rouwkappen, welke hun gelaat aan ieders oog onttrokken. De meesten van hen waren Friesche Edelen, die of, gelijk Aylva, Martena en anderen, grootmoedig genoeg waren om aan hun vijand de laatste eer te willen bewijzen, of die door het bijwonen der lijkplechtigheid hun eigenliefde en hoogmoed gestreeld vonden. Maar er bevonden zich ook enkele Hollanders bij, die ter liefde van hun Graaf waren overgekomen en, na vrijgeleide bekomen te hebben, door hun Friesche bekenden met de meest voorkomende gastvrijheid waren ontvangen. Er was onder hen een grijsaard, gelijk men aan gang en houding bespeuren kon, maar die nog meer door het verdriet dan door het gewicht der jaren leed: de oude Paypart, de Wapenkoning van Holland. Het was niet slechts de dood zijn meesters, welke hem zoozeer bedroefde; want hij had reeds te veel Heeren naar hunne laatste stede begeleid, dan dat hem de dood van dezen zoo diep zoude treffen, neen! zoo hij in sprakelooze wanhoop voorttrad, het was omdat hij geheel vruchteloos was overgekomen, omdat hij, aan wien bij de begrafenis van zoovele vorsten altijd het opperbestier was opgedragen geweest, zijn aanspraak op dat recht door Friezen had zien tegenspreken of verachten, en gedwongen was een lijdelijk aanschouwer te zijn van de in zijne oogen onbetamelijke, ja schandelijke wijze, waarop men een Vorst als Graaf Willem naar het graf voerde. Zoolang echter de plechtigheid duurde, gaven alleen zijn somber gelaat en neergeslagene oogen het ongenoegen en de smart te kennen, die hem vervulden; want het druischte natuurlijk tegen al zijn beginselen aan, gedurende een lijkdienst te spreken; maar toen hij de reize huiswaarts aannam, en zich niet langer behoefde  te bedwingen, liet hij niet af van zich bij zijn reisgenooten te beklagen: en toen hij zelf kort daarna (waarschijnlijk aan de gevolgen van verkropte gramschap) overleed, waren zijn laatste woorden, dat het land te gronde ging, nu men had kunnen dulden, dat de laatste Vorst als een gewone dorper was onder de grond gestopt.

De monniken van Sint-Odulf sloten, gelijk wij reeds boven hebben aangemerkt, den trein, die bovendien vergezeld werd door een bende welgewapende ruiters, ten einde te verhoeden, dat niet het grauw in blinde woede zijn wraak nog aan het overblijfsel des Graven koelde, of op een andere wijze de plechtigheid stoorde. Deze voorzorg bleek echter onnut te zijn; want alles liep rustig en betamelijk af.

Het begon reeds avond te worden, toen de stoet den eindpaal van zijn tocht bereikte, zijnde Oldeklooster, dat, gelijk bekend is, in de nabijheid van het oude dorp Hartwert, een uur gaans ten noordoosten van Bolsward aan den oever der Middelzee gelegen was. Daar wachtte een groote schaar van toeschouwers buiten het erf, en de Abt Meikulfus met zijn geestelijken op den dorpel, het lijk des Graven af, dat terstond binnen de kerk gedragen werd, alwaar de lijkmis gevierd moest worden. Hij, die het bestier dezer plechtigheid zou voeren, en in zijn plechtgewaad uitgedost achter het outer stond, was geen minder persoon dan de Bisschop van Utrecht zelf. Sierlijk staken de fraaie houding en edele gelaatstrekken des gemijterden jongelings af tegen de grove gestalte en plompe uitzicht van den Abt van Lidlum tegen de logge gedaante van Vader Volkert, tegen de onbeduidende, boersche figuren der kloostervoogden van Luidinga-kerke, Mariëngaarde, of andere gestichten, die hem omringden, en tegen het ineengedrongen, onbeschofte voorkomen des Bloemkampers, die tegenover hem het lijk aankwam. Jan van Arkel had, een paar dagen na den slag bij Stavoren, en zoodra hij vernam dat Friesland rustig was, van uit de Kuinder, waar hij (gelijk wij hierboven vermeld hebben) zijn intrek genomen had, eenige geestelijken aan de overwinnaars gezonden om hun zijn gelukwenschen over te brengen en tevens voor ’s Graven lijk een eerlijke rustplaats te verzoeken: terwijl hij zelf kort daarna in Friesland verscheen, en aldaar de kloosters met menig voorrecht begiftigde. Hoewel het bijna aan niemand onbekend was, dat hij den Graaf op zijn tocht vergezeld en hem hulp toegezegd had, was er echter niemand, die hem dienaangaande eenig verwijt dorst te doen; want eensdeels had hij iets zoo gulhartigs en oprechts in zijn voorkomen, dat men, hem hoorende, zich tegen beter weten aan gedwongen gevoelde, zijn betuigingen voor goed munt aan te nemen: en ten anderen waren, zooals vroeger gezegd is, de Friezen over hun overwinning versuft: de Stellingwerver en het Oversticht waren gewapend: en hem wilde Jan van Arkel liever tot vriend dan tot vijand hebben.

Welke waren de gevoelens, die het hart des Bisschops vervulden, toen hij het gewijde nat over de doodbaar en het graf zijns vijands sproeide, of toen hij, nedergeknield, den plechtigen lijkdienst voor de rust van Willems ziel bestuurde? Het is aan niemand gegeven, des menschen boezem te peilen; maar zoo andere gemoedsbewegingen, dan die met het heilige werk, dat hij verrichtte, overeenstemden, de ziel van Arkel bewoonden, de kalme en in zich zelf gekeerde uitdrukking van zijn gelaat verraadde die niet. Hij scheen tot het einde toe doordrongen te blijven van het gewicht zijner bediening van het plechtige des oogenbliks. Niemand intusschen kon hem van huichelarij betichten: want er vloeide geen valsche traan langs zijn wangen: en toen hij na afloop van den dienst en aan het daarop volgend lijkmaal, over den afgestorvene eenige woorden sprak, weidde hij niet over ’s Graven hoedanigheden uit; maar vergenoegde zich, op een ernstige en gepaste wijze zijn toehoorders over het nietige van alle aardsche grootheid te onderhouden.

Terwijl dit binnen de muren van Oldeklooster voorviel, was het verdrag van Utrecht verbroken, en liepen ’s Bisschops dienstmannen Holland af, zich weder van de veroverde plaatsen meester makende en het land brandschattende.

Wij moeten ons thans verplaatsen in de groote stins van Aylva bij Scadaert in Wonsseradeel, waarheen zich Madzy kort na den slag bij Stavoren begeven had, ten einde de besmetting te ontwijken, welke men vreesde, dat de verpestende lucht der rottende lijken in den omtrek van genoemde stad zou teweegbrengen. Van dit nieuwe verblijf der Jonkvrouw waren wij voornemens een uitgebreide en ongetwijfeld hoogst belangrijke beschrijving te geven, waartoe de bouwstoffen reeds gereed lagen; maar de vrees, dat onze bescheidene lezer (bemerkende dat hem slechts weinige bladzijden meer ter inzage overschieten, en zoo al niet naar de ontknooping, dan althans naar het einde verlangende) met die beschrijving een weinig wijzer zou kunnen omgaan, dan voor onze eigenliefde streelend ware, namelijk: dat hij die geheel mocht overslaan, heeft ons doen besluiten omtrent deze stins van Aylva niets anders te zeggen, dan dat het een oud, ruim, hecht en weldoortimmerd Huis was, met zijn torens, ophaalbrug en gracht, naar den Saksischen trant gebouwd, en, de tijden in aanmerking genomen, van binnen met smaak en pracht gemeubileerd. Voor ’t overige was het, uithoofde eener oude gehechtheid, Aylva’s geliefkoosd verblijf, ofschoon deze eigenlijk, gelijk wij hoogerop verhaald hebben, zijn meeste goederen en betrekkingen in Oostergoo had, waar hij insgelijks een paar kleiner stinsen bezat.

Op den morgen dan na de hierboven beschrevene plechtigheid, was Madzy met vader Syard in de gewone huiskamer van gemelde stins gezeten. Zij scheen door eene diepe smart teneergedrukt en slechts onwillige ooren te leenen aan de woorden van vertroosting, welke de monnik tot haar sprak. En waarlijk, haar droefheid was van dien aard, dat alleen een sterk gestel haar in staat kon stellen die te verduren zonder tot ijlhoofdigheid te vervallen; want de tijding, welke die veroorzaakt had, zoowel als de omstandigheden, waarmede die gepaard ging, waren treffend en hartverscheurend. Wij hebben vroeger verhaald, hoe Daamke van Reinout last bekomen had, om het geschrift, dat op een zoo zonderlinge wijze uit zijn tooverkast was te voorschijn gekomen, aan Aylva te bezorgen. De moed van den goeden hansworst was intusschen niet verheven genoeg, om hem aan de drijven den Olderman te Stavoren of te Sint-Odulf te gaan opzoeken, en alzoo nieuwe tooneelen van moord in den mond te loopen, waarvan Daamke uit zijn aard afkeerig was. Hij koos dus liever een omweg, en alle aanraking met krijgslieden vermijdende, reed hij bedaard heen naar Awert-State, waar hij voornemens was Aylva af te wachten. Madzy, die aldaar reeds bezig was met het verplegen van eenige derwaarts gebrachte gewonden, had zoodra de komst van Reinout dienaar niet vernomen, of zij liet hem voor zich verschijnen, ten einde eenig bericht aangaande den slag te ontvangen: en misschien ook wel, om hem te ondervragen betreffende hetgeen haar door vader Syard was medegedeeld. Nauwelijks had Daamke haar het verlangde verslag gedaan, en haar, onder vele betuigingen van verbazing over Reinouts gedrag, hetwelk hij aan ijlhoofdigheid toeschreef, bericht gegeven van zijn boodschap aan den Olderman, of zij verlangde dan brief te zien; en, hoewel den inhoud, die in de Italiaansche taal geschreven was, niet verstaande, bemerkte zij dadelijk aan de onderteekening, dat dit stuk hetzelfde moest zijn, waarvan  de monnik met haar gesproken had. Ontzet over het gevaar, dat Deodaat boven het hoofd hing (want zij had van verre Sint-Odulf zien branden) en het hart door het pijnlijkste voorgevoel beklemd, gaf zij last aan Daamke, zich onmiddelijk naar Stavoren te begeven, den Heer van Aylva op te zoeken en hem den brief ter hand te stellen; maar op hetzelfde oogenblik kwam haar voogd terug, die, zooals wij gezien hebben, zijns ondanks door Feiko was overgehaald Sint-Odulf te verlaten, en haar, terwijl zij nog bij zich zelve overdacht hoe zij het aan zou vangen om hem den brief mede te deelen, het treurige bericht gaf, Deodaat naar alle waarschijnlijkheid in den brand van Sint-Odulf was omgekomen. Hoe verplet over deze maar, welke al de zoete uitzichten van geluk, die een oogenblik te voren haar voor den geest gezweefd hadden, ter neder wierp, behield Madzy echter kracht van ziel genoeg om te beseffen, dat in deze omstandigheden het reeds zoozeer geschokt gestel van haar voogd voor nieuwe ijselijkheden gespaard moest blijven: ja, dat het hem wellicht een instorting en het leven kosten zoude, indien hij thans vernam, dat die Deodaat, wiens dood hij betreurde, geen vreemdeling, maar zijn zoon was geweest. Zij zweeg dan en legde aan Daamke (die buitendien niets wist) het stilzwijgen op: zij bedwong zooveel dit in haar vermogen was, de aandoeningen harer ziel,terwijl de tranen die zij stortte, door Aylva niet ten onrechte aan haar liefde voor den overledene werden toegeschreven en met welwillendheid verschoond; hij toch kon zich die te beter verklaren, daar hij zelf, zonder de reden daarvan te beseffen, meer leed gevoelde over het lot van Deodaat, dan over het gedrag van Reinout. Dit laatste werd, als te denken valt, door de overige Friezen met den naam van afschuwlijk verraad bestempeld; maar Aylva verschoonde het, uithoofde van ’s jongelings vroegere betrekking met Beaumont: ja zelfs beurde hem het denkbeeld eenigzins op, dat de jongeling, wien hij zich nog niet had kunnen gewennen als zoon lief te hebben, hem voor altijd verlaten had: en Madzy’s eenige troost in al haar lijden was de zekerheid, dat zij de aanzoeken van dien minnaar niet meer te vreezen had: terwijl het haar voorts eenigszins welkom was, dat de Olderman, ten gevolge der landsaangelegenheden, meest van huis was, en zij in eenzaamheid aan haar droefheid den vrijen loop kon laten.

Vader Syard was de eenige, die van het vreeselijke geheim bewust was en den toestand kende van Madzy’s hart. Hij was op den avond na de slachting te Sint-Odulf op Awert-State gekomen en had aldaar Madzy’s voornemen, om het geheim voor Aylva te verzwijgen, vernomen en goedgekeurd. De aanleiding zijner tegenwoordige komst op Aylva-stins was, om haar mede te deelen, dat het, na vele nasporingen, aan de arbeiders eindelijk gelukt was, het lijk van Deodaat terug te vinden, en dat wel aan den voet des torens, waaruit het hem, vader Syard, thans vermoedelijk voorkwam, dat de jongeling zich had nedergestort: dat hem herkend had aan de koopmanspij, welke hij aanhad bij zijn komst te Stavoren; doch dat het gelaat onkenbaar was geworden door het vuur: dat wijders op het erf zelf van het klooster op last van den Abt een diepe kuiil gegraven was, waar al de binnen den grond van Sint-Odulf gesneuvelden een rustplaats zouden hebben, en dus, hetgeen Madzy zeker tot vertroosting zijn zou, in gewijden grond. De vrome man beloofde daarenboven aan de bedroefde Jonkvrouw, dat hij, ingevolge hare bede, zorg zouder dragen, dat er zielmissen voor den overledene gelezen werden, ter vergelding waarvan zij hem een aanzienlijk geschenk toezegde ter opbouw van het klooster. Tevens gaf hij haar zijn verwondering te kennen, dat de Heer van Aylva, wien hij nu en dan ontmoet had in Stavoren en elders gehouden bijeenkomsten, zcih niet meer over Deodaat had uitgelaten, dan eens, wanneer hij den monnik had te kennen gegeven, dat, hoe bejammerenswaardig een dood de jongeling gestorven ware, het lot van dezen toch niet verbeterd zoude geweest zijn, als ware hij voor de vlammen gespaard gebleven; vermits hij dan voorzeker een slachtoffer van de volkswoede geworden ware.

Terwijl zij aldus te zamen den droevigen loop bejammerden, welken de gebeurtenis genomen had, verkondigde het gerucht van paarden op de slotbrug der terugkomst der Burchtheers van het lijkfeest; en weldra trad deze binnen met den Abt van Sint-Odulf.

„Gij wachttet den ouden Heer zoo spoedig niet te huis, mijn kind!” zeide vader Volkert, naar Madzy toetredende en haar onder de kin streelende: „wij hebben ook niet lang getafeld. Slechts even twaalf uren: ’t Is waarlijk de moeite niet waard, om er voor aan te zitten: – nu, ’t was ook slechts voor een Hollander: en dan met een Bisschop tot voorzitter, die geen Fries is, en niet met de gebruiken bekend. Hij weet zijn gasten niet aan den gang te houden. ’t Is ander een hupsche borst onze Hoogwaardigste… Sint-Odulf vergeve mij dat ik zoo van hem spreke; maar hij is vriendelijk en innemend: – ofschoon ik hem net zooveel vertrouwen zoude als een kat in een bontwerkerswinkel: – maar van een lijkmaal te bestieren, daar heeft hij nog geen verstand van. Dan ging het anders, toen Seerp van Adeelen begraven werd: dat duurde drie dagen: en van de honderd personen, die er onthaald werden, gingen er geen vijf op hun beenen naar huis. – Zoo! en broeder Syard ook hier! ’t Is of gij het geraden hadt, Broeder! dat ik herwaarts komen zou.”

„Uw Eerwaarde had mij gelast, rond te reizen, ten einde giften in te zamelen bij geloovigen, ter herbouwing van ons gesticht,” zeide de monnik: „en het is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat ik hier, wel niet buiten, maar toch boven verwachting geslaagd ben.”

„Zeer goed! daar twijfel ik niet aan,” zeide vader Volkert zich nederzettende: „liefdadigheid is altijd een deugd van ons lief Dekamaasch Roosje geweest. Maar komaan, mijn engeltje” vervolgde hij op een vroolijken toon (want de wijn van het lijkmaal, al had dit te kort naar zijn zin geduurd, was echter goed genoeg geweest om hem in een vroolijke luim te brengen):   „gij moet u wat opbeuren; indien gij zoo droevig kijkt, en uw wangen zoo bleek blijven zien, zouden wij genoodzaakt zijn u in ’t vervolg de Lelie van Dekama te noemen: en dat ware jammer;… hoewel misschien meer naar den aard; want gij voert toch een lelie in uw wapen.”

„Bevindt gij u ongesteld?” vroeg Aylva, Madzy met deelneming naderende en haar de hand drukkende.

„Wel, zou dat wonder wezen?” zeide de Abt: „’t is ook wat erg, zoo twee vrijers op éénen dag te verliezen. ’t Is waar, uw zoon kan nog terugkomen, ofschoon ik hem tegenwoordig niet raden zoude, zulks te beproeven; wan hij heeft het hier leelijk laten liggen (met verlof gezegd, en zonder u te beleedigen); maar Seerp van Adeelen is dood en blijft dood. ’t Is jammer, hij was in den grond een goede vent, en een echte Fries, maar koppig als een stier; daar weten wij best van te spreken, mijn vriend Aylva en ik: hij was lastig genoeg op reis; maar dat alles daargelaten, kindlief, gij moet u wat opvroolijken, zooals ik zeide: denk maar aan de oude profetie: het is immers alles uitgekomen, en volgens de laatste woorden, moet het u nu weer goed gaan; want de plunje des Graven is de roof der Friezen geworden.”

„Helaas!” zeide Madzy, terwijl zij het hoofd weemoedig schude en haar bleek gelaat treffend afstak bij de karmozijnkleur, die op de wangen der kloostervoogds, prijkte: „Ik vrees dat het laatste gedeelte der voorspelling alleen onvervuld zal blijven.”

„Toch niet, mijn hartje! toch niet. – Maar van wat anders; gij moet mij eenige windsels bezorgen en wat boter, eierdooren, nieuwe was en safraan, tot een zalf voor twee onzer monniken, die beneden zitten en zich bijna niet kunnen verroeren van de blaren aan handen en voeten, ten gevolge van den brand van Sint-Odulf.”

„Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen,” zeide Madzy, zich gereedmakende om te vertrekken.

„Een oogenblik, mijn kind!” zeide Aylva, haar terughoudende; „het is onnoodig, dat gij u daarmede bezighoudt. Ik heb reeds aan Feiko en aan Sytsken gelast, daarvoor te zorgen. ”

„Hoe, mijn waarde voogd?” zeide Madzy, verbaasd stilstaande, want het was de eerste reize, dat de Olderman haar beletten wilde, een liefdewerk in persoon te verrichten.

„Hoe!” herhaalde de Abt: „maar ’t is waar ook, ik dacht er niet aan, dat de twee gebrande broeders nog gezond van harte zijn, en dat, zoo de Jonkvrouw zelve hen ging verbinden, de wondheelster wellicht nog meer nadeel zoude dan dan de wond. Ne nos incuds… ’t Is waar ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke, geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jage; of dat wij het geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken.”

„Tegen Daamke!” herhaalde Aylva: „en wat heeft die arme duivel bedreven?”

„Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en ziekten te genezen, verwerpende de middelen, die van God gezegend zijn en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid ten dienste van kranken en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan, de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand had, te herstellen met een Italiaansche tooverzalf, die zeker in de apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?”

„Ik heb het middel onderzocht,” zeide broeder Syard: „het komt mij voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen.”

„Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?” vroeg de Abt eenigszins ontevreden: „om ’t even wat men u vertoond heeft: ik zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd: libera nos a diabolo: verlos ons van den Booze. – Maar, om van dien verwaten mensch af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek, dat op Aylva-stins verwacht wordt.”

„Geen gewoon bezoek!” herhaalde Madzy: „en wie kan er dan komen voor wien ik mij meer zou moeten opschikken dan voor uwe Eerwaardigheid?”

„Het is zooals de vrome vader zegt,” zeide Aylva: „de Bisschop van Utrecht zla onze nederige woning met een bezoek vereeren: en wij zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben.”

„De Bisschop!” herhaalde Madzy, verbleekende: „de Bisschop van Utrecht!”

„Nu ja!” zeide de Abt: „gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken: ’t is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden; maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen: – ’t zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor, vroegen zij naar den Bisschop.”

„Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!” mompelde Aylva, binnensmonds; – „maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe te veel gevoel van betamelijkheid. – Nu Madzy!” vervolgde hij overluid: „doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als de beste kok”

„Ik zal… ik zal uwe bevelen volgen…” stamelde Madzy: „maar ik vrees… zoo slechts de tijd mij niet ontbreekt… Heilige Maagd! wie kon dat verwachten?”

„Wat verwachten?” vroeg Aylva, verwonderd; maar dadelijk voegde hij er niet met minzaamheid bij: „’t is of gij angst hebt voor de komst van iemand, die u geheel onbekend is. De Bisschop weet, dat gij onvoorbereid zijt; hij zal het eenvoudige voor lief nemen. Maar hoor! men blaast aan de slotbrug: daar is hij zelf.”

„En een half dozijn vrouwspersonen met hem,” zeide de Abt, uit het venster ziende: „wat heb ik u gezegd?”

„Waarlijk?” riep Aylva misnoegd uit: „dat had ik niet van hem verwacht.”

„En dit is de man, die tucht in onze kloosters zou brengen,” zuchtte vader Syard.

Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin elk der aanwezigen een diep stilzwijgen bewaarde. Aylva stond midden in de zaal, in de houding van iemand, die gasten ontvangen gaat, welke hem slechts half welkom zijn; maar ten opzichte waarvan hij de vereischte beleefdheid dient in acht te nemen: de Abt was bezig im zijn gewaad, hetwelk nog bestoven was van de reis, met een schuiertje op te knappen. Madzy stond als aan de grond genageld, onzeker of zij gaan of blijven zoude: en vader Syard was in een donkeren hoek teruggetreden, nieuwsgierig om te zien, welke houding Arkel zoude aannemen, maar toch gereed om, zoodra hij zulks gevoeglijk doen kon, het vertrek te verlaten.

Eindelijk gingen de dubbele zaaldeuren open en Bisschop trad binnen; maar zonder eenig gevolg. Hij groette Aylva met wellevendheid, schudde den Abt op een gulle wijze de hand, en zich vervolgens tot Madzy wendende, boog hij het hoofd, zonder dat een enkele trek op zijn gelaat verried, dat hij haar vroeger gekend had.

„Deze is ongetwijfeld de erfdochter van Dekama,” zeide hij, met een vriendelijken blik tot den Olderman: „voorwaar! wie haar aanziet, kan gemakkelijk besluiten, dat zij niet langer onder uwe voogdij zal behoeven te blijven, dan zij zelve verkiezen zal. – God zegene u, mijn dochter!”

Madzy boog zich, zonder nauwelijk het oog te durven opslaan, zij kon bijna niet gelooven, dat de man, die voor haar stond, in geestelijk gewaad gedost, en die op een zoo minzamen en bedaarden toon tot haar sprak, dezelfde opbruisende jongeling ware, die te Utrecht aan haar voeten had gelegen. Eindelijk waagde zij het, naar hem op te zien: inderdaad, zij kon Arkel bijna niet herkennen, zoo geheel veranderde hem zijn tegenwoordige kleeding, bestaande uit een reismantel en kap van best Haarlemsch linnen, dat in breede, niet onbevallige plooien om zijn welgevormde leden hing: en waaronder hij, in weerwil van de verbodswetten en kerkelijke verordeningen, een zijden kleed droeg, rijkelijk met bont gevboord, en van voren met een juweelen gesp gesloten. Een oogenblik nog twijfelde zij, of haar Stichtsche minnaar zich wellicht een waardigheid had toegekend, welke hij niet bezat; maar toen hij, om haar verlegenheid en op het zien van de gebaren van vader Volkert (die, achter Aylva om, niet ophield van haar wenken te geven, dat zij voor den Bisschop knielen en zijn zegen af moest smeeken), den glimlach niet bedwingen kon, die op zijn lippen zweefde, toen hield alle twijfel bij haar op.

Eindelijk echter kreeg Arkel medelijden met het ontroerende meisje, en zich tot den Abt wendende: „al die teekens zijn niet noodig,” zeide hij: „ik kom heden niet als Bisschop; maar als vriend. – Maar wie zien wij daar? broeder Syard, zoo waar ik leve! Kom nader, Broeder! en geef mij de hand. – Altijd zonder wrok, nietwaar? Verbeeldt u, mijne Heeren! dat ik, dezen goeden vader, zonder het te weten, zes weken lang in een kelder op Nyenstein heb laten doorbrengen. Ik hoop, ter vergoeding daarvan, hem eens, zoo mijn invloed iets vermag, in de vetste Abdij van mijn Sticht te plaatsen; – maar ik zou bijkans iets vergeten. – Ik kom niet alleen: er is een vreemde dame in mijn gezelschap… een vrouw van rang… en zij is de eerste jeugd ook al voorbij;” haastte hij zich er bij te voegen, toen hij een spotachtigen trek op het gelaat van den Abt gewaarwerd: „gij weet, broeder Volkert! hoe ik over de losbandigheid in uw kloosters denk, (Sint-Odulf zonder ik uit) – en ik zal hier geen slecht voorbeeld geven: – die dame is eenigszins ongesteld: – zoude ik de jonkvrouw mogen verzoeken, haar een oogenblik gezelschap te houden? – Zij bevindt zich in de benedenzaal.”

Verheugd, een zoo goede gelegenheid te kunne aangrijpen van zich uit het gezelschap te verwijderen, haastte zich Madzy, zonder eenige verdere vragen te doen, het vertrek te verlaten, en aan des Bisschops verzoek te voldoen. Zij begaf zich naar de benedenzaal, waar zij werkelijk de persoon vond, waar Arkel van gesproken had, zittende in een armstoel en omringd van haar vrouwen, die bezig waren, met haar die zorgen te verleenen, welke haar toestand scheen te vorderen. Bij den eersten oogopslag was Madzy getroffen door het innemend gelaat, de fijne leest en het edele, ja vorstelijke, dat over de onbekende verspreid was. Haar kleding was eenvoudig en hield als het ware het midden tusschen het wereldlijk en geestelijk gewaad: en hoewel zij bovendien thans half nedergebogen was over de armen van eene harer kamerjuffers, duidde echter het statige en tevens bevallige, dat haar ook in die min gunstige houding bijbleef, genoeg aan, dat zij van een edele geboorte was en eenmaal een hoogen rang bekleed had. De tijd of het verdriet hadden haar gelaatstrekken doen verkleuren en vermageren en het vuur der gitzwarte oogen getemperd: maar noch het een noch het ander had eenig nadeel kunnen doen aan de volkomen zuiverheid des beloops van voorhoofd, neus en kin: en niets kon meer dan haar hoofd gelijken op een model der Grieksche Niobé, in was gevormd; ofschoon geene kunst de zachtaardige, onderworpene uitdrukking van hare oogen had kunnen nabootsen, welke teweeggebracht, dat men haar bij het eerste gezicht liefkreeg, alvorens men er om dacht haar als een schoon beeld te bewonderen.

Het was dan ook met meer dan gewone welwillendheid, en tevens met eebied, dat Madzy haar de diensten aanbood, welke het in haar vermogen was te bewijzen. De vreemde dame aan wie de Friesche taal onbekend scheen, en die dit aanbod meer uit den toon dan uit de beteekenis van Madzy’s woorden opmaakte, dankte haar met een minzame hoofdbuiging en een glimlach, zoo betooverend, als Madzy er nooit een gezien had (want zij zelve was niet gewoon, voor den spiegel te staan glimlachen) en hoewel de beide dames elkanders taal niet verstonden, zoo ontsproot er van het eerste oogenblik een overeenstemming tusschen beiden, welke haar over en weder op haar gemak bracht. Deze spoedige kennismaking moge onwaarschijnlijk voorkomen; maar er zijn menschen, die als het ware zusterlijke zielen bezitten, wier eerste ontmoeting altijd aan een herinnering gelijk is, alsof zij elkander niet slechts een toekomst aanbrachten, maar ook een verleden.

De onbekende, die in den beginne als door een hevige aandoening overstelpt scheen, bekwam langzamerhand van haar ontroering, en terwijl zij nu Madzy met minzaamheid bij de hand had genomen, en beiden zwijgend elkanders schoonheid bewonderden, trad Sytsken, die door haar meesteres was uigezonden om ververschingen te halen, haastig weder binnen en fluisterde Madzy eenige woorden in ’t oor, welke deze nauwelijks verstaan had, of zij gaf een luiden kreet en begon over al haar leden te beven. Het was nu de beurt der onbekende, om tot hare hulp te snellen; maar terwijl zij, vergetende dat Madzy haar niet verstaan kon, naar de oorzaak van haar ontsteltenis vernam, stoof er iemand, in ’t geestelijk gewaad gekleed, de kamer binnen; doch bleef, bleek als een doek, aan de deur standhouden, als onzeker of hij terugkeeren, dan voort durfde gaan. – Voor wij echter aan onze lezers verhalen, wie deze nieuwaangekomene was, moeten wij tot den Heer van Aylva en zijn gasten terugkeeren.

„Gij zoet,” zeide de Bisschop, zoodra Madzy vertrokken was, tot den Olderman, „dat ik aan mijn belofte getrouw ben. Maar, mag ik u thans vragen, of de beide jongelingen, welke ik op mij genomen heb, als geestelijken vermomd, onder mijne bescherming buiten Friesland te brengen, hier aanwezig zijn?”

„Zei hebben ons herwaarts vergezeld,” antwoordde Aylva: „niemand behalve de Abt en ik, benevens een getrouwe dienaar, dragen kennis van hun bestaan. Zij hebben nog last van de wonden, bij den brand bekomen; doch ik vlei mij, dat zij desniettemin in staat zullen zijn, heden met u af te reizen.”

„Ik weet niet,” zeide Arkel, glimlachende: „maar ik geloof, dat ik slechts een van beiden zal kunnen medevoeren.”

„Hoe”, zeide Aylva: „ik had mij gevleid, dat uwe Hoogwaardigheid…”

Homo proponit; sed Deus disponit,” zeide de Bisschop, de schouders ophalende: „maar ik zal u het zelf laten beoordeelen, wanneer gij mijne redenen gehoord zult hebben. Neen, blijf, broeder Syard!” vervolgde hij, ziende dat de monnik uit bescheidenheid wilde verwijderen: „de zaak zal toch niet lang meer geheim blijven. Vooraf moet ik den Heer Olderman vragen, of hij niet nog betrekkingen in Italië heeft, van welke hij gaarne bericht zoude ontvangen.”

„Bij alle Heiligen!” riep Aylva: „zou het mogelijk kunnen zijn dat…”

„Dat ik er u tijding van gaf? – Zeer waarschijnlijk. Mij is in de vorige week in de Kuinder iemand ontmoet, die een boodschap uit Verona bracht.”

„Uit Verona! Leeft… leeft Bianca di Salerno nog?” riep de Olderman, in hevige gemoedsaandoening en de handen samenvouwende.

„Francesco della Scala, de dwingeland van Verona, is niet meer,” zeide Arkel: „zijn dood heeft de vrijheid hergeven aan zijn echtgenoote, die sedert jaren in een gedwongen eenzaamheid moest leven.”

„God zij geloofd en geprezen!” zeide Aylva: „haar lijden heeft dan een einde genomen.”

„Zij wilde wel weten,” vervolgde de Bisschop, „of de Heer van Aylva, wien zij vroeger schijnt gekend te hebben, nog harer gedenkt: en tevens, of een zoon, dien zij in zijn kindsheid aan Carlo della Scaka het toevertrouwd, en die later, volgens het bericht van zekeren Paolo, haar voormaligen dienaar, aan het hof van Graaf Willlem (zaliger gedachtenis) kwam, haar zou willen erkennen.”

„Of ik haar nog liefheb?” vroeg de anders zoo bedaarde Aylva, thans geheel verwilderd: „o mijn God! ik heb nooit opgehouden haar te beminnen!… ik gevoel mij weder jong… de dagen onzer jeugd, de dagen onzer liefde zullen terugkeeren… ik zal naar Verona gaan… ik zal haar den zoon teruggeven, dien zij zien wil… ik zal aan Beaumont schrijven. Reinout moet bij hem wezen!”

„Reinout is haar zoon niet,” zeide Arkel: „zoomin al de uwe.”

„Niet!” herhaalde Aylva: „en wie dan…”

„Bij al wat heilig is!” riep vader Syard, zich voor den Bisschop nederwerpende! „Hoogwaardigste! zoo u het vreeselijk geheim bewust is, verscheur dan het hart eens vaders niet.”

„Verscheuren!” zeide de Bisschop: „is Deodaat dan geen Ridder, wien elke vader trotsch zou wezen, zoon te noemen?”

„Deodaat!” gilde Aylva, sprakeloos van vreugd en verbazing.

„Ach!” zuchtte de monnik: „het is al te waar! Deodaat ligt onder het puin van Sint-Odulf begraven.”

„Neen Broeder!” zeide de Abt, zich een traan uit het oog vegende: „Deodaat en nog een knaap zijn op den avond na den brand, toen gij op Awert-State waart, door Feiko halfdood in de kelders van het klooster gevonden: de Heer van Ayvla en ik werden er alleen van onderricht, en wij besloten de beide jongelingen binnen Scharl verborgen te houden, uit vrees, dat het volk hen zou ombrengen. Wij hebben er met niemand over gesproken, ook met freule Madzy niet: want het was, dacht de Olderman, beter dat zij den knaap dood waande, dan dat zij een hopelooze liefde voor hem bleef voeden: – en nu had de Bisschop ons beloofd, dat hij hen beiden, als tot zijn gevolg behoorende, zou met zich voeren;… maar de Heer van Ayvlva is niet wel! hij moest schrikpoeder nemen.”

„Almachtige! hoe wonderbaar zijn uwe wegen!” riep de monnik: „ja waarlijk! mijn Heer van Aylva! Deodaat is uw zoon; hier is het geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder; en zoo wij dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren beschouwden.”

„Ik kan niets lezen,” zeid Aylva, die, overstelpt van aandoeningen, in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te oncijferen, die voor zijn van tranen glinsterende oogen schemerden: „maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers gezegd!”

„En behalve de getuigenis van uw hart,” hernam Arkel, „hebben wij ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kuinder aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar tevens de zekerheid bekomen,dat hij de wettige zoon was van Bianca’s vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera.”

„Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad,” zeide vader Syard: „het oordeel over hem komt Gode alleen toe.”

„Uwe bestraffing is billijk,” zeide de Bisschop: „en ik verdien haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekenign op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelf aan ’t hart drukken? – Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig.”

„Bianca!” riep Aylva, opstaande en wankelende naar de Bisschop toetredende: „nog wel waardig!… gij hebt haar dan gezien?… o Hemel!… die vreemde dam, die hier met u… Hoogwaardigste! zijt gij een engel of een mensch?”

„Zij kon niet in Friesland komen,” vervolgde Arkel, dat vraagpunt in ’t midden latende, „eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zoudt zijn, haar te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden.”

Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige oogenblikken later lag hij in de armen van zijn gade en van hun zoon.


Lange jaren waren voorbijgeloopen en hand des tijds had de meesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden, van het wereldtooneel afgevraagd, toen een vreemdeling, door een enkelen dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag langs den kronkelenden weg, die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren geworden, zoowel als de breede en veelvuldige lidteekens, welke wang en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar had niets buitengemeens maar dat des meesters was wel geschikt om de opmerkzaamheid, en weldra den eerbied des voorbijgangers op te wekken: en meer dan één landman of kloosterling, die hem op zijn weg ontmoette, was, na den gewonen groet gewisseld te hebben, op het voetpad blijven staan om den onbekenden grijsaard na te oogen: ja zelfs gebeurde het nu en dan, dat deze of gene dorper, (die de weelde zoo verre dreef van zijn blonde haren onder een hoed of must te verbergen) door een onwillekeurige beweging de hand aan zijn hoofddeksel sloeg en zich de kruin ontblootte. Het was niet de uiterlijke tooi des vreemdelings, welk dit ongewone eerbewijs teweegbracht; wat zijn kleeding bestond eenvoudig uit een effen bruin gewaad van sergie, en daarbij behoorende kaper, welke waarschijnlijke lange dienstjaren gezien hadden, daar men slechts op enkele plaatsen, welke de stof, de regen en de bloedvlekken gespaard hadden, nog bemerkeen kon, dat de kleur oorspronkelijk grijs was geweest. De indruk, welken de onbekende teweeggebracht, had haar oorzaak in de fierheid van zijn oogopslag, in de vastheid, waarmede hij op zijn gevorderde jaren op zijn klepper wist om te gaan, een fraai bruin paard van Andalusisch ras, dat niet dan met ongeduld den teugel scheen te velen, en welks bestiering, naar men zien kon, een geoefende, fiksche hand vereischte; want meer dan eens, als zijn meester even ophield en in gebroken Hollandsch naar den weg vroeg, begon het met de voorbeenen op den harden kleigrond te krabben, en de manen te schudden, als wilde het te kennen geven, dat het niets liever verlangde, dan zijn weg in vollen ren te vervolgen. Zijn berijder scheen echter ongenegen om aan dit verlangen toe te geven; maar bleef bedaard doorstappen, nu en dan, links en rechts, uitziende of hij het goede spoor was ingeslagen, en somtijds, wanneer hij aan een kruisweg of driesprong kwam, even stilhoudende, als iemand, die zich een weg zoekt te herinneren, en een landstreek zoekt te herkennen, welke hij in vele jaren niet bezocht heeft. Eindelijk, nadat hij weder een dusdanig onderzoek had in ’t werk gesteld, bleef hij zoolang in diep gepeins voor zich uitzien, dat zijn dienaar begon te vreezen, dat zij geheel verdwaald waren.

„Ik heb het u wel gezegd, Heer Ridder,” zeide hij met een ontevreden hoofschudden, en op dien toon van gemeenzaamheid, welken het deelen van dezelfde krijgstochten en gevaren niet zelden tusschen Heer en dienaar ontstaan doet: „wij hadden te Harlingen een wegwijzer moeten nemen: nu zijn wij het spoor geheel bijster.”

„Dat zijn wij niet, Berthout!” antwoordde zijn meester, terwijl hij op een breed en hooggebouwd slot wees, dat, recht voor hem, uit het groene weiland oprees. „Dat is Aylva-state: en dat de Burchtheer te huis is, bewijst de banier, welke gij op de torenspits ziet wapperen. Zoo ik een oogenblik weiffel, is het, omdat ik nog onzeker ben, welke van al de wegen, die zich hier vereenigen, als de draden van een spinneweb in het middelpunt, mij het spoedigste daar brengen zal.”

De dienaar scheen zich met dit antwoord te vergenoegen; maar indien hij in de ziel zijns meesters had kunnen lezen, zou hij geweten hebben, dat de opgegeven reden de eenige niet was, waarom de grijze krijgsman stilhield; maar dat de herinneringen aan verloopen jaren, de onzekerheid van het onthaal, dat hem verbeidde, en de vloed van andere, zoowel aangename als pijnlijke gedachten, zich van zijn geest hadden meester gemaakt en hem ongeveer in den toestand hadden gebracht van iemand, die bij een morgensluimering, half wakende, nog door een belangrijken droom wordt beziggehouden, en schoon hij de zonnestralen reeds in zijn vertrek kan zien schijnen, nochtans onwillig is om de banden des slaaps te verbreken.

UEd. kon den rechten weg misschien van dat volkje daar vernemen,” zeide de dienaar, op eenige kinderen wijzende, die zich op een nabijgelegen kamp vermaakten: „ik zou het zelf wel doen, zoo ik slechts de taal verstond; maar dat gesnater kan geen mensch ter wereld begrijpen.”

De Ridder glimlachte; de goede dienaar, die eigenlijk een Henegouwer van geboorte was, had zoolang met hem rondgezworven, dat hij zelf eigelijk geene taal, maar een mengelmoes van allerlei spraken en tongvallen bezigde. Hij volgde echter den gegeven raad, en de stem verheffende, wekte hij opeens de aandacht van het vroolijke hoopje, dat, in den ijver van het spel, hem niet eens bespeurd had. En, terwijl de kleinsten onder de jongens, die bezig waren met den bal te werpen, hun spel staakten en hem met open mond, en eenigszins vreesachtig bleven aanstaren, en de meisjes, die een kransje van veldbloemen vlochten, zich angstig tegen elkander drongen, waagden het vier of vijf meer in jaren gevorderde knapen, hem te naderen, beurtelings het oog op hem slaande en op den boog, dien zij in de hand hielden.

„Wat is de kortste weg naar Aylva-state, mijn maats?” riep de vreemdeling, zijn vraag herhalende.

„De weg naar Aylva-state!” herhaalden al den knapen: „Wel, Aylva-state ligt daarginder vlak voor u.”

„Gij moet recht voor u uitrijden,” vervolgde een hunner in zijn Frieschen tongval: „en dan over de hoeve van Jouke Wybes heen: en dan links houden: en dan langs de schutting tot gij aan een ouden boom komt, en dan rechtuit en dan…”

„Wel dat is een mijl op zeven,” viel hem een ander in de rede: „gij moet linksaf naar de woning van Tiete Donia en daar uw paarden laten: en het voetpad nemen, tot aan de schuur, en dan rechtsaf…”

„Ei neen!” zeide een derde: „hij kan immers hier dadelijk afstappen en ’t land oversteken....”

„Dan moet hij slootje springen,” riep den vierde: „want de vonder is weggehaald.”

Terwijl zij aldus hun vrij duidelijke aanwijzingen deden, waar onze reiziger te minder van begreep, daar hij de taal, waarin die gegeven werden, niet te best verstond, en hij zijn oogen beurtelings van den eenen op den anderen spreker liet ronddwalen, al lachende om hun gesnap, kwam een oude Fries, wien hij niet dadelijk bespeurd had, omdat hij achter een terp had gestaan, naar hen toegetreden met een witte schijf in de hand, die aan de jeugdige schutters tot een doel gestrekt had. Het verlangen des vreemdelings vernomen hebbende, wendde hij zich tot de kinderen: „mij dunkt,” zeide hij, „’t is voor vandaag lang genoeg: wij konden wel meteen naar huis gaan en dien kameraden den weg wijzen.”

Op deze woorden verzamelde zich de gansche troep om den ouden man heen; de een echter met meer spoed en bereidwilliger dan de andere; en op menig gelaat was ongenoegen en teleurstelling te lezen.

„Ik hoop niet,” zeide de vreemdeling, met deelneming die lieve, ronde gezichtjes, die er allen even gezond en bevallig uitzagen, beschouwende, „dat die goede kinderen om mijnentwil hun spel zouden moeten staken.”

„In ’t geheel niet,” antwoordde de Fries: „’t is toch hun tijd: komaan, Madzy!” vervolgde hij tot een klein vierjarig meisje, schoon als de dag, dat haar bloempjes bijeenpakte: „rep u wat, kind! Sytsken mocht op u knorren.”

„Madzy!” herhaalde de reiziger, blijkbaar ontroerd: „is dat een dochtertje van de Vrouwe van Aylva?”

„Hei! ho!” antwoordde de Fries, meesmuilende: „de Vrouwe van Aylva is nog kras en vlug; maar toch....” hier zag hij eerst de kinderen en toen den vreemdeling aan, als wilde hij hem te kennen geven, dat hij om hunnentwille het verdere zweeg: – „neen!” vervolgde hij, op den grootsten der knapen wijzende: „deze hier, Juwe, is de jongste zoon van onze waardige Vrouwe: – al die anderen zijn haar kleinkinderen: ja: ’t is een heel zootje: en dan zijn er nog wel zes of zeven thuis.

De reiziger scheen aangedaan; hij reikte een hand toe aan den knaap, dien de Fries hem had voorgesteld en beschouwde met aandacht zijn fraaie regelmatige trekken en heldere blauwe oogen: „Ja! ik herken u!” zeide hij eindelijk: „gij zijt het sprekend evenbeeld uwer moeder.”

„Dat is een heel geweer, dat gij daar aan uw zijde hebt,” hernam de knaap, op den langen zwaren kruisdegen des vreemdelings wijzende.

„Wilt gij het eens bezien?” vroeg deze: en, toen hij de oogen van Juwe zag fonkelen van blijdschap, gespte hij het lemmer los en stelde het hem ter hand. „Ziezoo!” voegde hij er bij: „nu ben ik uw gevangene.”

„Ik wilde op dit paard zitten,” zeide de kleine Madzy, op den klepper des reizigers wijzende.

„Zijt gij dwaas, Madzy?” vroeg de oude dienaar: „dat Daamke u nu en dan op een ezel rondrijdt, laat ik toe: want die is vanouds gewend met ezels om te gaan; maar zoo gij op dat beest ging zitten, kwam er geen stuk van u terecht.”

„Geef het lieve kind maar hier!” riep de oude krijgsman: „ik zal er zorg voor dragen of het mijn eigen was.”

„Ja! ja!” riepen sommigen onder de knapen, verheugd: „gij zult het moeten aanzien, Feiko!” en meteen, het meisje opvattende, tilden zij het hoog genoeg, dat de ruiter het aan kon nemen en voor zich op het paard plaatsen.

„Zijt gij waarlijk Feiko?” zeide de vreemdeling, terwijl hij meteen een kus drukte op de blozende wangen van het kind: „nu, wees dan zonder zorg; en wees verzekerd, dat ik zoo goed rijde als de Cistenser monnik, die eens in uw gezelschap Utrecht verliet.”

„Wat duivel!” zeide Feiko, den ruiter stijf aanziende: „een Cistenser monnik!.... ja waarlijk!.... zoo mijn oude oogen mij niet bedreigen....?”

„Neen, zij bedriegen u niet,” antwoordde de reiziger: „zeg mij maar, is alles wel op Aylva-state en zou men er mij willen Ontvangen?”

„U ontvangen!.... wel mijn goede tijd! onze Heer spreekt nog alle dagen over u. Hij heeft dan ook in al te lange jaren geene tijding van u gehad.”

„Dat is waar! maar ik heb ook heel wat rondgezworven,” zeide Reinout, wien onze lezers reeds zullen herkend hebben: „Ik begin thans echter oud en stijf te worden, en naar rust te verlangen: en zoo er nog een hoekje op Aylva-state open is, wilde ik daar mijn dagen wel eindigen.”

„Hoe!” zeide Juwe: „Is dit werkelijk Ridder Reinout, Feiko? daar vader ons zoo dikwijls van verteld heeft?”

De oude dienaar knikte met het hoofd: en Juwe, zonder een woord te spreken, wierp den degen op den weg, sprong een dijkje en een paar slooten over, en liep zonder adem te halen, dwars over het land naar Aylva-state heen, om de blijde tijding aldaar te brengen. Straks was alles in de weer: en niet lang daarna traden Deodaat van Aylva en zijn Madzy, thans wel geen jeugdig, maar toch nog een gezond en stevig paar, met hun eigene en aangehuwde kinderen, de stins uit en hun gastvriend te gemoet. Spoedig zagen zij hem verschijnen en en dat wel in een kluchtigen trein: want Reinout was, ten gevalle der kinderen, die allen rijden wilden, van ’t paard gestegen, waarop er nu een vijftal zaten, terwijl hij zelf aan den kop voorging en de teugels hield, daar Feiko er naast liep om alle ongelukken te voorkomen. Een ander gedeelte van het troepje zat op het paard van Reinouts dienaar: en zij, die geene plaats hadden kunnen krijgen op een der beide rossen, reden op den langen degen des Ridders.

„Wij brengen u een gevangene, grootvader!” riepen de kleinen, als uit eenen mond.

„En dien ik niet hoop te laten ontsnappen,” zeide Deoclaat, zijn ouden vriend omhelzende. „Kom Madzy! kus onzen nieuwen huisgenoot welkom.”

„Dat zou hij voor dertig jaren niet gezegd hebben,” beet Feiko al lachende zijn vrouw in ’t oor. .,Stil!” duwde Sytsken haar man toe: „hoe kunt gij daarmede spotten? Ik ben geheel er van aangedaan.”

Een uur later was het gansche huisgezin met den nieuwgekomen gast aan den avonddisch gezeten, en gaf deze laatste een korte schets van zijn avonturen. Na zijn plotseling vertrek uit Friesland, was hij, als voorheen, de fortuin van Beaumont gevolgd, had eerst met dezen in Bretagne en, na den dood van dien volmaakten Ridder, dien parangon de la Chevalerie, gelijk hem de Fransche kroniekschrijvers noemen, met den vermaarden Du Guesciin, in Spanje den oorlog bijgewoond: zonder hem echter al zijn wakkere daden en getrouwe diensten, aan de Fransche kroon bewezen, merkelijk verrijkt hadden. Eindelijk, zwervens moede, had hij besloten het weinige, dat hem overgebleven was, bij zijn ouden vriend te komen verteren.

„Ik heb aan de Vrouwe van Aylva den groet over te brengen van een oude kennis,” zeide hij, na zijn verhaal geëindigd te hebben: „mij eenige dagen geleden te Luik bevindende, had ik de eer ontvangen te worden bij den Heer Bisschop, vroeger Bisschop van Utrecht.”

„Inderdaad!” zeide Madzy, glimlachende: „en hoe maakt het zijn Hoogwaardigheid thans?”

„Ja! wat zal ik u zeggen,” antwoordde Reinout: „oud, jichtig en stijf, wachtende en stille zittende, maar altijd nog klaar om van elke omstandigheid tot zijn voordeel partij te trekken, en zijn eigen ik meer dan ooit boven alles stellende. Hij gevoelt intusschen de hand des tijds, gelijk wij allen, onze edele gastvrouw uitgezonderd, die waarlijk zoo weinig veranderd is,” (hier fluisterde hij Madzy in de ooren) „dat ik bijna niet weet, of ik wel voorzichtig gedaan heb om hier te komen. Men ziet meer, dat bij een ouden krijgsman zich somtijds wonden openen, die hij lang geheeld waande.”

„O! dat is niets,” antwoordde zij lachende; want de toon, waarop Reinout sprak, was geruststellende genoeg om haar te doen bespeuren, dat zijne woorden niets dan loutere plichtpleging waren: „wij hebben hier nog een goeden geneesmeester voor alle wonden.”

„Hoe!” zeide Reinout: „leeft onze oude vader Volkert nog, en geeft hij nog altijd geneesmiddelen?”

„Neen,” zeide de Heer van Aylva: „de vrome Abt en de waardige broeder Syard zijn niet meer, maar daarachter u staat een oude kennis, die u een voortreffelijk middel tegen alle kwalen komt toedienen.”

„Wel, mijn brave held, leeft gij nog?” zeide Reinout, zich omkeerende en Daamke ziende, die hem, met vele buigingen en strijkages, een zilveren beker op een schenkblad aanbood: „wel vriend! wij hebben ons indertijd met een wat al te haastig afscheid verlaten. Het spijt mij, ik kan u niet weer uw oude betrekking bij mij laten vervullen; daar zou mijn goede Berthout wat tegen hebben; maar gij zoudt zelf, denk ik, ook weinig lust hebben om, tegen de bediening van een armen dolenden Ridder als ik ben, den post van schenker, dien ik zie dat gij thans bekleedt, te verwisselen. Kom! geef hier uw beker, die betere medicijn bevat dan de tooverkast van meester Barbanera.”

Dit zeggende aanvaardde hij den beker uit des dienaars handen. Het was een sierlijk gewerkte kroes, rijkelijk met wingerdranken en gesneden bloemen versierd. Bijzonder trok de fraaiheid van het deksel de opmerkzaamheid van Reinout, prijkende met het wapen van Aylva, op een kunstige wijze gesneden, terwijl het oude rijmpje betreffende de Roos van Dekama om den rand gegrift was.

„Hebt gij uw wapen niet veranderd, Deodaat?” vroeg Reinout, na het pronkstuk gedurende eenige oogenblikken aandachtig te hebben beschouwd.

„Ja!” antwoordde deze: „ik heb, toen de dood mijns eerwaardigen en onvergetelijken vaders mij tot het hoofd van mijn stamhuis maakte, ter gedachtenisse aan onze zonderlinge avonturen, en van den gelukkigen echt, die ze besloten heeft, mij die vrijheid veroorloofd, en de gouden ster en halve maan op het lazuren veld vermeerderd met

DE ROOS VAN DEKAMA.

 


[Hoofdstuk 35] [Jacob van Lennep pagina

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.