MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZEVENDE HOOFDSTUK,

VERMELDENDE, WAT DE HEER BOS AAN FERDINAND VERTELDE EN HOE DEZE PER SLOT NOG EVEN WIJS BLEEF, GELIJK OOK HET GEVAL MET DEN LEZER ZAL ZIJN.


„Ik ben overtuigd, Mijnheer Huyck!” zeide mijn gastheer na eenige oogenblikken stilte „dat gij u al vreemde gedachten van mij gevormd hebt, en uw geest gedurende de laatste twee uren vruchteloos op de pijnbank hebt gezet om uit te vorschen, wie ik toch eigenlijk ben en wat ik met u voorheb.”

„Indien dit al zoo ware,” zeide ik, „geloof ik van mijn kant te mogen zeggen, dat al wat ik in die twee uren gezien en gehoord heb, niet weinig gestrekt heeft om de denkbeelden en pogingen, die UEd. mij toeschrijft, te rechtvaardigen.”

„Dat stem ik u toe. Zelfs de zoodanigen, die zich het minst aan de handelingen hunner medemenschen gelegen laten liggen, zouden, in een geval als het uwe, hunne nieuwsgierigheid geprikkeld gevoelen. Het spijt mij slechts, dat mijn eigene veiligheid mij verbiedt, aan uw weetlust naar vereischten te voldoen.”

Ik keek niet weinig op mijn neus, want nu bleef ik even ver als te voren: „wat drommel kan de vent van mij willen?” dacht ik bij mijzelven; „zoo hij mij anders niets te zeggen heeft, waartoe dan die plechtstatige voorbereiding en die inleiding, die meer dan een foppage is?”

„Mijnheer!” zeide ik: „ik eerbiedig uw geheim en begeer niets daarvan te weten, zoodra UEd. begrijpt het te moeten voor u houden. Indien het echter de vrees is voor mijn onbescheidenheid, welke u zou weerhouden, mij uw vertrouwen te schenken, zoo moet ik u mijn leedwezen betuigen, dat gij geen betere gedachten omtrent mij koestert.”

„Nu spreekt gij als alle jonge lieden, die het in hun verheven waan hoogst kwalijk nemen, wanneer men hen niet beschouwt als van een andere klei gevormd dan de overige kinderen van Eva. Neen, Mijnheer Huyck! ik geloof en vertrouw, dat gij een braaf, rechtschapen jongeling zjt, die mij de volstrekste geheimhouding zoudt beloven, en dat wel ter goeder trouw. – Het zou slechts te bezien staan, of gij u altijd in de mogelijkheid zoudt bevinden, die te bewaren.”

„Ik begrijp niet,” zeide ik, „wat mij zou kunnen verhinderen, mijn woord gestand te doen.”

„O! ik begrjp dit des te beter!” hernam hij: „en het zal u straks wellicht mede duidelijk worden; – doch ter zake: – want het is niet om u bloot te vertellen dat ik u niets zeggen wil, dat ik dit onderhoud begonnen ben. Ik heb van u twee diensten te vragen: en de betuigingen van erkentenis, die u straks ontvallen zijn, geven mij den moed, daarmede onbeschroomd voor den dag te komen.”

„Ik zal de vrijheid nemen,” zeide ik, „UEd. te doen opmerken, dat die betuigingen mij niet ontvallen zijn, maar welgemeend waren. – Wat verder?”

„Gij zijt een letterknecht,” zeide de Heer Bos; „intusschen, uw opheldering bevalt mij; want zij toont, dat gij niet behoort tot dat slag van menschen, die veel beloven en weinig geven. Dan, gij wildet nog iets zeggen.”

„Slechts dit wilde ik er bijvoegen,” zeide ik: „dat ik bereid ben UEd. alle diensten te betoonen, welke niet buiten mijn vermogen liggen of tegen mijn plicht strijden.”

„Ziedaar een hoogst voorzichtige en prijzenswaardige restrictie,” zeide de Heer Bos, zich de kin wrijvende: „jammer maar, dat men, wanneer het er op aankomt, zoo oneindig veel onder die rubriek van plicht kan brengen, terwijl de perken van het vermogen somtijds zoo bijster eng worden; – doch, wij zullen zien, hoe gij over mijn verzoeken denken zult. Luister! – In de eerste plaats zal het mij aangenaam zijn, dat gij bij niemand, wie het ook wezen moge, iets van onze ontmoeting te Soest, noch van die historie met Zwarten Piet en zijn maats, noch van uw nachtverblijf alhier, eenig en het minste gewag maakt.”

„Maar,” vroeg ik, „welke voldoende redenen zal ik dan kunnen geven van het oponthoud, dat mij belet heeft, heden mijn reis naar Amsterdam voort te zetten, gelijk mijn stellig voornemen was?”

„Daar hebben wij al zwarigheden,” zeide mijn gastheer, niet zonder eenige bitterheid: „kunt gij het slechte weer, de vochtige wegen, het misloopen der schuit en honderd andere redenen, die gij zelf beter kunt uitdenken dan ik, niet opgeven aan hen, die recht hebben u daarnaar te vragen?”

„Ik ben niet gewoon de dingen anders te vertellen, dan zij zich hebben toegedragen,” zeide ik, droogweg: „doch in dit bijzonder geval wil ik u de belofte doen, te verklaren, dat zoowel het weer, ’t geen waar is, als andere omstandigheden, die ik niet noemen kan, mijn reize vertraagd hebben; onder dit enkele beding echter, dat ik aan mijn vader, voor wien ik nooit iets verborgen hield, al wat mij is overkomen, onbewimpeld verhale.”

„Aan uw vader!” herhaalde de Heer Bos met eenige drift, en terwijl hij zijn stoel verzette. „Het aan uw vader verhalen? – Is dit kinderpraat of mannentaal? – Aan uw vader! opdat hij zijn rakkers uitzende en zoowel Zwarten Piet en zijn bende als mij en mijn arme dochter in triomf binnen Amsterdam doe sleepen? – Meent gij het oprecht? of hoe heb ik het met u?”

„Geloof, Mijnheer!” zeide ik, „dat ik mijn vader genoeg ken, om te weten, dat ik hem iets van dezen aard vertrouwen kan, zonder dat hij er eenig misbruik van maken zal. Denkt gij, dat ik anders de veiligheid van mijn redder in de waagschaal zou willen stellen, of zelfs het leven van dien roover, die, om welke reden dan ook, van zijn opzet heeft afgezien.”

„Gij zijt een braaf mensch,” hervatte de Heer Bos, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht: „ik weet, ik kan u niet beletten aan uw vader, ja aan iedereen, te vertellen wat gij wilt. Dit dilemma wil ik u slechts ter overweging voorhouden: – uw vader is Hoofdschout, en als zoodanig heeft hij, dit weet ik, last bekomen, mij overal op te sporen, en, zoo hij mij vinden kan, mij uit te leveren aan hen, die mijn verderf zoeken. Zoo gij hem dus op het spoor brengt van mijn tegenwoordig verblijf, zult gij dan bij hem, die, zoo ik weet, een gemoedelijk man is, niet, hetgeen gij rechtsgeleerden een pugna officiorum noemt, doen ontstaan? Zal hij dan volgens zijn eed niet gehouden zijn den man te doen vatten, dien hij, als den redder zijns zoons, uit dankbaarheid liever sparen zou?”

Hier zweeg hij een oogenblik, als om de uitwerking zijner redeneering af te wachten. Ik gevoelde daarvan het gewicht: want ik wist, hoe gestreng en nauwgezet mijn vader was in het betrachten zijner plichten, en hoe het hem zou hinderen, in het bezit te wezen van een geheim, waar hij niet dat gebruik van mocht maken, hetwelk zijn ambt en plicht hem voorgeschreven.

„Daarentegen,” vervolgde de Heer Bos: „zoo gij zwijgt, blijft uw geweten en – dat uws vaders in rust. Hij zal te mijnen opzichte de ontvangene bevelen trachten ten uitvoer te leggen en zulks meer onbekommerd doen, daar hij niet weten zal dat hij eenige verplichting aan mij heeft: en gij van uw kant, zult u noch het verwijt behoeven te doen, de oorzaak mijner gevangenneming geweest te zijn, noch dat, van uw vader belet te hebben zijn plicht te volbrengen.”

Ik had niets tegen deze redeneering in te brengen; en ofschoon het mij altijd een hinderlijk denkbeeld bleef, iets voor mijn vader te moeten verzwijgen, achtte ik echter in dit bijzonder geval aan het verlangen van mijn gastheer te moeten voldoen.

„Het is wel,” zeide ik: „ik beloof u, geen melding van het voorgevallene te maken aan wien het ook zij; doch onder eene uitzondering, welke, zoo ik meen, geheel in uw voordeel is. Indien het u eens niet gelukt, de handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mededeeling van het gebeurde, mijn vader een gunstige gedachte jegens u te doen opvatten. Misschien kan hij u alsdan van dienst zijn, en zeker zal hij dat, indien het in zijn vermogen is.”

„Deze voorwaarde is zoo billijk,” zeide de heer Bos, „dat ik die niet slechts volkomen goedkeure, maar u tevens machtig, om, ingeval ik eens buiten gevaar geraak (waarvan ik u alsdan de tijding zal doen geworden), hem insgelijks omtrent het gebeurde in te lichten. – Dit punt alzoo afgesproken zijnde, ga ik over tot mijn tweede verzoek, waartegen ik overtuigd ben, dat gij minder bedenkingen zult opperen, hoezeer de vervulling daarvan u waarschijnlijk meer last zal veroorzaken, dan die van het eerste.”

„Ik ben verzekerd,” dacht ik bij mijzelven, „dat deze Heer Bos een bankroetier is en mij geld te leen gaat vragen.”

„Na hetgeen ik vroeger gezegd heb,” vervolgde hij, „zal ik u niet behoeven te vertellen, dat ik mij niet in Amsterdam kan vertoonen, zonder gevaar te loopen van in de knip te geraken. Hier in den omtrek kan ik mij uithoofde van oude betrekkingen beter schuilhouden en de spionnen van den Baljuw van Gooiland, die ook wellicht nog geen bevelen omtrent mij ontvangen heeft, beter misleiden. Intusschen kan ik mijn arme dochter niet bij mij houden: zij moet in mijn zwervend leven niet deelen; en hare tegenwoordigheid zoude slechts strekken om mijn schuilhoek des te eerder te doen ontdekken. Bovendien moet ik te Amsterdam eenig geld en eenige oude papieren ontvangen: een commissie, waarmede niemand zich zou kunnen of willen belasten, en die ik alleen aan mijn Amelia kan opdragen. Een zekere notaris Bouvelt, die in uwe stad woont, en wien gij misschien wel zult hebben hooren noemen, zal haar tot zijnent huisvesten en voor een nicht van hem laten doorgaan. Is zij eens daar, dan ben ik niet langer omtrent haar bekommerd; – doch de groote zwarigheid is: hoe komt zij in Amsterdam?”

Ik keek eenigszins vreemd op. „Wel Mijnheer Bos!” zeide ik: „er vaart immers om de twee uren een volksschuit van Naarden op Amsterdam: en er zijn rijtuigen genoeg te krijgen, zoodat....”

„Dat weet ik,” hernam hij: „maar ik weet ook, dat huurkoetsiers en schippers gehouden zijn bericht te geven aan den Hoofdschout van al de passagiers, die hun verdacht voorkomen.”

„Een jonge Juffer als zij zal toch niet onder de verdachte personen gerangschikt worden,” zeide ik. „Gij bedriegt u. – Ik hen zeker, dat men mijn aankomst wachtende was en mij te Soest en te Eemnes reeds bespiedde. Door onderweg af te stappen, heb ik die krabben wel voor een poos het spoor bijster kunnen maken: maar zij zullen het spoedig hervinden. Zij weten, dat ik mijn dochter bij mij heb. Zien zij nu een Juffer, die alleen van Naarden naar Amsterdam reist en in beschrijving met Amelia overeenkomt, dan weten zij al genoeg, om meer uit te vorschen. Neen! mijn kind moet de reis doen op een wijze, welke hun alle vermoedens ontneemt: en ter bereiking van dat doel wilde ik u voorslaan, haar onder uwe bescherming derwaarts te brengen.”

Ik wist niet of ik wel gehoord had, zoo verbaasde mij deze voorslag. Had de Heer Bos mij dien eenvoudig weg gedaan, ik had dien zonder bedenking aanvaard; maar juist de inleiding, welke hij had doen voorafgaan om alle zwarigheden af te snijden, deed er eene menigte bij mij oprijzen. Bemerkende, dat hij op een antwoord wachtte, haastte ik mij zulks te geven, de eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, daarbij aangrijpende.

„Mijnheer!” zeide ik, „het ware mij natuurlijk veel eer en genoegen, het aangenaam gezelschap uwer dochter op de reis te genieten! maar heeft UEd. wel nagedacht, dat juist ik de minst geschikte persoon ben om haar tot leidsman te strekken? Wanneer men te Amsterdam, wanneer mijn vader verneemt, dat ik met een onbekende Juffer aldaar ben aangekomen, zal zulks dan niet juist die vermoedens teweegbrengen, die UEd. wenscht te voorkomen?”

„Ik zei,” zeide de Heer Bos, zich in een ontevredene houding achterover op zijn stoel werpende, „dat gij Amsterdammers allen volkomen dezelfden zijt en honderd redenen tegen eene hebt wanneer het er op aankomt iets te doen, hetwelk met uw gewone sleur van denken en handelen niet volkomen strookt. Zeg liever ronduit: „ik doe het niet,” dan weet men waar zich aan te houden.”

„Verschoon mij, Mijnheer!” hernam ik, een weinig verlegen en denkende hem te bevredigen: „wat mij hetreft, zal ik het gaarne doen, en mij niet storen aan hetgeen de kwade tongen mij wellicht mochten nageven; maar....”

„De kwade tongen!” riep de Heer Bos, opspringende, met een heftige stem, welke mij deed bespeuren hoezeer ik mij versproken had: „wie heeft die meer te vreezen, mijn dochter of gij? – Wie zal er een jonkman te minder om achten, zoo hij, op reis zijnde, zich liever in de roef bij een jonge Juffer voegt, welke hij bij toeval ontmoet, dan dat hij met den gemeenen hoop in het ruim gaat zitten? Neen, indien de laster zich aan een van beiden hechten moet, zij is het, tegen wie hij zijn pijlen scherpen zal. Hoe! een vader bewijst genoeg vertrouwen te stellen in uwe braafheid, om zijn eenigen schat op aarde, zijn brave, engelreine dochter onder uw bescherming te stellen, en gij acht, dat zulk een bescherming uw goeden naam in gevaar zoude brengen? of denkt gij misschien, omdat ik mij niet in ’t openbaar vertoonen mag, het recht te hebben, van mijn dochter als een gelukzoekster te beschouwen, als een verworpene, een melaatsche, wier gezelschap besmetting aanbrengt? Mijnheer! gij doet mij op een wreede, op een bittere wijze het rampzalige van mijn toestand en van dien mijner onschuldige, mijner dierbare Amelia gevoelen. Het is mogelijk, dat uw stijve Amsterdamsche kooplieden, uw afgepaste Patriciërs, een handelwijze als de uwe zouden toejuichen.... wat mij betreft, wanneer mij iemand een dienst vraagt, zeg ik ja of neen; maar kom niet met gezochte voorwendsels voor den dag.”

„Mijnheer!” zeide ik, toen die vloed van woorden voorbij was, dien het onmogelijk zoude geweest zijn te stuiten: „ik herhaal u, dat ik bereid ben u den gevraagden dienst te bewijzen, en tevens de beschuldiging verre van mij verwijder, als had ik u door eenig gezegde of gedachte willen beleedigen. Omtrent het in de waagschaal stellen van mijn tot heden onbevlekten naam, zal ik niet met u twisten; ofschoon UEd. mij vergunnen zult, daaromtrent mijn eigene meening te bewaren: – en, vergun mij dit er bij te voegen, het kan niet anders dan u gerustheid inboezemen, wanneer gij bespeurt, dat gij uw dochter toevertrouwt aan iemand, die zelf meer nauwgezet omtrent dat punt denkt dan gij. Indien ik dus zwarigheden gemaakt heb, deze golden niet mij, maar uw eigene veiligheid en de reputatie van Mejuffrouw Bos.”

„Geef mij de hand!” zeide hij, naar mij toekomende: „gij zijt een braaf jongeling, en hebt volkomen gelijk. Ik heb verkeerd gedaan, mij driftig tegen u te maken; want uw bezwaren doen u eer aan. Ik hoop, dat deze rondborstige bekentenis u vergenoegen zal; – ik ben nooit gewoon geweest, verschooning te vragen: en het zou mij spijten, u op een andere wijze voldoening te moeten geven.”

Ik verzekerde hem, dat ik volkomen tevreden was over zijn gulle bekentenis, en kon niet nalaten, onderwijl in mijzelven te lachen over de zotte veronderstelling, dat ik, om al de avonturen van den dag, die bijna met een messengevecht begonnen waren, waardiglijk te bekronen, die zoude sluiten met een geregeld duel tegen mijn bevrijder.

„Om verder op uw bedenkingen nog eens terug te komen,” zeide hij: „vergun mj u te herhalen, dat het alleen van hier tot aan de poort van Amsterdam is, dat mijn dochter u lastig zal vallen. Eens daar zijnde, zal zij haar weg wel vinden. De schipper zal u kennen of niet, dit doet tot de zaak niets af; in het eerste geval zal hij niet noodig achten aan den Hoofdschout eenig rapport te geven, dat zijn zoon met of zonder dame van de reis terug is: in het tweede zal hij insgelijks geen vermoeden tegen Amelia koesteren; want hij zal u beiden voor broeder en zuster aanzien, en, daar gij niet aan de beschrijving beantwoordt, die van mijn persoon gegeven is, ook verder geen acht op u slaan. – Mocht men eens naderhand van u willen weten, met welke Juffer gij gereisd hebt, zoo kunt gij den onbescheiden vrager het antwoord schuldig blijven: en aan hem, die recht heeft de vraag te doen, eenvoudig zeggen, dat gij aan een Juffer, wier naam u onbekend was, die kleine diensten en beleefdheden op reis bewezen hebt, welke ieder wel-opgevoed man aan de zwakkere sekse verschuldigd is.”

Ik had nu niets te doen dan toe te stemmen, en ik deed dit ook, hoewel een geheime stem mij te kennen gaf, dat ik mij op een maalstroom van draaierijen en verwarringen inscheepte, waaruit ik mij niet dan met moeite zou redden, „Mag ik nog eene vraag doen?” zeide ik ten slotte: „is Mejuffrouw Bos reeds van het gemaakte plan onderricht? – en stemt zij er gaaf in toe, zich aan een onbekende te vertrouwen?”

„Mijn dochter heeft nooit een anderen wil gehad dan die haars vaders,” antwoordde hij: „en in dit geval heeft zij met mij de noodzakelijkheid dezer schikking ingezien; – doch gij zult het haar zoo aanstonds zelf kunnen vragen; want ik hoor haar komen. ’t Is of zij geraden had, dat de zaak juist beklonken was.”

„Mag men binnenkomen?” klonk nu de stem van Amelia, buiten de deur.

„Brengt gij het licht met u?” vroeg haar vader. – Wij hadden het wel noodig, want het was gedurende ons gesprek stikdonker geworden.

„Het licht en het avondeten,” antwoordde zij.

„Wacht dan een oogenblik,” hernam de Heer Bos: „dan Zal ik eerst de blinden sluiten. Men mocht ons van buiten bespeuren: en men kan geen genoegzame voorzorgen nemen.”

Dit gezegd hebbende, sloot hij het luik en liet vervolgens Amelia in. Zij droeg in de eene hand een flesch, waarop een aangestoken kaars stak, op den arm een servet, en in de andere hand een blikken trommel, welke ik giste gevuld te zijn met de eetwaren, te Eemnes gekocht. De oude Martha volgde met een kruik bier, en een bord, waarop zich een bierglas, een wijnkelkje, een kommetje, een papiertje met zout, een peperbos, twee stalen vorken, een tinnen lepel en drie messen van verschillend fatsoen bevonden.

„’t ’Zelschap zal zich motten behelpen,” zeide laatstgenoemde, terwijl zij Mejuffrouw Bos hielp aan het dekken der tafel en het uitpakken van de trommel. „We kunnen het zoo op zijn elfendertigste niet bezorgen: niet, of er bennen hier wel wat fijne glazen en borden ook, dat beloof ik; maar die heit Mevrouw achter ’t slot.”

„Aha!” dacht ik bij mijzelven: „’t is dus een Mevrouw, aan wie deze woning behoort. ’t Is nu de vraag, of zij weet, aan welke gasten in dit oogenblik op haar erf huisvesting verleend wordt.”

Onder dit alles nam ik de oude vrouw eenigszins nauwkeuriger in oogenschouw: ik meende mij te herinneren, haar nogmaals gezien te hebben, ofschoon waarschijnlijk jaren geleden: daar echter die grauwe oogen met roode randen voorzien, die puntige neus, dat gelaat, waarop de sporen des ouderdoms die der kinderziekte begonnen te vervangen, die ingevallen, tandelooze mond en scherpe kin, die gebogen gang en bevende stem, onder de kenmerken behoorden, welke aan meer dan eene bedaagde boerin passende zijn, ontgaf ik mij dit. Een vrij eenvoudig toeval wekte echter nieuwe vermoedens bij mij op. Martha liet namelijk, onder het in orde brengen van den disch, een mes van de tafel vallen. Ik was er spoediger bij dan zij, om het op te rapen, en overhandigde het haar. Toen zij het van mij aannam, zag zij mij in ’t gezicht en opeens begon zij over al haar leden te beven.

„Heilige Maagd!” zeide zij: „is het mogelijk!....”

„Wat is mogelijk?” vroeg de Heer Bos: „kent gij dien Heer?”

„Waarlijk!” antwoordde zij: „ik weet niet.... maar die Heer lijkent zoo sprekend op een neefje van Mevrouw, die wel eensjes bij ons kwam, jaren geleden.... Maar het kan toch niet wezen. Immers....”

„Kom, oudje!” viel de Heer Bos in, wien kennelijk de wending van het gesprek niet beviel: „gij kunt Mijnheer niet kennen, die hier vandaag voor het eerst in ’t land komt. Ga maar naar de keuken en stel die dwaze denkbeelden uit uw gedachten.”

„Nou!” zeide Martha, terwijl zij zich met Amelia weder naar beneden begaf: „er is meer gelijk als eigen; maar toch indien het niet sprekend de jonge Heer....”

Mijn gastheer, de deur weder sluitende, belette mij de juistheid der gissing van de oude vrouw te beoordeelen, ofschoon ik er wel wat onder had durven verwedden, dat zij geen ongelijk had in haar vermoeden, zoomin als ik in het mijne. Ik wist haar echter niet te huis te brengen. Iets meer nopens haar wenschende te vernemen, waagde ik de volgende vraag: „Woont deze oude ziel hier alleen? dan loopt zij, dunkt mij, nog al gevaar, een bezoek van Zwarten Piet te ontvangen.”

„Zij had haar man tot haar bescherming,” antwoordde de Heer Bos: „en sedert deze onlangs overleden is,.... gij ziet zij draagt nog den rouw over hem.... woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in. Wel is waar, aan dezen heeft zij weinig hulp; want, naar zij mij vertelt, is hij meestal, en ook thans, van huis en verdoet zijn tijd in de kroegen en dobbelhuizen.”

„Mijn hemel!” zeide ik: „wie weet of haar zoon niet de zelfde knaap is, die heden tweemalen zoo geducht door u begroet is geworden.”

„Licht mogelijk!” zeide de Heer Bos, al lachende: „in dat geval heb ik hem den dienst slecht betaald, dien zijn moeder Mij bewijst: doch dan mogen wij ons tevens gelukwenschen, dat hij van huis is; want een soortgelijken knaap acht ik tot alles in staat. Ik zal hedenavond nog eens onderzoek doen, of uw vermoedens gegrond zijn.”

Op dit oogenblik kwam Amelia terug met een schotel pannekoeken, dien zij op de tafel neerzette. „Ziezoo!” zeide zij: „als de Heeren nu maar plaats willen nemen; het avondeten is opgedaan.”

Wij namen plaats, en ik vond nu voor het eerst gelegenheid, om de Juffer, die tot mijn reisgenoot voor den volgenden morgen bestemd was, eenigszins nauwkeuriger op te nemen, dan het flauwe daglicht mij bij onze eerste kennismaking vergund had te doen. Haar gestalte, vooral wanneer zij zat, was eer rijzig, dan gemiddeld te noemen; maar al haar ledematen waren volkomen aan elkander geëvenredigd en evenmin van grofheid als van te groote rankheid te beschuldigen: alleen moest men haar handen uitzonderen, die, hetgeen juist niet als een gebrek kon beschouwd worden, zoo tenger en smal waren als die van een aankomend meisje. Wat haar gelaat betrof, ofschoon het den strengsten vitter moeielijk zoude gevallen zijn, er iets aan te berispen, bezat het echter niet die soort van schoonheid, welke mij het meeste geviel. Misschien kwam zulks hierdoor, dat ik niet kon nalaten in mijn geest gestadig vergelijkingen te maken tusschen haar en Henriëtte Blaek, wier uiterlijke, ofschoon minder regelmatig fraai te noemen, een zeker iets bezat, hetwelk mij meer behaagde. Deze laatste had mij bij den eersten aanblik geheel ingenomen; wat Amelia betrof, ik gevoelde, wanneer ik den droefgeestigen trek beschouwde, die haar groote, donkerbruine oogen benevelde, een beweging van medelijden, van hartelijke welwillendheid, van dienstvaardigheid; maar niets, dat naar liefde zweemde. Misschien, ik erken het gaarne, ontsproot dit verschil van gewaarwording uit dezelfde Amsterdamsche afgepastheid en tegenzin in het buitengewone, waartegen de Heer Bos zoozeer (en naar mijn begrip ten onrechte) was uitgevaren, en verflauwde de zonderlinge aard der omstandigheden, waarin ik Amelia ontmoet had, de uitwerking, welke anders haar bevalligheden hadden kunnen teweegbrengen: – ik twijfel er echter niet aan (want zoo loopen de opvattingen en gewaar

wordingen uiteen), of een ander jongeling, met een meer romanesken of ondernemenden geest begaafd dan ik, zou, juist om dat zonderlinge, des te eerder op haar verliefd zijn geworden. Wat hiervan zij, de waarheid is, dat Mejuffrouw Bos heerlijk schoone oogen had, met lange, sierlijk naar boven gekrulde pinkers voorzien, en bekransd met zuivere, net gevormde, blinkende wenkbrauwen, even gitzwart als haar lokken, die in natuurlijke krullen het hoofd bedekten. De vorm van het gelaat was volkomen eirond; en gelijk ik reeds gezegd heb, het was onmogelijk eenige feil te vinden in het beloop van den een weinig gebogen neus (die hoewel zachter van vorm, echter volkomen op dien haars vaders geleek), van de fijne lippen en van de gladde kin, die zich op den schoonen hals eenigszins verdubbelde. Alleen op de kleur van het vel zoude men hebben kunnen aanmerken, dat die niet volkomen blank was, maar eerder overdekt met die tint, welke men bij Spaansche of Italiaansche vrouwen ontmoet; doch, behalve dat het mij nog onbewezen was, welke landstreek of welke moeder haar het licht geschonken had, zoo kon ik bij een brunette de melkwitte blankheid niet vorderen, welke de eigenschap eener schoone blondine uitmaakt.

Het was niet alleen over de oogen, dat een waas van zwaarmoedigheid verspreid was. Ook in een paar rimpels, die nu en dan op het anders gladde voorhoofd plooiden, en in een eenigszins pijnlijken trek, welken de mond vertoonde, meende ik de sporen van een diep, in ’t hart geworteld leed te ontdekken. Een oogenblik van vroolijkheid zou gewis een geheel nieuwen, verrukkenden glans over haar wezen hebben verspreid; maar het scheen dat de vreugde en Amelia elkander voor eeuwig hadden vaarwel-gezegd; slechts zeer enkel kwam een lichte blos zich op haar wangen vertoonen; en wanneer zij glimlachte, was die glimlach eer geschikt om droevige, dan om blijmoedige gedachten te verwekken. Wat haar gewaad betrof, het was geheel zwart en duidde niet den minsten zweem van opschik aan, terwijl men kon zien, dat het reeds eenigen tijd gedragen was geweest: echter was alles, wat zij aanhad, niet alleen van de fijnste stoffage; maar getuigde bovendien de snede van keurs en mouwen, dat, een modemaakster daaraan had gewerkt, die voor haar vak bij uitnemendheid berekend was en haar taak vervuld had op een wijze, het voorwerp waardig, waaraan zij haar arbeid had besteed.

Het afbeeldsel van den Heer Bos heb ik reeds gegeven, althans zooverre als ik er bij onze eerste ontmoeting van had kunnen oordeelen. Ik zal er thans slechts bijvoegen, dat zijn dochter veel op hem geleek; doch zijn gelaat, hoewel mede bruin van verf, scheen eer door den invloed van het weer die kleur te hebben aangenomen, dan die aan de natuur dank te weten. Hij droeg een blonde pruik, die waarschijnlijk een deel zijner vermomming uitmaakte; want zijn haar was zwart met enkele grijze plekken doormengd. Wijders was zijn linnen van de fijnste soort: en een keurige netheid op zijn persoon kenmerkte den welopgevoeden man. Zijn handen waren fraai, volkomen aristocratisch van vorm, en met spiegelgladde nagels voorzien: terwijl geen vlekje of spatje rok of vest ontsierde.

De wendingen en manieren van vader en dochter beiden waren gemakkelijk en wellevend: men behoefde slechts een oogenblik met hen in gezelschap te zijn geweest, om te bespeuren dat zij fatsoenlijke lieden waren en met fatsoenlijke lieden verkeerd hadden. Het eenige wat mij hinderde in den Heer Bos was de toon van meerderheid, welken hij zich gedurig jegens mij aanmatigde, en die niet van dien aard was dat hij door zijn meerdere jaren gewettigd konde worden. Het was licht te zien, dat hij in omstandigheden verkeerd had, welke hem het recht gaven, te bevelen, en dat hij zich niet dan met moeite in een minderen toestand wist te schikken. Wat de dochter betrof, al wat zij deed of zeide, was even beleefd en gepast; maar insgelijks van dien aard, dat het nimmer tot eenige gemeenzaamheid aanleiding geven kon.


[Hoofdstuk 6] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 8]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001