MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

VIJFDE HOOFDSTUK,

HET WELK BANGE LIEDEN BIJ AVOND NIET MOETEN LEZEN.


„Wel dat treft nou ongelukkig!” riep de waardin, na mijn schoenen bij het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van een aldaar gehouden middagmaal: „dat is jammer, koopman! dat je nou geen amerijtje vroeger ’ekomen waart! dan had je mee kunnen anzitten met twee passeziers, die hier ’egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn huis hebben met ’epakt.”

„Zoo!” zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome modedeeling, en voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden aangerekend: „waren dat zulke schrokkers?”

„Dat wil ik nou justement niet zeggen,” antwoordde de vrouw des huizes, terwijl zij de overgeschoten kliekjes ontweldigde aan de duizend en eene vlieg, die er op aasden: „de jonge vrijster althans heit bijkans geen mond vol ’egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een groote blikken trommel ’estopt, die zij met zich hadden, puur as gingen zij naar het onbekende Zuien, en of er te Naarden of te Weesp, waar zij dan ook heentrokken met ’erlui huifkar, geen sikkepitje te krijgen ware.”

Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Czaar verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden mantel droeg.

„Ken kerel as een boom,” antwoordde zij: „en dien ik niet graag alleen in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo’n hupsche deern was ’eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een fooi an de meid ’egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel ’edacht hebben, dat het Zwarte Piet zelvers was. Ik had warentig medelijen met het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,.... maar met dat al mot je geen honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op weg ’ehad! ’t Zel de boeren ook rouwen, die ’erlui hooi nog niet binnen ’ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar wagens na van een kampje, dat wat ver leit, heel onder Eembrugge; maar er zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Heb je nog ergens ’eschuild, koopman?”

Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te verschaffen, haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht was.

„Op Guldenhof!” herhaalde zij, eenigszins vreemd opziende; „een mooie plaats, he? ken je meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat men zoo bij hem oploopt.”

„Ik ken hem slechts van aanzien,” antwoordde ik: „ook heb ik niet in huis, maar op den koepel geschuild.”

„Nou kijk! dat had hij eensjes motter. Weten! – Niet, of ’t is een weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: lest heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn ’ezonden an Lijs, de vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam ’ehad heit; – maar ik wil maar zeggen – hij ziet niet graag menschen bij zich: hij leeft zoo wat eenigjes met zen nicht en zen zeun: – een knappe borst – zen zeun, en een mild heer, dat beloof ik je. – Zen zeit zoo, ze zullen een paartje worden samen: – Volle neef en volle nicht! ’t is niet zoo as ’t hoort!”

Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beamen, schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot den Roomschen godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar boezem te bemerken was, een dergelijk huwlijk af moest keuren, als met de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn nieuwsgierigheid opgewekt.

„En zou dat huwlijk al spoedig doorgaan?” vroeg ik.

„Dat ’loof ik niet, koopman! – Dat jonge Heerschap is zoo wat los en liber, zooals ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af aan den ketting te liggen.”

Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude, was mij hoogst onaangenaam geweest; doch de gedachte, dat hij zulk een verbintenis niet op den waren prijs zou stellen en die als een lastigen band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijn oogen.

„Nou!” vervolgde de waardin: „ik ken ’t me wel begrijpen: het meisje heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en ’t is maar een schraal poppie: hij kan wel wat beters krijgen!”

Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal popje dorst noemen: het was een dikke, gezonde zus, met wangen of zij de hel had aangeblazen: zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zoude, mij voor het venster plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet: althans zij had de tafel geruimd en verliet mij, met de belofte in een ommezientje met het eten terug te wezen.

Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de niet verre van daar aan de overzijde van den weg gelegene kerk, een kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijke spits voorzien. Meer nabij en vlak tegenover mij stond een koepeltje, wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op een wanstaltige wijze nabootsten. Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang inboezemden, zoo lang, totdat de wasem, welken man adem op de glasruiten had teweeggebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen kijken, totdat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit getrokken.

Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigszins wrevelig tegen mijfzelven, en haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.

Deze daad bracht mij opeens van het rijk der verbeelding tot het werkelijke leven terug: want het nu weder heldere glas deed mij iemand zien, die, een weinig zwaaiende, althans met geen vasten stap, van den kant van Soest kwam aangetreden: – en terstond herkende ik in dien persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Soest had verwekt.

Reeds wenschte ik mijzelven geluk, dat ik niet op den weg door dien lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt gewaarwerd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur stevende en binnentrad. Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk kamertje gezeten was! „Mits nu maar,” dacht ik, „de waardin dien vent niet hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en zijn dochter had willen doen spijzigen!”

Doch dit liep beter af: na een geruime poos kwam de vrouw des huizes terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede te deelen, dat ik ’s morgens te Soest eenig ongenoegen gehad had met den man, die beneden zat, en liever niet met hem opnieuw in aanraking wenschte te komen.

„Nou! ik ’eloof het wel!” zeide de waardin: „’t is een ongemakkelijke kompeer ook as hij begint, die eigenste Andries; maar hij zel zich nou stil houen hoop ik; hij zit althans heel bedaard een glaasje bier te drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist beneden was: – zij spreken ondertusschen een rare taal, maar die ik liever niet hoor dan al: ’t is Duitsch 1) en toch geen Christenziel kan ’t verstaan: ’t is net dieventaal.”

Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en begon, niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen. Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minste zoo lang te rekken, totdat Andries de herberg zoude verlaten hebben: doch, spek en brood waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den lastigen matroos deed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op, liep wrevelig de kamer op en neder, begon mij eindelijk verwijtingen te doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde en bloosde een oogenblik over mijzelven.

„Kom!” dacht ik: „waarom niet moedig de deur uitgestapt? – Misschien ziet mij de kerel niet eens: en, zoo hij mij al opmerkt, ’t is niet gezegd, dat hij nu juist weer twist zou zoeken.”

„Maar neen!” vervolgde ik bij mijzelven, de deurklink, die ik reeds had aangevat, weder loslatende: „schoon hij mij hier al met vrede liet, hij zou mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zou durven staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van ’t vechten schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet en niet uit den weg gaat, handelt dwaas: en die dronkaard beneden is niet veel beter dan een dolle hond.”

Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn besluit, om niet te vertrekken, dan voordat Andries vooruitgegaan was. Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de aangename kennismaking van Henriëtte Blaek op den achtergrond stelden: het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis hoorde verschuiven, en, aan het raam glurende, zag ik nu weldra Andries met nog een man, die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de herberg verlaten. Zij liepen met groote schreden voort, als menschen, die hun tijd verpraat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenige oogenblikken, ten einde hun gelegenheid te gunnen, om zich genoeg te verwijderen, betaalde vervolgens de vertering, en vertrok, mijn weg links af naar Laren nemende.

Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de slechte staat van de wegen na den regen het loopen moeielijk maakte, als ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen, en keek ondertusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte. Ik had echter wel een goed kwartieruurs geloopen, eer ik iets bespeurde, dat op hen geleek, maar nauwelijks was ik den grenspaal voorbijgetreden, die Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der schade, door den hagel teweeggebracht in de korenvelden, welke deze anders zoo lachende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af zeer in ’t verschiet, twee personen in ’t oog, die een paadje volgden, dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij voorkwam in allen deele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn makker.

Ik was nu geheel gerustgesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort, daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder was verstreken dan ik gedacht had, en de allengskens dalende zon mij vreezen deed, Naarden niet voor poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen toenmaals in die vesting te zes uren plaats had. Wel is waar, er bestond nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen: doch hiertoe werden meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik, met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wij nog een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den heuvel beklonm die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze vesting, waar ik zooeven van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de huifkar herkende, die ik des morgens te Soest had gezien, en die thans ledig terugkeerde. De voerman, het pijpje, dat hem tusschen de lippen stak, hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven vasthaken aan het wiel en daarmede langzaaam voortslingerde.

Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: „hei! ho he wat! goede vriend!” riep ik: „gij zult een goede zweep verspelen, zoo gij niet oppast.”

„Wat is er?” riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: „wat wou je?”

Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was op zijn geroep al dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman, waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond. „Sta, Kees!” zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde; want het beest had volstrekt geen plan op den loop te gaan: „dankje wel, koopman!” vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite loswurmende. In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk al naar Naarden gebracht had.

„Dat weet ik niet, waar ze ’estoven zijn,” antwoordde hij: „ik heb ze aan deuzen kant van Naarden of’ezet op een plek, daar huis noch pad te zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar half: ze lekenen allebei zoo bang om ’ezien te worden. – Maar, wat scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi ’egeven en dus, ik heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt veur je beleefdheid.”

Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog toe: „je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou ’t er veur, dat het niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in ’t bosch hooren fluiten; zoodat ik blij was dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi Kees! vort pért!”

De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig gesticht over de tijding, mij door den voerman slechts medegedeeld. Ik poogde mij wel wat gerust te stellen met de gedachte, dat men het niet wagen zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een vesting, terwijl bovendien mijn bagage noch mijn uitrusting van dien aard waren, dat zij een roover in de verzoeking konden brengen; – maar de veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogeljk ware, was alles behalve aangenaam.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men van daar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen; – over Blaricum, de beide Eemnessen, Soest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blauwe zee, de Stichtsche bergen en de grauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen.

Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare bouwlanden, geen landhoeven meer: aan weerszijden een dorre, wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der ’s-Gravenlandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van, zoo dikwijls ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en die, slechts een uur of anderhalf van mij gelegen, oase, waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt. „Voorwaar!” dacht ik, „mijn goede tante Van Bempden, die ginds haar buitenplaats altijd vol gasten heeft, denkt thans weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide kuiert.... ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven heb: de goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij wat royaler de provincie binnengekomen;.... maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet.”

Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante Van Bempden, van Andries en van de rooversbende van Zwarten Piet, kwam ik langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu en dan kleine kampjes met peulvruchten beteeld: wat verder op groeiden heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en meer het uitzicht, totdat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene lustplaats scheen te behooren.

Het was op die hoogte ongeveer, dat de flauw gehoorde tonen van een klok of bengel, welke allengskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij zou moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met verhaasting voorttrad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren, gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid: waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zou echter mijn opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest, dat ik, juist te dier plaatse, in ’t voorbijgaan iets zag liggen, hetwelk ik, bij nadere beschouwing, voor een groene beurs herkende.

Ik raapte die op en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan. Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan een der personen, die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen: maar hoe die weer aan de eigenaars terugbezorgd? de voerman was mij onbekend en kende zelf, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet, die hem niet aan een huis of plaats, maar midden op weg hadden verlaten.

A1 overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich daar ook iets in bevond, hetwelk mij eenig licht zou kunnen verschaffen. Ik ledigde het daarin beslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien kornalijn, waarop een wapen zeer kunstig gesneden was. Terstond liet ik het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den eigenaar terug te vinden; maar nauwelijks had ik gezien, dat het in een Sint-Andrieskruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met talrijke sieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde opeens in de nabjheid een gefluit en te geljk een geritsel van takken alsof iemand zich een weg door de struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kerel van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met den uitroep „annemekanneme meêsamen!”

Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of beteekenis ik nooit heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen geven, als: „wij deelen het gevondene te zamen:” – en, wat mijn ontsteltenis niet weinig vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.

Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht omvattende, zag ik hem scherp in ’t gezicht en vroeg, wat hij begeerde.

„Wat ik begeer!” herhaalde hij met een hoonenden lach: „wel! niet meer, hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even gauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo vlak voor-de-wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen recht heit, om die geeltjes bj moeder Kee te gaan verzwendelen: ik heb ze al zoo noodig als jij.”

Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld, maar hield hem niettemin in het oog, gereed hem voor te komen bij de minste verdachte beweging die hij maakte: „al wat gij zegt moge waar zijn,” zeide ik: „maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te brengen.”

„Ei! ei!” zeide Andries, een spottend gezicht zettende: „terugbrengen! wel dat bedenk je fijn! denk je dat ik je uitvluchten niet merk en geen lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren.” – En dit gezegd hebbende, floot hij ten tweedenmale.

De zin der geuite woorden was te duidelijk om kwalijk verstaan te worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker, maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen nederkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de hoop van alzoo den medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te ontkomen. – De vlucht was mij echter van geen nut; want nauwelijks was ik tien passen verder, of twee andere kerels sprongen van weerszijden uit de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep mij de ander in den kraag.

„Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt,” riep Andries, toesnellende: „hij wou het mij draaien, maar hij zel er voor bloeien, nou hij voor drie ankers leit.”

„Verroer u niet, of het gaat er door,” duwde mij Haentje te gemoet, in wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en meteen zette hij mij een mes op den strot.

082.gif (87249 bytes)„Kom koopman!” zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: „laat u raden: alle tegenstand ware onnut: overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan goud en zilver bij u mocht hebben: gij zult daarna eens zoo luchtig voortwandelen.” Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in ’t gezicht. Hij was iemand van een allergunstigst uiterlijk, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn gelaatstrekken waren, ja, eenigszins verschroeid en verhard, als die van iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en innemend; geestigheid fonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende lokken van dezelfde kleur versierden zijn schedel. Zijn gewaad daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.

Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zooals Andries zich had uitgedrukt, voor drie ankers vast. „Indien het niet anders kan,” zeide ik, „neem dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten.”

„Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt,” zeide de Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zoude aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een verjaringsgedicht was komen opzeggen: „en daar gijzelf niet rijk schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar dubbeltjes overlaten om te Naarden een slok te koopen en van den schrik te bekomen.”

„Niet rijk!” herhaalde Andries: „zoo meteen is hij nog op onze eigene kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt.... ik heb hem net bijtijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan; want dat doet er niet toe.... wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik heb hem hedenmorgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater zou komen.... en mijn woord moet ik houen, weet je.”

Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in, en ik sloeg het oog met ongerustheid op den in ’t zwart gekleeden roover, tot wien Andries zijn rede wendde. Ik sidderde, toen ik hem de wenkbrauwen zag samentrekken en op een korten, gebiedenden toon hoorde zeggen: „kent gij hem? – In ’t bosch dan met hem!”

Dit bevel was nauwlijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten mij tegen de hoogte op en door de struiken. Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te schudden en te vermoorden? Ik vormde intusschen het vast besluit, mijn leven niet dan ten duurste te verkoopen, en alle middelen, welke list of geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de borst voelen; maar, toen wij allengskens wat verder in het kreupelbosch geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt, hunne moordtuigen een oogenblik van mij af te houden: Haentje om een tak af te snjden, die hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op, en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek mij echter daarna dat ik een verkeerden kant had ingeslagen: weldra bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de afgrijselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwars doorheenliep. Mijn krachten waren uitgeput: ik bemerkte, dat ik weldra zou ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.

”Waagt het niet, mij te naderen,” riep ik, mijn stok, dien ik altijd was blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.

Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzag in. Hij, die de hoofdman der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over. „Laat die gekheid varen,” zeide hij, op mij aanleggende, „of het gaat er door.”

„Xaak maar gerucht,” hernam ik: „de justitie is u al op ’t spoor.”

„Hj heeft voor den duivel gelijk ook,” hernam de Zwartrok, lachende, en stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij zich: „maar, het zal hem weinig baten.” Dit zeggende, haalde hij een kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en kwam met het ontbloote staal op mij af. Ik verdedigde mij een korte poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: „moord! moord! dieven!” maar het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg, mijn arm te vatten op het oogenblik dat ik daarmede een stoot van den hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachts een krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde klinken en Andries naast mij op ’t gras zag neertuimelen. Ik rees op, en ziet! de vreemdeling met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan mijn zijde. Hij droeg geene wapens en toch schenen zijn forsche houding, zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waarop hij Andries het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met verbijstering te hebben geslagen: althans zij bleven een wijl besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep de hoofdman met opgeheven staal mijn redder te gemoet.

„Hoe is het, Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?” vroeg deze, zonder zich te verroeren, en hem strak aanziende.

„Is het wel mogelijk!” zeide Zwarte Piet, met verbazing, terwijl hij zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: „zijt gij het zelf, Kapitein! of is het uw geest?”

De andere roover wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een wenk op zijn plaats blijven.

„Is dat uw handwerk tegenwoordig?” vervolgde de Roodmantel, op een verwijtende toon: „moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder mij gediend heeft?”

„Ja, Kapitein!” zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn hoed tusschen de handen wrijvende: „wat zal ik u zeggen? ’t Is een slechte tijd, en ....”

„Geen woord meer!” hernam de vreemdeling: „neem uwen makker op, zoo hij niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor den nacht alle drie den omtrek van Naarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat beloof ik u.”

De roover zette, zonder eene letter te antwoorden, den hoed weder op het hoofd, stak zijn rapier in de scheede, trok zijn rok aan, en gelastte Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.

„Voor den d....!” zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden blik aanziende: „zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens de volle laag te geven?”

„Ja!” zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: „ik begrijp niet....”

„Gij begrijpt niet? … Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels die gij zijt,” zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: „gij ziet den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik zou het doen ook, voelt gij! Kom! kom! geen praatjes meer. Gij weet, waar wij elkander terugvinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal u beenen maken.”

Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des laatsten hetzelfde ontzag te voeden, als deze wederkeerig aan den vreemdeling betoonde: en, schoon eenigszins brommende en schoorvoetende, trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en weldra uit ons gezicht.

„Is er nog iets van uw dienst, Kapitein?” vroeg de roover, zoodra zij vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.

Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.

„Indien gij mijn diensten noodig mocht hebben,” vervolgde hij: „mijn adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duivelshoek, te Amsterdam.”

Hier zweeg hij plotseling en sloeg een argwanenden blik op mij: „Ik heb mij daar mooi verpraat,” zeide hij: „maar!” hier werd de toon zijner stem, die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en welluidend was, weder kort en scherp: „Mijnheer! gij zijt gewaarschuwd, voorzichtig te zijn.”

„Ik zal dat alles wel schikken,” zeide mijn redder. „„Maak maar, dat gij nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben.”

De roover glimlachte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel tevreden gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.


1) Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog verkeerdelijker Nederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen in het blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel.

We praeten ummers allemael
Oprechte zuivre Duitsche tael.

Noot van den Uitgever.


[Hoofdstuk 4] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 6]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001