MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

DERTIENDE HOOFDSTUK,

BEHELZENDE, HOE SUZANNA EN FERDINAND HARREWARREN, EN HOE DE LAATSTE IN EEN WELKOMSTDICHT VERHEERLIJKT WORDT.


„Ferdinand!” zeide mijn zuster Suzanna, toen zij zich den volgenden morgen alleen bij mij op mijn kamer bevond, waar zij mij hielp, mijn kleedingstukken en linnengoed in de kasten te schikken: „gij weet, dat gij mij nog rekenschap schuldig zijt wegens een gezegde, dat gij u gistermorgen hebt laten ontvallen.” „Santje!” zeide ik, terwijl ik haar een zijden vest overreikte; „gij weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf, door u begaan.”

„Boe! Boe! denk niet, dat gij mij met uw groote woorden zult afschrikken! – Tusschen beiden gezegd, daar zal heel wat speksteen noodig zijn, om de vlekken uit dit vest te krijgen: – ter zake: wie heeft u verteld, dat ik uw brieven heb laten lezen?”

„Wat knaagt dat geweten! Wie heeft u verlof gegeven, de gedenkwaardige memoriën, die ik u toezond, onder het oog van anderen te brengen?”

„Komaan! daar hebben wij een formeele accusatie, gelijk mijn vader zoude zeggen: alleen is zij nog, zoo ik mij niet bedrieg, wat vaag en ongedetermineerd: ja – ik kan ook wel stadhuiswoorden samenflansen: ik weet zeer goed, dat men iemand niet condemneert wegens toegebrachte slagen, tenzij men eerst wete, op wiens rug de slagen neergekomen zijn. Vrage: aan wie heb ik uw prulschriften medegedeeld?”

„Antwoord: aan Mejuffrouw Henriëtte Blaek. – Schuldig bevonden! Gij krijgt een kleur – spoedig tot de confessie.”

„Wie heeft u dat gezegd?” vroeg Suzanna, terwijl zij uit loutere verbazing een batisten hemd, dat zij opgevouwen had, weder open liet rollen.

„Een irreprochabele getuige, Mejuffrouw Blaek zelve.”

„Gij hebt haar dan gesproken? – En hoe vindt gij haar?”

„Een zeer aardig meisje; – maar dat doet niets tot het poinct in quaestie.”

„Zeer aardig! Beken maar, dat gij op haar verliefd zijt. Oij krijgt een kleur – spoedig tot de confessie.

„Verliefd! op een meisje, dat ik maar eens in mijn leven gezien heb? Denkt gij, dat ik zoo spoedig vlam vat?”

„Als wist ik niet, dat de jonge Heeren op uw leeftijd verlieven, wanneer zij slechts een vrouwenmuts op een bezemsteel zien.”

„Altemaal praatjes om van den tekst af te dwalen. Vrage nogmaal, of gij genegen zijt, buiten pijn en banden, de confessie af te leggen van te hebben geperpetreerd het enorme en in een land van goede justitie intolerabele feit, van aan gezegde Juffer Henriëtte Blaek en de hemel weet aan wie nog meer te hebben gegeven communicatie van zoodanige schrifturen en geheime stukken, als u waren toegezonden door den weledelen Heere Ferdinand Huyck, juris Romani nec non canonici Doctor, en welhaast, Deo volente, compagnon in het huis Van Bempden, Van Baalen en Co. ?”

„En zoo ik dat nu al bekenne, wat dan?”

„Dan zal ik u verder interrogeeren en vragen wat gij tot uw defensie hebt te allegueeren.”

„Dat uw schrift onleesbaar is, zoodat de Heer Van Baalen de handen van schrik in elkander zal slaan, wanneer hij het ziet: en dat ik de hulp van Mejuffrouw Blaek, die zich volkomen verstaat op het ontcijferen van allerlei hieroglyphen en manuscripten, heb moeten inroepen, om er uit wijs te worden.”

„Die defensie gaat mank; want mijn schrift is net en leesbaar genoeg, en zoo ik, om het papier te besparen, wat klein geschreven heb, uw oogen zijn jong en goed, en er zijn overal brillen te koop.”

„Ik heb ten minste geen bril noodig om te zien, dat er al heel wat aan uw kousen zal te mazen zijn, en dat, zoo gij nog een paar dagen langer op reis waart gebleven, gij hier blootsvoets hadt kunnen aankomen: – doch laat ons een speldje bij die gekheid steken: en vertel mij eens zonder omwegen, wanneer, waar, en ter welker gelegenheid gij Henriëtte gesproken hebt.”

„Gij verdiendet, dat ik uw nieuwsgierigheid onbevredigd liet; maar kom! ik ben een goede broeder en zal medelijden met u hebben; want gij zoudt misschien barsten van ongeduld, en dat ware ongelukkig voor uw zijden keurs.”

Ik voldeed dan aan haar verlangen, en gaf haar een vrij omstandig verhaal van mijn wedervaren op Guldenhof, waarmede zij zich niet weinig vermaakte.

„Maar dat is waarachtig een roman,” ving zij aan, nadat ik mijn verhaal had geëindigd: „en al hadt gij er nog zoo tegen, gij zijt nu toch, naar de schoone orde der dingen, verplicht op haar te verlieven; – maar gij ziet, dat uw verhaal mijn vrijspraak medebrengt; want hoe zoudt gij het mij nu ten kwade kunnen duiden, dat ik uw brieven aan Henriëtte heb laten lezen? Hadt gij anders wel zulk een heerlijke stof tot onderhoud gehad? Gij zijt mij veeleer groote dankbaarheid verschuldigd, dat ik in uw afwezigheid mijn best gedaan heb, om aan een lief meisje goede gedachten van u te doen opvatten,”

„Ik geloof, dat ik dit als een compliment moet opnemen, waarmede gij zoekt goed te maken hetgeen gij verbruid hebt.”

„Ei kom! gij hebt veel te grooten dunk van uw eigene bekwaamheden, om iets voor mijne complimenten te geven: en ik ben overtuigd dat de betuiging van Henriëtte, dat zij gelachen heeft om uw gekke uitdrukkingen, en uw beschrijvingen bewonderd, uw eigenliefde bijzonder gestreeld heeft. Ja zelfs, biecht maar zuiver op, hebt gij niet juist daarom van mijn misbruik van vertrouwen melding gemaakt, ten einde de gelegenheid te hebben, u met mij over Henriëtte te onderhouden?

Car pour un amoureux
Il est doux de causer de 1’object de ses feux.”

Ik glimlachte; want er was veel waars in hetgeen zij zeide. „Maar pas op!” vervolgde zij: „en hou uw hart achter dubbel slot, immers vooralsnog: de Heer Blaek zou u toch de hand zijner nicht niet toestaan.”

„Wie denkt er aan hem die te vragen? – maar toch, stel eens, dat ik zulks deed, mag ik dan weten, wat hij tegen mijn persoon zou hebben.”

„Tegen uw persoon? – Niets ter wereld. Maar hij zal allen vrijers den zak geven, enkel in de hoop, dat het zijn zoon eens behagen zal op zijn nicht te verlieven.”

„Dat komt overeen uit met hetgeen mij de waardin te Eemnes vertelde; maar zoo die jonge Heer nu niet wil?”

„Spreek er niet van: er schuilt iets achter, ik begrijp niet wat: slechts eens heb ik eenige dagen op Guldenhof doorgebracht, en toen heb ik met eigen oogen gezien, dat de oude Heer, voor zijn zoon, het hof maakte aan zijn nicht. ’t Is in allen gevalle zeer edelmoedig van hem; want dat lieve brokje van een Lodewijk zal zeer rijk worden, en zijn nicht heeft niets en hangt alleen van ooms goedertierenheid af.”

„Hoe!” riep ik uit met eenige verbazing; want deze mededeeling strookte niet met hetgeen mij door den Heer Bos nopens Henriëtte vader verhaald was: „ik meende....” hier zweeg ik stil; want ik kon mijn autoriteiten niet noemen. „Geloof mij,” vervolgde Suzanna: „het is genoeg bekend, dat zij niets heeft. En haar oom, dit valt niet te ontkennen, heeft recht christelijk met haar gehandeld.”

„Dat is wel mogelijk: en toch staat de man mij in sommige opzichten tegen: waarom weet ik zelf niet.”

„Dat zeide Tante Van Bempden ook, toen hij haar voor een paar jaren ten huwelijk vroeg.”

„Wat! heeft hij zich op zijn ouden dag nog aan een blauwtje gewaagd?”

„Hij is zoo oud niet als hij wel lijkt: zeker is hij in de laatste jaren merkelijk afgevallen; – maar jawel! hij heeft het beproefd, niet lang nadat gij van hier vertrokken waart. Zij heeft hem, gelijk aan meer anderen, geantwoord:

Prince, je chéris trop ma chère liberté,

en heeft ons de vreugd niet willen ontzeggen van in haar een erftante te blijven beschouwen. Echter zijn zij goede vrinden gebleven, en daardoor ben ik in kennis geraakt met Henriëtte, voor welke Tante Van Bempden een bijzondere affectie heeft opgevat, en van wie zij dikwijls getuigt, dat zij het eenige meisje is, dat welopgevoed van een kostschool teruggekomen is.”

„Maar hoe komt het toch,” vroeg ik, na een poos te hebben nagedacht, „dat die Heer Blaek zoo machtig rijk is, en dat zijn nicht, die toch de eigen dochter is van zijn broeder, niets bezit? Heeft de Heer Blaek van zijn vrouw die schatten geërfd?”

„Hoor eens, hoe die jonge heer, die niet verliefd is, zich naar de zaken informeert! Maar denkt gij dan, dat ik de geschiedenis van die menschen zoo op mijn duimpje ken? – Of zijn vrouw geld had, weet ik niet; ik geloof dat hij gelukkig in den handel geweest is en bovendien ergens een aardige erfenis gehad heeft: terwijl de vader van Henriëtte daarentegen den boel er door gelapt heeft en ellendig gestorven is. Hoe dit zij, de slotsom blijft altijd, dat men haar evenals mij, om onze goede hoedanigheden zal moeten nemen; want dat wij bandera groot gevaar loopen, als vrijsters te sterven.”

Hier werd het gesprek afgebroken door mijn moeder, die mij kwam onderhouden over de noodzakelijkheid om mij eenige nieuwe kleedingstukken, als hemden, kousen, enz. aan te schaffen: een onderwerp, dat, voor ’t oogenblik althans, nog belangrijker en zeker meer spoed vereischende was, dan mijn vrijerij naar een Juffrouw zonder geld. Daar mijn waarde lezers wellicht niet van deze meening zullen zijn, zal ik hun dit onderhoud schenken, en evenmin gewag maken van ettelijke bezoeken van goede vrienden en kennissen, die mij dien morgen met mijn behoudene aankomst geluk kwamen wenschen.

Wij waren, op den namiddag van denzelfden dag, aan het nagerecht gezeten, toen men aan mijn vader een gezegeld pakket overhandigde, hetwelk hij werktuiglijk opendeed, wanende dat het in betrekking tot zijn ambtsverrichtingen stond. Maar nauwelijks had hij er een vluchtig oog in geslagen, of verbaasdheid vertoonde zich op zijn trekken: zijn deftig gelaat ontplooide zich, en hij barstte uit in een luid gelach.

„Dat gaat u meer aan dan mij, Ferdinand!” zeide hij, mij den brief overreikende: „ja! Lees maar overluid; het zijn geen geheimen?” Ik nam den brief op en las niet zonder verbazing hetgeen volgt:

„Edelgestrenge Heer!

„Gelijk het vanouds de gewoonte is geweest, dat alle braven zich verheugen over het geluk, dat aan vrome en aanzienlijke luiden te beurt valt, zoo moet de stoffe van blijdschap, welke aan UEG: en geëerde familie geschonken is, door de behoudene terugkomst van UEGs. uitmuntenden Heer zoon, ook bij alle rechtschapene ingezetenen dezer stad een billijke vreugde doen ontstaan.

„Bij mij althans is die vreugde zoo levendig gevreest, dat ik mijn gevoel deswege niet heb kunnen noch willen bedwingen, maar hetzelve in hoogdravende klanken lucht heb moeten geven, welke ik toevertrouwd heb aan het nevenstaand papier.

„Mocht UEG. Op dit zwakke voortbrengsel mijner nederige zangodinne een gunstig oog laten vallen, niets zoude aangenamer zijn aan hem, die onder ootmoedige aanbeveling in UEGs. Protectie, de eer heeft te Zijn met den diepsten eerbied,

UEG. dienstvaardige en gehoorzame
Dienaar en Hoogschatter
LUCAS HELDING.”

Mijn adres is op de
Raamgracht, ten huize van
Heynsz, portretschilder.

Het „nevensgaand papier” droeg tot opschrift:

JUBELZANG,

„Uitgegalmd ter gelegenheid der voorspoedige wederkomste van den Weledelen Heer Ferdinand Huyck, Zoon enz.”

Daarop volgde een gedicht van ruim honderd regels, vrij net geschreven, en niet beter noch slechter die men in dien tijd maakte: ik werd daarin bij Theseus vergeleken , die behouden te Athene terugkwam. Gelukkig kende de poëet mijn avonturen van Woensdag-avond niet, anders had hij den Heer Bos als Minos, Amelia als de verlatene Ariadne en Andries als den Minotaurus kunnen laten optreden. Overigens werd ik overladen met loftuitingen en afgebeeld als

„Een jongeling, de bloem der Amstellandsche knapen,
Zoo kloek van lijf en leên, van inborst zoo rechtschapen
Die zedigheid aan moed en geest aan vroomheid paart,
En in des levens bloei reeds toont een mannenaard.”

terwijl mijn vader de rijkste epitheta ornantia ontving, die uit te denken, of bij de oude dichters te stelen waren.

Wij vermaakten ons allen met dit fraaie stuk en ten koste van den armen vervaardiger, uitgenomen mijn moeder, voor wie het genoeg was, dat Helding mijn vader en mij lofspraken gaf, welke zij ons in haar hart waardig keurde, en die beweerde dat het een zeer zoet versje was, ofschoon hier en daar wat al te hoogdravend voor haar verstand.

„’t Is een heerlijk denkbeeld, om Papa bij Egeus te vergelijken,” zeide Suzanna: „had hij nu maar geweten, hoe Papa ’s morgens in verlegenheid was, toen Ferdinand niet terugkwam, dan had hij die vergelijking nog verder kunnen uitwerken...., ofschoon Vader de dwaasheid niet zou gehad hebben van in ’t water te springen.”

„Foei Santje! Wat zijn dat voor malle gezegden?” vroeg mijn moeder, die de geschiedenis van Egeus en Theseus niet volkomen helder voor den geest had.

„Wel! laat Frits u die historie eens verhalen,” zeide mijn vader. „Age puer! incipias!” En Frits, recht in zijn schik, de op de Latijnsche School verkregen kunde te mogen luchten, verhaalde nu het geval in al zijn kleuren, hetgeen ik niet doen zal, teneinde aan de mama’s, die in het geval mijner moeder verkeeren mochten, gelegenheid te laten, zich daaromtrent door haar in de mythologie onderwezen zoontjes te doen inlichten en zich in het geheugen der veelbelovende knaapjes te verblijden.

„Verbeeld u nu,” zeide Suzanna, nadat het verhaal geëindigd was, dat Papa, die eergistermorgen niet anders dacht, of Ferdinand was door den Minotaurus ingeslokt, uit pure wanhoop denzelfden coup had willen doen als wijlen de Heer Egeus, en gij over hem stondt, als Badeloch uitroepende:

„Waar wilt gij heen? u zelf verdrinken in de gracht?

Wat zou dat een treffend schouwspel hebben opgeleverd.”

„Nu! ik vind dat malle aardigheden,” zeide mijn moeder.

„Maar hoe komt die zotte vent van uw terugkomst af te weten?” vroeg mijn vader. „Ik heb hem bij den Heer Blaek op Guldenhof ontmoet,” antwoordde ik, en gaf nu opnieuw, ofschoon ditmaal in weinige woorden, een kort verslag van mijn oponthoud aldaar.

„’t Is een arme duivel,” zeide mijn vader: „poëta famelicus: en dat gedicht hebben wij niet voor niet; maar het zij zoo!”

„Wij mochten hem toch wel ten eten vragen,” zeide mijn moeder.

„Niet te haastig, beste schat!” hernam mijn vader: „ik verlang hem niet tot gastvriend te hebben: wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans dat hij ons niet loslaat, maar onze geheele familie lid voor lid bezingt.”

„Wel dat ware niet onaardig,” zeide Suzanna: „ik ben nog wel ouder dan Jetje Blaek, en er is nog nooit een vers ter mijner eere gemaakt. Het wordt hoog tijd, dat ik ook eens uit mijn vergetelheid rake. Ik zou van mijn kant zeer hartelijk wenschen, dat die poëet eens verzocht werd. Ik wilde wel zien, of ik hem niet tot mijn aanbidder maken kon.”

„Santje! wat zijn dat voor zotheden, die u door ’t hoofd malen?” zeide mijn moeder.

„Ik bedank er hartelijk voor om den man in huis te halen,” zeide mijn vader, „en ik wilde dat hij op zijn Pegasus naar China reed.”

Dat is een verwensching en een verwensching tevens,” zeide Suzanna.

„Intusschen,” vervolgde mijn vader, „zijn beleefdheid moet betaald worden, en daarmede dient Ferdinand zich te belasten, als zijnde ten deze de geconcerneerde partij, heros celebratus. Zie daar twee dukaten: die zult gij naargelang van zaken hem aanbieden of op de tafel laten liggen. Ik geloof, dat die hem nog beter te pas zullen komen dan een uitnoodigiag aan onzen disch, die hem nog een fooi aan de meid kost. – Hij is met dat al een eerlijke kerel, die veel wederwaardigheden gehad heeft: en hij verdient een aalmoes, zoo niet voor het goede, dat hij doet, dan ten minste voor het kwade, dat hij nalaat: en dat zegt, helaas! al veel.”

„En onder welke van die twee categorieën schikt UEd. zijn verzen?” vroeg Suzanna.

„Onder geene, zottinnetje! dat is een gepatenteerde bedelarij, waartegen geene plakkaten bestaan.”

„Die toch wel noodig waren,” hernam Suzanna: „want ik ben van de meening van den Misanthrope, en zeg als hij, met betrekking tot slechte verzen:

Qu’ un homme est pendable apres les avoir faits.”

„’t Is toch zonderling,” merkte mijn vader aan, „dat de vrouwen altijd zoo crimineel zijn. Zoo men u tot Hoofdofficier aanstelde, zou er binnen de veertien dagen een oproer zijn.”


[Hoofdstuk 12] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 14]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001