MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

DERDE HOOFDSTUK,

WAARIN WORDT BEWEZEN, HOE GEVAARLIJK HET IS ZONDER PARAPLUIE UIT TE GAAN, EN DE BESCHRIJVING GEVONDEN VAN EEN MOOI MEISJE EN EEN ROOIEN KOEPEL.


Nauwelijks was ik buiten Soest gekomen, of ik zag de huifkar een goed eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog toe gehouden had, mijn weg vervolgen, en wel niet langs de gewone heirbaan van Amersfoort op Naarden, door de Hilversumsche heide, maar oostelijker afhoudende met het voornemen, over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar daarentegen meer belommerd en minder eenzaam.

Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner hernieuwde wandeling; maar toen ik het Prinselijke lusthuis Soestdijk ongeveer een half uur achter den rug had, begon ik wederom uit te zien naar een herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of drank gevoelde, maar omdat de staat der luchtsgesteldheid mij hoe langer hoe meer vrees deed koesteren voor het ophanden zijn van een fiksche regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld zou neerkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte en zwarte wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide ijsschotsen. Geen gevogelte deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan de eene zijde van den landweg haar grauwe kruinen verhieven, noch in het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daarentegen zag ik, aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der daaronder vloeiende beek, en boven mij hoorde ik nog altijd het krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen. Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide een open schaapskooi gewaar werd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn weg voortzetten, ongezind, evenals de meeste lieden in mijn geval zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen, zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaarts trekken zou en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van de Zuiderzee ontlasten zou.

Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op eenmaal uit de diepte van het bosch scheen los te breken, verving de doodsche stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het kreupelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Tegelijkertijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddellijk door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had genomen. Nauwelijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bijwijlen vervangen door de schrikverwekkende verlichting van het weerlicht: groote plassen, waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte hoopen hagelsteenen vulden in een oogenblik de rijsporen en andere oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe moeilijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken, en zooveel ik kon zorg gedragen de droge plekken uit te kippen, om er mijn voet op te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk; want de gansche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en modder heen; alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit te komen, en op mijzelven vloekende, dat ik van geene der gelegenheden, welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van oordeel. was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen verdienen): ja, ik begon te gelooven, dat de orkaan, die om mij heen loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf gewaar werd, waarbinnen ik, althans eenige, zoo geen volkomene, schuilplaats hoopte te vinden.

De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde verhief zich een statig beukenbosch, welks breede en diepe lanen zoovele prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en blinkende stammen de kolommen, – de dikke zuigers, van weerszijden opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en schoorbalken – en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen smaak aangelegd, met sterrebosschen, geschoren lanen en slingerende berceaux, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en fonteinen, zonnewijzers en koepeltjes. Een groot en sierlijk hek van gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd, en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee geschoren beukenhagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde grasstrooken, waar tusschen de rjjweg liep, en langs welken aan weerskanten de met lekzand bedekte voetpaden liepen, van afstand tot afstand met zonnebloemen en stokrozen beplant. Aan het einde dezer laan, welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen en met bloemplanten begroeid waren; – terwijl het plein voor het huis nog bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd alles zoo nauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze beschrijving te geven: met dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige was genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen opvatten van den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars of bewoners dezer hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde snelle oogenblik met genoegen op, dat hij een minnaar van bloemen wezen moest (een smaak, die mij altijd eigen was); want ik zag heerlijke oranjeboomen in menigte op het plein, en de trappen van de dubbele stoep schenen mij (zoover de afstand mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemgewassen in fraaie vazen voorzien te zijn.

Het was echter niet in het heerenhuis, dat ik, arme wandelaar, een schuilplaats hoopte te vinden. Zijn uiterlijke tooi, vooral nu ik doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt om mij in zulk een aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar bovendien stond dat gebouw nog te ver van mij af en zag ik naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij vleide ongestoord en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik heb nog vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van GULDENHOF voerde) was open, en kort daarbij stond, half rustende in de moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, een achtkante koepel van witten steen. Ziedaar alles wat ik er toen van zag; ik kan er echter te dezer gelegenheid bijvoegen, dat het een sierlijk gebouw was, met vier breede en vier smallere zijden: drie van de eerstgenoemde waren met kruisramen voorzien (want men kende toen nog bijna geene andere), die het uitzicht op den landweg hadden: de vierde, meest binnenwaarts geplaatste zijde bevatte den ingang, waartoe men door een prachtige stoep met marmeren trappen en leuningen geraakte. Niet slechts waren deur en vensters door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten de smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit bas relief de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, jacht en schoone kunsten prijkten, als moest daarmede te kennen gegeven worden, dat de eigenaar, zijn geld in het eerstgemelde vak gewonnen hebbende, het tweede voorstond, het derde uit liefhebberij beoefende en het vierde beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met ijzeren dwarshouten, om licht en lucht in den kelder te geven. Het dak was rond en met lood belegd en eindigde in een soort van gedraaiden kegel, van boven met een vergulden bol versierd.

Deze verblijfplaats nu lachte mij aan. Met drift snelde ik het hek binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van den koepel gesloten te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten en onder de vooruitspringende lijst eenige beschutting te vinden. Ik werd echter niet teleurgesteld; want nauwelijks was ik de marmeren trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben afgeschrapt, de stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn voeten af op de net gevlochten matten, die zoo buiten als binnen de deur lagen. Nauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen, waarvan de slappe randen, die een tijdlang mijn schouders beschut hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt.... dat ik namelijk niet alleen was.

Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij geheel niet gesticht scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar grondige redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten spoedigste te verwijderen.

050.gif (28486 bytes)Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag dat zij ook onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in mij ’t een of ’t ander, ’t geen haar, in weerwil van mijn ongunstig uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde: in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.

En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; ’t geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij. Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz., waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid zoude verbeteren.

„O! ’t is niets, Mjnheer! zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging: „gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen.”

Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn zotte houding haar in een goede luim; want haar gelaat klaarde op, en zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:

„Ik heb eigenlijk niets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne rechten trede en u een schuilplaats vergunne.”

Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn beschroomdheid geheel geweken. „In waarheid,” zeide ik, „het weer is zoo boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al mocht het onbescheiden geacht worden.” Dit zeggende maakte ik weder een buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.

De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort, zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking; waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar, mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes en rozeroode lipjes, die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis versierden; – maar ik begreep dat de betamelijkheid mij verbood, haar zoo gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar buiten te zien, of de regen ook ophield, iets, waarop althans voor ’t oogenblik, geen uitzicht scheen, – en met de binnenzijde van het zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten, hierbij den goeden smaak des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben. De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd: maar de kroonlijst, zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het derde een fontein verborg, en men in het vierde

een verholen trap, die uitquam in een kelder,

zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een groote ster binnen drie breede randen voorstelden; – echter waren alleen de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.

Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan haar boek opzag, om naar het weer te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:

„Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen met u onder dankbetuiging te verlaten.”

„Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen,” zeide zij, haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mg en toen zeer lang op de zwarte wolken gevestigd houdende: „het is waarlijk nog geen wandelweer.”

En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten bevestigde de waarheid van haar woorden.

„Mejuffrouw is al te goed,” hernam ik: „er zou mij anders minder aan gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor ’t poortsluiten binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn oogmerk te bereiken.”

Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar geheel onbekend was.

„’t Is noodweer!” vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan ’t praten wenschende te krijgen: „het koren dat te veld staat zal er zeker vrij wat door lijden.”

Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.

„Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden,” zeide ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de lippen en keek in haar boek.

„Dit schijnt een fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk.”

Er was wederom geen antwoord.

„Voor den drommel!” dacht ik: „is het preutschheid, trotschheid of domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?” Ik kon het haar echter, bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche, misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:

„Mag ik vragen,” zeide ik, „of dit goed niet toebehoort aan den Heer Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze omstreken een fraaie hofstede bezat.”

„Ja, Mjjnheer! de Heer Blaek is mijn oom,” was het antwoord, waarvan de koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van teruggedreven te worden.

„Dat is mij bijzonder aangenaam,” zeide ik: „ik herinner mij niet den Heer Blaek ooit gezien te hebben.” Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar dat het haar voorts ten eenenmale onverschillig was of ik haar oom al dan niet kende. Nu vervolgde ik:

„Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten huize mijns vaders ontmoet.... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner.”

„Hij was mijn vader,” zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: „ik heb voor twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen.”

„Het is waar,” zeide ik: „ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie..., Mijn vader is thans Hoofdschout te Amsterdam.”

„De Heer Huyck uw vader!” zeide MejufFrouw Blaek, op een uiterst minzamen toon, haar boek sluitende: „o! ik ken hem zeer goed; en vooral uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar Amsterdam vertrekken.”

„En zij waren wel, hoop ik?.... indien ik zoo vrij mag zijn daarnaar te vernemen?”

„O! zeer wel!” antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en geheel ongedwongen: „en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd. wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven.”

„Nu! het verlangen is wederkeerig,” zeide ik: „het doet mij ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en vooral uit zulk een beminnelijken mond.”

Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.

„En is waarlgk mijn lieve moeder zoo wèl als UEd. zegt? Volgens de laatste berichten, die ik van haar ontving, had die lastige kwaal, de hoofdpijn, haar weer gekweld.”

„Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw,” zeide Mejuffrouw Blaek: „ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang zoo wel niet geweest was.”

„En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was, leefde zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in ’t uur de les kon lezen.”

„Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in ’t zout is gelegd,” zeide Mejuffrouw Blaek, lachende: „nu, gij zult het toch van Santje wel willen hooren? – waar zijn de oudste zusters voor, zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?.... – ofschoon ik vrees, dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen.”

„Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij een man heeft, om dien te regeeren.... Apropos, weet UEd. ook of er zich al één voor haar heeft opgedaan?”

„Zoo ik haar vertrouweling ware,” zeide mijn nieuwe kennis met een fijnen glimlach, „zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen ik weet: – en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen.”

„O hemel!” hernam ik, „dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gansche gemeente verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan tusschen den Heer N. N. en Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck.”

„Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altjd over u sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt.”

„Zij heeft u dus over mij gesproken,” zeide ik met levendigheid: „dat verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend.”

„UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet benadeeld heeft,” zeide Mejuffrouw Blaek: „en dat gij meer verplichting aan haar hebt, dan men uit uw woorden van zooeven zoude opgemaakt hebben.”

„Wel, daarvan ben ik overtuigd,” zeide ik: „verre van mij, zal zij niets dan goeds van mij zeggen; – maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen verschijn.”

„Dat is de ware vriendschap,” zeide Mejuffrouw Blaek: „iemand zijn fouten in ’t aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te prijzen: – maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt.”

„Hoe!” herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdchap en spijt ondervond: „zij heeft u mijn brieven laten lezen?”

„Immers uittreksels daarvan.... beschrijvingen van landen en steden, zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen, dat zij mij dikwijls vermaakt hebben.”

„Helaas!” riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: „vermaakt! wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel liever op zijn bed had liggen droomen. – Nu voorwaar! nu zal ik toch ook op mijn beurt eens klagen over zulk een misbruik van vertrouwen.”

„Ik dank u voor de beleefdheid,” zeide Mejuffrouw Blaek: „UEd. denkt dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was.”

Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg: en ik ging dus schertsende voort: „Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken: integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt, beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de onze zijn....”

„Dat spreekwoord gaat niet door,” zeide Mejuffrouw Blaek, droogweg: – en als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het ware.

„Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen,” antwoordde ik: „want mijn uurwerk heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing moet het echter niet verre van half één zijn.”

„Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik ben nog niet aangekleed.”

„Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?”

„Wel neen,” zeide zij lachende: „dit is de meening niet: gij zit hier droog; waarom zoudt gjj u nogmaals aan de bui blootstellen ?”

„Indien dit uw eenige reden is,” zeide ik, „snel ik er dadelijk heen. Ik ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een water loopen, om u van dienst te zijn.”

„Neen! Neen! ik dank u,” zeide zij, eenigszins onverduldig; „er zal straks wel iemand komen, om mij te halen.... of liever.... zoodra de bui bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg.”

Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte, gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij mij daar verlof toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich ziende:

„Hoor eens, mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat. UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen.... ik ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen, dat….”

„Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij gehoord is?” viel ik in de rede.

„Luister!” hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: „ik moet u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg botstil, daar ik u toch niet ontloopen kan.”

„Op mijn woord,” hernam ik met vroolijkheid: „ik kan niet gelooven, dat UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden. Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik denk.”

„Hoe langer hoe mooier!” zeide zij: „in welk van de door u bezochte landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet er niet naar behooren op te antwoorden.”

„Het is dan toch waarlijk wat al te erg,” hervatte ik, „dat al mijn gezegden zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den tegenovergestelden zin op te vatten. In ’s hemels naam!” voegde ik er haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: „wees niet boos, maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de gelegenheid is geweest een meisje in ’t Hol]andsch aan te spreken: en zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn blijdschap over de eerste ontmoeting met, een stadgenoot mij ’t hoofd op hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet de een of andere....” hier schoot ik onwillekeurig uit in een schaterend gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest. Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die ongemeene vroolijkheid beduidde.

„Ik bid u duizendmalen om vergeving,” vervolgde ik: „maar juist herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb, en wel een Joodje met negotie: dat denkbeeld, in verband met hetgeen ik zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen.... UEd. is er toch niet boos over?”

„Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwentwil, zon UEd. aan voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in duigen.”

„Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd, en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze tweede kan mij niets dan goeds voorspellen.”

„Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid,” zeide het schalksche meisje: „of kunt ge nogal tegen een nat pak?”

„O ho!” zeide ik: „daar vrees ik niet voor: straks loop ik mij weer warm.”

„Wel mogelijk!” zeide zij, met een goedaardigen blik: „maar het ware toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast bevat.”

Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed had, tot buffet diende en waar behalve eenig Japansch en Chineesch porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren, zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel zette.

„Ziehier!” zeide zij: „wat zult gij nemen? cognac, rum, rosolis, ratafia! wat gij begeert.”

Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed. Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde, het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:

„Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen mochten dringen,” zeide ik, „om niet verlegen te zijn, waar zij iets naar hun gading kunnen vinden.”

„O!” zeide Mejuffrouw Blaek: „de koepel wordt goed gesloten: en het weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van ’t inbreken niet waardig.”

„Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn,” zeide ik, mij omdraaiende, en het opschrift der boekenkast lezende, ’t welk van dezen inhoud was:

„’t Is jammer van ’t goud, dat aan de letters verspild is,” dacht ik bij mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: „hm! zeer aardig!”

„Thans, heer waarheidspreker,” zeide de schalksche plaagster, „ben ik overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt.”

„Wat zal ik zeggen,” hernam ik, de schouders ophalende: „hoogdravende poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen die doel treffen, en dat kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit.” – En dit was waar.

„Mag ik eens verder lezen?” vervolgde ik, en hief nu aan met het opschrift, boven het derde vak geplaatst:

„Voorwaar!” zeide ik: „ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid zou aantreffen.”

„Wat zal men veel zeggen over een fontein?” zeide Mejuffrouw Blaek, de schouders ophalende: „onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze stamvaders bij te pas te brengen.” Ik wendde mij om en las het vierde opschrift.”

„Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,” zeide ik: „hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunst gewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.”

„O! wat zijn naam betreft,” zeide Mejuffrouw Blaek, „die staat buiten boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij nimmer weer een pen op het papier.”

„Ik houd mij toch overtuigd,” zeide ik, „dat hij betere dingen maken kan, wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen.”

„UEd. raadt wel,” zeide zij: „ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd, zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden. Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres, Minerva, weet ik wat al meer: ’t is waar, ik had hem ook een degenstrik geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan Atalante! dat was een leelijke val.”

„Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen,” merkte ik lachende aan: „maar komaan! dan wil ik weder op den Olympus terugbrengen en u mijn dank als Hebe toebrengen,” en ik dronk mijn glaasje uit.

„Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!” zeide zij, spottende.

„Ik bid u om vergeving,” zeide ik: „zij gaf ook Hercules, die maar een halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam.”

„’t Is mogelijk!” hernam zij: „ik zal mij niet vermeten te twisten met iemand die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?.... o hemel! daar luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen.”

„Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis,” vroeg ik, „dat niet een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?”

„Ik durf niet langer blijven,” zeide het jonge meisje, met blijkbare verlegenheid: en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: „gevonden! gevonden!” mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich gelijktijdig op de stoep vertoonden.


[Hoofdstuk 2]  [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 4]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001