MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

NEGENDE HOOFDSTUK,

BEHELZENDE HET VERHAAL EENER SCHUITREIS VAN NAARDEN NAAR AMSTERDAM.


In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar kop koffie en boterhammen bestelde, en de vraag deed, of er ook goed met den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van Mr. F. Huyck. De waard beantwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond. Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen laten, en begaf mij naar de aangewezen plaats, waar ik werkelijk, na eenig zoekens, de mij behoorende koffers, doozen en verdere voorwerpen, uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht en verwarring door en op elkaar gestapeld waren, terugvond; waarop ik den waard verzocht, die gezamenlijk met den koffer van Amelia naar de schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.

Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt dat er paarden voor het logement hadden stilgehouden: doch in de drukte van het oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude begeven, sloeg ik het oog, in ’t voorbijgaan, door de gang naar buiten en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit het schuim, dat hun breede borst bedekte, en die door den staljongen voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige livrei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te beschouwen, daar ik Amelia niet langer wilde alleen laten, – maar men verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedost, over Amelia aan de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de hand en de beenen uitgestrekt, – en in dien persoon dengenen herkende, dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den Heer Lodewijk Blaek. „Daar beginnen de wederwaardigheden al!” dacht ik bij mijzelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de deur bleef staan.

„Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?” vroeg Lodewijk, mij slechts terloops aanziende: „o vergeef mij!” voegde hij er bij, mij herkennende: „ik dacht dat het de kastelein was. – Mijnheer Huyck! ik wensch u goeden morgen.” – Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te zijn getreden: „en reist de Juffrouw zoo alleen?” vroeg hij: „in waarheid! het zou mij tot bijzondere eer strekken u te mogen brengen, waar UEd. wezen wilde. – Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan,” (dit laatste was ik volkomen met hem eens) „en het is ridderplicht, de dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen.”

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik mij niet kon verlaten. „Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden,” dacht ik bij mijzelven, wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een mooi jong meisje op reis ben geweest?” Deze gedachte belette mij te handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan Lodewijk het voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met hem aan te knoopen.

„Is UEd. hedenmorgen reeds van Guldenhof aan komen rijden? UEd. moet het warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot dergelijke tochten. Zn hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een fraai paard, dat UEd. daar heeft,” enz. enz.

Lodewijk antwoordde slechts met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen te willen geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in hun tête-à-tête had aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij beantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij deed, namelijk met niet veel meer dan „ja Mijnheer!” of „neen Mijnheer!” Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in de hand hield en waaruit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat zij, na mij toen ik binnenkwam even te hebben aangezien, geen oog meer op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik haar niet uit eigen beweging verleende. Deze bescheidenheid van hare zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, alsof wij elkaar niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende, mij de eer der bekentenis kwam ontnemen.

„Mijnheer!” zeide hij tegen Lodewijk: „een glaasje cognac als ’t UEd. belieft: Mijnheer!” (tegen mij) „als UEd. naar de schuit moet zal het tijd worden.”

„Hoeveel ben ik u schuldig?” vroeg ik, terwijl Amelia intusschen was opgestaan.

„Sta mij ten minste toe, u tot aan de schuit te brengen...” zeide Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

„Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds. goed,” antwoordde mij de waard: „twee kommetjes koffie en twee boterhammen....?

„Twee!” herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

„Wel ja!” zeide deze: „Mijnheer betaalt immers ook voor de Juffrouw?”

„Voorzeker!” zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek van mij geld terug te geven: „als UEd. gereed is!” vroeg ik, mij tot Amelia wendende.

„Nu begrijp ik het!” zeide Lodewijk, met een boozen lach, die mij machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

Heureux mortel!” voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij schamper aanziende. „Ik vraag u om verschooning, Mejuffer! Maar waarom heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche moeite deed?”

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking van Lodewijk niet ontkennen: „Mijnheer!” zeide ik, op een toon, dien ik trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: „ik heb niets over deze Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en haar familie (met nadruk op het woord familie) heeft mij verzocht, daar wij toch éénen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op reis niets ontbrak. Ik dacht, dat UEd. haar kende, anders zou ik niet geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer uw dienaar te zijn.”

„Goede reis samen,” zeide Lodewijk: „en ik hoop dat de familie van de Juffer alle reden zal hebben, over haar keuze tevreden te zijn,” voegde hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had.

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik met haar de herberg. Nauwelijks waren wij de stadspoort uit, toen Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbijreed. Hij deed zijn groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach, en bleef langzaam voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden verlaten en de trekschuit in ’t gezicht kregen, zag ik hem weder ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende. Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia mede te deelen, ten einde haar niet nutteloos te verontrusten. „Welkom, meneer Hyk!” zeide Simon: „phen je nog ’ier? Me dacht, je zat hal ’oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch niks an je kwijt worden? Niet? – Nou! dhaarom zel je thoeh ghezond blijven. Has ik je dan reis weerzie met ghezondheid?”

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een plaats nam op de voorplecht, terwijl ik bij Amelia in de roef ging zitten.

Ik zag aan. de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mijzelven erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende wijze aan:

„Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te beantwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld.”

140.gif (24264 bytes)„Mijnheer!” antwoordde zij, „ik heb het recht niet, u eenige verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de toestand was, waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij van harte leed, dat gij u om mijnentwille wellicht onaangenaamheden op den hals haalt.”

„Uwe goedheid,” zeide ik, „behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was, omdat ik hoopte dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd, dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te zamen reisden, hij nasporingen in ’t werk zou stellen, welke het geheim van uw Heer vader in gevaar mochten brengen.”

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook mede te vergenoegen.

„Ik hoop,” zeide zij, „dat gij geen last meer zult hebben van deze ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegeven inlichtingen zal tevreden stellen. – Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij gisteravond spraken? Hij schijnt mij toe geen gelukkig toonbeeld op te leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter,.” voegde zij er bij, „moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den verlatenen toestand, waarin ik mij bevind.”

„Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette,” was mijn antwoord: „maar het zou mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche jongelingschap naar hem wildet beoordeelen. Er zijn er onder, die, zooals hij, hoovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne, die zij eerbiedigen moesten, alles veroorloven, op het voorbeeld der Fransche windbuilen, die zij naäpen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigszins vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook jongelieden vinden, die zich door een ordentelijk, zedelijk gedrag onderscheiden, nauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelgke pliohten, zieh aanbevelen door een heuschen, beschaafden omgang, en niet van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans behooren.”

„Ik twijfel er niet aan,” zeide zij: „het zal te Amsterdam zijn, als overal, dat men er veel kaf onder ’t koren vindt. Helaas! wat mij betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, Mijnheer! aan wien deze reis niets dan vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een beminde familie terugvinden en moogt u thans reeds verheugen in die zalige ontmoeting.... terwijl ik!.... maar, verschoon mij, ik heb geen recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens, bid ik u, hoe groot is het huisgezin van uw Heer vader?”

Ik beantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende, geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. Wij brachten alzoo bijna ongemerkt de lange en vervelende vaart van Naarden tot Muiden ten einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te zamen en gearmd Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij, met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achterop: en, eer ik nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde, herkende ik daarbinnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter over-, en – o spijt! – zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de ooren toe: ik groette: – de Heer Blaek had mij niet opgemerkt; – maar Henriëtte had mij gezien, en de koele blik, welke zij bij het teruggroeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen. – Zij had mij herkend: daar was geen twijfel aan; – en wat toch moest zij nu van mij denken? Ik had haar gezegd, dat ik alleen naar Amsterdam reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gearmd gezien: – en ik zou mij misschien nimmer in de mogelijkheid bevinden, haar de aanleiding mijner handelwijze te verklaren. – Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer Bos van alle geheimhouding, wie zou de zonderlinge ontmoetingen, die mij in deze weinige uren overkomen waren, op mijn woord af verkiezen te gelooven.

Doch, wat deed bet er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zou, althans niet aan zijn nicht. – En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten, die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij koesterde? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam van le phlegmatique Hollandais gegeven hadden, zou zoo op een bof verlieven! – Onmogelijk – en echter....!

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels, die zich doorkruisen en tegen elkaar horten, mijn geest door, zoolang ik de stad Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat zij, toen het rijtuig ons voorbijsnorde en ik een kleur kreeg, mij terloops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had voelen trillen. – Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar, en, zoo zij mijn gedachten al bezighield, was het, om haar, op een vrij onedelmoedige wijze.... voor Sint Felten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt geheel om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want nauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweren, dat „haar tranen haar schoonheid nog verhoogden,” en hoewel ik een rooden neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaans vergezeld gaan, niet onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen, dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van mededoogen en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nooit tranen langs haar kaken zag vloeien zonder den wensch te voeden, dat het in mijne macht mocht zijn, die te drogen. Maar hoeveel smartelijker moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar zelfs van een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren een ziel, zoo sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den schijn van hardvochtigheid te vermijden. „In ’s Hemels naam, Mejuffrouw!” voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de handen op het tafeltje der roef smeekenderwijze samenvouwde: „wat ik u bidden mag, bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen.”

„Vergeef mij,.... o vergeef mij,.... Mijnheer Huyck....” zeide zij al snikkende: „ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle.... maar het zal ras weder over zijn.... Ach! misschien doet het mij goed: – ik heb in jaren niet geschreid.”

Ik wist bij ondervinding, dat niets weldadiger ie voor hen die lijden, dan den oorsprong van hun leed te kunnen mededeelen: en met dat oogmerk waagde ik het, de volgende vraag te doen:

„Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekkken?... Is er van mijne zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond mijns harten, om vergiffenis. – Maar o! laat mij toch niet in de onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw beschermer heeft uitgekozen: – laat dien titel, waarop ik mij verhoovaardig, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij mede te deelen, wat u thans op het hart drukt.”

„O neen! vraag het mij niet,” zeide zij, de oogen afwisschende en het gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half verbergende: „gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;.... en toch!” vervolgde zij, na eene korte stilte, bet hoofd weder opheffende en mij met waardigheid aanziende: „waarom zou ik het verzwijgen, daar gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten levensloop gekenmerkt hebben: ik heb aan geene hartstochtelijke bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden: maar dat ik, die vroeger.... ik schaam mij bijkans het nu ie zeggen.... door honderden gediend en vereerd werd.... die den geringsten smaad mij aangedaan door den dood des beleedigers zou hebben zien straffen.... dat ik, die tot nog toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets te blozen heb.... dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn gezelschap bevindt en een kennis ontmoet.... vergeef mij.... zich schaamt, Gelijk een schuldige zou doen.... dit treft mij tot in het binnenste van mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te maken!”

Ik bloosde opnieuw, zag voor mij en zweeg; want wat kon ik aanvoeren tegen hetgeen zij gezegd had? O! hoe nietig en laf schenen mij thans de strijd en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart, die haar gemoed vervulde! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen misschien onopgemerkt ware gebleven of althans slechts als een beuzeling beschouwd geworden.

Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken wedervond; Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waaruit ik reeds had opgemerkt dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en zich op het breien of kousenstoppen niet verstond. „Ik beken u,” zeide ik, „dat ik min of meer onthutst was, toen ons die koets voorbijreed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende.”

„Mejuffrouw Blaek!” herhaalde Amelia, een doordringenden blik op mij vestigende: „ik dacht zoo; – maar, ik ben u in de rede gevallen: verschoon mij: ga voort, bid ik u.”

„Ik was dit te meer,” vervolgde ik, eenigszins bedremmeld, „omdat ik haar gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een groote vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat....” Hier bleef ik steken.

„Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet,” zeide Amelia: „maar vergun mij op te merken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddellijke ontsteltenis konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen. dier Juffer u ontmoetten.”

De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs, dat het mij gemakkelijker zou vallen, mijzelven dan Amelia te misleiden.

„Mejuffrouw!” zeide ik, een meer vroolijke wending aan ons gesprek willende geven: „gij verstaat u bij uitnemendheid in het ontleden der menschelijke gedachten: en ik betuig, dat ikzelf misschien niet zoo goed in staat zou zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan. Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik eene onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te voldoen, want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te verstrekken.”

„Ik heb nog liever, Mijnheer!” zeide Amelia, dat zich de spijtige uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door plichtplegingen zoekt tevreden te stellen, die ik, helaas! te wel weet dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek ernstig: en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst, daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem, die dezen dienst bewijst.”

„Mejuffrouw!” hernam ik: „ook ik spreek ernstig, en ik betuig u uit den grond mijns harten, dat, zoo de dienst, welken ik u thans poog te bewijzen, aan de verwachting van uw vader beantwoordt, mij die nimmer ongelukkig zal kunnen maken; want welke gevolgen die ook hebbe, ik zal het bewustzijn behouden van den plicht der dankbaarheid volbracht en naar de inspraak van mijn geweten gehandeld te hebben.”

„Gij zijt een braaf mensch, Mijnheer Huyck,” zeide Amelia, mij met aandoening de hand reikende: „en mijn vader, door zijn vertrouwen op u te stellen, heeft mij een nieuw bewijs gegeven, met hoeveel juistheid hij bij den eersten oogopslag de menschen weet te beoordeelen. – Dan, laat ons thans niet meer spreken over hetgeen toch niet meer te veranderen is:

La plainte ni la peur ne changent le destin,

zegt de goede Lafontaine, wiens geestige werken u misschien niet onbekend zijn.”

„En hij heeft gelijk ook,” zeide ik: „ofschoon gij den regel, dien hij er op volgen laat, wel niet zult toestemmen; noch erkennen willen dat

le moins prévoyant est toujours le plus sage.”

„Vergeet niet,” hernam zij, „dat hij vooraf laat gaan: quand le mal est certain. Gij moet geene plaatsen uit haar verband halen, gelijk, naar ik wel vernomen heb, de ketters gewoon zijn te doen, ter staving van hunne anders ,onbewijsbare gevoelens.”

Dit antwoord der bekoorlijke zwerfster bevestigde een vermoeden, hetwelk ik reeds den vorigen avond, uit sommige van haar uitdrukkingen, omtrent haar geloofsbelijdenis had opgevat: ik verlangde echter geen theologische wending aan ons gesprek te geven en ving dus aan, over andere onderwerpen te spreken: daar ik mij echter weinig meer herinner van hetgeen wij verder afhandelden en zulks ook voor mijn lezers waarschijnlijk even vervelend zoude zijn als indien ik hen dwong de reis in de trekschuit zelve te maken, zal ik slechts datgene vermelden, hetwelk Amelia mij toevoegde, toen wij Amsterdam bijna bereikt hadden.

„Hier,” zeide zij op een plechtigen toon, „moet onze korte kennis eindigen. – Zoodra wij uit het oog des schippers zijn, verlaten wij elkander, waarschijnlijk voor altijd. God doe u de betrekkingen, die u dierbaar zijn, in welstand en vreugde ontmoeten! – Hij loone u met zijn rijksten zegen, voor hetgeen gij zoo grootmoedig ten gevalle mijns vaders hebt verricht, – en waarvan de herinnering, hoop ik, weldra geheel bij u uitgewischt moge worden.”

„Uitgewischt!” herhaalde ik: „en waarom dat? Zoo ik in den beginne al eenigen weerzin tegen den mij opgedragen last gevoelde, ik ondervind thans slechts een innig leedwezen, namelijk van te denken dat ik u wellicht nooit wederzie.”

„Dit leedwezen zal u niet lang bijblijven,” hernam zij, met droefgeestigheid het hoofd schuddende: „en het is ook beter, dat gij onze korte ontmoeting vergeet. Gij bevindt u, door geboorte en stand, in betrekkingen, welke u niet veroorloven, u verder in te laten met ongelukkigen, zooals wij, die door het lot genoodzaakt zijn het daglicht te schuwen en sluipwegen te bewandelen. Op ieder van ons beiden rust een verschillende plicht, dien wij naar onze beste pogingen zullen trachten te vervullen: de zoon van den Hoofdschout heeft reeds genoeg voor mij gedaan: meer te doen zou ons niet baten en hem misschien strafbaar maken. Ik geloof, dat gij mij verstaat, zonder dat ik een verdere verklaring aan mijn woorden behoef te geven.”

„Ik weet niet,” zeide ik, „wat de zoon van den Hoofdschout aan uw vader of u mag zeggen, en in hoeverre ik altemet, door u een goeden uitslag met zijn bedoelingen toe te wenschen mijn plicht als burger zou te kort doen; maar niets verbiedt mij toch, de hoop te uiten, dat het u steeds welga, en dat, na de rampen en wederwaardigheden, die u getroffen hebben, ik u eenmaal moge terugvinden, in dien maatschappelijken toestand geplaatst, waar uw geboorte, opvoeding en begaafdheden u ongetwijfeld toe bestemd hebben.”

Amelia dankte mij met een handdruk voor dezen wensch, en wij spraken geen woord verder, totdat de schipper, zijn hoofd naar binnen stekende, ons het: „welkom te Amsterdam!” deed hooren.

„Hoe zullen wij het nu aanleggen met ons goed?” vroeg Amelia.

„Laat dat aan mij over,” antwoordde ik, die reeds mijn plan gemaakt had: „en blijf stil in de roef zitten, tot ik u roep. Hei! ho!” riep ik, naar buiten springende: „is daar ook een kruier?”

„Zal ik; het goed van Mijnheer niet te huis brengen?” vroeg de schippersknecht, de muts even aflichtende.

Dit was juist wat ik wilde: „wanneer heb ik het dan?”

vroeg ik. „Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer Hoofdschout, wel bekend?”

„Goed!” was mijn antwoord: „alleen dat stuk,” vervolgde ik, op het koffertje van Amelia wijzende: „moet ik terstond medenemen, omdat ik er iets uit moet nemen en het dan verder opzenden.”

„Heel wel, Mijnheer! als Mijnheer dan daarvoor maar een van die menschen wil nemen....”

Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje overreikte. – „Zuster!” riep ik toen: „als het u rnaar belieft.”

Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander, doch niet gearmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen-Amstel verder. Wij hadden het geluk, niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.

„Wij gaan hier van elkander,” zeide ik: „jongen! gij volgt de Juffrouw en brengt haar bij den Heer Bouvelt op den Buitenkant bij de Peperstraat.”

Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij ging met den knaap de lange houten brug naar de Muiderstraat op, terwijl ik mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog eens naar haar om; maar hoe groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen, waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkheid van een listigen marskramer, en die het nu in zijn macht had, althans gedeeltelijk, achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen; en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegenwoordigen stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Voor ’t overige wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was, die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest: deze gedachte stelde mij weder eenigszins gerust: en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed, mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zoodanig in, dat het alle andere, ook dat van mijn laatste avonturen, ten eenenmale verdrong.


[Hoofdstuk 8] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 10]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001