MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZESDE HOOFDSTUK,

WAARIN ONZE HELD VOOR DE TWEDE REIS OP DENZELFDEN DAG GEVAAR LOOPT VAN ZIJN HART TE VERLIEZEN.


Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem ruimen deed. Was de ontzagverwekkende vreemdeling misschien ook zelf het hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem gaf, daaruit afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen door het vermogen van zijn mij uit de handen van drie boosdoeners verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te luisteren, geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen, mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij bewezen had.

Hij ontving mijn betuigingen met koelheid:„al genoeg,” zeide hij, na een poos zwijgens:„ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt.”

„Geloof, Kapitein!” zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet omtrent hem gebezigd had,„dat mijn dankbaarheid....”

„Verschoon mij!” viel hij mij kortaf in de rede:„ik heb thans geen tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is allemans gading, en....”

„Een groene beurs!” riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke zich aanbood van hem op mijne beurt een dienst te bewijzen. „Hebt gij haar gevonden?” vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van het pad langs den grond keek.„Zij bevatte goudstukken,” vervolgde ik:„en bovendien....”

„En een ring met een stempel,” zeide hij, den volzin besluitende.„Hier is zij,” hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende,„door mij te redden hebt gij meteen uw eigendom gered” – en ik verhaalde hem, hoe die beurs de voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.

„Het is als ik gedacht had,” zeide de Kapitein:„ik heb den voerman op den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van er in gestoken. Gij hebt mij inderdaad een gewichtigen dienst bewezen. Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak,” vervolgde hij, terwijl hij mij met opmerkzaamheid beschouwde:„schijnt gij tot een deftigen stand in de maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet onbeleefd te handelen, door u een geringe douceur voor de genomene moeite te schenken.” En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken tusschen de vingers en stak mij die toe.

„Ik dank u,” zeide ik: „uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van den Heer Huyck, den, Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen dienst kan zijn....”

„Zoo!” zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze samentrok: „de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand, alleen wagen op onveilige wegen.”

Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op deze wijze: „Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan.”

„Ik vrees,” zeide ik, „dat het te laat zal zijn de stad nog voor poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te maken van de ontmoeting, die mij is overkomen.... en zoo UEd. mij wildet vergezellen....”

„Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts betaamt,” zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: „maar ik voor mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij een zoodanige gelegenheid nooit missen.”

„Zooals UEd. wil,” zeide ik: „doch ik meen dat er aan buitenzijde buiten de poort een vrij goede herberg is, Jan Tabak of een dergelijken naam voerende; – zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om....”

„Niets van dat alles,” zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige beweging makende:„laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft, handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen.”

Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid, welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor ’t overige gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de lieden, uit wier handen ik zooeven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van de hoop, dat ik door mjn verblijf geen ongelegenbeid aan mijn gastheer zoude veroorzaken.

„Volstrekt niet,” zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: „alleen door hier te blijven draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken.”

„In dat geval vergezel ik u terstond,” zeide ik, en volgde hem op het ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg, aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te komen.

„’t Is hier slecht wandelen, Kapitein!” zeide ik, mijn voet losrukkende, die in de modder was blijven steken.

„Dat kan ik niet ontkennen,” antwoordde hij:„maar mag ik vragen, waarom gij mij den titel van Kapitein toekent?”

„Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen,” hernam ik.

„Wel mogelijk!” zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende: maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen,” vervolgde hij op een vrij hoogen toon:„ik heet eenvoudig Bos.... althans voor het tegenwoordige.”

Ik zweeg en volgde, gelijk een hond die een kastijding ontvangen heeft, zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen, hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal pad, hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve gewaarwerd, welke ik veronderstelde, dat het doel onzer wandeling zijn zoude. Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre:„Zijt gij het, Vader?”

„Stil! stil!” antwoordde deze:„ik kom niet alleen.... dezen weg op, Mijnheer!.... waar is de oude Martha?”

„Bezig met het avondeten te bereiden,” antwoordde de dochter op een nog flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij niet weinig verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.

„’t Is wel!” antwoordde haar vader, binnentredende: „breng Mijnheer in het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha overleggen, waar wij hem huisvesten zullen.” Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De Jonge Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de vragende blikken op mij.

Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.

„Mejuffer!” zeide ik: „ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat....”

„Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden,” antwoordde zij, met een vaste stem en een deftige hoofdbuiging: „wees zoo goed mij te volgen.” Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.

Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.

„Uw Heer vader,” zeide ik, „heeft mij zooeven het leven gered. Zonder zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.”

„Is u eenig ongeval overkomen?” vroeg zij, op een deelnemenden toon.

Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: „uw Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft.”

„Maar neem toch plaats, Mijnheer!” hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar verder bescheid te geven.„Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien, of ik hem ook van dienst kan zijn.”

Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich sluitende.

Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden, dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op mijn stoel neder.

Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden op te klaren: de ontmoeting met de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en telkens op een zoo vreemde wijze, in kennis met een onbekende Juffer bracht. Ik gevoelde thans echter minder opgewektheid dan des morgens om mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haar den galanten ridder te spelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden mij daartoe buiten staat hebben gesteld.

De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren: vooral in aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond. „Wie weet,” dacht ik nu,„of die Heer Bos, of zooals hij heeten mag, niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk, dat hij onbekend wil zijn: zou hij ook de verspieder zijn van deze of gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor het Gemeenebest? Ik ben lang uitlandig gevreest en dus niet op de hoogte, om goed met onzen politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien een omwenteling, een oorlog ophanden. Deze man kan een avonturier zijn, een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal.”

Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te verstrekken.

Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een vermolmd, wormstekig noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten, hetwelk naast de deur stond en met drie porseleinen vazen pronkte, in eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was. Daartegenover bevond zich de kleine, met gewast taf bedekte tafel, aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die vermoedelijk bedsteden verborgen.

De avond begon te vallen, en ik ongeduldig te worden: juist wilde ik beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen hoorde. De grendel week en de dochter mijns gastheers stond voor mij, met een glas water in de hand.

„Mijn vader heeft mij alles verhaald,” zeide zij, met een eenigszins ontstelde stem; „wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken.... en ik geloof, niet ten onrechte; maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van.”

Zij reikte mij het glas toe: ik wilde het aan den mond brengen, maar juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.

„Neem het maar,” vervolgde zij: „’t is klaar water, waarin ik eenige droppels spiritus heb gedaan. Ik zou u gaarne wijn aanbieden; maar dien hebben wij niet.” Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik het glas in langzame teugen ledig.

„Te veel goedheid!” zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas kletterden: „inderdaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij niet te erkennen, dat mij dat geval van zooeven eenige ontsteltenis veroorzaakt heeft.”

„Men zou van iets minder kunnen ontstellen,” zeide zij:„althans wanneer men aan dergelijke schriktooneelen ongewoon is; maar helaas! men went aan alles,” voegde zij er op een droefgeestigen toon bij.

Hoe, Mejuffer!” zeide ik, eenigszins verwonderd, en hopende door mijn vraag den draad van het geheim machtig te worden: „is u ooit iets dergelijks overkomen?”

„Er zijn droevige omstandigheden van verschillenden aard,” antwoordde zij: „het tooneel, dat hedenmorgen te Soest plaats had, was reeds genoeg om iemand schrik aan te jagen.”

„’t Is waar ook! Gij moet u toen in die huifkar niet op uw gemak bevonden hebben. Weinig dacht ik, zoo spoedig en op zulk een vreemde wijze, kennis te zullen maken met de persoon, die zich daarbinnen aan ieders oog onttrokken hield.”

„Ach!” zeide zij, op een weemoedige wijze het hoofd schuddende: „mijn vader heeft geglimlacht, toen hij mij verhaalde met welk een kluchtigen vond gij ons een veiligen aftocht bezorgd hebt. Hij had dit sedert jaren niet gedaan.”

„Hij schijnt vele wederwaardigheden ondergaan te hebben,” zeide ik.

„Gave God,” hernam zij, „dat wij daarvan slechts in den verleden tijd mochten spreken!”

Hier zweeg zij, en zich omwendende, wischte zij een traan uit het oog. Ik wist niet, hoe het gesprek weder te beginnen: het innige zielelijden, hetwelk haar scheen te beheerschen, boezemde mij eerbied in, en in de stemming, waarin zij zich bevond, vreesde ik een gezegde te wagen of een uitdrukking te bezigen, die haar gemoed op dezelfde onaangename wijze zou kwetsen als een valsche toon de ooren eens kenners. Van een anderen kant, dacht ik, zou het misschien onbeleefd kunnen geacht worden, bet gesprek geheel te laten vallen; en ik waagde derhalve de volgende vraag:

„Deze hoeve is ongetwijfeld uw gewone huisvesting niet.”

„Helaas! Mijnheer!” antwoordde zij op een toon, die mij tot in de ziel roerde:„wij hebben geen huisvesting, die wij de onze kunnen noemen.”

”Niet, Mejuffer!” zeide ik:„dan moet ik des te meer mijn vrijpostigheid beschuldigen, van u door mijn bijzijn nog grooteren last te veroorzaken.”

”Verschoon mij,” hervatte zij, zich herstellende:„mijn vader heeft u, geloof ik, reeds gezegd, dat die last niet noemenswaardig ie. Integendeel,” voegde zij er fluisterend bij, „ik ben overtuigd, dat hij u niet herwaarts zoude gebracht hebben, indien hij niet van oordeel ware geweest, dat zulks niet tevens het raadzaamst ware voor onze veiligheid.”

Dat was wel juist hetgene, waar ik ook van overtuigd was; maar toch klonk het mij eenigszins vreemd, de openhartige bekentenis daarvan uit haren mond te vernemen. Ik meende dan ook te moeten te kennen geven, dat ik geenszins de dupe der uitnoodiging van den Heer Bos geweest was.

„Het spijt mij, Mejuffer!” zeide ik, „dat uwe woorden mij bevestigen in een vermoeden, hetwelk ik reeds als onwaardig had onderdrukt, dat nameljk uw Heer vader mij verdenken kon van hem te zullen verraden.”

„Verraden!” herhaalde zij, terwijl ik haar oogen, niettegenstaande de duisternis, welke reeds in het vertrek begon te heerschen, zag schitteren van verontwaardiging: „indien hij u daartoe bekwaam had geacht, zou hij u dan hier gebracht en vrijwillig met zijn schuilplaats bekend gemaakt hebben? Wat wist gij van hem, dat gij zoudt kunnen verraden?.... maar vergeef mij, Mijnheer, ik spreek als een onverstandig meisje over zaken, waarover het zwijgen mij beter voegde. Erger u niet over de woorden, die ik mij ontvallen liet: de zonderlinge, de valsche toestand, waarin wij ons bevinden, vergunt mij niet, u duidelijker uit te leggen wat ik meene en gevoele. Bij zult geen misbruik maken van een uitdrukking, die mij onbedacht ontsnapte. Een woord van u zou ons niet alleen, maar ook de arme vrouw, die deze hoeve bewoont, in ’t ongeluk storten. Zeg mij, dat ik in u hetzelfde vertrouwen mag stellen, hetwelk mijn vader toont jegens u te voeden: zeg mij, dat gij de wetten der gastvrijheid eerbiedigen zult.”

„Mejuffer!” antwoordde ik, getroffen en verbaasd over deze uitboezeming van schijnbaar onsamenhangende woorden, welke mij per slot even wijs lieten als ik bij den aanvang was: „gij zegt wel, dat ik, al wilde ik ook, omtrent uw vader of u niets zou kunnen verraden; want niet alleen, dat mij niets ten uwen opzichte bekend is; maar ook de plaats van uw tegenwoordig verblijf zal niemand van mij vernemen, indien dit althans uw verlangen is; – zou ik iets kunnen weigeren aan hem, die mij het leven gered heeft? – Het Smart mij maar, dat iemand, van uwe kunne en jaren, genoodzaakt is zich schuil te houden, in stede van zich met opgeheven hoofd in de samenleving te vertoonen, waarvan zij zeker een sieraad zou uitmaken.”

Deze laatste woorden sprak ik op een zeer koelen toon uit, opdat zij er niet den minsten zweem eener plichtpleging in zou bespeuren. Haar antwoord toonde mij ook, dat zij die niet als zoodanig had opgevat.

„Men kan niet betreuren, wat men nooit gekend heeft,” zeide zij, weemoedig het hoofd schuddende: „en voorzeker zou ik mg kwalijk geplaatst vinden in die samenleving, welke gij bedoelt. Het weinige echter, dat ik daarvan gezien heb, is mij niet uitlokkelijk genoeg voorgekomen om mijn gedachten lang bezig te houden of die af te trekken van de roeping, die mij hier op aarde is aangewezen.”

Ik bleef eenigszins verlegen staan, niet wetende wat te antwoorden op haar betuiging, toen gelukkig voor mij, en ook voor haar, zoo ik mij niet bedrieg, de Heer Bos de kamer binnentrad. Hij had zich van zijn rooden reismantel ontdaan en vertoonde zich nu aan mij in het eenvoudige gewaad van een land-edelman of gegoeden pachter.

„Ik vraag u om verschooning, zoo ik u wat lang heb laten wachten,” zeide hij, zich tot mij wendende op een wijze, die wel hoffelijk was, maar toch altijd als die welke men in acht neemt jegens iemand, die een sport lager op de maatschappelijke ladder staat: „ik had beneden nog iets te verrichten: mijn dochter heeft het u, hoop ik, aan niets laten ontbreken.... immers, aan niets van hetgeen wij u hier kunnen verschaffen,” voegde hij er met een bitteren lach hij.

„Ik weet niet, wat ik voor bet oogenblik zou kunnen verlangen,” zeide ik, „of het zou een gelegenheid moeten zijn om mijn aangezicht en mijn kleederen te ontdoen van het slijk en de modderspatten, die ik op weg heb opgedaan.”

„Ga een waschkom halen, Amelia!” zeide de Heer Bos: „en een kleerborstel, indien hier een dergelijk meubel te vinden is.... of, hoe kan ik zoo dwaas wezen? ik heb den mijnen immers in den zak.”

De jonge juffer vertrok en ik begon mijn plunje een weinig op te knappen, met behulp van den zakborstel, dien mij de Heer Bos had toegestoken. Onder het schuieren trof mij iets blinkends op de keerzijde van den borstel mijn oogen: ik bezichtigde dien van naderbij en zag, dat het een koperen plaatje was, waarop hetzelfde wapen gesneden stond, dat ik op den zegelring ontdekt had. Mijn beweging ontging mijn gastheer niet en, naar het mij voorkwam, maakte die hem eenigszins onvergenoegd; immers, zoodra zijn dochter terug was en het waschwater, dat zij bracht, op de tafel had nedergezet, nam hij den borstel terug, bezag dien en reikte hem toen aan haar over:„verbrand dit meubel,” zeide hij.

„Hoe Papa! dien borstel, dien gij zoovele jaren gebruikt hebt en die u nooit verliet!” riep zij, hem verbaasd aanziende.

„Verstaat gij niet, wat ik zeg? Mijzelven kost het, van een ouden dienaar te scheiden, al is het maar een borstel; – maar wij moeten niets overhouden, dat ons verraden kan. Ga mijn kind! en doe wat ik u gelast heb: blijf verder Martha maar wat helpen: ik heb, gelijk gij weet, nog wat met dien Heer te spreken.”

Amelia zuchtte en vertrok, het hoofd schuddende en den borstel beschouwende.

„Zij is er niet in gesticht,” zeide haar vader, haar naoogende: „en ik kan het klaar begrijpen; want mijzelf hindert het ook. Men moge het een kinderachtig zwak noemen; maar er bestaat toch bij ons een stellige gehechtheid aan voorwerpen, die wij lang gebruikt hebben en waar wij aan gewoon waren; en er is iets onaangenaams in het verlies daarvan gelegen: hoeveel te lastiger is het dan niet, wanneer men door de noodzakelijkheid gedrongen wordt, die op te offeren.... ja te vernietigen;.... maar dat daargelaten. Zoodra gij u genoegzaam opgefrischt zult hebben en op uw gemak bevinden, zal ik u een oogenblik gehoor verzoeken.”

Ik verlangde niets liever; want ik hoopte nu eindelijk al het geheimzinnige opgeklaard te zien, hetwelk tot nog toe de gedragingen en woorden van vader en dochter verzeld had. Ik haastte mij dus zooveel mogelijk met mijn toilet en plaatste mij toen recht over den Heer Bos in de gemakkelijkste houding, die ik nemen kon. In hoeverre aan mijn verwachting voldaan werd, zal men in het volgende Hoofdstuk beschreven vinden.


[Hoofdstuk 5] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 7]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001