MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

TIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE FERDINAND TE HUIS KWAM EN HOE HIJ INSLIEP, WELK VOORBEELD DE LEZER MAG VOLGEN, ZOO HET HEM GOEDDUNKT.


O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezigheid, het ouderlijk huis weder naderen, en de oogenblikken tellen, die ons nog scheiden van hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap, van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed vervullen! – Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen zich aan onze verbeelding voor! – Zullen al de leden van het huisgezin gezond en bij elkander zijn? – Zal er geen lastig bezoek wezen van onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te smoren? – Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht uitgekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze tehuiskomst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan het hart te drukken? – Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende, en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende, die op het onze te lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: „wat is er van je dienst, Sinjeur?” – Zal het huisraad, nog in elk vertrek dezelfde plaats bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard hebben? – Ach! wij herinneren ons alles, zooals het zich bij ons vertrek bevond, en wij weten, dat elke verandering die wij vinden zullen, ook die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen ondervinden.

Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik met haastige schreden mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Nu bereikte ik de Erwtenmarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den Regulierstoren voor mij: deze was een herkenningspunt; want men kon hem evenzeer zien van het huis mijns vaders: – ik kwam op den Singel: in het hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was drieduitskorstjes te koopen, en de bakkerin zat nog op haar oude plaats achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag; – maar ik wachtte niet af, of zij mij herkende: ik had den gevel van mijn vaders huis gezien: en ik verdubbelde mijn tred. Eenige onzer buren zaten voor het raam: ik groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: „ja, ik ben het wel; kijkt maar goed: het is Ferdinand, die te huis komt:” – ik snelde de stoep op en het was mij, of mijn voetzolen minder luid op de blauwe zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de zijkamer: – ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster, beiden op de gewone plaats: – het was mij, als werden mijn oogen beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte trok ik met de andere aan de schel alsof het huis in brand stond.

Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en Suzanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen; doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk onze getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij stond, en die onder den uitroep: „wel is het mogelijk!” mij om den hals viel: „goeden morgen Aagt!” zeide ik, haar omhelzing beantwoordende: „is alles wel?”

Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had. mij reeds weder losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen liepen, met luider stemme: „Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer Ferdinand!” – En tegelijkertijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was het klos! klos! klos! – trip, trap, trip van alle zijden: en kwamen mijn jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van beneden de trappen af- en opgestormd: en het was een gedruisch, en een gekus, en een gelach, en een geween en een gevraag, en een geroep door elkaar, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogenblikken later zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de hare geklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblauwe oogen, nu en dan een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.

„Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!” zeide Suzanna: (want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) „ik mag niet beginnen met te knorren: – maar ik dacht, dat gij in Westfalen verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden.”

„Hoe!” zeide ik: „ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt.”

„Licht mogelijk,” zeide zij: „men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel slakken en schildpadden tot postboden: – nu, in allen gevalle zijt gijzelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, uw hanepooten te ontcijferen.”

„Pas op, Santje!” hernam ik: „ik weet van goeder hand dat gij mijn brieven zoo laag niet schat en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat.”

„Hoe weet je dat!” zeide zij, een weinig rood wordende: „Qui te l’ a dit? Zeker heeft papa u dat geschreven.”

„Neen! dat heeft papa mij niet geschreven; maar dat weet ik toch van zeer goeder hand: – pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen.”

„Zie toch eens, mama!” zeide Santje, terwijl moeder tusschen haar tranen om ons harrewarren lachte; „wat is het reizen toch een heerlijk ding, om jongelieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is en durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster. Neen mannetje!” vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: „ik zie wel dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder onder subordinatie begeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjes zoo lang hun eigen meesters geweest zijn.”

„Kinderen!” zeide moeder, het hoofd schuddende: „gij zijt waarachtig nog altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug, en het oude geplaag is weder aan den gang;”

„Wel! lieve moeder!” zeide ik, haar nogmaals omhelzende: „ik hoop waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult.”

„Hoe verwaand!” zeide Suzanna: „net alsof de jonge Heer volmaakt was, toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren hebben: – maar zeg mij? Wat zal Mijnheer na de reis gebruiken? Zal ik wat koffie zetten of verkiest gij een glaasje wijn? En hoe staat het met den eetlust? Is die nog zoogoed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onzen Hollandschen kost niet meer?”

„Wel foei!” zeide ik: „zou mij een boterham niet smaken, met echte Delftsche boter en Beemster kaas? – En dat nog wel door mijn zuster bereid!”

„Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nogal hoop op u te voeden. Maar kom! gij vertelt ons niets: – hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en waar komt gij nu het laatst vandaan?”

„Dat zijn te veel vragen opeens,” zeide ik, het tijdstip, waarop ik met mijn leugens zou moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te verschuiven.

„Neen Santje!” viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de verlegenheid helpende: „eerst moet de goede jongen wat te eten hebben: ofschoon ik u niet raad veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag.”

„Wel dat treft nu ook!” zeide ik: „zóó ben ik te huis, en zóó laat gij beiden mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet? kan die kerkgang niet tot aanstaanden Zondag uitgesteld worden?”

„Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen,” antwoordde mijn moeder, „dan was ik liever gisteravond gegaan; maar het is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan, nietwaar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken.”

„Waarlijk ja, Ferdinandje!” zeide Suzanna: „dat moogt ge wel doen; want ik vrees dat gij wel een vrome toespraak noodig zult hebben, en dat het hoognoodig zal zijn, dat gij den catechismus weder eens opvat; gij hebt mooi tijd gehad om dien te verleeren.”

„Wees maar gerust,” hernam ik: „wij zullen morgen eens zien, wie van ons beiden het best zijn vraagboekje in ’t geheugen heeft.”

Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en Suzanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en intusschen de menigvuldige vragen beantwoordde, mij door het jongere deel der familie gedaan, kwam mijn bagage te huis en nu stoven allen, meisjes zoowel als knapen, naar het voorhuis, om de dienstboden te helpen in het naar boven slepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks daarmede bemoeien; doch Suzanna weerhield mij.

„Wees maar bedaard,” zeide zij: „gij zijt van daag de held van ’t stuk en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare kristalwerken en fraaie porseleinen, die gij ons ten geschenke medebrengt, en zonder dat de keurige stoffage beschadigd worde, welke gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken.... Tusschen twee haakjes, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u zelven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smerige pakje, ’t geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar den kleermaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot houden; want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag.”

Ik begon te lachen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij, haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.

Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man de stoep opkomen en aanschellen. „Wacht!” riep Suzanna: „blijf gij hier! wij moeten even een grap hebben met vader,” en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.

„Goeden dag, Santje,” hoorde ik mijn vader zeggen.

„Goeden dag, papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?”

„Neen, kind!” was het antwoord: „maar zeg mij, is er nog geen brief van Ferdinand?”

„Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te krijgen.”

„’t Is onbegrijpelijk,” hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Suzanna mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een angstigen blik opwaarts zag.

„Maar kom toch hier, lieve Willem!” riep mijn moeder, die het niet langer uit kon houden: „hier is veel beter dan een brief.”

„Vader! beste vader!” riep ik, den braven man tegensnellende en hem omarmende.

„Zoo! zijt gij er dan toch?” zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn borst drukkende: „laat mij u eens aanzien,” vervolgde hij, mij zachtjes van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken beschouwende: „gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit,” hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: „maar anders voldoet mij uw uitzicht wel en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw vertrek bezat: mentem sanam in corpore sano. Gij hebt ons zeker willen verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tijding hebben zoude, dat men u dien ochtend te Soest gezien had. Ik had u gisteravond reeds hier verwacht.”

„Waart gij daarom gisteravond en heden aan het ontbijt zoo stil en afgetrokken?” vroeg mijn moeder: „en waarom hier niets van gezegd?”

„Ik wilde geen van u allen ongerust maken,” antwoordde mijn vader: „maar zoo ik Ferdinand thans niet gevonden had, zou ik onmiddellijk een koerier naar Naarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er een ongeluk had plaats gehad. – Gij hebt ongetwijfeld te Naarden gelogeerd, Ferdinand?” Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat nu de ondervragingen zouden beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor, afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd gegeven om mij te herstellen: mijn antwoord luidde eenigszins ontwijkend:

„Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest bier gisteren reeds te zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Naarden. Hebt gij bier geen bui gehad? – Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu met de eerste schuit van Naarden gekomen.”

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch kromp mij het hart, alsof ik een samenweefsel van logens verteld had. Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering.

„’t Is juist zooals ik dacht,” zeide hij: „ja, wij hebben hier ook wel wat regen gehad; maar toch niet zoo erg: – dan, naar ik hoor, moet de bui in Gooiland veel schade hebben gedaan: – nu, gij zult ons van dezen middag alles wel wat meer omstandig verhalen.”

„Ja!” voegde mijn goede moeder er bij: „gij zult nu ook wel verlangen u wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?”

„Wil ik hem den weg niet wjzen, mama?” vroeg Suzanna: „ik zal hem op geen doolpad brengen.” – „Of ik! – of ik!” riepen Letje en Keetje.

„Neen! Neen!” zeide moeder, het hoofd schuddende: „gij ijdeltuiten kunt naar uwe kamers gaan en u kleeden om bijtijds klaar te zijn voor den eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: ’t is lang geleden, dat hij niet door moeder is naar boven gebracht, nietwaar, Ferdinand?”

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve vrouw onder den arm nemende, ging ik met haar de trappen op.

„Hoe, mama,!” vroeg ik, toen zij mij binnenleidde in een ruim en luchtig vertrek, dat te voren tot logeervertrek had gediend voor zoodanige bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: „is deze fraaie kamer voor mij alleen?”

„Ja Ferdinand,” antwoordde zij, terwijl haar trekken het genoegen aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: „mij dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor u zelven te hebben, waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen ontvangen. – Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de ramen wel kunnen sluiten.” Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjes weg, die zich op het spiegelglas of op de gladde tafel bevonden. „Waarlijk, mama!” zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar zorgvolle liefde: „al de vrienden die mij bezoeken, zullen mij deze kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde bracht.”

„Ik ben blijde, dat zij u gevalt,” zeide mijn moeder: „maar zeg mij eens, Ferdinand!” vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken spelende: „hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek? – Hebt gij nooit iets volbracht, dat gij u schamen zoudt mij te vertellen?”

„O! geloof mij,” antwoordde ik, haar omhelzende: „altijd is mij de gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de mijne in niets bedroeven.”

„Beste jongen!” hernam zij: „het besef der vreugde, die gij mij thans doet smaken, moet u zoeter genot smaken dan eene van die genietingen, welke gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kunnen aanbieden. O! wat zal het mij zalig zijn hedenavond mijn Schepper te danken, dat Hij u weder gebracht heeft, zoo rein en zoo goed als toen gij mij verliet.”

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beiden, in stilte en zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde. O! dacht ik bij mijzelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo liefheeft, te verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich, zoodra de eerste opwelling voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder liet mijn hand los en veegde de oogen af.

„Kom!” zeide zij: „wij zijn kinderachtig: – maar zeg mij, Ferdinand, is al die bagage van u? En zijn al deze koffers vol? dat goed zal weder gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel kans zou gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen.”

„Wel mama! nu maakt gij het al te grof,” zeide ik: „denkt gij dat ik gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar die beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagage niet weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb bevonden, de middelen van vervoer eenigszins te vermeerderen.”

„Nu, wij zullen eens zien wat het geeft,” zeide mijn moeder: „ik zal u niet langer ophouden: kleed u maar aan, en zoo gij, iets noodig hebt, moet gij maar schellen.”

Met deze woorden verliet: mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter niet terstond voldoen aan haar laatste verzoek: mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel neder en stortte mijn ziel uit in vurige dankgebeden tot Hem, die mij den zegen had doen smaken, van vereenigd te worden met al die panden, welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan het lijf had af te leggen en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone kleederen en linnengoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van verkwikking en wellust vervulde mij, toen ik, nu van top tot teen in een nieuwen dos gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er ontbrak nog wel is waar een pruik om mijn toilet te volmaken; maar dewijl het weldra etenstijd zou wezen, en, ook, al ware de kapper bij de hand geweest, de plechtigheid van het haarsnijden en het passen van een nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die gevoeglijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen moeder en Santje aan het middagmaal: waar ik van vragen bestormd werd door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens stilte moest gebieden, en mijn moeder de kinderen beknorren en hun verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Daar mijn moeder en zuster, gelijk ik reeds gezegd heb, voornemens waren naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nogal haastig af: ’t geen mij niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster Suzanna moest ondergaan.

„Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend,” zeide zij: „is het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen? – Ik dacht zoo meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u gerust bij den drogist op het Rokin verhuren, indien hij zijn gaper verliest. Dominee Best krijgt een beroerte op ’t lijf als hij u ziet.”

„Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen,” zeide ik: „ik ga niet naar de kerk om te slapen; en ik ben overtuigd, dat mij hedenavond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden.”

„Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak,” zeide mijn moeder, eenigszins ongerust: „vindt gij ook niet, schat!” (zich tot mijn vader wendende) „dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best uitziet.”

„Dat is zeer natuurlijk,” zeide Suzanna: „straks was zijn gezicht beter dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd.”

„Ik geloof ook,” zeide mijn vader, „dat hij maar wijzer zal handelen met te huis te blijven en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar is niets vreemds in:

Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit.

Ware ik in zijn plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, tenzij hij liever verkieze, wat met mij te praten.”

„Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem,” zeide ik: „ik beken, dat ik heden maar een half mensch ben en zelfs buiten staat, mij met fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden.”

„Dan zal ik ook maar geen kruit en lood op u verschieten,” zeide Suzanna: „want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand zich niet verweert: A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire.”

„Zeer goed,” zeide ik: „zoo gij slechts niet vergt, dat ik, u voor deze edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoogoed als ik, dat de tijd om mij te plagen u toch ontbreken zou, daar het rijtuig binnen een paar minuten voor de deur zal staan.”

Ik bedroog mij niet; nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met mijn vader naar zijn kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf hij mij opnieuw den raad daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep, dat zulks ook het wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen nazien: en het leed niet lang of ik lag in een gerusten slaap gedompeld.


[Hoofdstuk 9] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 11]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001