MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

TWAALFDE HOOFDSTUK,

WAARIN MEN NADERE KENNIS MAAKT MET DE LEDEN DER FAMILIE EN WAARIN TANTE LETJE EEN CONFITUURVLEK OP HAAR HALSDOEK BEKOMT.


„Welnu!” vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: „zijt gij wel voldaan van uw slaapje? Mij dunkt, gij waart ook in het geval van Argus: Succubuisse oculos, ad opertaque lumina somno.”

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust verkwikt had.

„Dat verheugt mij,” zeide mijn vader: „ik had al half berouw, dat ik u bij mijn gesprek met Heynsz had laten assisteeren: maar gij sliept zoo gerust, dat de stads-omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude hebben. En is er altemet iets geweest dat u het eene oor is ingekomen, zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek u althans er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken.”

Dit was juist hetgeen ikzelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn vader, dat ik van ganscher harte aan zijne aanbeveling voldoen zoude.

„’t Is wel!” zeide hij: „neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij over weinige ogenblikken kunnen beschikken: want men zal u wel komen bezoeken en het zal zijn:

Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,

gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te luisteren?”

Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hooren, waarop hij aldus begon:

„Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te worden.”

„Integendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op een nuttige en werkzame wijze door te brengen.”

„Zeer goed! ledigheid is een duivelsoorkussen. Gij weet, wat Ovidius zegt:

En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?”

„Ik beken u,” antwoordde ik, „dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude weten te bepalen.”

„Hm!” zeide mijn vader, het hoofd schuddende: „daar houd ik niet van. Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe jaren, tenzij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke categoriën ik u rangschik.”

„UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot den zeedienst, welke echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden, en mij thans ook weinig zou baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik heb intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn liefhebberij ten deze in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets anders voor mij op het oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult misschien verlangen, dat ik advocaat worde: – doch ik beken, tot mijn leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weer druk zal moeten oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen.”

„Dat laat zich alles wel hooren,” zeide mijnvader, met een glimlach: „bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat, nobile illud officium, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne gezien had onder de zoodanigen,

qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,

levert schier dat ambt, althans in de eerste jaren, weinig verdiensten op: en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in het hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zou u wel door mijn invloed aan dezen of genen post kunnen helpen: maar ieder heeft zijn eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen voortkomen. Intusschen, ik moet u thans gulweg zeggen, dat het mij in zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu vlei ik mij dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u voordeeligst zijn kan. – Wat zoudt gij van den handel denken?”

„De handel is een heerlijk iets,” antwoordde ik, eenigszins verwonderd over deze plotselinge vraag: „maar die men niet zonder fondsen beginnen kan.”

„Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in den zak (God weet waar vandaan!) komen aanwaaien, menschen,

quorum nemo queat patriam monstrare parentis,

en die. eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis van negotie staan? – Doch gij hebt gelijk. –. Gij moet ook met iets beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet, het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. heeft, sedert den dood van uw oom, onder diezelfde firma, maar alleen onder de directie van laatstgemelde blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten; maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd.”

„Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij heeft, en herken haar vriendschap te mijwaarts.”

„Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mij voor, dat gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het krediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van wordt. Wel is waar,

omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,

en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij, dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen ondervinding, en vooral de leiding van den Heer Van Baalen, u weldra op de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt.”

„Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zou stooten, indien ik zulk een aanbod niet dankbaar aannam; maar is de Heer Van Baalen insgelijks met deze schikking volkomen tevreden? En ziet hij er niet tegen op, een onbedrevene als mij tot compagnon te nemen?”

„Hij heeft geene zwarigheden gemaakt; en de drie ton, weIke uw tante in het huis heeft gelaten, wegen ook nogal tegen eenige bedenkingen op. – Nu! ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken.”

Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer, die zonder bepaald doel in de wereld voortleefde, neen, ik zag mij, als deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst, in een betrekking, waarin het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap van mijn vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen mij thans was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen, welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te beantwoorden. Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog waren wij aan ’t redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en het klinken der schel ons verwittigden, dat: onze dames uit de kerk terugkwamen.

Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Suzanna en tante Letje; uit de tweede tante Van Bempden: en weldra traden de vier dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen gewaad, met haar stijve neepmuts, zonder eenig sieraad, dan haar prachtigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante Van Bempden met hare fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van linten en kwikken: – twee volkomen contrasten; maar beiden, elk in haar soort, voortreffelijke menschen.

184.gif (38883 bytes)Tante Letje, die nu eene eerbare vrijster was van ongeveer vijf en veertig jaren, ging bij de booze wereld door voor hetgeen men eene fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in groote familiën, vooral in die waar verscheidene zusters zijn, zich eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van een stemmig onopgesmukt, gewaad, door het afzweren van alle wereldsche vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten, zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het uitspreken der tale Kanaäns (gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt), door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig herkennen aan den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats gaat: aan den eerbied, welken de plaatsbewaarsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen nimmer gedwongen zijn, in te schikken: aan de groete des voorzangers: aan het lange gebed, dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol hoogmoed) opwaarts slaan, zoo vaak in de predikatie gewag gemaakt wordt van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in den vrijsterstaat, doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zou onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van haar gedrag altijd te willen toeschrijven aan hare vrees van in de wereld geen opgang te zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge gegolden hebben, zelfs buiten haar weten: er zijn er, die hoovaardig op hare vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op hare medeChristenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles, wat anderen goed en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten, maar alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde, ontberen; – maar al moge dit met enkelen het geval zijn ik houde mij overtuigd, dat verreweg de meeste van haar, niettegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden verdienen te worden aangeprezen, boven de zoodanigen, die haar gedrag bespotten en beschimpen.

Zoodanig althans was het oordeel, hetwelk mij de omgang met mijn tante Letje over de personen van haar slag heeft doen vellen. Bij haar voorzeker bestond de godsvrucht niet enkel in uiterlijke vertooning, maar woonde die in haar rein menschlievend hart. Men mocht dan haar stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak, mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht: zij velde wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over schuldige vermaken; maar niemand kon haar ten laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde. Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer geldt, een, vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden de zaligheid, te willen ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was wars van kwaadsprekendheid en voer altijd tegen de zonde, nooit tegen den zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen bewaarheid werd hetgeen onze Catechismus leert, dat het onmogelijk is, dat een waarachtig geloof niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid; want nooit was haar hart of haar beurs voor den lijdenden natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het voorschrift des Heilands, en wist haar slinkerhand niet, wat haar rechter uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meer dan eens, dat zij liever honderdmalen door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan. Een geheel andere vrouw was haar zuster, Mevrouw Van Bempden. Nog zeer jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste betrekkingen hebbende, haar bij zijn vroegtijdig afsterven aan het hooifd van een kolossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote wereld te leven, en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze, nooit lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan, gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstrooiing te zoeken, haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen, feesten, comediepartijen, speelreisjes, enz. Zij las ook maar zonder keus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen, zedekundige werken, poëzie, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zou brengen en moest alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Suzanna, die, zelve een liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden bij die gelegenheid te kort schoot.

Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat Tante Van Bempden in den slechten zin des woords een wereldsche vrouw was. Schoon in’t algemeen geen laudator temporis acti, durf ik zeggen, dat in die dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante Van Bempden ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een haar, wist zoogoed als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte, dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: zij was mededeelzaam, zelfs mild; – maar haar godsdienst was, gelijk men wel eens zegt, zonder verzuim van affaire. Intusschen, wie haar recht kende, vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien naam verdienden, uit den maatschappelijken toestand voortvloeiden, waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart voortkwamen. Voor mij althans, die nooit dan weldaden van haar ontving, ik zou schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf, dan dat zij, alles wel gewogen, eene uitmuntende vrouw was.

„Wees van harte welkom, waarde Neef!” zeide tante Letje, terwijl zij mij omhelsde: „alzoo zullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren;” vervolgens zich tot mijn vader wendende: „wel moogt gij, waarde Broeder! den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der aerde.”

De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want tante Van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen in de oogen, aan haar hart:

„Goeden dag! beste Ferdinand!” riep zi: „wel, zijt gij eindelijk daar? ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: andeis zoude ik zeggen met Racine,... hoe zegt Racine ook weer, Santje?”

Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

declameerde Suzanna.

„Tusschen twee haakjes,” vervolgde Tante, „hebt gij de nieuwe uitgave van Racine medegebracht, welke ik verzocht had dat gij bestellen zoudt?.... Hoe gelukkig was bet, dat ik juist heden in de stad moest zijn om een comparitie te houden met den Heer Van Baalen, die, geloof ik, vrij raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet: want hij verwacht zich op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij:.... gij moet nog niet bij hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing vermaken.”

„En nu gij hier zijt, Zuster!” zeide mijn vader, „zult gij ons wel het genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven doorbrengen, om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren.”

„Eigenlijk,” antwoordde Tante, „was ik voornemens geweest, terstond weer naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid dat Neef terug is, verandert mijn plan. Ik zal dan hedenavond blijven: op de voorwaarde alleen, dat Nicht Santje nu haar woord houde en een week of drie bij mij op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd, die haar niet ongevallig zijn zal: – en Neef moet ook mede, al ware het maar voor een paar dagen.”

„Hoe!” zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te verliezen: „hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?”

„Welzeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Baalen komt Zondag bij mij eten.... Broeder heeft immers al verteld wat het plan is: – maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?”

„Volstrekt niet,” zeide mijn vader: „en het zou de plicht van Ferdinand wezen, een paar dagen bij u door te brengen, indien het niet veeleer een genoegen voor hem ware.”

„Natuurljk!” merkte mijn Zuster aan: „het lieve jongetje zou anders ook te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven tegen de eentonigheid der stad verwisselde. ’t Is beter dat hij zoetjes aan de verandering wenne. – En bovendien, hij mag niet nalaten op Heizicht te komen: want, zooals Addison in the fair Rosamond zegt:

„Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van Tante Van Bempden maar weg moet rijden?” vroeg ik.

„Als ’t u belieft,” antwoordde Tante: „en laat Jorus om tien uren terugkomen.”

„En de koets van Tante Letje?” Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar het met hare gewoonte streed, den avond uit te gaan, wanneer zij ter kerke geweest was; echter werden de bedenkingen, welke zij opperde, zoo heftig bestreden, en verzochten moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat zij eindelijk toegaf. Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier tusschen twee haakjes de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen, welke mijn terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker kopje van dien goddelijken drank, in echt Chineesch porselein geschonken, te mogen smaken, op verre na de minste niet was.

„Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen,” zeide Tante Van Bempden: „hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?”

zeide Suzanna, haar te recht helpende.

„Van harte gaarne,” zeide ik: „indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben ik tot antwoorden bereid:” en ik schoof mijn stoel dichter naar den haren. maar nu schoven ook de overigen hunne. zetels bij en ik zag, dat mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel die gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben, elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van mij zat, op zijn beurt mg eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring, en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen ondervraagd. Aan Tante Van Benipden moest ik een beschrijving geven van het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Suzanna mij over de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren, en Tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn brieven gesproken had; en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.

Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het gesprek meer algemeen: en Tante Van Bempden, wier gedachten zich zelden lang bij hetzelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter grootendeels het antwoord schuldig moest blijven, daar hij door zijn beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijne oude classici bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon, begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welka behandeling hij zich dus getroostte, hoezeer het duidelijk op te merken was, dat zulks alleen uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerat was hij geen vriend van met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets anders praten.

Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Suzanna, die, zoo lang het verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjes bemoeid had, na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.

„Ik ben er gek afgekomen,” zeide zij: „ik had mij gevleid aan mijn buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten zou, in echten courantenstijl te vertellen: heden is hier met lang span (alias de Muiderschuit) gearriveerd de Heer Ferdinand Huyck, zoon van den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw Suzanna Alette Huyck; – maar jawel: – pas ben ik op mijn plaats gekomen, of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als wilde zij zeggen: „ik weet wat ik weet,” en driemalen aan het mooie zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: „is Mijnheer uw broeder ook in de kerk? Wel! Wel! dat moet een vreugde geweest zijn! – Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!” – En eer ik haar kon antwoorden, daar tikt Betje Du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op den arm. (Je herinnert je Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje: „ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:” en te gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muisvaal, mijn achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst het in mijn ooren: „ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder terug is. Ik feliciteer u wel:” – en meteen piept het en bromt het voor en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echoo’s: „ik feliciteer je wel, Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:” – zoodat ik blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer te doen van het knikken en buigen. – En bij het uitgaan was het nog erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou bereikt hebben, gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug? – Ik kom eerstdaags uw broeder zien. Harteljk geluk!” enz. En zoo ging het voort, zoodat mijn ribben bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen.”

„Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte,” zeide mijn moeder; „ik heb maar een paar menschen gesproken die er iets van schenen te weten maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de kerk te maken.”

„De menschen moesten wat meer denken,” zeide Tante Letje, „dat de kerk is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap; maar het is als de profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vindt ik haar boosheyt. – Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stoffe gelezen hadt een dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe Knijpduim, en dat ten titel draagt: „over de onchristelijke opschuddinge in Gods Kerke,” waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. ’t Is niet gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielbezorger Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u nuttig zijn.”

„Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!” zeide Santje: „die kan mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij gezeten waren, zjij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden. Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingenbank zat, tikte haar op de schouders en zeide: „wacht daar liever nog wat mede, tot gij bekoeld zijt, en denk inmiddels om Matth. V: 24.” 1)

„Hoe is het Santje! krijgen wij geen thee meer?” vroeg mijn vader die of schoon luisterende naar de redeneeringen van Tante Van Bempden, echter genoeg van Santjes vertelling gehoord, en te goed den onvergenoegden blik van Tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte zich, terwijl zij de kopjes vulde, mij te vragen, welke der plaatsen, die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en begon de voor- en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden, waar ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel Tante Van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotseling in de rede, om mij te vragen of ik de fresco’s in het Vaticaan gezien had.

Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselzalf, betrekkende een haar toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een origineele Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopie hield. De behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over het voortreffelijke der keurslijven van Douillié, en besloten met een aanbeveling van den pasteibakker Jakobsz.

De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot; pak aan te reiken, met grauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen een menigte prentenboekjes, welke zij onlangs gekocht had en hun ten geschenke aanbood, aan elk in ’t bijzonder de uitlegging op den koop toegevende van het onderwerp, dat in de boekjes behandeld of op de plaatjes afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen, verzocht ik Frits en Jakob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun moeite, de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en de galerij van uitheemsche kleederdrachten neder te leggen; – maar des te hooger steeg hun blijdschap, toen ik, en in mijn kamer gebracht hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjes, doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl ik mijzelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen van te breken of beschadigd te worden.

„Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?” vroeg mijn moeder, toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.

„Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het Oosten komen,” fluisterde Suzanna Tante Van Bempden in ’t oor.

„Stil!” zeide deze met een bestraffenden blik: „laat Tante Letje u niet hooren.”

„Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?” riepen mijn zusters Letje en Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om er mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten, Karel en Truitje, klapten in de handen en dansten van vreugde.

„Wel Ferdinand! Ik geloof, dat gij u arm gekocht hebt,” zeide mijn moeder, haar breiwerk neerleggende: „komt toch nergens aan, kinderen! uw broeder zal het u immers wel wijzen.”

„Ik hoop dat er voor mij ook wat b j is,” zeide Suzanna, insgelijks oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs Tante Letje kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mij weldra door de geheele familie omringd.

Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen in gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door halfgesmoorde uitroepen, als: „wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik nieuwsgierig! – Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw broeder niet! Heden! wat een boel dingen!” – Wat mij betreft, ik liet mij geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te gewagen van even zoovele knipmesjes, welke mij werden overgereikt, aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der pakjes, toen ik mijn hand plotseling weder ophief.

„Wat is er? wat is er?” vroegen onderscheidene stemmen.

„Zullen wij niet wachten, tot vader weer terug is?” vroeg ik.

Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.

„Wel foei!” zeide Suzanna: „dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de proef te stellen en dan niet te voldoen.”

„Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft,” zeide mijn moeder: „’t Zal vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!” vervolgde zij, ziende, dat deze en gene de lip liet hangen. „Uw vader zal wel zoo aanstonds terugkomen.”

„Daar is Papa! daar is Papa!” riepen opeens een paar stemmen: en terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader, die uit zijn studeervertrek juist terugkwam, bij zijn gebloemde avondjapon voortsleurende.

„Ik geloof, dat ik te goeder ure terugkom,” zeide mijn vader, wien een blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der kinderen, de toedracht der zaak deed begrijpen.

Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van vreugd, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden aanschouwen.

„Ik hoop,” zeide Kareltje, mij met zijn blauwe oogen vragend aanziende: „ik hoop….” Hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos verwezenlijkt was.

Hij zou bij u, waarde lezers! Weinig belang wekken, indien ik stuk voor stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der familie beschonk; ofschoon gij, – voor zooverre gijzelven ooit in het geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een buitenlandsche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van anderen ontvangen hebt, – u de gewaarwordingen nog wel levendig zult kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender zijn, naarmate het geschonkene meer de behoefte of den wensch van het oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, ten dezen opzichte slaagde ik zeer gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde: en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had, op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner moeder aan de oudsten althans deed gissen, dat de goede vrouw mij in haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest welkom zijn zou.

Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te spreken, begiftigd – was, kwam de beurt aan de grooteren, en Suzanna zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zou thans zeggen: een voile) die, in aanmerking mijner bekrompen middelen, als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik een netgewerkt zakhorloge medegebracht en voor Tante Letje een eenvoudigen, doch sierlijk gesneden ivoren waaier, die haar bijzonder behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante Van Bempden, die alles had of kon laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontving een kleine antieke urn, welke ik te Rome had gekocht: – dit geschenk bracht een langdurige vergelijking teweeg tusschen den antieken en hedendaagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst. – Eindelijk was mijn vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos openschuivende, hem een kleine verzameling aanbood der Romeinsche munten, die vóór den tijd der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt hem opleide, een beminnaar gebleven der classieke oudheid en van alles, wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnscbe dichters waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de vorenstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit het Corpus luris: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet zelden een glimlach of vroolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen de werken der Ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Rome’s grootheid hechtte, was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die zij bij hem opwekten.

Allen waren dus recht vergenoegd en tevreden: en de vroolijkheid werd niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjes, schoteltjes met kalfsvleesch en ossetong, en heerlijke vruchten, zooals in Europa de stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een flesch te halen van den wijn, die mij het best beviel. De kinderen kregen allen verlof, tot tien uren op te blijven: en de avond liep zoo genoeglijk af als men bij mogelijkheid verlangen kon: ja de algemeene vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat Tante Letje door het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jakob een half glas wijn stortte over eene der prenten, welke hij van Tante Van Bempden gekregen had: twee ongevallen, die echter, zooverre mij gebleken is, geen blijvenden indruk bij de lijdende partijen achterlieten.


1) Laat uw gave daar vóór het altaar en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.


[Hoofdstuk 11] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 13]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001