MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ELFDE HOOFDSTUK,

HETWELK ETTELIJKE POLITIE-GEHEIMEN AAN DEN DAG BRENGT.


Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorgeloozen toestand doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen, op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven. „Daar wordt geklopt,” zeide ik, de armen uitrekkende en willende opstaan. „Hou uw gemak,” zeide mijn vader: „het is niemand anders als Heynsz, die mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door,” vervolgde hij lachende: „dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te verklappen.” Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn zak, opende daarmede een deur, welke zich in een hoek van het vertrek bevond, en liet den zooeven genoemden persoon binnenkomen. Daar deze geen geringe rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den man der neder stelle.

Het is mij onbewust of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijdlang bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bij den Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zouden hebben gegeven dan hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene gelegenheden van hem ter ooren kwam, ware stoffe genoeg te vergaren geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer lezenswaardig had kunnen geacht worden, ,ja met den Gil Blas of Guzman d’ Alfarache wedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als die van Le Sage tot de samenstelling daarvan had aangeboden. Wat mij betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.

De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaard, als vervullende hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer aanzienlijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waar de gezant zijn intrek. had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte, weet ik niet; zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn meesteres na verloop van een paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij wat rondgezworven: ja men beweerde, dat zij, evenals de moeder van Campo Weyerman, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen, welke hem bij het behoorlijk aligneeren zijner Compagnie eenigszins hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had. Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over zijne echtverbintenis te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden beschermer had hem in staat gesteld een herberg te Amsterdam te aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij in het moederland gewoon waren, bijna evengoed, althans op dezelfde wijze toebereid, te doen terugvinden. Zacharias, de eenige spruit, waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid om met menschen van allerlei slag te leeren omgaan, ’t geen hem later, gelijk men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straat geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige meerdere opleiding en beschaving zou hebben noodig gehad, om hem in dat vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan een reiziger klachten bekwamen, dat de onbeschaamde knaap zich verstout had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belachelijke wijze voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft zijnde, beloofde hij wel beterschap; maar de liefhebberij was te diep bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zou hebben laten varen. Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die, bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding waarvan Zacharias hem eenigen dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht veranderd, zagen reeds in ’t vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden Rubbens, met goud en ridderkruisen behangen, tot hen terugkeeren. Dan helaas! hoe ijdel was deze hoop! – De kennismaking met den Heer De Vieux (zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van voordeel, louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed; en meester en leerling beiden wenschten elkander met hunne onderlinge betrekking geluk; – maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in Zwitserland bevindende, van waar zij voornemens waren naar Italië te trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te beproeven, of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat gesteld zoude kunnen worden, de terugreize naar Amsterdam op eene meer behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem, als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht: daar hij tot drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten Cartouche in kennis komen: een ontmoeting, welke hij later veelal behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien Kapitein der gauwdieven een beurs met louis d’or bekwam. Dit maakte de uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk lichter. Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke omstandigheden aan, en werd door hem wel ontvangen. Dan, in stede van naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen den kost te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althans wat de gelijkenis betrof, zeer wel slaagde. – Dan het was hem voorbeschikt, dat de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, ellende en schande berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie hebbende vervaardigd, stak hij in diens bijzijn de daarvoor ontvangene belooning in de beurs, welke hij van Cartouche bekomen had en om haar fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets, maar den volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen, en gevraagd, waar hij die beurs vandaan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen, dat hij die van Cartouche ontvangen had, verklaarde stoutweg, dat hij die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en, ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden had; terwijl hij later opeens in een deftig gewaad was verder gereisd. De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht en was althans niet geschikt de gemoederen der Rechters voor hem in te nemen. Kortom, hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot, welke met de reglementen van den dienst strookende waren, en zelfs eenigszins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem ten laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en, Frankrijk nu vaarwelzeggende, trok hij, met het weinige geld, dat hij van zijn familie te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog-Mogenden, naar zijn vaderland terug. Te Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in Den Haag neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand. – Maar de jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van koloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet ingeroepen dan door lieden van den minderen stand, uitgelokt door den matigen prijs, dien zij voor zijne voortbrengselen betaalden.

Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de derde reize beschuldigd van een misdaad, welke hij niet gepleegd had. Hij had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtig garnituur gemist, en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juweelen verpand had. Hij werd opnieuw verhoord en gevangengezet; deze laatste gevangenis was echter de kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van een plan ter ontkoming, dat vernuftig uitgedacht was en zeker zoude gelukt zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt, door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den diefstal bij den juwelier had begaan: en het was hem gebleken, dat het de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar zelfs een belooning ontving.

Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heinsz trok de aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders voorganger, die zich te dien tijde toevallig in Den Haag bevond. Hij deed onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek, oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.

Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verleenen. Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontvangt, kan echter uit den aard der zaak niet met hem noch zelfs met de ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de Justitie in betrekking stonden; terwijl andere verklikkers van een minderen rang onderling onbekend blijven en soms elkander moeten gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan, is er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig te zijner kennisse brengt: een trechter waar alles doorheen gaat, of liever een totebel, die uit het slijk en de modder, waarin hij wordt nedergelaten, alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man wordt, of werd althans in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige betrekkingen aan bij de colleges der Admiraliteiten, bij de Bank, bij de landsen stadsinrichtingen, in de koffiehuizen, enz, , wierf de geschikste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen genoegzaam vertrouwen inboezemden. Niet met de Onderschouten, maar onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking en kwam bij dezen tweemalen daags zijn rapport doen1). Deze bediening was opengevallen en nu sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen op Heynsz, om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en schelmen had doorgebracht, al de loopjes moest kennen, welke zij te baat nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juweelen had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnlijk kon blijven uitoefenen en ’t geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt, want, behalve dat de bezoldiging niet gering was, gevoelde Heynsz in zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam en was sedert, tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de wereld, die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep, en voegde bij de winstjes, welke zijn portretten hem bezorgden, nog deze, dat hij gestoffeerde kamers te zijnen huize verhuurde: ’t welk hem dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een gemakkelijke wijze in ’t oog te houden, hun bedoelingen te leeren kennen, en, wanneer het noodig was, hen over te leveren.

Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den Singel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in het Klooster uitkomende. Door deze gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen en kwam (gelijk ook thans geschiedde) aan het kabinet mijns vaders tikken.

Op den tijd, dat ik hem terugzag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn geweest; maar, niettegenstaande zijn jaren en de veelvuldige wederwaardigheden, die hij had doorstaan, was hij nog wakker en vlug: en men had hem slechts aan te zien, om te oordeelen, dat hij een dier leden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan. Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar zijn stand en eenvoudig gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets buitengemeens; maar zijn kleine, grauwe oogen, die immer door in beweging waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van velen verachtelijk zou schijnen, genoot hij in zekere mate de achting mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid en trouwen dienst waardeerde, evenals een jager zijn besten drijfbrak of staanden hond op prijs stelt, zoo was er inderdaad niets op den man te zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven, verhelers van gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude leer, dat men dieven met dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan zijn historietjes zonder einde over Cartouche en de Fransche boeven begon.

Daar men den persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij nooit aan iemand iets moesten laten blijken van ’s mans verschijning ten onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien als een geheimzinnig wezen, dat geëerbiedigd en ontweken moest worden: ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die, welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de huishouding in orde brengt. – Wat de dienstboden betrof, dezen kregen Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns vaders studeervertrek vergund, dan bij gelegenheid der maandelijksche schoonmaak: en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde, vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnenkomen.

Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschooning verzoek, keer ik tot mijn verhaal terug.

Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd binnengelaten, met mijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en in weerwil van mijzelven moest ik luisteren naar een gesprek, hetwelk mij in den beginne onverschillig was, doeh naderhand des te belangrijker werd.

„Welnu, Heynsz!” vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende, waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: „wat brengt gij voor goeds?”

Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.

„No. l,” zeide hij, terwijl zijn stijl en tongval den Hollander verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner ouderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: No. l: de Koning van Corse logeert. in het wapen van Emden en heeft bij Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar Rotterdam te rijden.”

„Hij zal zijn reis nog wat dienen uit te stellen,” merkte mijn vader aan, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen en aanteekeningen maakte, naarmate de beambte sprak: „wij zullen hem heden voor zonsondergang een logement in de gijzeling bezorgen.”

„Een Koning in de gijzeling!” dacht ik: – en ik herinnerde mij niet zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dienzelfden Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het plechtigst op Corsika had zien huldigen en met de kroon versieren, welke hij slechts eenen zomer gevoerd had. „Ma foi!” hernam Heinsz: „indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij zullen lang wachten eer zij blauw tellen hunne vingers aan zijn geld, en het zal hun wel vervelen, hem te geven den kost. – Ik weet de science certaine, dat hij kaal is als de oude Heer Job.”

„Kent gij den kleermaker Melisz, ten wiens requisitie hij vervolgd is?” vroeg mijn vader.

„Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw en zijn dochter: ’t was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die leelijke bakkes.”

„Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen en geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en ik vlei mij, dat hij een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig: en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoord te betalen gelijk een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan. – Wat is er verder ?”

„No. 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuelz is gecommitteerd door Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thans resideerende in den Duvelshoek, no. 110.”

„Mozes Abramsz! – Een oude kennis:

extenuata gerens veteris vestigia poenae;

maar zijt gij daar zeker van?”

„Zeer zeker. UEd.Achtbare weet dat ik vanouds heb een fijnen neus om te attrapeeren dieven van juweelen. Karel de Speelman, die hem assistentie heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo Abramsz bij het deelen als een honnette dief had gehandeld, de Speelman wel zou gehouden hebben den mond.”

„Best! Gij geeft vier dukaten aan Karel den Speelman en waarschuwt hem, dat hij binnen vier en twintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem anders als complice zal laten pakken. Verder!” „No. 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg geopend met een heerlijke aanspraak en een fraai poême, waarin hij hun heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is afgeloopen in complete orde.”

„Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is dat diezelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit ’s-Hage, buiten weten van haar ouders, te zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet eer tijding van gehad?”

„Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en ging juist aan UEA. dit verhalen.”

„Genoeg! draag zorg, dat de ouders ondershands bericht bekomen van het verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in ’t oog. Het is de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is onverbeterlijk en behoort onder diegenen, qui hostili more matrimonia student sibi conjungere. – Wat meer?”

„No. 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jean Albert, welken de Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort.”

„Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij zich op?”

„Hij heeft niet gequitteert Parijs een oogenblik en logeert er nog altijd in de kleine straat du Bac. Ah! ’t was een rusé compere, diezelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft nog eens aan Mjnheer d’ Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde aanstellen als chef de la Police Secrète, er binnen zes maanden geen straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben.”

„’t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn, opdat ik deze tijding aan mijn ambtgenoot te Parijs schrijve. Wat is er meer?”

„No. 5. Ziehier het lijstje der sedert gisteravond aangekomen personen.”

„Hm! hm!” zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van vreemdelingenlijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed gaan:

Donderdag-morgen; de Heer Du Bourg: (hm! die komt hier zien, of hij het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft, met acties op de Zuid terug kan winnen: – lusus res antiqua.... sed pro tempore abiit in lacrimas....) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal. – (De kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde, niet te veel krediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn fraaien stoet:) – de heer Peperkorrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie uit Alkmaar: Nathanaël Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de Muiderstraat: – (die komt zeker een collecte doen: – ) Peer, de Manke, Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte Kamizooltjes: – (gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd doorbrengt: – ) De Heer Blaek en familie van buiten. – (Ik heb u reeds meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne buitenplaatsen en terug niet behoefd vermeld te worden: – ) Jan Cornelisz, koekenbakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten gekomen zijn.”

Ik voelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de zijnen zoo zonderling vergezelschapt zag.

Mijn vader vervolgde: „In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was dan alleen de knecht uit het groote koffiehuis in ’s-Hage die door zijn meester wegens diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in ’t oog.) Met de schuiten van Utrecht:” hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn potlood eenige namen aan te schrappen, als van personen, die hij der bewaking aanbeval: „met de schuit van Weesp: twee officieren van ’t Oranje Regiment: twee deserteurs uit Hannover: (aangeschrapt!) – enz. – Met de schuiten van Muiden....” – Hier werd ik dubbel aandachtig:

„Met de schuiten van Muiden: hm! hm.! de Heer Ferdinand Huyck.”

„Ik vat deze gelegenheid aan, UEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden, over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon.”

„Ik dank u. – Wie is die juffrouw Bos, die ik op de lijst vinde?”

Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij echter gerust. „De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht.”

„Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muiden gekomen,” dacht ik bij mijzelven: „of het vernuft van Heynsz is verschalkt.”

„En die Juffrouw Van Beveren?” vervolgde mijn vader: „waar neemt die haar intrek?”

„Bij uwen onderdanigen dienaar,” antwoordde Heynsz: „een aardig meisje uit Deventer, dat mij door deftige lieden is aanbevolen....”

„’t Is wel!” zeide mijn vader. „Vervolg: wat geven de tijdingen van buiten?”

„No. 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijn informatiën juist zijn.”

Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. „Het zou nogal kluchtig zijn,” dacht ik, „indien ik den aanval op mijzelf gedaan, hoorde vertellen.”

„De een,” vervolgde Heynsz, „is een Bohémien, een Heiden, met name Peer Hendriks, alias ’t Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is hedenmorgen, zoo ik hoor, door den veldwachter van Bussum geapprehendeerd geworden: – de tweede is Andries Mathyssen, gewezen matroos, de zoon van een boerin, nabij Oud-Naarden.”

„Ik ken hem en zijn moeder,” zeide mijn vader; „hij stond vanouds in het kladboek aangeschreven: atro carbone notatus.”

„Uw Heer zoon,” vervolgde Heynsz, „zal UEA. kunnen vertellen, hoe die Andries gistermorgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Soest. Hij is van daar naar zijn woning gekeerd; maar, toen hedenmorgen de dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen.”

„Hij zal wel in het net komen,” zeide mijn vader. „En de derde?”

„De derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt naar al hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte Zwarte Piet, die vroeger in de West-Indiën heeft geëxerceerd het bedrijf van zeeroover, en nu, bij gebrek van beter, zich met straatschenderij geneert.

Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen.”

„Goed! – maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder? – Hebt hij eenig bericht omtrent hem?”

„No. 7. De Vliesridder is met zijn dochter gistermorgen om halfacht uit Amersfoort gereden met een huifwagen van De Geus: te Soest heeft hij stilgehouden en aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dienzelfden Andries Mathyssen, van wien ik zooeven sprak, hem een stoot gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van dienst te kunnen zijn: – althans zoo vertelt kleine Simon de marskramer.”

„Goed! – Verder!” zeide mijn vader. – Men kan licht beseffen met welk een aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk werd.

„Zij hebben te Eemnes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beiden uit de kar gestapt.... en sedert heeft men niets van hen vernomen.”

„Niets!” herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste ontevredenheid te kennen gaf: „is Simon hen dan niet achtervolgd?”

„Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde twee hazen te gelijk.”

„Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden. Andries begaat vooralsnog zijn diefstallen buiten onze judicatuur, en het is meer uit beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de moeite op ons nemen, zijn gangen na te gaan. – Maar de Vliesridder! Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft uitgevaardigd! – dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.”

„Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat hij gevat moet worden, zoodra hij zich op het rechtsgebied vertoont.”

„Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of zelf, òf door anderen, papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter stede correspondentie voert?”

„Nog niet, Ed. Achtbare! – doch zoo UEA. verkiest, zou men kunnen waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter het geheim.”

„Hij zal zijne brieven zelf niet schrijven. – Wist ik hier maar iemand, met wien hij betrekkingen heeft onderhouden.”

Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud tusschen mijn vader en Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte’ ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem had hooren betitelen) alles aan mijn vader bekend hebben; want dan ware ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat zou gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend; ik begreep dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht het crimen reticentiae mij ten laste zou gelegd worden: dat bovendien mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te zijn geweest: – en dan, al ware het maar alleen de gedachte van mijn vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te stellen, en gedwongen te zijn, dit voor mij te houden: O dit viel mij hard! En toch! Ik zou mijzelven veracht hebben, indien ik in staat ware geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn vrijheid belaagden, te kunnen verraden.

Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.


  1. Men herinnere zich dat de steller van het Handschrift de zaken voordraagt zooals die in zijnen tijd bestonden.