MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

VEERTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN FERDINAND OP COGNAC ONTHAALD EN TEGEN WIL EN DANK IN NIEUWE AVONTUREN GESLEEPT WORDT.


Ik wandelde dan, niet lang nadat wij van tafel waren opgestaan, naar de Raamgracht, en vond weldra het huis dat ik zocht, en hetwelk kenbaar was aan het, vrij slecht geschilderd, doch sprekend gelijkend afbeeldsel eener in Amsterdam te dier tijd welbekende groenvrouw, ’t welk achter de glasruiten der zigkamer geplaatst was, nevens een bordje, waarop in gekleurde letteren te lezen stond: ZACHARIAS HEYNSZ, Portretschilder. Het was een ouderwetsch gebouwde woning, drie verdiepingen hoog behalve den zolder, met twee kruisramen naast elkander en een vrij hooge, recht opgaande stoep. Ik schelde aan, de bovendeur ging open, en wel, evenals zulks alleen in de toovergeschiedenissen en in sommige Amsterdamsche huizen plaats heeft, zonder dat men kon gewaarworden door welk middel: eerst toen ik opzag, ontdekte ik, aan het bovenste einde van een vrij steile, van de voordeur door een kort portaal afgescheiden trap, iets dat zich in de duisternis bewoog en naar een vrouwelijke gedaante zweemde.

„Wat is er van je dienst, Sinjeur?” klonk de stem uit de hoogte.

„Ik wilde Monsieur 1) Helding spreken.”

„Kom maar op!” antwoordde de stem: „en wees zoo goed, de deur weer achter je te sluiten.”

Ik ontsloot op dit verzoek de deur geheel, en na die weder behoorlijk gesloten te hebben, trad ik tastende naar boven, mij tot meerdere zekerheid vasthoudende aan de koord, welke langs den muur liep, en waarmede de vrouw, die boven stond, de deur had opengetrokken.

„Nou dat trappie op,” zeide zij mij, zoodra ik bij haar Stond: „en dan de derde deur aan je rechterhand; maar pas op! het is wat doister hier.”

En inderdaad, het was zoo donker, dat ik werk had, mijn voeten op de rechte plaats neder te zetten. „Voorwaar,” dacht ik: „per ardua ad astra! zoo onze dichter nooit den top van den Helicon bestegen heeft, het is niet, dat hij de gewoonte mist om te klimmen.”

Ik vond eindelijk de deur, welke ik zocht, en klopte aan.

„Binnen!” riep een stem, die mij toonde dat ik te recht was. Ik trad in: het was een achterkamertje met één raam, waarvan de ruiten voor de helft gebroken waren: de vloer was met roode tichelsteenen belegd, hetgeen in heete zomerdagen zeer frisch, maar ’s winters wat koud moet geweest zijn; terwijl ook de bedstede zonder gordijnen geen zeer behaaglijk aanzien had. Voor ’t overige bestond de geheele inboedel uit eene tafel en twee stoelen. Op den eenen zat de bewoner zelf, met een blauwe bakkersmuts op het hoofd, een rood baaien buis aan ’t lijf en kousen van touwwerk aan de beenen. De andere stoel was met de garderobe des goeden mans beladen: zijn degen stond er tegen aan: zijn pruik versierde den eenen en zijn hoed den anderen knop.

Het vereischte geen geringe mate van voorzichtigheid om den bewoner te naderen: daar de vloer grootendeels bedekt was met boeken, wier versletene, bemorste en gescheurde banden wel getuigden, dat de eigenaar meer hun innerlgke waarde dan hun uiterlijken tooi op prijs stelde.

„Wel, Mijnheer Huyck!” zeide Helding, oprijzende en zijn kort, zwart gebrand, pijpje uit den mond nemende: „neemt UEd. waarlijk zelf de moeite? Waarom heeft UEd. de meid niet boven gestuurd: ik ware wel afgekomen en vriend Heynsz had ons zijn zijkamertje wel afgestaan,”

„’t Is misschien wat vrijpostig, dat ik zoo op kom loopen,” zeide ik: „maar de meid zeide mij, ik moest maar bovengaan. Ik kon niet nalaten, mijn dank te betuigen voor de beleefdheid....”

„Te veel eer, te veel goedheid,” zeide Helding, terwijl hij mij zijn stoel aanbood en den anderen ontdeed van de daarop geplaatste kleedingstukken, die hij gezamenlijk op den bultzak in de slaapstede wierp: „maar wat ik UEd. bidden mag, neem toch eerst plaats. Ik ben geheel verlegen en confuus van de moeite die UEd. neemt om zoo tot de hanebalken op te klimmen. – Ik woon hier wat hoog.”

„Wel! dat is als het behoort,” zeide ik, lachende: „een poëet kan niet te dicht bij de Goden huizen.”

„UEd. gelieft te schertsen,” antwoordde hij: „maar waarlijk, het is hier te hoog. Voor mij is dit niets: ik ben dit gewend: alleen ’s winters kan het hier wel wat bar zijn; doch ik blijf er gezond bij en vroolijk. En waarmede zal UEd. gediend zijn? Nectar of ambrozijn is hier niet te bekomen; maar ik heb toch nog een paar flacons echten cognac, die mij overgebleven zijn van een vereering, mij gedaan door den waardigen Heere Willem De Bron, toen ik een dichtstuk gemaakt had op zijn gouden bruiloft.”

210.gif (32979 bytes)Ik kon niet nalaten bij mijzelven te lachen over de niet onaardige wijze, waarop Helding, terwijl hij mij beleefdheid aandeed, tevens de gelegenheid te baat nam, om mij te kennen te geven, dat hij gewend was, zijn liederen met een cadeau betaald te zien. Ik zocht mij met dat al jegens hem te verontschuldigen, zeggende, dat ik, zooeven van tafel komende, niets verlangde; maar het was vruchteloos praten; de gulle man kreeg een der kostbare fleschjes van onder zijn bedstede voor den dag en vulde daar twee kleine kelkjes mede, waarna hij mij zwijgend aanzag, als wilde hij zeggen: „nu ben ik gereed uw lofspraken aan te hooren.”

Ik liet hem ook niet lang in verlegenheid: en wetende, dat de menschen in ’t algemeen en de dichters in ’t bijzonder nog liever gevleid dan geprezen worden, zwaaide ik aan het flauwe voortbrengsel zijner muze meer lof toe dan ik aan de beste verzen van Vondel zou geschonken hebben. Ik schaamde er mij wel wat over, maar wat zoude ik doen? de man had mij zulke onverdiende loftuitingen op rijm vereerd, dat ik hem wel met gelijke munt in proza diende te betalen. Hij hoorde mij zwijgend aan, met een glans van genoegen op het gelaat, nu en dan het bovenlijf buigende, en bij poozen een slokje uit zijn glaasje nemende, hetgeen hij met zooveel welgevallen scheen te proeven, dat het mij twijfelachtig voorkwam, wat hem beter aanstond, de lofspraak of de brandewijn.

„Ach Mijnheer!” zeide hij, toen ik mijn kraam van complimenten had uitgeput: „dachten alle menschen in Holland zooals UEd. en legden zij allen zulk een juist oordeel en zulk een fijnen smaak aan den dag, het zou er wat beter met ons Muzenzonen uitzien. Maar helaas! daar is in de zeven Provinciën geen liefhebberij voor de dichtkunst meer.”

„De Heer Blaek,” zeide ik, „schijnt u nogal te beschermen.”

„De Heer Blaek,” antwoordde Helding, „is een waardige schutsheer der letteren en ik ben hem groote dankbaarheid verschuldigd. Jammer maar,” vervolgde hij, een weinig bijschuivende, „dat hij zooveel zaken in het hoofd heeft en daardoor somtijds zoo stil is, zoo afgetrokken. Soms gebeurt het, dat ik hem de beste regels voorlees, die ik ooit vervaardigd heb, en wanneer ik aan het einde ben en een klein compliment verwacht, dan schijnt hij als uit een droom te ontwaken, en vraagt aan zijn zoon, hoe de wisselkoers op Genua is, of welken prijs de koffie op de laatste veiling gehaald heeft.”

„Maar zijn zoon dan?” zeide ik, zoetjes aan het gespitst op Henriëtte wenschende te brengen.

„Zijn zoon is een knap jong mensch! vol vernuft en geest; maar zoo wild! nu, de jeugd mag wel wat los zijn: hij schept er altijd vermaak in, den ouden Helding wat te plagen. Soms fluit hij een deuntje, terwijl ik aan ’t voorlezen ben, of maakt proppen en broodballetjes en knipt mij die tegen den neus. Ja! er zijn geen poetsen, die hij mij niet speelt. Heeft hij mij laatst niet buiten mijn weten een scharlaken lap op den rug gespeld en, quasi om een boodschap aan den pluimgraaf, naar de menagerie gestuurd, waar de kalkoenen mij aanvlogen als dol? En een andere reize, toen ik een lichtkleurige broek aanhad, stuurde hij zijn honden een moddersloot in en liet die vervolgens tegen mij opspringen, zoodat ik, geen andere kleeding bij mij hebbende, den ganschen avond voor het keukenvuur heb moeten zitten om mij te drogen, en zeker niet weer in de zaal had durven verschijnen, indien Mejuffrouw Henriëtte, van mijn ongeval gehoord hebbende, zich mijner niet ontfermd had en mij uit de oude plunje van haar oom een ander kleedingstuk had opgeschommeld. Zooals ik zeg: het is een vroolijk Heer; maar ik moet het van hem wel verdragen! wij zijn zulke oude kennissen: en hij heeft soms wilde buien ook.”

Ik schudde het hoofd en beklaagde bij mijzelven den armen man, die op zijne jaren om een aalmoes zulke vernederingen dulden moest. „En Mejuffrouw Blaek,” zeide ik toen: „zij althans schijnt u zeer genegen.”

„O Mijnheer! Een engel is zij. Wel is waar, zij vat niet altijd de fijne knepen der poëzie! maar anders, een hart heeft zij.... zooals geen meisje uit de stad. Ja! zoo dat eens een huwelijk geeft, de Heer Lodewijk zal dan een juweeltje van een vrouw aan haar hebben, dat verzeker ik u.”

„Is dat huwelijk reeds bepaald?” vroeg ik, eenigszins onrustig.

„De oude Heer zou het gaarne zien; maar, tusschen ons gezegd,” vervolgde hij op een vertrouwelijken toon: „de Heer Lodewijk wil, geloof ik, zijn vrijheid nog wat behouden: ja! ja! dat geeft somtijds onpleizierige tooneelen; maar ik mag niet uit de school klappen. Eergisteren onder anderen, toen UEd. Guldenhof verlaten hadt, was het er vrij onstuimig.... ja! de oude Heer heeft niet gaarne dat andere jongelieden hun hof aan Juffrouw Jetje maken. Zoo ik mij op uwe bescheidenheid verlaten kon, zou ik UEd. kunnen verhalen, wat er bij die gelegenheid voorviel.”

Ik antwoordde niets; want, ofschoon vrij nieuwsgierig, wilde ik den man niet aanmoedigen om familietwisten, waarvan het toeval hem getuige had gemaakt, aan mij te openbaren. De brandewijn had intusschen op Helding zijn invloed uitgewerkt en hem spraakzaam, of liever, openhartig gemaakt. Hij nam mijn stilzwijgen op als een bewijs van toestemming en ging aldus voort:

„Pas was UEd. uit het oog, of daar begon het lieve leven. De Heer Blaek zette een gezicht, zooals hij alleen bij feestelijke gelegenheden doet: „past het een fatsoenlijk, welopgevoed meisje,” vroeg hij, „met een jong Heer alleen te zitten en drank met hem te gebruiken?” Toen sloeg mijn lieve Flora (ik ben schertsenderwijze gewoon haar Flora te noemen) haar oogjes neder en zeide: „Oom! ik heb geen drank geproefd: ik heb zelfs geen woord met den Heer Huyck gesproken, eer hij zich bekend gemaakt had.” – Dat lieve stemmetje had de gewone uitwerking: en de omstandigheid, die zijn nicht hem mededeelde, scheen den ouden Heer een pak van ’t hart te nemen. „Zoo!” zeide hij, „had je hem nooit meer gezien? Maar hoe weet je dan, of hij u geen knollen voor citroenen in handen gestopt heeft: gij deedt beter, niet meer zoo alleen naar den koepel te gaan; er zwerft zooveel slecht volk tegenwoordig langs den weg, en een gauwdief neemt alle namen aan. Baas Roggeveld heeft ons immers verteld van die in braak. ’t Is zeker volk van de bende van Zwarten Piet. En dan kleeden zich die schelmen soms als Heeren en sluipen in de huizen, om te zien, of er iets van hun gading is.” – „Ja!” zeide de Heer Lodewijk: „en wanneer zij niets anders vinden, pakken zij de mooie meisjes ook al mede.” – Ik kan u zeggen, Mijnheer Huyck, het denkbeeld deed mij schrikken! verbeeld u, mijn aanbiddelijke Flora.

En zoo vroeg ik, of het ook zaak ware, al het fraais, dat de koepel bevatte, naar huis te voeren: „want,” zeide ik:

„Maar meisje! meisje!” zeide de oude Heer al wederom: „hoe kon je toch zoo onvoorzichtig zijn, dien man hier binnen te laten?” – „Wel,” zei Juffrouw Jetje: „ik heb hem niet binnengelaten: hij is hier vanzelf gekomen. Ik kon hem toch niet wegjagen: of had ik naar huis moeten vluchten en kletsnat worden en den koepel open laten staan voor een iegelijk? Maar ik kon immers wel zien, dat hij een fatsoenlijk man was.” – „Taratata!” zei toen de oude Heer: „wat gaat dat mondje weer rad. Nu geef mij maar een zoen, Jetje! wij zullen er niet meer over spreken. Het is eigenlijk de schuld van Lodewijk: die had hier al lang moeten zijn om u af te halen, maar hij heeft zijn tijd met Helding op het biljart verbeuzeld. Kom Lodewijk, geef je nicht een arm.” – „Neen,” zei mijn lieve Flora: „ik weet wel, dat Lodewijk liever alleen loopt. Helding zal mijn cavalier zijn, zoo hij wil, en zijn regenscherm hem niet hindert.”

„Wel,” zei ik, „al had ik er duizend te dragen, en nog als Atlas een wereldbol bovendien op mijn schouders, ik zou mijn last niet tellen om zulk een eer te mogen genieten:” – en zoo streek ik met de Juffrouw naar huis: terwijl de oude Heer niets deed als Lodewijk zuur aankijken, en Lodewijk een deuntje floot; – En och heden! ik kan het u wel zeggen, Mijnheer Huyck! UEd. zal er toch geen misbruik van maken: ik weet heel goed, wat het liedje was, daar hij de wijs van neuriede, en waarom de oude Heer er zoo korzelig over was Het is omtrent zoo:

Ja! Zij is aardig, jong en teer;
Maar ’k min de gulle vrijheid meer.
      Ik wil, ik wil haar niet.
Een breidel knelt, ofschoon van goud:
Te vroeg getrouwd, te laat berouwd.
      Ik wil, ik wil haar niet.

En dat maakte ook, dat de oude Heer geen woord sprak over tafel en dat zij ’s avonds vrij wat woorden hadden met elkaar. ’t Was goed, dat zij beiden gistermorgen ieder op zijn eigen gelegenheid naar stad keerden, en daardoor de twist niet hervat kon worden. – Intusschen: de oude Heer is danig op die verbintenis gesteld, en als de Heer Lodewijk wat wijzer en bedaarder is geworden, zal hij zijns vaders zin toch wel doen. – ’t Is maar niet pleizierig, dat het zooveel gehaspel geeft; – maar in ’s hemels naam: mondje dicht, Mijnheer Huyck!”

„Geen woord zal er van over mijn lippen komen,” zeide ik: – „maar mij dunkt, dergelijke tooneelen en een dergelijk vooruitzicht moeten voor Mejuffrouw Blaek allesbehalve aangenaam zijn.”

„Dat is waar,” hernam Helding: „maar zij heeft het anders kostelijk bij haar oom. ’t Is hartje wat lust je, mondje wat begeer je? De oude Heer heeft haar lief als den appel van zijn oogen. En zij verdient het; want zij is een engel. Och! als ik haar zoo aanzie!....” hier hield hij ineens op, schudde het hoofd, zag voor zich: en een paar tranen rolden den ouden man langs de wangen.

„Wat schort er aan?” vroeg ik, eenigszins verbaasd over deze verandering in ’s mans gemoedsgesteldheid, en niet wetende, waar ik zulk een plotseling opgekomen droefgeestigheid aan had toe te schrijven.

„Och!” hernam hij met een zucht: „als ik haar aanzie, dan herinner ik mij altjd mijn Klaartje:.... dat was ook zulk een lief vroom kind, en had ook zulk een paar groote vriendelijke oogen, evenals zij. – Och ja! zoolang zij, bij mij was, ging het mij nog goed en leefde ik niet in ellende en eenzaamheid zooals thans: en schoon wij het niet breed hadden, wij waren tevreden: alles was altijd netjes en knap om mij heen: Klaartje verdiende ook wat voor de huishouding: en als zij dan te huis was van den winkel, en over mij zat om een muts of hoed op te maken, en luisterde naar mijn verzen, – kijk! dan was ik zoo gelukkig, dat ik het met geen Burgemeester zoude geruild hebben; maar nu is dat alles voorbij; ik leef alleen en verlaten en niemand bekommert zich over den armen Helding. – ’t Is waar, ik heb den naam van een vroolijke snaak te zijn: – en dat ben ik ook, in gezelschap; omdat ik van aard gezellig ben en die droevige gedachten dan uit het hoofd stel. Maar als ik alleen ben, och! dan heb ik soms bange oogenblikken.”

„Gij hebt dus het ongeluk gehad, uw dochter zoo jong te verliezen?” vroeg ik deelnemend.

„Te verliezen, juist Mijnheer!” antwoordde hij, somber voor zich ziende.

„Zulk een verlies is zeker onherstelbaar,” zeide ik: „maar de herinnering aan de goede hoedanigheden der afgestorvene zal bij u toch niet louter pijnlijke, maar ook wel zachte en streelende aandoeningen verwekken.”

„Der afgestorvene!” herhaalde hij: „gave de hemel dat zij gestorven ware!.... ofschoon het mogelijk is.... ik weet het niet. – Neen, Mijnheer, zij is mij niet door den dood ontvallen. Zij heeft mij verlaten, mij, haar vader, die haar zoo liefhad. Zij is de wijde wereld ingegaan: – en wat is de wijde wereld anders voor een jong meisje als zij was, dan de verderfenis? – Doch ik moest daarover niet spreken: – het is alles wellicht mijn schuld: ik had haar beter gade moeten slaan. Vergeef mij, Mijnheer! het past mij niet, u over mijn eigen leed te onderhouden.”

„En waarom niet?” vroeg ik, een innig medelijden met den man gevoelende: „het geeft altijd troost, zijn pijnlijke gedachten te kunnen uitstorten bij iemand, die het wel met ons meent.”

„Neen, Mijnheer!” zeide hij, met meerdere waardigheid dan ik gedacht had, dat hij kon aannemen: „er zijn rampen van dien aard, dat haar mededeeling geen troost kan aanbieden. – Er is slechts één ding, dat mij opbeuring zou kunnen geven, en dit zou het bericht zijn, dat zij van den slechten weg, dien zij bewandelt, ware teruggekeerd. Och! dat het verloren schaap berouwhebbend weder bij mij kwame! Ik zou haar immers weer aan mijn hart drukken en alles zou vergeten en vergeven zijn: zij zou mijn armoedje deelen: en misschien beleefden wij nog gelukkige dagen.”

„Maar, zoo ik vragen mag, hebt gijzelf geene pogingen gedaan om haar op te sporen en van het doolpad af te brengen?”

„Och Mijnheerl” antwoordde hij, de schouders ophalende: „tot zulke nasporingen is geld noodig: en dat heb ik niet. Ik ben al meer dan eens bij den Onderschout over de zaak geweest; maar die wil er niets aan doen, en zegt, dat hij wel dagwerk zou kunnen krijgen van al de meisjes op te zoeken, die de Breeveertien op zijn.”

„Nu,” zeide ik, „zoo de Onderschout u niet wil voorthelpen, waarom zijt gij dan niet tot mijn vader gegaan?”

„Tot den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier! Ho! dat durfde ik zoo niet: dat ware te onbescheiden geweest.”

„Onbescheiden!” herhaalde ik: „onbescheiden om mijn vader in zijn ambtsbetrekking te spreken? – Zoo gij daarvoor vreest, dan wil ik uw boodschap wel doen.”

„Wel! ik zou UEd. de moeite niet hebben durven vergen; maar och ja! doe dat, Mijnheer Huyck! ik zal er u levenslang voor dankbaar zijn.” – En de tranen glinsterden den man in de oogen, terwijl hij mijn handen drukte: „Och!” vervolgde bij, „wat heb ik een gelukkige ingeving gehad, van UEd. dat gedicht te zenden; anders ware ik nooit met UEd. in kennis gekomen. – Ik was eerst al huiverig, of UEd. het niet te gebrekkig zoudt vinden; want ik had het nog niet in mijn vriendenkrans voorgelezen en het was dus nog onbeschaafd.”

„Is dat anders uw gewoonte?” vroeg ik, eenigszins verwonderd, want ik was niet op de hoogte van de manier, die onder onze zoogenaamde dichters heerschte.

„Welzeker, Mijnheer! – Wij hebben een vereeniging om de veertien dagen, waar de braafste dichtgeesten der stad leden van zijn: daar lezen wij onze verzen voor en ieder maakt zijn aanmerkingen: en dan worden de zwakke regels naar het gevoelen der meerderheid verbeterd. – O! het is een zeer vermakelijk gezelschap! Mijn eenig leedwezen is, dat ik de vrienden niet tot mijnent kan ontvangen; want helaas! dat gedoogen mijne omstandigheden niet. Anders, wij mogen een gast inleiden: en ik zou mij het tot eer rekenen,.... maar het ware al te onbescheiden, zoo iets te durven hopen.”

„Wel, waarom dat?” zeide ik lachende, en in de veronderstelling, dat daarvan wel nooit iets komen zoude: „ik zou zeer gaarne dien krans eens bijwonen. – Maar het wordt mijn tijd, Eijnheer Helding! en ik zal u verlaten. – Nu! ik beloof u, ik zal uw zaak ter harte nemen.”

Helding hernieuwde zijn betuigingen van dankbaarheid en van vreugde over de eer van mijn bezoek: en, na de twee dukaten behendig in mijn kelkje te hebben laten vallen, wilde ik mij verwijderen; maar, ondanks mijn tegenzeggen, begeerde hij volstrekt mij uitgeleide te doen en mij op de trap voor te gaan, waarvan hij door dagelijksche gewoonte best in staat was mij de afgesleten treden aan te wijzen. Halverwegen gekomen, waar een klein zijportaaltje naar de deur eener voorkamer geleidde, hield hij stil en luisterde.

„’t Is of men het daarbinnen niet eens is,” zeide hij, op de gesloten deur wijzende.

„Inderdaad,” zeide ik: „mij dunkt, er vallen hooge woorden.” En ik stond insgelijks stil; want de stemmen kwamen mij bekend voor.

„Het is, zoo waar ik leve, de Heer Lodewijk Blaek!” zeide Helding: „misschien zocht hij mij en heeft hij zich eene verdieping vergist.”

„Stil!” zeide ik, met drift, terwijl ik aandachtig luisterde: – ik hoorde een vrouwenstem, welke ik verre was van hier te verwachten, met kracht de navolgende woorden zeggen:

„Nog eens, Mijnheer! ik verzoek u dit vertrek te verlaten, of gij zult mij dwingen om hulp te roepen.”

„Is het wel mogelijk!” riep ik: en terstond, door een onwillekeurige gemoedsbeweging voortgestuwd en zonder over de gevolgen na te denken, stootte ik de deur open en trad binnen. Ik had mij niet bedrogen. Midden in het vertrek stond Amelia, met vlammende oogen en in een houding, eener vorstin waardig, en wees met uitgestrekten arm de deur aan Lodewijk Blaek, die volstrekt niet genegen scheen aan den wenk te voldoen.

Mijn binnenkomst veroorzaakte geen geringe uitwerking. Amelia herkende mij terstond; zij kleurde even: en haar arm latende vallen, deed zij een schrede zijwaarts naar mij toe, als wilde zij zich onder mijn bescherming stellen.

„Wie is daar?” vroeg Lodewijk, die met den rug naar ons toe stond en zich eensklaps omkeerde: hij herkende mij, verschoot van kleur, maar herstelde zich dadelijk en zag beurtelings Amelia en mij aan met een schamperen glimlach.

„Aha!” zeide hij: „ziedaar een welkomer gast! Nu zie ik inderdaad, dat ik het veld zal moeten ruimen.”

Ik gevoelde de noodzakelijkheid, een poging aan te wenden, om zijn kwade vermoedens weg te nemen.

„Mijnheer!” zeide ik, „gij bedriegt u. Ik verklaar u als man van eer: ik was onbewust dat deze Juffer hier woonde, en, van een bezoek bij den Heer Helding terugkomende, vond ik mij genoopt binnen te treden, omdat ik mij verbeeldde, dat hier iemand onbehoorlijk behandeld werd.”

„Mijnheer!” zeide Lodewijk: „zoo ik het ben, wien gij een onbehoorlijke handelwijze toeschrijft, dan zult gij mij rekenschap van die uitdrukking geven.”

„Ik zeide alleen, dat ik mij zulks verbeeldde,” hernam ik, ongezind mij een noodeloozen twist op den hals te halen: „Mejuffrouw alleen kan hier beslissen of mijn vermoeden ongegrond was.”

„O! Mademoiselle zal u wel gelijk geven,” hernam Lodewijk, met bitterheid: „want dat gij, die met haar in de stad zijt gekomen, niet zoudt weten, waar zij zich ophield, dat zult gij mij toch niet wijsmaken.”

„Wees voorzichtig!” zeide ik, gevoelende dat ik warm werd: „ik ben niet gewoon, dat iemand aan de waarheid mijner gezegden twijfelt.

„Om ’s Hemels Wil! Mijnheer Lodewijk! Mijnheer Huyck! bezit uw zielen toch in lijdzaamheid!” riep Helding, angstig tusschen ons intredende; „verstaat elkanderen:

En laat geen dwaze drift u beider ziel doen blaken!”

„Gij hebt mij geaffronteerd!” zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: „en gij zult er mij rekenschap van geven.”

„Wanneer gij wilt,” hernam ik in drift: „maar wij zullen eerst beiden dit huis verlaten, en aan Mejuffrouw het bijwonen van zulke ergerlijke tooneelen besparen.”

„Tot uw dienst,” zeide Lodewijk, zich den hoed in de oogen drukkende, en Helding, die hem bij den arm hield, ter zijde schuivende.

„Een oogenblik!” riep Amelia, zich snel bij de deur plaatsende: „Mijnheer!” vervolgde zij tot Lodewijk: „ik heb u zooeven verzocht mij te verlaten: thans begeer ik, zoo gij prijs stelt op den naam van een fatsoenlijk man, dat gij mij nog een oogenblik aanhoort. Deze Heer heeft de waarheid gesproken. Hij wist niet, hij kon niet weten, dat ik mij hier in huis bevond. Hoe gij mij hebt weten uit te vorschen, is een raadsel, dat ik niet verlang te onderzoeken. Ik weet niet, welke gedachten gij omtrent mij koestert en wil die ook niet kennen; maar dit verklaar ik u, dat alle beleedigende uitlegging, welke gij aan mijne korte kennis met den Heer Huyck zoudt willen geven, op verkeerde gronden berust.”

„Dacht ik het niet?” zeide Lodewijk: „Mademoiselle is te beleefd om Mijnheer tegen te spreken.”

„UEd. ziet het MejufFer!” zeide ik: „deze Heer wil geen rede verstaan en heeft vast besloten om uit al wat hij ziet of hoort, valsche gevolgtrekkingen te maken.”

„Waarlijk, Mijnheer Lodewijk!” zeide Helding: „UEd. is in dwaling: het was wel degelijk aan mij, dat de Heer Huyck een bezoek kwam geven! en ZEd. zou deze deur stilletjes zijn voorbijgeloopen, indien ik ZEd. niet op het gerucht opmerkzaam had gemaakt.”

„Mijnheer!” zeide Amelia, zich tot den dichter wendende: „gij zijt een man van jaren: ik bid er u om: vereenig u met mij, om dezen Heeren te verzoeken, mij te verlaten, en te vergeten dat zij mij ooit gekend hebben.”

„Kom Helding! gij hoort het,” zeide Lodewijk, spottende: „neem mij dan bij den arm en gooi mij de deur uit.”

„Het is genoeg, Mijnheer!” zeide ik: „gij hebt verstaan, dat Mejuffrouw alleen wenscht te zijn: en gij zult haar verlangen eerbiedigen zoowel als ik: en zoo gij daaraan niet vrijwillig voldoet, zal ik zoo vrij zijn te doen, wat gij aan Monsieur Helding voorstelt.” Onder het uitspreken dezer woorden nam ik hem bij den arm, en er ware ongetwijfeld een tooneel van geweld op gevolgd, toen de deur weder openging en Heynsz, de huisheer, in eigen persoon binnentrad.

„Mij dunkt,” zeide hij, „dat men het hier niet eens is, en dat hier meer leven gemaakt wordt, dan betaamt in een fatsoenlijk huis. Ik wist niet, Mademoiselle! dat UEd. ontving zulke drukke visites. Had ik kunnen raden dat dit was uw habitude, ik had u niet verhuurd deze appartementen; want ik ben niet gewoon.... maar wat zie ik? Mijnheer Blaek! gehoorzame dienaar. Hoe vaart uw Heer vader? mijn goede vriend Helding ook al hier! Mijnheer Huyck! welkom in ’t Vaderland! Maar mag ik weten, wat dit alles heeft te beduiden?”

„O! niets ter wereld!” zeide Lodewijk: „ik kwam aan de Juffer een bezoek geven: en Mijnheer begrijpt dit kwalijk te moeten nemen.”

„Monsieur Heynsz,” zeide Amelia, met waardigheid: „ik heb deze kamer van u gehuurd en dit geeft mij recht om te vorderen, dat ik er mijn vrijheid op moge genieten.”

„Uw vrijheid! Certainement!” zeide Heynsz, die haar verkeerd begreep: „niemand kan u verbieden, te ontvangen visites; maar dit huis heeft altijd gejouisseerd van een honnetten naam: en ik logeer geene dames, die.... die meen ik.... Heeren bij zich ontvangen. UEd. verstaat,mj?”

„Neen, Mijnheer! ik versta u niet,” antwoordde Amelia, terwijl zij kleurde van schaamte en verontwaardiging: „en gij verstaat mij nog minder: „ik begeer juist vrij te zijn om niemand te ontvangen: en als Heer des huizes zult gij mij verplichten, zorg te dragen, dat niemand mijne kamer kome oploopen alsof.... het een herberg ware. Ik wil alleen zijn, en zoo mij dit niet vergund wordt, zal ik naar een ander verblijf moeten uitzien.”

„Mij dunkt,” zeide ik, Heynsz aanziende, „dat Mejuffer niets onbillijks vordert.”

„Integendeel!” zeide hij: zij spreekt als een boek: ik was in erreur. Allons! Mijne Heeren: gij hebt gehoord de intentie van Mejuffer. Kom, vriend Helding! opgemarcheerd.”

„Ik heb de eer nederig mijn compliment te maken aan het geëerd gezelschap,” zeide Helding, terwijl hij rondboog met de blauwe muts in de hand, en vertrok.

Gerustgesteld door de tegenwoordigheid van Heynsz, in wiens bijzijn ik begreep, dat Amelia geene beleediging te vreezen had, maakte ik insgelijks een buiging en verliet de kamer, doch bleef in ’t portaal staan, daar ik Blaek niet wilde ontloopen.

„Vaarwel, fiere schoone!” zeide deze, die nu wel inzag, dat hij voor het oogenblik alle hoop moest opgeven: „het doet mij recht leed, dat ik u misschien gedwongen heb te veinzen, dat gij met dien Heer niets uitstaande hadt. Nu! ik begrijp, dat hij de oudste brieven heeft, en zal u heden niet meer lastig vallen. – Mijnheer Huyck! gij gaat nog niet heen! Ik heb u twee woorden te zeggen.”

„Ik wachtte u,” zeide ik, langzaam voor hem uit de trappen afdalende.

Eh bien! wat zal dat zijn?” riep Heynsz, ons achterna volgende: „de Heeren zullen immers zoo dwaas niet zijn, op straat te maken rusie! Indien zij nog quaestie samen hebben, mag ik dan verzoeken, dat zij komen in mjn zijkamer en daar bedaard met elkander spreken over deze affaire.”

Onder het uiten dezer woorden was hij ons reeds voorbijgeschoven, en, terwijl hij de voordeur met de eene hand dichtsloot, opende hij met de andere die van de zijkamer. Er zat dus niets anders op, dan aan zijn verzoek te voldoen. Ik ging dadelijk binnen en bleef tegen den rug van een stoel leunen, in afwachting van hetgeen volgen zoude. Lodewijk trad mij eenigszins schoorvoetende en mompelende na, en hield zich, als ware hij verdiept in de beschouwing van eenige portretten, die aan den wand hingen. Toen trad Heynsz binnen, sloot voorzichtig de deur achter zich toe, schoof stoelen aan en zette zich in een armstoel, met al de deftigheid van een Turkschen Pacha: en ik kon niet nalaten van bij mijzelven te lachen om de vergelijking, welke ik maakte tusschen den gehoorzamen ambtenaar, die de bevelen van den Hoofdschout staande en zonder tegenspraak aanhoorde, en den deftigen huisheer, die des Hoofdschouts zoon in ’t verhoor ging nemen.

„Mijne Heeren!” zeide hij, zoodra wij alle drie gezeten waren: „ik weet bij eigene experientie, waartoe jeugdige passie kan vervoeren ons allen. Ik heb daar exempels van gezien bij menigten. De Heeren weten, dat ik al wat traversen en recontres heb gehad.”

„Met verlof,” zeide Lodewijk, de beenen over elkander kruisende, en op zijn horloge ziende: „kunt gij het niet wat kort maken? want ik moet te zes uren bij La Place zijn om een paar harddravers te probeeren, en het is nu al kwartier.”

„Het is verre van mij, UEd. te willen ophouden,” hernam Heynsz: „alleen, mag ik zoo vrij zijn van u te vragen, wat het motief is van de quaestie?”

„Ik ben niet gewoon,” zeide Lodewijk, „bij een zaak van eer andere lieden in te halen, dan Cavaliers van mijn stand.”

„Wat mij betreft,” zeide ik, „ik wil gaarne Sinjeur Heynsz tot scheidsman nemen: zijn stand of de onze doet hier niets toe: hij heeft recht te onderzoeken, wat er in zijn huis is voorgevallen: en, oprecht gesproken, ik acht het voor alle partijen verkieslijker dat over deze zaak buiten af geen gewag gsmaakt worde. Ik ben dus bereid, alles, zooals hst zich heeft toegedragen, te verhalen: en dan zal de Heer Blaek zelf bespeuren, dat er eigenlijk geen reden tot geschil bestaat.”

„Zoo gij mij liever verschooning wilt vragen, dan met mij een wandeling buiten de poort te doen, dan zeker is alles spoedig gevonden,” zeide Lodewijk, mij spotachtig aanziende. „Ziedaar, wat wij nader zien zullen,” zeide ik: „laat mij, als ’t u belieft, eerst uitspreken. Ik begin met te bekennen, dat UEd., oordeelende naar de omstandigheden, voor zooverre zij bekend zijn, misschien aanleiding hebt kunnen vinden, om te denken, dat de Juffer geen weerstand aan uw voorstellen zou bieden; maar, vergun mij UEd. te zeggen, dat, toen zij u met nadruk verzocht, haar te verlaten, en UEd., in weerwil daarvan, haar met uw bijzijn lastig bleeft vallen, uw gedrag niet langer te rechtvaardigen was.”

„Voor den duivel!” riep Lodewijk driftig, „neemt gij het op dien toon? – Bah!” vervolgde hij, lachende: „ik heb er wel honderd gekend, die eerst zoo koppig waren als stieren en naderhand zoo mak als lammetjes, zoodra ik de geeltjes liet klinken.”

„Wel mogelijk!” hernam ik op een koelen toon: „maar dat zou niet licht het, geval worden met de Juffer hierboven. UEd. hebt haar door uw gedrag beleedigd: en ik, door op het gerucht toe te snellen en haar partij te nemen, heb niets anders gedaan dan hetgeen elk ander en UEd. zelf in mijne plaats verricht zoudt hebben.”

„Wel, niets was natuurlijker,” zeide Lodewijk: „gij wildet gaarne uw lief voor u alleen houden.”

„Ik herhaal nogmaals, en op het plechtigst,” tervolgde ik, „dat mijne kennis aan haar slechts toevallig en zeer gering is, en dat ik verder niets met haar uitstaande heb. Wat ons betreft, Mijnheer! wij hebben elkander een paar woorden toegevoegd, waartoe de warmte van het gesprek aanleiding heeft gegeven. Gold het ons alleen, ik zou niet aarzelen, u voldoening te schenken: maar bedenk, dat wij in dit geval, om een armhartig punt van eer, de reputatie van een fatsoenlijk meisje in de waagschaal stellen: en dit betaamt noch u, noch mij.”

„Braaf gesproken!” zeide Heynsz: „een fatsoenlijk meisje is het: haar papa woont te Deventer: Van Beveren heet hij: zij is een nicht van den Notaris Bouvelt, en had moeten logeeren bij hem; maar de man, hij is heel ziek, en had daarom hier een kamer voor haar gecommandeerd.”

„’t Is zeker wat verhevens! de nicht van een Notaris!” zeide Lodewijk, zijn das ophalende en een gezicht zettende alsof hijzelf de neef ware van den Grooten Mogol.

„Dat is hetzelfde, Mijnheerl” zeide Heynsz: „ik ben maar wen portretschilder; maar voordat iemand affronteere die Juffer, ik zelf zoude opnemen haar defensie: ik heb ook de kling leeren manieeren in Frankrijk, en geëchangeerd kogels met luiden van goede noblesse. Wat u betreft, Mijne Heeren! ik laat u niet van hier gaan, maar zal zenden een boodschap aan uw ouders, zoo gij niet belooft aan mij, de zaak te termineeren in goeden vrede.”

”Gij zijt een onbeschaamde vlegel,” zeide Lodewijk, driftig opstaande.

„Neen, mijn Heer! ik ben een portretteur,” zeide Heynsz: „maar ik heb genoeg experientie, om te weten hoe te handelen met lieden, die volontair zijn, als UEd.”

„Ik wou wel eens zien, dat iemand mij hier hield,” zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: „wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik zie wel, dat alle praatjes niet helpen. Ik zal u hedenavond nog een briefje schrijven en u een plaats aanwijzen, waar wij de zaak kunnen vereffenen. En nu, Heer Portretkladder: ruim baan! en maak de deur open, of ik rijg u aan mijn degen.”

„Bah!” zeide Heynsz, bedaard oprijzende: „ik ben niet de waard uit het Hagendoornsehe Bosch.”

„Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Lodewijk, terugdeinzende, terwijl zijn gelaat zoo wit werd als papier. „Ik bedoel daarmede, dat er geschieden dingen, die men waant niet te zijn bekend, en die het resultaat zouden kunnen hebben, dat zekere lieden, bon gré mal gré, op de binnenplaats van het Stadhuis, onder den, blauwen hemel, zouden kunnen hooren voorlezen zeer onaangename dingen.”2)

„Gij zult mij die woorden nader ophelderen,” zeide Lodewijk, Heynsz bij den arm nemende en ter zijde trekkende, als vreezende, dat ik iets van het antwoord verstaan zoude.

„Direct!” zeide Heynsz: en tegelijk de deur openende, ging hij het portaal in, waar Lodewijk hem volgde als een hond, die slagen heeft bekomen. Heynsz fluisterde hem iets in het oor: en na een kort en driftig gesprek, keerde de onstuimige jongeling terug en zeide, met een heesche stem en zonder mij aan te zien: „Wij zullen de zaken maar blauw blauw laten, Mijnheer Huyck! Ik ben wat driftig geweest, en Sinjeur Heynsz heeft mij alles opgehelderd.”

„Ik verlang niets liever,” antwoordde ik, met een stijve buiging. Lodewijk moffelde even aan zijn hoed, ’t geen voor een groet moest doorgaan, en vertrok. „Door welke tooverspreuk hebt gij hem zoo mak gemaakt?” vroeg ik aan Heynsz, zoodra deze terugkeerde. „Ziedaar wat ik zou vertellen aan UEd., maar aan geen ander,” zeide deze: „die Sinjeur Blaek heeft onlangs met eenige Compagnons, mauvais garnemens comme lui, den boel opgeschept in een nachthuis en den waard gegeven een coup d’ épée, waar de man van heeft moeten houden een maand lang het bed. Die zaak is geäpaiseerd omdat het waren jongelieden van den fatsoenlijksten stand, en dat een van hen is geweest royaal genoeg om te geven een goede som gelds. Maar deze Sinjeur Blaek, die eigenlijk was het meest coupabel, heeft niets van zich doen booren, en dacht, dat niemand hem had verklapt. Nu heb ik hem gegeven te kennen, dat ik die affaire wist, haarklein.”

„En schroomt gij niet,” vroeg ik, „dat hij daardoor uw betrekkingen tot de Justitie zal leeren kennen?”

„Geen nood: hij zal niet, al soupçonneerde hij iets, daarvan spreken durven. Ik heb hem gezegd, dat, zoo hij u molesteerde, het muisje zou hebben een staartje.”

„Ik ben u dankbaar voor de genomene moeite; maar toch ongaarne zoude ik zien, dat hij mij voor een lafbek hield.”

„Hoor Mijnheer Huyck! doe wat gij wilt op een andere plaats: dat kan ik niet verhinderen; maar te mijnen huize zal, zoo ik helpen kan, uws vaders zoon niet betrokken worden in eenige querelles. Voelt UEd.? Wat beboeft dat tumult?”

„Het was niet uit vrees voor dien Heer Blaek, maar om den wille van de Juffer, dat ik gerucht vermijden wilde.”

„Bah!” zeide Heynsz, terwijl hij lachende den vinger omhooghief: ik heb te veel experientie om mij te laten foppen. UEd. zal mij geen loer draaien, zooals UEd. gedaan heeft den Heer Blaek. Ik weet ook wel, dat UEd. op een beteren voet staat met die mamsel dan UEd. wel weten wil.”

„Wat!” zeide ik, onthutst: „gij weet....”

„Dat UEd. met haar van Naarden gearriveerd zijt! Qf ik het weet.... maar wees niet bang: ik weet wat ik moet zeggen of zwijgen. Ik zal het niet oververtellen aan Papa.”

Men kan zich licht voorstellen, welk een onaangenaam gevoel ik ondervond, op de gedachte, dat ik van de bescheidenheid diens mans afhing. Maar tevens begon ik vrees te voeden, of Heynsz ook van mijne bekendheid met Amelia’s vader bewust ware.

„Nu ja!” zeide ik op een onverschilligen toon: „ik heb met haar in de Naarder schuit gezeten. Wat zou dat?”

Juste! maar UEd. heeft niet gepasseerd den nacht te Naarden: evenmin als zij.” Ik hield mijn oogen strak op hem gevestigd; maar ik kon niet doorgronden of hij mij wilde toonen, dat hij het geheim wist, dan wel of hij het integendeel zocht uit te vorschen. Ik begreep in allen gevalle zeer voorzichtig en op mijn hoede te moeten zijn, en zeide, zoo bedaard als in mijn vermogen was:

„Gij, die alles weet, gij weet toch niets, dat ten nadeele van die Juffer kan strekken?”

„In het minste niet,” antwoordde hij: „ware het anders, ik zou haar niet logeeren in mijn huis. Ho! ho! Men bedriegt niet Heynsz: ik badineerde maar: doch franchement, indien het een ander ware geweest als UEd., die met haar had gemaakt de reis, ik zou toch nemen de moeite, van mij te informeeren, hoe gij beiden u zoo à l’improviste bevondt te Naarden, zonder dat iemand weet, hoe en vanwaar gij daar zijt gearriveerd.”

Ik herleefde; want nu bleek mij, dat hij niets bepaalds wist. „Welnu!” zeide ik, „daar wij geen van beiden verdachte personen zijn, noch Mejuffrouw Van Beveren, noch ik, zoo raad ik u maar, u daarover niet verder te bekommeren. Er zijn zaken van meer belang, die uw onderzoek kunnen bezig houden.”

Met deze woorden rees ik op, nam mijn afscheid en verliet het huis, niet weinig ontevreden over het noodlot, dat mij scheen te vervolgen en tegen wil en dank van het eene avontuur in het andere te halen en een rol te doen spelen in allerlei zaken, waarmede ik niet verlangde iets te doen te hebben.

1) De titel van Mijnheer werd in die dagen alleen aan aanzienlijken gegeven: deftige leden uit den burgerstand heetten Sinjeur: en men zeide Monsieur tegen den zoodanige, voor wien bovenstaande benamingen nog te verheven waren. Het Mevrouw, Mejuffrouw en Mademoiselle was het ongeveer hetzelfde. –  Noot van den Uitgever.

2) Aldaar werd voorheen het vonnis der ter dood veroordeelden gelezen. – Noot van den Uitgever.


[Hoofdstuk 13] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 15]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001