MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

TWEEDE HOOFDSTUK,

WAARIN MEN LEZEN ZAL, WAT IN EN VOOR DE HERBERG TE SOEST VOORVIEL.


Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had op dat uur van den dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen veeleer aan hun arbeid zou verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat ik, na een algemeenen „goeden morgen samen!” in ’t rond gewenscht te hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, die blijkbaar in haar zondagspak was uitgedost, met zilveren oorijzers en een halssnoer van dikke bloedkralen) de aanmerking maakte, dat er al vroeg volk in de herberg was.

”Dat ’eleuf ik wel, koopman!” antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge glazen met schuimend bier te vullen: „je zult het ook wel eroken hebben, wat hier vandaag te doen is.”

Ik was op het punt van mijn volslagene onbewustheid van de oorzaak der vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als titelvignet en de woorden: segt het voort in groote letteren als onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.

Nauwelijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van bruine sergie en zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij tot de vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman daarentegen er vrij schraal en verloopen uitzag, – toen mijn ooren gekweld werden door een piepend geschreeuw, van: phijpedoppies! deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik ’ep nog gheen ’andgift ghehad vandhaag, zoo waar zelje ghesond blijven!”

Ik. wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij iets aan mij slijten kon.

„Ik dank u, vriendje!” zeide ik, na hem terloops te hebben aangezien: „ik heb niets noodig!” en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en, de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te worden.

„Nha doch!” zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner rechterhand, welke de kettinkjes van een dozijn pijpedopjes vasthield, door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm heenstekende en mg vlak voor den neue brengende: „laat ik je toch maar evn dhozijntje verkoopen. Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog ver reizen.”

Wetende bij ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke onbescheiden aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken, vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van contramanoeuvre tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te brengen, waardoor ik de pijpedopjes weder van mij verwijderde.

„Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghesond blijven,” hernam de Jood, met de vasthoudendheid aan lieden van zijn beroep eigen: „motje gheen halmenakkie ’ebben? gheen scharen, messen of photloodjes?” – En, in de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken, mij met vrede te laten. „Waarlijk, goede vriend!” zeide ik: „ik heb niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij heb, toe te komen en de stad te bereiken.”

Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood nauwkeuriger beschouwd, en meende mij nu flauw te herinneren, dat ik hem vroeger, waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge smalle voorhoofd en dien bruinen gelapten tabberd van saai meer gezien had, maar nooit te voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het hooren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen, terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets dat op een glimlach geleek.

„Khom!” zeide hij: „Je spot immers er mee; je zoudt gheen gheld ’ebben: nha doch! ’et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept krediet: en dat’s veel gheseid iu dhesen tijd van de hactie’andel! Daar ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as je in de stad zult sthaan te zijn gekhomen, dat weet ik ommers best. Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje.”

„Vandaag of morgen is ’t zelfde,” zeide ik, de pijpedopjes, die hij op tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: „ik rook niet.”

„Niet, koopman?” vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kerel, met een vroolijk aangezicht, die, even naar den kelder geweest zijnde, juist weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam toegetreden: „ik wou je juist een pijp aanbieden.”

„Ik dank je,” zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goede tabak, het rooken afgewend): „maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar zijn?”

„Toe dan Mientje!” zeide de waard, zich omkeerende, „waar blijft het ontbijt voor den koopman?”

„Zoo aanstonds,” antwoordde de dochter: „wil je er beschuit op hebben, koopman? of verkies je nagelhout?”

„Wel!” hernam ik: „laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar twee.”

„Messen! – scharen! – khurkhetrekkers! – khammen!” vervolgde de Jood, met een pauze tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: „of.... wil je liever kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jongmensch.... hik ’ep hook mooie poekkies: ’ier is de Arlekhijn Haksinischt!1).... ’t plijspel van Khinkampoeis! de leste woorden van Saco, toen ie op ’et schavot stond.”

030.gif (37207 bytes)

Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik liet mij dus overhalen om mij een kurketrekker aan te schaffen, al ware het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament2) van een Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde van het voorwerp verre te bovengaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zou lastig vallen. – Mijn edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal gewaarworden.

„Ghelik er mee!” zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter hand stelde: „maar phas op,” voegde hij er fluisterend bij, „dat je een mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van ’t ghenige dat dhaar sthaat.”

„Hoe!” zeide ik met eenige verbazing; – maar, toen ik met de oogen den blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zooeven gewag maakte, kort te voren met de punt midden in de tafel had gestoken. Tegelijkertijd herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen, of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij te hebben gevraagd, op het gelaat van overbuurman een trek van ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog niet gegeven: en er verdient hij het wel, dat ik een oogenblik daarbij stil stad: hij had, gelijk ik reeds met een enkel woord aanstipte, afzichtelijk voorkomen: lange, sluike haren, wier kleur raden moest, hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbrauwen en ooghaartjes bijna geheel onvoorzien; zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen, geheel scheef was getrokken, opende zich nu en dan tot een grijnzenden lach, die een alleronaangenaamsten indruk verwekte; of onze maat een neus had of niet, kon met reden tot het onderwerp eener weddenschap gestrekt hebben, zoovele naden en kruislijnen van litteekens (overblijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormelooze stompje boven den mond met de wangen en de bovenlip. Dit, beminnelijk wezen was half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met een blauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijde visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een messcheede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de voeten.

Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot een klein snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds, als een tijger in zijn hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante wapentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althans, toen hier niets van kwam, bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zou kunnen gezwegen hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek, dat baas Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen, hoe hij van Peer de Groot tien lakenveldsche koeien gekocht had voor f 80 het stuk. De varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg, sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet bediend had van het mes, dat voor mij stond.

„Ik had het niet gezien,” zeide ik op een onverschilligen toon: „en bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen.” – Dit gezegd hebbende ging ik met eten door, zonder den kwant verder aan te kijken.

„Niet gezien!” herhaalde hij met een gemeenen vloek: „en waar hield je dan zooeven je kluisgaten op gericht? ’t Is mijn mes, voor den d....!” vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan te jagen: „en je er naar kijkt, die kan met mij aan den gang komen, daar valt niet van, voor den....! Jij hebt er naar gekeken, en as je boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt zorgen.”

Deze forsche uitdaging verwekte de aanwezige boeren, die, in goede eendracht bijeenzittende bezig waren over den prijs der granen en andere voorwerpen van hun gading te spreken. Aller oogen vestigden zich op de matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn taal houd) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt nationaal messengevecht hun verschaffen zoude, ik moet echter tot hun eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte tegen den geoefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik was, gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak: ik begreep echter zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige onverschrokkenheid af te keeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen, op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beleedigd te hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren: althans er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den zeeman wendende: „wat heit jou die koopman ’edaan, Andries Matthijssen?” vroeg hij, „dat je met hem voor ’t mesje wilt?”

„Wel! baas Roggeveld!” zeide Andries, zijn taal met vloeken doormengende, welke ik, om geen kiesche ooren te kwetsen, slechts met een () zal aanduiden: „die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een bretaal antwoord daar te boven (). Mot ik me van zoo’n loop-in-’t-lijntje laten op den kop zitten? () Maar omdat hij nog maar een loeris van een jongen is, zal ik hem () niet te hard behandelen en, met een enkeld half maantje over zijn hakkebord laten waaien; – maar opstaan mot hij.”

En meteen oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in den kraag grijpen: – ik was echter op mijn hoede, en zoowel een vuist- als een messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn bankje achteruit. „Pas op!” zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in ’t gezicht ziende: „raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig leed deedt.”

„Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?” snauwde Andries, terwijl hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe „ik zel je leeren, ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zel ik eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen.”

Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan ’t snijen te gaan. Ik moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden; want ik zag niets aardigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een fatale koelbloedigheid hun pijpjes rooken en hun drank opslorpen.

Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje, die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigszins onthutst keek, eenige woorden in ’t oor had gefluisterd. Het meisje was hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit den kelder kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders waarschijnlijk zelden over een dergelijke ruzie bekommerde, waar hij wel wist dat meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigszins versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.

„Hoe zeg je....” vroeg hij halfluid: „de zoon van....” Het antwoord van Mientje werd op zulk een flauwen toon gegeven, dat ik alleen de woorden: „Hoofdschout, Amsterdam, verstaan kon, waaruit ik opmaakte, dat Simon haar verhaald had wie ik was.”

„En zeit die Smous dat?” vroeg de waard weder: „die koopman daar de zoon van....” en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.

„Dat vereischt overleg,” zeide de waard, zich den kop krabbende, en de kruiken aan Mientje overhandigende: „die Sinjeurs in Amsterdam hebben armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!” riep hij opeens, zijne breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich opnieuw in postuur stelde om mij aan ’t lijf te komen.

„Wel! wat wou je?” vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.

„Wat ik wou?” herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons beiden instellende: „ik wou, dat je dut heerschap daar met vrede liet. De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg ’eleid! Ga zitten en drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is.”

„De kastelein spreekt als een verstandig man,” zeide baas Roggeveld, zijn pijp even omdraaiende: „je zoudt er, in dat geval, geen eer mee inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook, we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar ’ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was niet bang ook, in dat geval!” en bij deze loftuiting voegde hij een vleiend knikje.

„Ei! ei!” zeide Andries, den waard schamper aanziende: „jij zelt ook zooveel klanten krijgen as er op het spil van den bramtop kunnen staan, as je ’t zoo anleit; en een man die, zooals ik, een echt Gooierskind ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken als jij den weg naar je kelder, beletten wilt een klein, eerlijk vechtpartijtje te hebben. ’s Lands wijs, ’s lands eer! zeg ik maar: en ik beloof je, dat je mijn gezicht ook voor ’t laatst ziet as het zoo mot gaan.”

Deze bedreiging deed mij in mijzelven lachen; want ik dacht, dat de waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens uiterlijk geene zeer gevulde beurs verraadde. Ik bedroog mij echter, althans naar hetgeen de kastelein volgen liet.

„Kom! Kom!” zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: „zoo mot je nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weer goedwillig in zijn werk gaan, zoodat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je weet ommers zelf best hoe ’t gaat, as de eene partij niet wil vechten en de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt in de boete geslagen.”

„Ei, wat! denk er niet meer over,” riep Roggeveld Andries toe, die norsch voor zich heen keek: „er zel nog wel gelegenheid kommen vandaag om te toonen wat een kerel je bent, in dat geval. Drink nou de quaestie af met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval.”

„Dat is niet kwaad gedacht,” zeide ik, hopende op deze wijze de zaak ’t best te sussen: „geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er niet meer over de quaestie gesproken worden. Zwik!” zeide ik, mijn mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan Andries toestekende.

Zwak!” zeide deze, het glas ledigende: „en ik wensch je toe dat je nooit meer in mijn vaarwater komen meugt.”

Ik zag eenigszins vreemd op bij dezen zonderlingen wensch: de toon, waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik, waarmede hij vergezeld ging, deed bij mij een onwillekeurigen schroom ontstaan, waarover ik mijzelven verwonderde. Ik wilde nu heengaan; maar ik weet niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thans met zijn voerman praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het paard opnieuw beslagen moest worden; althans, na eenige oogenblikken werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.

„Is het waar,” hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren vragen, „dat Aafje Jansz gisteravond op het Larensche veen is afgezet eworden?”

„Naakt uit’eschud, meugje wel zeggen,” was het antwoord: „’t is veul, zoo die schelmen heur een hemd an ’t lijf hebben elaten. Zij waren met er drieen, als ik hoor.”

„’k Sou zoo garen om een roompje
    Met jou eens naar buiten gaan,
Rusten onder ’t lindeboompje;
    Dat je ’t maar eens dorst bestaan.”

zong Andries er tusschenbeide.

„Ja nog erger,” zeide een andere boer: „zij hebben de weuning van Klaas Tymensz te nacht op’ebroken en zijn met al den bult gaan strjken.”

„’t Is de bende van Zwarten Piet,” zeide een derde.

„Ei wat!” bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weer voortzingende:

„Margriet! maar ziet,
    Besjen is te kwaad,
    Als men eventjes bij jou staat,
    Maar ziet, besjen is te kwaad.
    Als men maar eens met jou praat.”

„Jij, die van alle markten te huis bent en op zooveel zeeën gezwalkt hebt,” zeide de waard, Andries aanstootende: „jij hebt zeker Zwarten Piet wel ’ekend ook?”

Wat bruit mijn jou Zwarte Piet,” zeide Andries, een scheel gezicht zettende: „och! ’tis allemoal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een goeien vetten koopvaarder van zijn overtolligen ballast te ontlasten, dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?”

„Wie weet?” zeide de waard: „tot een tijdverdrijfje ondershands.”

„Gekheid!” zeide Andries: en hij begon opnieuw zijn gezang. Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, alsof hij daardoor afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem mij influisterde, dat, zoo die diefstallen al niet op rekening van Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althans daar meer van af wist dan hij zeggen wilde.

Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht om geld terug.

Terwijl Mientje nog bezig was een dubbeltje uit haar tasch te halen, trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.

„Vrijster!” zeide hij: „geef spoedig een paar sneden wittebrood en boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is.” Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten op het geld, dat ik terug moest hebben.

En inderdaad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen. Integendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de roode mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen zwier omgeslagen, welke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan elke houding, welke hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder; zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigszins voorovergebogen neus en den zwaren peper en zoutkleurigen knevel, die de bovenlip overschaduwde.

Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik aangejaagd; maar, evenals de vos, die in ’t eerst voor den leeuw vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op, en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.

„Dheursthekers! – messen! – scharen! – brillen! photloodjes! khoop wat, Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft.” De vreemdeling vergenoegde zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig antwoord op zijn aanzoeken te geven.

„Laat ik wat an jou verdienen,” vervolgde Simon, hem bij den mantel trekkende: „halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjes hover de pholetiek van den dag! – mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wilje liever een khommediepoekkie? – of de leste woorden van Saco, met zijn sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad?....”

„Hm!” bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk het bord met broodjes, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij zich, keerde terug, keek rond, nam toen het mes van Andries, (die, juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene broodje in dunne reepjes en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon, die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weer naar zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik had inmiddels mijn geld terug ontvangen, en, een nieuwen twist voorziende, mij, na een goeden dag aan ’t gezelschap te hebben gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotseling naar binnen en mij tegen ’t lijf werd geworpen. Hij had, niet tevreden van zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zou vinden, toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen ten uitvoer te brengen.

„Hawaai! hawaai!” riep de arme drommel, zijne, over den grond verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: „hik ben heen bedurven man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op ’s Eeren straten zoo be’andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je bent met jen schavotkleerden mantel. Je bent men phortuur niet; maar gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen. Mhag jij de menschen zoo molestheren?”

Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer komen aanloopen. Ik had den dienst, mij door Simon bewezen, nog niet erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.

„Daar,” zeide ik, „dank je voor uw waarschuwing van zooeven! Wacht! daar liggen nog een paar messen! en hier een kam!”

Dit zeggende raapte ik eenige van zijn koopwaren op, die onder de kar geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal „God loon je!” toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een onverschillige houding tegen de kar leunen en zijn snede brood opeten, zonder zich over ons te bekommeren.

 040.gif (38546 bytes)Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte, door den waard en al de boeren gevolgd.

„Weer en wind!” riep hij den vreemdeling toe: „jij zelt er zoo gemakkelijk niet afkomen als dat loop-in-’t-lijntje daar. Wie heit je gehieten van an men mes te komen?”

„Hawaai! hawaai!’ riep Simon, Andries met een smeekenden blik aanziende: „elp mij toch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die me eelemaal heit bedhurven.”

„Hoor je niet, dat je gepraaid wordt,” vervolgde Andries tegen den vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk stil bleef staan: „ wat had je met men mes noodig?”

De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen willen verwijderen: maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles zou afloopen, mij ook terughield.

„Geef dan voor den () antwoord, kerel!” bulderde Andries, den vreemdeling bij den mantel grijpende.

„Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?” vroeg deze: „ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken.”

„Hoor reis, ventje!” zeide Andries: „jij mot zooveel praats niet hebben: al ben je nog zoo’n lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje over je bakkes halen.” De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar, zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard terugkwam, riep hij hem toe, zich wat te haasten. Dit bevel werd door de omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard, niet ontevreden, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: „ziezoo!” zeide hij: „nou zellen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal trakteeren; want dat doet hij altijd royaal, mot ik zeggen, as hij er een troef heit ’egeven.”

„Ik ’eleuf het niet,” zeide Roggeveld: „die lange spier is ook al niet van ’t echte soort en ’t kon wel ’ebeuren dat hij zonder neus verder most reizen, in dat geval!”

„Wat () is dat?” hernam Andries tegen den onbekende, terwijl hij de beenen wijd uiteenzette, de linkerhand in de zijde bracht en met de rechterhand zijn mes open nederwierp: „ben ik je nou geen antwoord waardig? En zou je zoo schoot gaan zonder te brassen? Neen mannetje! je zelt me, zoo lang as je bent, op je knieën ekskuus motten vragen of – op het mesje!”

„Welnu! waar wacht gij op?” vroeg de man, wien de uitdaging gold, aan den voerman, die met wijd opgespalkte oogen dit tooneel stond aan te gapen: „Span in, en stoor u niet aan de praat van dien dronken lap daar.”

„Dronke lap! ik dronken!” brulde Andries, wiens woede nu ten top was gestegen: „wacht! ik zel je leeren!” – En terstond sprong hij op den reiziger los, die juist bezig was, den voerman aan het inspannen te helpen. Ik was op bet punt van tusschenbeide te schieten, daar ik vreesde dat de onbekende zou worden aangevallen op een oogenblik dat hij niet op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een angstig gefluister van: „hawaai! bhemoei er je niet mee! Wat zel ’et wezen?” bij mijn roksslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende,gaf hij den twistzoekenden gast een stoot in de borst. dat deze achterovertuimelde, en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.

„De drommel! die kwam an!” zeide baas Roggeveld: „dat is ook geen kat om zonder handschoenen aan te vatten.”

„Wel vriend Andries!” zeide de waard, hem weder op de been helpende: „ben je nou een zandruiter ’eworden?”

„’t Is () ongehoord!” vloekte Andries, met moeite opstaande: „en nou neem ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet.”

„Vechten moet hij!” riepen de boeren: „er is geen bidden voor.”

„En ik neem u allen tot getuigen,” zeide de vreemdeling, op een strengen toon, „dat ik het niet ben, die aanleiding tot den twist gegeven heb: en dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen, die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedoogen, dan hem die zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt.”

„Dat helpt allemaal niet!” riepen de boeren: „jij hebt zijn mes an’eraakt en hum ’eslaogen: vechten motje.”

Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.

„Laten zij oppassen, wat zij doen,” fluisterde ik Roggeveld, die naast mij stond, in ’t oor. „Ik bedrieg mij niet: het is Czaar Peter! de Czaar van Rusland, weet gij?”

„Wat je zeit!” zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: „wel kijk, is ’t mogelijk! in dat geval!” en hij deelde zijnen buurman het sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.

Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Czaar, weinige jaren geleden, insgelijks zonder gevolg en incognito naar Amsterdam gereisd was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden toon, en zelfs door de geduchte wijze, waarop hij van zich afgeslagen had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan, welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en zocht door menigvuldige buigingen en strijkages het weder goed te maken, dat hij bij den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche uitdrukking nu eens op den gewaanden Czaar, dan weder op de omstanders wendende. Slechts twee personen waren er, die blijkbaar niets van de zaak begrepen: de een was Simon, die zich op eenigen afstand teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige opheldering te geven: de ander was de onbekende zelf, die, blijkbaar verbaasd over de opeens zoo beleefde houding der boeren, al de omstanders beurtelings in ’t gezicht zag, totdat zijn oog eindelijk op mij viel en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en aanstonds, met den hoed in de hand, hem naderende, maakte ik de beweging, alsof ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in ’t oor: „men houdt u hier voor den Czaar; maak maar spoedig, dat gij verder komt.”

„Ik dank u!” zeide hij, op de kar stappende: „rij nu maar voort, koetsier!”

De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat en lei de zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.

De gansche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme verbazing naoogen: totdat de waard de stilte verbrak met den uitroep: „wel wie heit zijn leven zoo iets ’ezien? Wie kon nou denken, dat die Roodmantel de Czaar zou wezen?”

„De Czaar!” riep Simon, weder toeschietende: „nha doch! ’t is zooveel de Czaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! ’Eb ik den Czaar niet menigmalen ghezien, toen ’ij te Zerdam wherkte as een gemeene krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze ’ebbe je dhan holik bheet ge’ad, khastelein!”

„Wat! hoe! was dat de Czaar niet? Wie heeft dat dan verteld?” mompelden de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een uitdrukking van wrevel en toorn.

„Is hij het, die jelui bedot heit?” vroeg Andries, op mij wijzende: „jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat verkoopen!”

„Kom! kom!” zeide ik, „Czaar of niet, gijlieden moogt blij zijn, dat de zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een haartje gedeerd had: en ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen betalen. – Goeden morgen samen!”

Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.


1) Arlequin Actionist; Quincampoix of de Windhandelaars: blijspelen van Pieter Langendijk (1683-1756).

2) Men weet, dat studenten gewoon zijn een kurketrekker met dien naam te bestempelen.


[Hoofdstuk 1]  [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 3]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001