WOORDENLIJST bij: „De Roos van Dekama” – MR. J. VAN LENNEP (1802-1868).

A voi = aan u.
Aanvallig = lief, bekoorlijk
Achternoen = namiddag.
Afmaalen = afbeelden, voorstellen.
Afstaan = niet doorzetten, laten varen.
Aftroonen = door vleierij of bedrog verkrijgen.
Afval = ontrouw.
Ajuin = ui.
Alsdan = op die tijd, in dat geval.
Altemet = soms.
Altoos = altijd.
Amerijtje = ogenblikje.

Baanderheer, banjerheer, banierheer, baanrots (Vlaams) = edelman die het recht had zijn mannen onder eigen banier (vlag) ten strijde te voeren.
Bakkeleien = vechten.
Bakkerij = keuken.
Bakkes = gezicht.
Banbliksem = vonnis dat een kerk uitspreekt.
Bandelier = brede draagriem of band over schouder en borst om een degen of sabel in te hangen.
Banderol = smalle vaan uitlopend in twee of drie punten of staarten. Deze worden vaak gevoerd aan een lans.
Banier = vaandel.
Banne = rechtsgebied.
Bark = oud of slecht schip.
Basterd = onecht kind.
Bediening = ambt, post.
Bedilzucht = overdreven neiging om overdreven aanmerkingen te maken.
Bedstede = ingebouwde slaapplaats.
Begiftigen = schenken, doneren.
Bekkesnijden = vechten met messen met het doel elkaar in het gezicht te snijden.
Beknorren = bestraffen.
Bekreunen = bekommeren, zorgen maken.
Beleid = voorzitterschap.
Belialskinderen = kinderen van de duivel.
Bene = goed.
Bescheid = antwoord, verklaring.
Bescheiden = ontbieden.
Beschikking = beslissing.
Bestier = bestuur.
Bestieren = besturen.
Betamelijk = behoorlijk, gepast.
Betamen = voegen, passen.
Beuling = worst.
Beurzensnijder = zakkenroller.
Beuzelachtig = nietig, kinderachtig.
Bevroeden = vermoeden.
Bewassen = begroeid.
Bewimpelen = vergoelijken, bedekken, verhelen.
Bezending = gezantschap.
Bezoedelen = besmetten, bevlekken.
Bezwalken = bezoedelen, schenden, belasteren.
Bezwijmen = flauwvallen.
Bidden = smeken.
Bijoogmerk = bijbedoeling.
Bijzit = vrouw waarmee een man buiten het huwelijk een min of meer vaste relatie heeft, concubine.
Bint = dwarsbalk.
Blazoen = veldteken, banier, adelijk schild.
Bleekerij = inrichting voor het bleken van goed.
Bloodaard = lafaard.
Bloot = enkel.
Bloeien = opgroeiende, jonge.
Boei = keten, kluister, gevangenschap.
Boel = geliefde, minnaar.
Boert = grap, scherts.
Boerten = grappen maken.
Boeten = stillen.
Boezeltje = boezelaar, voorschoot, schort.
Boogscheut = het schietbereik van een boog.
Boord(en) = oever(s).
Boordsel = galon, veterband.
Borst = knaap, jongeling.
Bout = zonder angst, onbevreesd.
Boutje = hartje, liefje.
Braaf = dapper.
Brandschatten = tijdens een oorlog een afgedwongen belasting. Bij weigering volgden brandstichting en plundering.
Braveeren = trotseren.
Braven = dappere.
Bres = opening in een muur door het rammeien of schieten ontstaan.
Bruien = er om geven.
Buis = verkorting van wambuis. Nauwsluitend kort jasje zonder panden met één of twee rijen knopen.
Bylo = waarachtig.

Can (hond) Francesco della Scala was een dier machtige Hertogen van Verona, wier scepter zich eens uitstrekte tot verre over de grenspalen naar Brescia, Padua, Frioul en tot aan Triëst. Zijne prachtige graftombe is nog in de kerk di S. Maria antica te Verona aanwezig, met het navolgende grafschrift prijkende:
Si canis hic grandis ingentia facta peregit,
Marchia testis adest, quam saevo marte subegit.
Charter = oorkonde.
Cisterner = monnik  van een in 1098 gestichte kloosterorde. Deze orde maakt deel uit van de Benedictijnen..
Commandeur = Het hoofd van een commanderij, een aan een klooster toebehorend huis of uithof, voor tijdelijk gebruik afgestaan aan leden van een geestelijke ridderorde.
Convers = lekebroeder.

Datemi la mano = geef mij de hand.
Deerne = meisje.
Deernis = medelijden.
Deinzen = achteruitwijken.
Dekking = verdediging, bescherming.
Derwaarts = daarheen.
Dewijl = daar, omdat.
Diets = wijs.
Diligence = postkoets.
Dof = vaag.
Dolce far niente = het liefelijke niets doen.
Dolleman = gek.
Domine! libera nos! = Heer! verlost ons!
Dooren = dooiers.
Doorspouwen = doorsplijten.
Dorpel = drempel.
Dorperheid = onnozelheid, onbeschaamdheid.
Dorschvlegel = twee door riemen aan elkaar verbonden stukken hout, een lang stuk dat in de hand wordt gehouden en een kort dikker stuk waarmee het graan uit de halmen geslagen wordt.
Dos = kleeding, gewaad.
Droes = duivel.
Drom = menigte.
Druiloor = talmer, aarzelaar, slaper.
Druk = ellende, nood.
Duifsteen = tufsteen.
Durven = mogen.
Dwingeland = onderdrukker, tiran.

E possibile ma hanno tutti due il cor ben posto = ’t is mogelijk; maar beiden hebben het hart welgeplaatst.
Ecclesia abhoret a sanguine. = de kerk verafschuwd het bloed.
Eilieve = och, kom, wees zoo goed.
Eindpaal = grens, grenspaal, doel..
Erlangen = verkrijgen, verwerven, bekomen.
Et libera nos al malo, amen = En verlos ons van het boze, amen.

Festoen = slinger van groen en bloesems of vruchten.
Fielt = schurk, boef.
Fierheid = trots.
Fiool = fles met een lange hals.
Flambouw = fakkel, toorts.
Flerezijn = jicht.
Flikflooier = lage vleier, kruiper.
Fnuiken = kortwieken, figuurlijk: verijdelen.
Fortasse oculis tantum dormit, etc.= Misschien slaapt hij alleen met de oogen. – Maar wat betreft het ontdekken van uwe waardigheid aan dezen jongeling, dit belet u zijne onvoorzichtigheid zoowel als uwe veiligheid, welke groot gevaar zoude loopen, indien het bekend werd, dat de hoop en de lust onzer Kerk onder zulk een ongewoon gewaad bedekt waren.

Gaanderij = galerij, overdekte wandelplaats.
Gade = echtgenoot, echtgenote
Galantijn = koud vleesgerecht in gelei.
Gansch(elijk) = geheel.
Guardiaan = opzichter.
Gelasten = opdragen, opdracht geven
Gemeen = gewoon, alledaags, eenvoudig.
Geschaard = in een rij.
Gestadig = standvastig, duurzaam, bestendig.
Gewagen = vertellen.
Geweer = verdedigingswapen.
Gijzeling = gevangenis.
Gluipende = verradelijke.
Goendendag = knots of knuppel met aan het dikke eind rijkelijk voorzien van scherpe ijzeren stekels.
Gouw = landstreek, landschap.
Grammen = woedende.
Gramschap = woede.
Gramstorig = woedend.
Grauw = gepeupel.
Grauwen = nors, onvriendekij spreken.
Grauwtje = ezel.
’s Gravenmade = Made (’t Engelse meadow) is een groen veld, hiervan zich vermeien, spelemeien, voor: zich op ’t veld vermaken.
Grietenij = landstreek in Friesland onder het bestuur van een grietman.
Grietman, grietluiden = Hoofdman(nen van een grietenij).
Grond = reden.
Groot = halve stuiver, 2½ cent.
Guichelstreek = bedrog.
Gul = zacht, fijn.

Hagelsch = verwenst, beroerd.
Haken = verlangen.
Hakenei = telganger (paard).
Hamer = duivel.
Hansworst = harlekijn, potsenmaker, clown.
Heir = leger.
Heirbijl = strijdbijl.
Heirscharen = legers.
Heirweg, Heirbaan = grote, brede weg.
Helmslager = smid, die helmen maakt.
Heraut = persoon die bij het openbaar optreden van een vorst uit zijn naam bekendmakingen deed, plechtigheden organiseerde en leidde.
Herwaarts = hierheen.
Hette = hitte, warmte.
Heugen (zich)  = herinneren (zich).
Heusch = beleefd, oprecht.
Homo proponit; sed Deus disponit = de mens wikt, maar God beschikt.
Hofstoet = stoet van personen, die de vorst omgeeft of begeleid.
Hoofdig =  koppig.
Hoofdigheid = koppigheid.
Hoofsche = op gemaakte wijze.
Hoon = smaad, belediging.
Hoovaardig = trots, ijdel, verwaand.
Hopman = kapitein, hoofdman.
Hoveling = persoon aan het hof.
Hozen = broek.
Huif = hoofddeksel voor vrouwen.
Huiskapelaan = priester voor de dienst in een huiskapel of in dienst van een particulier.
Huisman = boer.
Huizinge = verblijfplaats.
Hupsch = aardig, fatsoenlijk, welgemenierd.
Hypocras = een met suiker, kaneel en andere kruiden gemende wijn.

Iegelijk = iedereen.
Il signor castellano = de kasteelheer.
Il sou medico = zijn eigen geneesheer.
Il sou nome = zijn eigen naam.
In dier voege = zodanig, op zo’n manier.
In weerstil van = desniettegenstaande, in weerwil van, ondanks.
Indaging = oproeping van een afwezige.
Inkarnaat = hoogrood, kleur tussen kersen- en rozenrood.
Inlegering = troepen in het garnizoen leggen.
Insnijden = indringen.

Jegens = ten aazien van, tegenover.
Jokkernij = schertsen, grappen.
Joost = de duivel.

Kaai = kade.
Kamenier = vrouwelijke persoonlijke bediende van een dame, die haar helpt met kleden, kappen en andere persoonlijke diensten..
Kamp = veld.
Kamp = gevecht.
Kantelbergh = Canterbury (Kent, Engeland).
Kanunnik = koor-, dom- of kapittelheer, een wereldlijk r.k.-geestelijke, die deel maakt  van kapittel van een kathedrale kerk.
Kaper = eigenaardig geplooide muts.
Kapittel = vergadering en (metonymisch) lichaamde kanunniken, die tot een dom- of collegiale kerk behoren. De waken gezamelijk over de belangen van hun orde.
Karbonkel = rode puist.
Karmozijn = puperkleurige stof.
Kit = bordeel.
Klaar = helder.
Klappen = praten, kletsen.
Klareyt = kruidenwijn.
Klaroen = trompet met een zeer heldere en doordringende toon.
Klepper = draver, paard.
Kloek = flink.
Kloek = dapper.
Kloekheid = dapperheid.
Knapuiltje = leugentje, bedriegerijtje.
Knip = val
Knippen = met list vangen.
Kodde = knuppel, knots.
Koddebeier = veldwachter, jacht-, visserrijopziener (eigenlijk knotsdrager of knotszwaaier).
Kokeler = goochelaar.
Kolder = harnas.
Kondschap = inlichtingen, informatie.
Koppelaarster = huwelijksmakelaarster, verleidster tot ontucht, slechte vrouw.
Koon = wang.
Koor = afgezonderd deel in een kerk voor zangers, het achterste of oostelijk deel van een kerk.
Kranken = zieken.
Krijg = oorlog.
Krijt(werf) = strijdperk.
Krijten = op schreeuwende toon verwijten.
Kuiperij = omkoping, samenzwering.
Kunne = geslacht.
Kuras = pantser, harnas.
Kwade luim = slecht humeur.
Kwant = snaak, snuiter, gast.

La vostra sanitá = uw gezondheid.
Lacryma Christi = tranen van Christus.
Lagen = listen.
Landdag = vergadering van een lichaam dat als vertegenwoordiger van een land bijeenkomt.
Langen = geven, halen.
Lapzalver = kwakzalver.
Last = machtiging, opdracht.
Last geven, gelasten = machtigen, opdracht geven.
Lastbrief = machtiging.
Lazuur = ultramarijn, bergblauw, zeegroen.
Leegloper = nietsdoener.
Leest = gestalte, lichaamsvorm.
Leus = schijn.
Leger = bed.
Lemmer = mes zonder heft, blote kling, lemmet.
Lenzen = bij stormweer met weinig of zonder zeil voor de wind of de zee varen.
Licht = gemakkelijk, eenvoudig, heel goed.
Lichtmis = losbol.
Lijktoorts = fakkel bij een begravenis.
Linkerhand = van mindere rang.
Litanie = lange, eentonige opsomming.
Luiken = dicht doen, sluiten.
Luim = humeur.

Ma per Dio = maar bij God.
Maagschap = familie.
Maar = tijding, gerucht.
Madre di Dio = Moeder Gods.
Magen = leden van de familie.
Malen = schilderen
Malvezij = zoete geurige wijn van de stad Napoli de Malvasia op het schiereiland Morea c.q. gekookte (gedestilleerde?) wijn uit de Provence.
Manschap = bemanning.
Marktschrijver = marktmeester.
Mediis tranquillis in undis = rustig midden in de golven.
Meesmuilen = grimlachen, kwaadaardig lachen.
Meistreel = minstreel, middeleeuwse muzikant, begeleider van de troubadour, de middeleeuwse zanger.
Mêlée = strijdgewoel, heetst van de strijd.
Mangel = gebrek.
Meede = honingwater.
Middelzee = een inham tussen Ooster- en Westergoo. In de loop der eeuwen geheel ingepolderd.
Mijterstad = bijnaam van Utrecht.
Min = liefde.
Mirakel = wonder.
Moei = tante.
Momboir = machtdrager.
Mulder = molenaar.

Naricht = nieuws, boodschap, omschrijving.
Neuswijsheid = nieuwsgierigheid.
Nevens = naast.
Nikker = duivel.
Niobé = dochter van Tantalus, vrouw van Amphion koningin van Thebe. Moeder van zeven zoons en zeven dochters. Roemde zich gezegend boven Latona, die slechts twee kinderen kreeg. Haar kinderen werden allemaal door pijlen gedood, als straf voor haar overmoed. Niobé versteende  van smart en werd door Sipylus naar Lydië verplaatst, terwijl zij steeds hevig huilde.
Non lo sapete = niet aangekleed.
Non vié altro oracolo che quello del conte die Gelria = Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder.
Nooddruft = toestand van gebrek.
Nopen = aanmoedigen, aanzetten (om iets te doen).
Nopens = aangaande, betreffende.
Nuf(je) = ingebeeld meisje, dat zich met name op haar uiterlijk of kleding laat voorstaan.

Olderman = eerste ambtenaar van de gemeente.
On ne scauroit faire boire un asne s’il n’a soif = Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft.
Onbescheid = onvriendelijk gedrag.
Onbewimpeld = openhartig, rondborstig, vrij uit.
Onderrichten = mededelen, kennis geven.
Onderscheiden(e) = verschillend(e).
Onderstaan, zich = het wagen.
Onderzaat = onderdaan.
Ongaarne = niet graag.
Ongestadig = onbestendig, onveranderlijk.
Ongestadigheid = onbestendigheid, onveranderlijkheid.
Ontdekken (zich) = ontbloten.
Onthaal = ontvangst.
Ontlasten = uitstromen.
Ontslapen = overlijden.
Onttroggelen = (iemand iets) afnemen.
Ontveinzen = niet uitkomen voor iets, iets verborgen houden.
Ontvrijen = iemand zijn geliefde op listige wijze afnemen.
Ontzeggingsbrief = oorlogsverklaring. Eigenlijk  de brief waarmee de vrede wordt opgezegd.
Onvoegzaam = onbetaamlijk, niet passend.
Oogendienaar = vleier.
Oogmerk = doel.
Oomkool = ongeveer de arme sukkel.
Oorbaar = gepast, behoorlijk.
Oostergoo = Oud-Friesland tusschen het Vlie en Lauwers was verdeeld in Westergoo, Oostergoo en de Zevenwouden. De beide eerste gouwen (goo = gouw) werden door de rivier de Boorn gescheiden, welke toen met een breeden mond, die een inham tusschen beide vormen, in zee liep.
Ootmoed = nederigheid.
Opbruischen = plotseling in drift ontsteken.
Opdischen = opdienen.
Opkweken = opvoeden.
Oploopend = drifig, opvliegend.
Oppertje = bovenwinds gelegen beschutting tegen de kracht van de ze en de wind .
Opslag = blik.
Opzitten = te paard stijgen.
Ordentelijke = behoorlijke, normale.
Oudewijvenklap = geroddel
Outer = altaar.
Overman = hoofd van een gilde.

Paai = oude man.
Paaien = tevreden stellen, in slaap wiegen (met  mooie woorden, beloften).
Paalen = grenzen.
Paap = priester, monnik, geestelijke. Later een scheldnaam voor een Rooms-Katholiek en ook eem minachtend woord voor geestelijke.
Page = dienaar van een ridder, hofjonker.
Pater noster = Onze Vader.
Paviljoen = grote geriefelijke en van een kap voorziene legertent voor voorname personen.
Pekbroek = matroos, zeeman (die op het dek blijft zitten, zoodat het pek aan zijnen broek kleeft, alzoo een luiaard).
Pekelzonde = verouderde zonde.
Peluw, peul = langwerpig onderkussen.
Perdonatemi, illustrissimo Signor conte; ma non posso dir = Vergeef mij, doorluchtige Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen…
Perkament = op bijzondere manier bewerkt leer van kalveren, schapen, geiten, enz. geschikt voor schrijven, boekbinden en trommelvellen.
Piano = zachtjes.
Pluimstrijker = vleier, ”kontlikker”.
Pondenmaat = oude Friese vlaktemaat van 36,75 are = 3675 m2.
Ponjaard = korte degen, dolk.
Poorter = burger, stedeling.
Potestaat = landvoogd.
Potsenmaker = hansworst, harlekijn, clown.
Prelaat = titel van die geestelijken in de Rooms-Katholieke kerk, welke een eigen kerkelijk rechtsgebied hebben.
Prior = kloosteroverste, hoofd van een mannenklooster.
Proost = kloostervoogd.
Puik = (het) beste.

Quack  = met deze naam noemt men in Friesland de plattelands-heelmeesters, zonder daaraan echter het denkbeeld van kwakzalverij te hechten.
Quantum sufficit = in voldoende hoeveelheid

Rantsoen = losgeld, losprijs.
Ras = snel.
Recht = goed.
Refter = eetzaal van het klooster.
Reis, reize = maal, keer.
Rekkelijkheid =  inschikkelijkheid, gedweeheid, toegevendheid.
Ricordatevi di Bianca di Salerno = Herinner u Bianca van Salerno.
Rooden haan = brand.
Roede = lengtemaat 3,76 meter groot.
Rond = eerlijk, oprecht.
Rondas = rond schild.
Rondborstigheid = oprechtheid, eerlijkheid.
Romanesk = overspannen van gevoel.
Ros = paard.
Rusting = wapentuig.

Samaar = lang, ruim ambtskleed.
Sammelen = talmen, aarzelen.
Santa Madre = heilige Moeder.
Schaar = menigte.
Schabbeletje = voeten- of zitbankje.
Schalk = knecht, pretmaker.
Schans = verdedigingswerk in de vorm van een vier-, vijf- of zeshoek, fort of wal.
Scharlaken = een hoogrode stof.
Schelm = deugniet, booswicht, schurk.
Schendig = schandelijk, lasterlijk.
Schepen = stedelijk overheidspersoon, lid van het bestuur en wetgeving, ten dele ook met de rechtspraak belastte college, lid van een vroedschap.
Schielijk = haastig, snel.
Schier = bijna.
Schieringer = (in Friesland) een aanhanger van de voorstanders van de onafhankelijkheid. Een zekere volkspartij, die zich gedurende de Middeleeuwen  ruim 400 jaar tegenover de Vetkoopers (de adel) deed gelden. De naam schijnt ontleend te zijn aan de schieraal of paling, die door de lagere volksklasse vaak gegeten werd.
Schijf = ronde tafel.
Schilderen = beschrijven.
Schilderij = beschrijving.
Schildknaap = jonker, die onder leiding en in dienst van een ridder zijn opleiding in de krijgskunst krijgt.
Schot en lot betalen = behoorlijk zijn burgerplicht vervullen (inzake belasting).
Schoon = hoewel.
Schout = bestuursambtenaar, later hoofd van het gerecht en de politie in een stad of district, m.n. als openbare aanklager.
Schreien = huilen.
Schrikpoeder = poeder tegen de gevolgen van een schrik bijvoorbeeld: ammoniumcarbonaat..
Silenzio = stilte.
Signora, la = mevrouw
Slotvoogd = opzichter van een slot, kastelein.
Staroogen = staren, de ogen ver open doen.
Stond = uur, ogenblik, tijd.
Smijterbaas = voorvechter, iemand die graag vecht.
Snaakje = grappig iemand.
Snappen = babbelen, praten.
Snoever = opschepper.
Snorrepijpen = beuzelingen.
Sono due pazzi = Het zijn twee gekken.
Spade = laat.
Spakerig = dampig, wazig.
Specie = contanten, klinkend geld.
Spiegel = achterzijd, kont van een schip
Spinrokken = stok, waarop bij het spinnen met de hand, het te bewerken materiaal wordt gestoken.
Spitsbroeder = krijgsmakker, kameraad.
Sponde = bed(stede).
Spoorslag = prikkel, aanmoediging.
Spoorslags = in aller ijl, met grote haast.
Staat maken op = vertrouwen hebben in.
Staatzucht = buitensporige heerszucht..
Staffier = gewapende dienaar, lijfknecht, trawant.
Stede = plaats.
Sterkers = sterrekers, tuinkers.
Stins  of steenen huis, was de benaming, welke in Friesland aan den slot of sterkte gegeven werd: Adeelastins is dus: het slot van Adeelen.
Stokwaarder = cipier, gevangenbewaarder.
Storm = aanval.
Stormhoed = helm.
Stout = dapper, moedig.
Stoutheid = dapperheid.
Struweel = heester.

Tabberd = lang statiegewaad, toga.
Tasch = zak.
Te stade = van pas.
Teffens = tegelijk, tevens.
Tegenkanting = verzet.
Tegenpartijder = tegenstander.
Tegenweer = verdediging.
Tenware = mits, indien.
Teringziekte = tuberculose.
Terp = opgeworpen hoogte voordat er dijken waren. Mens en dier vluchtten hier naar toe bij extreem hoogwater.
Terstond = onmiddelijk.
Tijding = bericht.
Tijdsgewricht = tijdruimte die als geleiding van en groter geheel of als schakel in een volgorde wordt beschouwd, vooral tijdruimte waarin de gebeurtenissen een keer nemen.
Tinctuur = aftreksel van kruiden op alcohol.
Tinne = een soort omheining op het bovenste oppervlakte van een muur, plat dak op een gebouw.
Toeven = wachten.
Toorn = boosheid, woede.
Toornig = boos, woedend.
Torentrans = tinne, torenborstwering.
Tot zijn kennis komen = tot bewustzijn komen.
Trans = borstwering.
Trein = stoet.
Tweebak = beschuit.
Tweespalt = oneenigheid, tweedracht.
Twist = ruzie.
Twistappel = aanleiding tot tweedracht, voorwerp of punt van geschil.

UEd. = uw edele.
Uithof = een bij een klooster, maar daarbuiten op het platteland gelegen boerderij, voorwerk, buitenpost..
Uitlander = buitenlander.
Uitweiden = uitgebreid omschrijven
Uitweiding = breedvoerige omschrijving, afwijking van de hoofdzaak.
Un’ altra volta = een andere keer.
Usantie = gewoonte, handelsgebruik.

Vaak = slaap.
Valboom = benaming voor puntige, van onder met ijzer beslagen balken, die neergelaten werden om poorten en vestingwerken af te sluiten.
Van doen = nodig.
Varensgast = zeeman.
Vazal = leenman.
Veêl = vedel, viool
Veelmin = des te minder.
Veelvervig = veelkleurig.
Velen = verdragen.
Vellen = horizontaal richten.
Verba volant, scripta manent = woorden vervliegen, het geschrevene blijft.
Verbeiden = verwachten.
Verbloemen = verbergen, verhelen, vergoelijken.
Verderven = ondermijnen, door list of in het geheim verzwakken.
Verdoolen = verdwalen.
Verdrieten, verdroot, verdroten = kwellen, weerzin wekken, onaangenaam zijn.
Vergaderen = verzamelen, bijeenkomen.
Verhalen = vertellen.
Verhoeden = voorkomen, verhinderen.
Verkerven = de gunst verliezen, het bederven.
Verknocht = gebonden, verplicht.
Verflenst = verwelkt.
Vergroot = overdreven.
Vermetelheid = brutaliteit.
Vermeten (zich) = stoutmoedig zijn.
Verkoren = verkozen.
Vermaagschapt = door huwelijk verbonden, verwant.
Vermits = omdat, aangezien.
Verschalken = misleiden.
Verschiet = verre afstand.
Verschoonbaar = vergeeflijk.
Verschoonen = vergeven, verontschuldigen.
Verschooning = verontschuldiging.
Verschuiven = minachten.
Verslempen = verdrinken, aan drank uitgeven.
Verspieder = verkenner, spion.
Vertoornd = woedend.
Verwaten = verdoemd, in de kerkban gedaan.
Verwering = verdediging.
Verwijl = aarzeling.
Vetkoopers = naam van een partij ten tijde van de 13e eeuw in Friesland, waartoe in de regel de voorname lieden (de adel) toe behoorden, die tegen over de Schieringers, de volkspartij stonden.
Vetweiderij = veefokkerij (voor het vlees).
Vien dall’ agitazione, dal freddo = vermijd opwinding en de kou.
Vierschaar = rechtbank.
Vitriool = zwavelzuur.
Vleeschelijke = volle.
Vlieden, vlood, gevloden = vluchten.
Vlieten = stromen, vloeien.
Vloden = vluchtten.
Voegzaam = passend, geschikt, betamelijk.
Vogelaar = vogelvanger.
Volstandig = standvastig.
Voorslagen = voorstellen.
Voorspraak = bemiddeling, verdediging.
Vorsch = kikker.
Vroede = wijze.
Vroedschap = stedelijke regering.
Vuilaardig = gemeen.

Waarlijk = echt.
Wakker = moedig, dapper.
Wakkerheid = moed, dapperheid.
Wapenhandel = oefening in het gebruik van wapens.
Wapenknecht = schildknaap.
Wapenkoning = hoofd der herauten.
Wapenrok = uniform.
Warmoes = bladgroente.
Wasdom = rijpheid.
Wat wijders = verder nog wat.
Weergade = gelijke.
Weerpartij(der) = tegenstander.
Weerstil =  weerwil, ondanks.
Weeuw = weduwe.
Weiden = rond laten gaan.
Wellen = bronnen.
Werf = wierd, terp.
Wervel = draaihoutje, sluitingsmiddel voor een deur of raam.
Wezenstrek = gelaatstrek.
Wicht = meisje.
Wierdijk = een zeedijk van wier gemaakt.
Wiggelen = wankelen.
Wijd = ver.
Wijders = bovendien, overigens, daarbij komt
Wijdloopig = uitvoerig.
Wijdluchtig = uitvoerig, breedvoerig.
Wijl = poos, tijd
Wijnmoer = grondsop van de wijn, droesem.
Windbuil = opschepper.
Windsel = verband.
Woeling = het onrustig heen en weer bewegen.

IJdel = vergeefs.
IJlhoofdigheid = verwardheid, buitensporigheid.
IJzen = koud worden van schrik.

Zaterdagsch = drommels, duivels.
Zedewaarswijn = op boerenwormkruid getrokken wijn.
Zegepraal = overwinning, triomf.
Zieltogend = op stereven liggend.
Zijdgeweer = sabel, degen.
Zijgen = ineen zakken.
Zoeken = proberen.
Zoenen = verzoenen, vrede sluiten.
Zoetelief = beminde, schat.
Zoopje = borreltje.
Zooras = zodra.
Zot = nar, gek.
Zotskolf = knots, als attribuut van de nar.
Zotteklap = onzin.
Zwarigheid = beletsel, bezwaar, moeilijkheid.
Zwelger = gulzigaard, vreetzak.
Zwerk = hemel.


Les dames mains à main se tiennent
Et tous ainsi comme elles viennent
Se prend chascune à sa compaigne,
Ne-nus hors ne s’i acompaigne,
Ainsi s’en vont faisant le tor.


Vertalingen van de voorspellingen:

1
Droeve dagen zullen komen:
Groote heeren zullen sneven;
Vrede en vreugde zullen volgen:
Roos en lelie zullen bloeien.

2
De boog is gespannen, de pijl gereed,
Die ras uw hoofd zal treffen.

3
Eens dorpers onedele vlegel
Zal u op het veld doodslaan.

4
God zal u altijd bewaren
Voor water, staal, hout en vuur.

5
De hond heeft het schaap opgegeten;
Maar het lam zal weldra terugkomen.

6
Waakt op de grenzen!
De vijand is daar.

7
De tijdingen, die u zullen komen,
Zullen u vreugd en leed veroorzaken.

8
Der Sirenen lied zal behagen;
Maar droeve dood er op volgen.

9
Dikwijls heeft hij die een mijter draagt
Alleen den titel van Abt.

10
„Als Dekama zijne Roos verliest,
En deze voor Friesland het zeenat kiest,
Dan zullen, om haar te plukken, komen
Vogels van alle wieken en veeren;
Dan zal zij welken en verkwijnen,
En ’t hoofdje droef laten hangen;
Maar weer bloeien en tieren,
Als des Vorsten buit Friesland ten deel valt.”


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001