MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ACHTSTE HOOFDSTUK,

WAARIN MEER GEREDENEERD DAN GEDAAN WORDT.


„De Heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te brengen, Amelia!” zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken in stilte gegeten hadden.

Amelia antwoordde niets, maar zij zag mij aan met een beleefde hoofdbuiging, waaruit men evengoed kon opmaken, dat zij zich mijn geleide wel getroosten wilde, als dat zij er mede vereerd was.

„Het zal namelijk zijn,” voegde ik er bij, „indien de Juffer er niet tegen heeft, Intusschen moet ik niet vergeten u verlof te vragen, om morgenochtend, te Naarden, even aan de herberg te vernemen, of de postwagen aangekomen is, waarmede ik mijn reisbagage verwacht. Het zal een gering oponthoud zijn en u, hoop ik, geen hinder veroorzaken.”

„In het minste niet,” zeide Amelia: „wij zullen dan maar wat vroeger van hier gaan.”

„Het zal,” zeide ik, „aan u, of aan uw Heer vader staan, het uur van vertrek te bepalen; want daar ik bekennen moet, niet recht te weten waar wij zijn, kan ik slecht berekenen hoeveel tijd wij noodig hebben om van hier naar Naarden te wandelen.”

„O!” zeide de Heer Bos, „in een klein half uur kunt gij er op uw gemak zijn: reken er dan nog een half uur bij, voor het inwinnen der berichten, die gij hebben moet en voor het gaan naar de schuit, dan is het vroeg genoeg zoo gij hier tegen halfzes vandaan gaat.”

„En moeten wij,” vroeg ik lachende, „dien fraaien hollen weg dan weer door, dien wij hedenavond gekomen zijn? dan beklaag ik Mejuffrouw Bos.”

„Dat behoeft juist niet,” antwoordde hjj: „wij hadden dien heden ook niet behoeven te nemen; maar ik was van oordeel dat de modderige landweg den indruk mijner stappen niet zoo lang bewaren zoude als het zandpad door het bosch, hetwelk bovendien langs bewoonde huizen loopt.”

„Hoe!” riep ik uit: „heeft Mejuffrouw dien afschuwelijken weg mede moeten doortrekken?”

„Dat niet alleen,” zeide de Heer Bos; „maar nog wel, evenals ik, beladen met pak en zak; – want wij gevoelden geen trek om onze bagage in de huifkar te laten, noch om die te laten dragen door dezen of genen arbeider, en ons aan zijn bescheidenheid te wagen. En dan wilde Amelia nog wel op het voorbeeld van Esopus, den spijskorf dragen, schoon die het zwaarst van alles was, en niet, als in het geval van den Phrygiër, gaandeweg geledigd werd.”

„’t Is waar,” zeide Amelia, terwijl zij haar fijne handjes wreef: „mijn vingers dragen nog de sporen van den ring, waaraan ik de trommel hield.”

„Gij zoudt mij waarlijk het maal bederven,” zeide ik, „wanneer ik denk aan het ongemak, dat u het dragen dier spijzen veroorzaakt heeft.”

„Mijn vriend!” zeide de Heer Bos tot mij, met meer innig gevoel, dan waarvoor ik hem vatbaar oordeelde: „indien de gedachte aan het leed mijner dochter mij verhinderen moest te eten, zou ik sedert lang geene spijs meer genuttigd hebben.” – Dit gezegd hebbende, stak hij over tafel de hand aan Amelia toe en drukte de hare met een warmte, welke mij zien deed, dat, wat overigens de man zich te verwijten mocht hebben, hartelijke verkleefdheid aan zijn dochter hem was bijgebleven.

„Kom!” zeide hij eindelijk: „wij moeten hopen, dat deze bedroevende staat van zaken niet duren zal. Nog eenige weinige slechte dagen, Amelia! en wij zullen, zoo mijn voorgevoel waarheid spreekt, van al de zorg en kwelling, die ons thans drukken, ontslagen zijn en blijder dagen te gemoet zien....; wij moeten nu aan onzen gast het tooneel niet aanbieden eener weekhartigheid, waar hij te minder in deelen kan, daar hij er de aanleiding niet van verstaat.”

En, terstond van toon en stoffe veranderende, begon hij mij over mijn reizen te ondervragen: een onderzoek, gelijk men weet, altijd aangenaam aan hem tot wien het gericht wordt. Het gesprek; hetwelk hieruit geboren werd, gaf mij gelegenheid om op te merken, dat de Heer Bos de meeste landstreken van Europa bezocht had niet alleen, maar ook een grondige kennis bezat van de zeden, gewoonten en staathuishoudkunde der onderscheidene volkeren; ja, dat hij vele en belangrijke bijzonderheden wist, welke hij niet kon hebben vernomen dan door eene nauwe betrekking en omgang met die personen, welke in hun vaderland het meeste gezag of den voornaamsten invloed uitoefenden. Ongevoelig bracht ons de loop van het onderhoud ook op het punt onzer koloniale bezittingen, en ik stond versteld over de kennis, welke hij ook te dien opzichte ten toon spreidde. Daar de mijne dienaangaande gering was, was ik niet in staat met volkomen zekerheid over de juistheid zijner opgaven en narichten te oordeelen; maar toch had de op mijn reizen verkregene gewoonte van met allerlei slag van lieden om te gaan, mij niet geheel buiten een zekeren graad van menschenkennis gelaten, zoodat ik de logenachtige versieringen van den sprookjesverteller eenigszins wist te onderscheiden van de onopgesmukte verhalen des zaakkundigen reizigers: en, hoewel ik ten deze begreep geen onbepaald krediet te moeten verleenen, veelmin mijn zegel te kunnen hechten aan de stoute beslissingen en beoordeelingen, welke de Heer Bos zich betreffende de handelingen zoo der Compagnie als van hare dienaren veroorloofde, zoo wist hij die echter met zulke schijnbaar gegronde en afdoende redenen te omkleeden, dat het, in mijn oog althans, geen geringe moeite en bekwaamheid zou vereischt hebben, die met een goed gevolg te wederleggen. Van de Oost en West kwamen wij op Czaar Peter te huis en op de stoute hervormingen, door hem in Rusland ondernomen: en de naam van dien grooten Alleenheerscher, ons aan de grap van dien morgen herinnerende, bracht ons als vanzelf op het Soester avontuur en op de onweersbui terug. Gevraagd zijnde, hoe ik het gedurende den regen gesteld had, verhaalde ik, dat ik geschuild had op de hofstede Guldenhof, toebehoorende aan den Heer Blaek.

„Guldenhof!” herhaalde Amelia: „is dat niet die fraaie plaats aan de andere zijde van Eemnes? Ik heb het even gewaagd, toen wij die voorbijgingen, mijn hoofd buiten de huifkar te steken en dat prachtige goed te beschouwen, hoewel het mij bijkans een stijven nek had gekost.”

„De Heer Blaek!” herhaalde van zijn kant mijn gastheer, bijna terzelfdertijde tijd: „is Jacobus Blaek de eigenaar van dat vorstelijk buitengoed?.... Het moet hem dan wel zijn medegeloopen, sedert ik hem gekend heb; want toen zag het er sober uit met zijn tijdelijke goederen:.... dan! waarover verwonder ik mij?” vervolgde hij, als tegen zichzelven sprekende en terwijl hij met zijn mes op de tafel speelde: „ik heb minder recht dan iemand om over de wisseling der fortuin eenige verbazing te toonen.”

„Zoo ik wel onderricht ben,” zeide ik, „heeft de Heer Blaek een aanzienlijk vermogen in de Oost-Indien gewonnen.”

„Hij?” zeide de Heer Bos: „gij verwart hem met zijn broeder, die werkelijk zeer rijk kon genoemd worden; want het toeval was hem even gunstig geweest, als het den eigenaar van Guldenhof, in dien tijd althans, tegenliep. Nu! zoo eenig mensch de gaven der fortuin verdiende, het was dezelfde Hendrik Blaek; want een meer edelmoedig hart, en meer geneigd hetgeen hij bezat met anderen te deelen, heb ik nooit gekend. De arme drommel heeft niet lang genot gehad van hetgeen hij met zooveel zorg vergaard had. Hij is een der weinige menschen, wier dood mij een wezenlijke smart veroorzaakt heeft.”

„Gij hebt hem dan zeer van nabij gekend?” vroeg ik, niet zonder deelneming; want een gesprek over den vader der bevallige Henriëtte kon mij niet anders dan belangrijk zijn.

„Hij was een braaf en beminnelijk mensch” zeide mijn gastheer, blijkbaar een rechtstreeksche beantwoording mijner vraag wenschende te ontwijken: en terstond vervolgende: hij heeft een dochter nagelaten: leeft zij nog?”

Ik voelde, dat ik op deze vraag tot over de ooren toe rood werd: misnoegd op mijzelven, dat ik mij, ofschoon onwillekeurig, zou blootstellen aan verdere onderzoekingen, trachtte ik mijn verwarring onder den schijn van luchthartigheid te bemantelen en antwoordde met een gemaakten lach: „voorzeker leeft zij: althans toen ik haar van morgen sprak, was zij nog in blakenden welstand.”

„En is zij nog niet gehuwd?” vroeg de Heer Bos al verder: „mij dunkt eener goede partij als haar moet het niet aan vrijers ontbreken.”

”Gehuwd is zij niet,” antwoordde ik: „en meer weet ik er niet van, daar ik eerst heden van mijn buitenlandsche reize terugkeer; – maar ik stem volkomen met u in, dat zij geen gebrek aan aanzoeken hebben kan.”

„De hemel schenke haar wijsheid, om een goede keuze te doen,” zeide mijn gastheer: „maar komaan! de avond is gevorderd: en het is tijd, dat gij beiden u ter ruste begeeft, om morgen weer vroeg bij de hand te kunnen zijn. Het hindert mij toch,” vervolgde hij, de kruimels van zijn roksmouw afknippende, „dat ik mijn ouden borstel moet missen.”

„Zou UEd. hem zóó niet kunnen gebruiken?” zeide Amelia, terwijl haar wangen voor een oogenblik door een zachten glans van genoegen werden bestraald! en meteen haalde zij het betreurde voorwerp van onder haar bouwen voor den dag en stak het over de tafel aan haar vader toe. Deze beschouwde het met een blik van verrassing: het plaatje met het wapen was er afgerukt en de spijkergaatjes, die nog van het vroeger bestaan daarvan hadden kunnen getuigen, met den rug van een mes zooveel mogelijk gelijkgewreven.

„Ik dank u, Amelia,!” zeide de Heer Bos, met aandoening: „waarlijk! het is kinderachtig van mij, aldus aan een nietig meubel te hechten; maar.... gij weet het, melieve! dat ik bij wezenlijke rampen mijn gemoedskalmte niet verloren heb: en gij zult mij deze zwakheid ten goede houden. – Waarlijk!” vervolgde hij, den borstel aandachtig beschouwende: „ziedaar wel een evenbeeld, dat ik op mijzelven toepasselijk kan maken. Ben ik niet, evenals hij, na jaren wrijvens en schurens, van mijn glans beroofd, toen ik oud werd, en thans in het oog der wereld even weinig meer waard als dit meubel den Jood zou wezen, dien wij hedenmorgen ontmoet hebben?”

„UEd. zal mij de opmerking vergunnen,” zeide ik, „dat, gelijk deze borstel nog evengoed dienst kan doen, al is hij van zijn pronk beroofd, datzelfde voorrecht ook u kan vergund blijven. Onze waarde berust immers niet in uiterlijke praal, maar in het nut dat wij stichten.”

Ik dacht met deze aanmerking en voorzeker alles behalve nieuwe vergelijking mijnen gastheer een verplichtend gezegde toe te voegen; maar de zonderlinge uitdrukking, die zijn gelaat aannam, toen ik met spreken geëindigd had, trof mij zoodanig, dat ik mij wel wachtte op denzelfden toon voort te gaan. Gedurende het gesprek over de Heeren Blaek hadden naar ’t schijnt, oude herinneringen een uitdrukking van zachte droefgeestigheid op zijne trekken verspreid, welke ik niet gedacht had, daar immer te zullen aantreffen, en welke nog vermeerderd werd door het hervinden van zijn borstel en de gedachten, welke de beschouwing daarvan in zijn boezem had opgewekt: – maar nu was opeens die uitdrukking verdwenen: het gansche gelaat had de strenge, terugstootende plooi hernomen, die het gewoonlijk kenmerkte: en een bittere lach kwam het nog meer ontsieren.

„Hoor!” zeide hij, op een schamperen toon, terwijl hij een blik op mij wierp, die mij onwillekeurig sidderen deed: „de diensten, welke ik gewoon ben geweest te bewijzen, waren niet altijd van dien aard, dat men er mij veel dank voor wist.”

„Vader!” zeide Amelia, met een bevende stem, terwijl zij oprees en hem bleef aanzien met een weemoedigen blik, die hem zijn rasch gezegde scheen te verwijten.

„Gij hebt gelijk, mijn kind!” zeide hij: „en ik handel dwaselijk, door aan zulke denkbeelden toe te geven.... zoo de Heer Huyck het goedvindt, zal ik hem zijn slaapstede toonen.”

Deze laatste woorden sprak hij weer op een zeer natuurljken en hoffelijken toon uit en liet die met een buiging van het bovenlijf vergezeld gaan. Ik boog insgelijks ten bewijze van toestemming: en na gedane dankzegging rezen wij gezamenlijk op. Ik wenschte aan Amelia een gerusten nacht, en volgde den Heer Bos, die, na zich half bij zijn dochter verontschuldigd te hebben, dat hij haar in het donker liet, de kaars opnam en mij in een klein vertrekje bracht, hetwelk op dezelfde trap, doch eenige treden hooger, uitkwam.

„Ik denk niet,” zeide hij, mij op eene nauwe bedstede wijzende, die zich aldaar bevond, „dat u dit nachtverblijf machtig zal aanstaan: maar gij zult het moeten nemen zooals gij het vindt.”

„O!” zeide ik: „maak daarover geene verontschuldigingen; ik ben lang genoeg op reis geweest om mij te hebben leeren behelpen: en een nacht is gauw doorgebracht. Maar wat ik u bidden mag, neem het licht met u: Mejuffrouw Bos bevindt zich alleen en in het duister. Ik heb geen licht noodig om mijn slaapstede te vinden.”

„Zoo gij niets meer noodig hebt, en u in ’t donker kunt uitkleeden, zal ik aan uw verzoek voldoen,” zeide mijn gastheer, en mij een goede nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij het vertrek. Ik had intusschen den eenigen stoel, die zich daarin bevond, voor mijn slaapplaats geschoven en, mij van mijn bovenkleederen ontdaan hebbende, kroop ik met de rest te bedde; want in de onzekerheid hoe de gesteldheid daarbinnen zou wezen, was ik eenigszins huiverig om mij geheel te ontkleeden.

En inderdaad, mijn ligplaats was noch slechter, noch beter dan ik reden had mij voor te stellen. Het bed bestond uit een harde peul, waarvan men de opvulsels niet behoefde te raden; want van alle zijden staken mij de puntige stronhalmen in de leden, zoo vaak ik mij omwendde. Het laken was van dien aard, dat het mij, welke houding ik aannam, nooit geheel bedekie; lag ik recht uitgestrekt, dan staken mijn voeten er buiten: haalde ik deze binnen en ging ik krom liggen, dan waren mijn knieën ongedekt: – en wat het ware, dat mij tot hoofdkussen diende, kon ik volstrekt niet uitvinden en moest eerst den volgenden morgen ontdekken, dat uit een oud stel vischnetten bestond, in een meelzak gewikkeld. De vinding was niet onaardig en ik ben nooit te weten gekomen, of ik haar aan het vernuft van den Heer Bos, van zijn beminnelijke dochter of van de oude Martha moest toeschrijven.

Het was echter niet het min gemakkelijke mijner ligging, dat mij zou verhinderd hebben, na een zoo vermoeienden dag, een zoete rust te genieten. Integendeel waren het die vermoeienissen zelven en de onderscheidene schokken, welke ik naar lichaam en geest ontvangen had, die mij beletteden, den slaap te vatten, waar ik zoo vurig naar verlangen moest. Duizend verschillende en verwarde denkbeelden maalden mij door het brein en deden dat brandend en koortsig gevoel in mijn hoofd ontstaan, hetwelk aan elke sluimering vijandig is. Al de ontmoetingen van den dag kwamen mij beurtelings voor den geest zweven, gelijk de schimmen eener fantasmagorie. Ik zag weder den twist in de herberg: ik hoorde den hatelijken Andries vloeken en den Jood zijn kramerijen venten: ik onderscheidde het lieve gezichtje van de bevallige Henriëtte Blaek: ik bestreed opnieuw de drie struikroovers en dankte weer mijn redding aan mijn geheimzinnigen gastheer, die zich aan de oogen mijner verbeelding in een nog majestueuzer gestalte voordeed dan in de wezenlijkheid. Dan weder stelde ik mij de belofte voor den geest, welke ik den Heer Bos gedaan had en de moeilijkheden, welke voor mij zouden kunnen ontstaan zoo uit de verplichting, die ik op mij genomen had, om Amelia naar Amsterdam te brengen, als uit die, van het op dien gevaarvollen avond voorgevallene voor elk geheim te houden. Bij dit alles voegde zich nog een zeker gevoel van ongerustheid, dat ik niet van mij af konde werpen, en hetwelk was toe te schrijven aan de onzekerheid, waarin ik verkeerde, zoo omtrent de plaats waar ik mij bevond, als omtrent hetgeen mij nog kon te wachten staan. Wel is waar, ik voedde geen vrees meer voor den Heer Bos, die er naar allen schijn belang bij had, mij te vriend te houden; maar ik was niet zonder zorg omtrent Andries, die, naar mijn innige overtuiging, niemand anders wezen kon dan de zoon der weduwe, in wier woning ik mij bevond: het onaangename vermoeden begon mij te bekruipen, of ik niet altemet de legerstede van dien booswicht betrokken had: en ik kon de benauwende gedachte niet verbannen, dat hij wellicht te huis komen en mij de weinig gewenschte eer van zijn bezoek geven zou.

Ik had, kort nadat ik mij te bedde begeven had, den luchtigen voetstap van Amelia eenige reizen op de trappen gehoord, en veronderstelde, dat zij de overblijfselen van ons avondmaal naar de keuken bracht. Daarop had zij een vrij langdurig onderhoud met haar vader gehad, waarvan ik echter niets dan bloote klanken verstaan kon, en zich toen ter ruste begeven. De Heer Bos was vervolgens naar beneden gegaan; naar mijn gedachten, om aan de oude Martha eenige onderrichtingen te geven: het duurde wel een uur eer hij terugkwam en zich in de bedstede, tegenover die, waarin zijn dochter sliep, begaf. Een zwaar gesnork kondigde mij weldra aan, dat, welke zijn zorgen voor de toekomst ook wezen mochten, die echter niet in staat waren, hem het slapen te beletten. Wat mij betreft, er verliepen uren achtereen, eer de slaap mijn oogen sloot, en toen zelfs bracht die noch rust, noch verkwikking mede. Benauwende, pijnlijke droomen kwelden mij, en deden mij ieder oogenblik met schrik uit mijn sluimering ontwaken. Ik zag het ouderlijk huis in vlammen staan: gewapende roovers, waaronder zich Andries en, vreemd genoeg, ook de poëet Helding bevonden, stormden ter plundering binnen, en werden aangevoerd door den Heer Jacobus Blaek, die zijn regenscherm als een staf van commando rondzwaaide. Ik zag mijn moeder, doodsbleek en met bloed bedekt, door twee dier boosdoeners voortsleepen: ik hoorde het noodgeschrei mijner zusters en broeders, die in de vlammen omkwamen: en dan zag ik opeens boven het vlammend puin, Henriëtte, Amelia, en een talrijken stoet bevallige, in feestgewaad uitgedoste jonge meisjes luchtig en onbezorgd ronddansen, en rozen strooien op de vonken, die onder haar voeten opspatteden. Opeens deed Andries, die een ijzeren geldkist uit den brand had gesleurd, welke hij met geweld op straat sleepte, een afgrijselijken vloek hooren: alles verdween voor mijn oogen, en ik ontwaakte.

Maar, schoon wakker, nog dreunde mij die stem in de ooren, en nog herklonken die slagen, welke echter niet op een ijzeren kist, maar op de deur der woning nederkwamen. Ik ging recht overeind zitten. Er kon geen twijfel meer aan. zijn: het was Andries, die weder te huis kwam.

De morgenschemering was aangebroken: ik liet mij zoo zachtjes als ik kon uit mijn bed zakken, kleedde mij aan, omklemde mijn knuppel met beide handen en bleef toen, op den stoel gezeten, angstig luisteren, wat er volgen zou. Weldra hoorde ik de oude Martha naar het voorhuis schoffelen. Ik rees op, en overlegde of het ook zaak zoude wezen, den. Heer Bos te gaan wekken, toen ik Martha met een heesche stem haar zoon hoorde toeroepen: „daar slaapt van nacht familie van Mevrouw hier in huis: ik mag je niet opendoen; zie maar dat je in de schuur terecht komt.”

Ofschoon mij deze woorden eenigszins geruststelden ten opzichte der voornemens van de moeder, bleef ik echter niet, zonder zorg, of zich de zoon wel daar aan zoude storen. Mijn onzekerheid was intusschen spoedig voorbij; want na eenige vruchtelooze pogingen om de deur open te krijgen, ging Andries al brommende en vloekende weg, en Martha haastte zich, haar bed weder op te zoeken, hetgeen mij ten blijk strekte, dat zij geen vrees voor zijn terugkomst koesterde.

Dit tooneel had mij echter allen slaap ontnomen. Ik bleef nog een geruimen tijd stilzitten, toen naderde ik het venster, opende het met zoo weinig gerucht mogelijk, en ademde de verkwikkende morgenlucht in, die mij van buiten tegenstroomde.

Dan, was die frissche ochtendkoelte welkom aan mijn verhit gestel, niet minder aangenaam werd ik verrast door het heerlijke schouwspel, dat zich voor mijn oogen opdeed en hetwelk ik verre was te verwachten. Het uitzicht, dat ik den avond te voren van de kamer, waar wij ons toen bevonden, had gehad, was beperkt; het raam, waar ik nu voorstond, opende zich aan eene andere zijde van het gebouw en vergunde mij het gezicht van een natuurtooneel, het penseel eens schilders waardig. Ter linkerzijde en achter een schuur, een duiventil en een paar andere kleine gebouwen, tot de hoeve behoorende, verhief zich een fraaie groep eeuwenheugende eikeboomen, wier kruin wel door den zeewind was ontbladerd, doch wier knoestige met breede takken voorziene stammen zich donker afteekenden tegen den nog kleurloozen hemel en tegen de Zuiderzee, over wier grauwe oppervlakte een aantal kleine vaartuigen elkander kruisten. Iets meer nabij verhief zich een oude, met mos en heesters overdekte bouwval, de strenge stijl van welks bouworde scheen aan te kondigen, dat ik de overbljfselen van een klooster voor mij had: een muurtje, dat waarschijnlijk voorheen een kerkhof omheind had, verbond dit gedenkstuk van vroegere dagen aan de hoeve, waarin ik mij bevond. Ter rechterzijde liep de grond glooiend opwaarts, en werd het verschiet hier en daar belemmerd door golvende heuvelen, deels met koren en boekweit beteeld, deels met heesters en kreupelhout begroeid, deels bedekt met de paarskleurige heide, waarlangs de witgewolde kudden reeds hun ochtendmaal kwamen gebruiken. De stilte van den morgen werd alleen nu en dan afgebroken door het dof geloei der runderen in den stal en het gekraai van den wakkeren haan, die met zijn kakelbonten harem over het erf kuierde en het rijzend zonnelicht begroette, dat allengskens aan dit natuurtooneel leven en beweging kwam bijzetten. Opeens trof mij de gedachte: ik had dit bevallig geheel nog éénmaal beschouwd: wanneer of in welk gezelschap, dit wist ik mij niet te binnen te brengen; maar het kwam mij voor, als ware het niet de eerste reize, dat ik mij hier bevond. Ik kon uit den weg, dien ik den vorigen avond genomen had, en uit de nabijheid der zee, het besluit opmaken, dat ik mij ten Oosten en niet verre van Naarden moest bevinden en wel omtrent de plaats, waar vroeger een stad van denzelfden naam in de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten was te gronde gegaan; maar ik had, zooverre ik wist, nooit eenig uitstapje naar dien kant gemaakt. Eindelijk gaf ik het op: en daar ik meermalen het naburige Muiderberg bezocht had, waar het landschap veel overeenkomst had met datgene, hetwelk ik nu voor oogen had, maakte ik het besluit op, dat ik door die gelijkheid van natuurtooneel misleid, mij ten onrechte verbeeldde, hier vroeger geweest te zijn.

De morgenstond had zijn weldadigen invloed op mij uitgeoefend en met het daglicht waren die kwellende droombeelden en onrustige gedachten verdwenen, die mij gedurende den nacht hadden beziggehouden. Ik aarzelde dus niet om mij weer naar mijn legerstede te begeven, en de natuur, haar rechten hernemende, welke zij te lang aan de verbeelding had afgestaan, deed mij een weldadigen slaap genieten, waaruit ik niet ontwaakte, dan toen de stem mijns gastheers mij riep, en ik, de vakerige oogen wrijvende, den Heer Bos, reeds geheel gekleed, zag voor mij staan.

„Het is tijd!” zeide hij: „het spijt mij zulk een aangenamen rust te storen; maar gij zult ongetwijfeld de eerste schuit niet willen misloopen.”

„Gij ziet,” zeide ik, opstaande, „dat mijn toilet geene groote moeite zal vereischen. Ik heb niets anders te doen als mij te wasschen, en ik ben tot uw dienst.”

„Ik heb u gebracht wat gij noodig hebt,” zeide de Heer Bos, mij op de tafel wijzende, waar hij een kom met water en een handdoek had neergeplaatst. „Ik behoef niet te vragen of gij goed geslapen hebt.”

„Daar kan ik niet volmondig ja op zeggen,” antwoordde ik, en verhaalde hem tevens hoe mijn nachtrust gestoord was geweest. Gedurende mijn verhaal bleef ik de wezenstrekken van mijn gastheer zorgvuldig gadeslaan. Geen verwondering noch ontroering was daarop zichtbaar: alleen zag ik hem een paar reizen de wenkbrauwen samentrekken.

„Ik verwachtte niet anders,” zeide hij, toen ik met mijn mededeeling geeindigd had: „en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn dochter te vertoeven.”

Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij, beiden zwijgend en eenigszins met onze houding verlegen, voor ons zien.

Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: „alles is in orde,” zeide hij: „Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij wakker is, zijn wij ver van hier. Ik heb bovendien zijn moeder gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien aard zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te zenden. – Niets verhindert ons dus langer, de reis aan te vangen.”

„Ik weet niet,” zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, „of Mijnheer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken.”

„Het is mij nog vroeg genoeg,” zeide ik: „en daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naarden een oogenblik op te houden, zullen wij evengoed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen.

„Welaan dan!” zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de kamer uit.

In het voorhuis stond de oude Martha, die, neigende, en de handen drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.

„Wij danken u voor uw herbergzaamheid,” zeide de Heer Bos: „vergeet niet hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan voor den omslag, dien wij u veroorzaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgendheid afhangt.”

„Ach!” zeide zij: „met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er na kraaien, dat UEd. hier ’eweest is: en in een kwartier tijds zijn al de kamers weer dicht ’esloten en het beddegoed uit de bedsteden ’enomen, en kan niemand merken, dat ik hier volk heb ’ehad.”

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlachen: „zoo al de slaapplaatsen zoogoed gestoffeerd zijn als de mijne,” dacht ik, „zal zeker het opredderen daarvan niet veel tijd kosten.”

Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar onder dankbetuiging voor het nachtverblijf eene kleine fooi ter hand. Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen, die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.

„Mag ik u niet van die moeite ontslaan?” vroeg ik hem: „daar toch Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat ik haar goed drage.”

„Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen,” zeide de Heer Bos: „ik ga niet met u tot Naarden.”

De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik het ongeraden vond, verder aan te dringen. Wij begaven ons dan op reis, de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, alsof hij, in stede van een koffer, een pak veeren onder den arm had. Ik heb nog verzuimd te zeggen, dat hij thans zijn rooden mantel niet omhad, en zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.

Amelia liep zwijgend achter haar vader; en ik sloot den tocht. Wij namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider stilhield.

„Hier moeten wij scheiden,” zeide de Heer Bos: „dit voetpad links brengt u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u genomen hebt.”

Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op ’t voorhoofd zijner dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet; zij stortte geen ijdele, doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde niettemin hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.

„Wat u betreft, Mijnheer!” zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende: „ontvang mijn voorloopigen dank voor den dienst, dien gij mij bewijzen wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan houde ik mij overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen.”

„Is er niets anders dat ik voor u doen kan ?” vroeg ik hem terwijl ik zijn handdruk beantwoordde.

„Voor het oogenblik niet: – ik heb reeds te veel van u gevorderd; wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden;.... doch het zij zooals het wil!.... alleen dit nog!.... mocht mij het lot eens treffen, dat mijn vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelulkige dochter: – wees dan haar voorspraak.... Zorg dan, dat zij in staat gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensch te kiezen.”

Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder voorkwam dan ik gedacht had, waarop hij, na Amelia nogmaals vaarwel gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechtsaf en naar den zeekant begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van Naarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan, om den koffer te dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van eenige minuten in de herberg te Naarden.


[Hoofdstuk 7] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 9]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001