MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

VIJFTIENDE HOOFDSTUK,

VERMELDENDE, HOE FERDINAND EN SUZANNA UIT LOGEEREN GINGEN EN WAT ER OP HEIZICHT GEBEURDE.


Indien mijn waarde lezers het bovenstaande nauwkeurig hebben gelezen en onthouden, zullen zij zonder veel moeite kunnen uitrekenen, dat de dag, volgende op dien, waarop mijn ontmoeting ten huize van Heynsz plaats had, een Zaterdag was, en wel die, waarop Tante Van Bempden mijn zuster en mij zou komen afhalen om ons naar haar buitengoed te begeven. Niet veel later dan negen uren hield haar koets voor onze deur stil, terwijl Suzanna en ik reeds een geruime poos in de zijkamer hadden staan draaien, onze zakuurwerken met de staande klok vergeleken, over den juisten tijd gekibbeld, en het oneens waren geweest of de Muntklok voorof achteruitgezet was, en voor de tiende maal aan onze moeder haar tienmaal herhaalde vraag, of wij niets hadden vergeten van hetgeen wij buiten noodig hadden, beantwoord, en gegaapt en opgestaan en weer gaan zitten en alle dergelijke belangrijke handelingen meer bedreven, die men niet doet dan alleen wanneer men wacht en zich verveelt. Na afscheid genomen te hebben van mijn moeder, die ons tot op de stoep vergezelde, hielp ik Suzanna in het rijtuig, van waar mijn Tante haar reeds het welkom toeriep. Ik hoorde mijn zuster een kreet van verbazing uiten, stapte na haar het portier binnen, en vond mij nez-à-nez met.... Mejuffrouw Henriëtte Blaek.

Intusschen gaven Govert en Aagt de kleine pakjes aan, die wij mede moesten nemen: er was vrij wat drukte en bereddering; en ieder sprak te gelijk.

„Wel, Jetje lief! hoe vaar je? wel Tante! wat is dat een lieve verrassing,” zeide Suzanna.

„Hoe! gaat Juffrouw Blaek ook mede?” riep mijnmoeder, van de stoep af, terwijl zij minzaam goeden dag knikte: „wel Zuster! dat is een recht aangenaam gezelschap, dat gij aan Santje bezorgt.”

„Nietwaar, Zuster!” riep Tante weerom: „ja! ik wist wel, dat Santje niet aarden kan zonder een kornuitje: en ik denk altijd: hoe meer zielen, hoe meer vreugd.”

„Goeden dag, Mevrouw Huyck!” riep Henriëtte: „is het niet een recht lieve attentie van Mevrouw Van Bempden, dat zij mij wel mee wil hebben?”

„’t Is klaar Joris!” zeide de knecht, het portier sluitende.

„Vaartwel! Adieu!” klonk het over en weer: en het langzaam voortrollen der koets maakte een einde aan de afscheidsgroeten. Nauwelijks waren wij onderweg, of er ontstond eene oogenblikkelijke stilte: en de verschillende contenances, die wij hielden, zouden zeker niet onbelangrijk geweest zijn in de oogen van een derde, die met onze innerlijke gevoelens ware bekend geweest. Wij zagen elkander beurtelings aan: Tante Van Bempden met een blik van zegepraal over het welgelukken van haar verrassingsplan: Suzanna met een paar oogen, waarin ik, bij de vreugde over de ontmoeting van haar vriendin, tevens een schalksche nieuwsgierigheid las, om te zien hoe wij ons zouden houden: Henriëtte, die mij eerst vrij stijfjes gegroet had, met een eenigszins verlegen blik. Wat mij betreft, ik was zoo uit het veld geslagen, dat ik niet wist waarheen te kijken en de zotste figuur mogelijk maakte.

„Komaan!” zeide Tante: „Jetje-lief! nu moet ik u mijn neef Ferdinand voorstellen. Ferdinand! Mejuffrouw Blaek.”

„Ik heb reeds de eer van Mijnheer te kennen,” zeide Henriëtte, niet een zoo korte hoofdbuiging en op een zoo drogen toon, dat ik geheel en al van mijn stuk geraakte en kleurde tot achter de ooren toe.

„Hoe! kent gij mijn neef al?” vroeg Tante, met verbazing: „en hoe is dat mogelijk? hij komt pas uit verre landen terug.”

Ziende, dat Henriëtte op haar beurt een kleur kreeg en dat Suzanna op haar zakdoek beet om niet te lachen, vatte ik eenigszins moed: „Mejuffrouw,” zeide ik, „is de eervte stadgenoot geweest, die ik op den vaderlandschen grond ontmoet heb: en UEd. zal bekennen, dat ik het niet gelukkiger treffen kon.”

„Hoe varen Letje? en Keetje?” vroeg Henriëtte, zich naar Suzanna wendende, als wilde zij mij de gelegenheid afsnijden om verder over onze ontmoeting op Guldenhof uit te weiden.

„Wel! zeer wel!” zeide Suzanna, ons beurtelings met een verwonderden blik aanziende: „zij zijn recht in haar schik met het moois, dat Ferdinand haar gebracht heeft,” (men ziet, dat zij mij met geweld in het discours wilde sleepen:) „wat mij betreft ik ben maar half tevreden over hem, Ik had gehoopt, dat zijn tochten hem wat zouden verbeterd hebben; maar och! hij is te huis gekomen zooals hij gegaan is, behalve dat hij deze reis geen pruik ophad.”

„Welnu! wat wildet gij dan?” vroeg Tante, met haar gewone levendigheid, en het gezegde van Suzanna voor goede munt opnemende: „hadt gij liever gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen; en het is wel zaak, dat wij ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven voorstaan.”

„Recht zoo Tante!” zeide Suzanna: „hoe is u de laatste preek van Talard bevallen ?”

„Santje! Santje!” zeide Tante, den vinger dreigend opheffende: „is dat geoorloofd, aldus met uw tante te gekscheren, omdat ik nu van den preektrant van Talard houde, waar onze predikanten wel een voorbeeld aan mochten nemen. Ik geloof, dat ik mijn vaderland daarom even liefheb, al ga ik nu en dan eens naar de Walekerk, waar zulk een onstichtelijk gedrang niet is als in onze kerken.”

„Neen; maar integendeel een zeer stichtelijk gesprek bij het uitgaan, over alles behalve de preek. Laatst vroeg mij een diaken, dien ik niet noemen zal, juist op het oogenblik, dat ik bij ’t uitgaan mijn gift in ’t zakje deed, of ik veel engagementen had voor het bal van Kevrouw Stoppelaar.”

„Zoo, ja!” hernam Tante: „maar daar mij zulke vragen niet gedaan worden, heb ik geen stof tot ergernis en blijf ik evengoed Hollandschgezind al hoor ik nu en dan een Fransche predikatie.”

„Zijn dat de fontanges, die UEd. uit Parijs hebt laten komen Tante?” vroeg mijn onverbeterlijke zuster, die evenals een echte visscher, nooit kon nalaten de angelroede uit te werpen, waar zij er gelegenheid toe zag.

„Dat is hetzelfde, onbeschaamde meid!” zeide Tante, glimlachende: „ik laat mijn fontanges uit Parijs komen, omdat zij hier niet goed gemaakt worden, en ik zou er u haast naar toe sturen, om school te gaan en wat eerbiediger te leeren worden jegens menschen van meer jaren.”

’t Is den moriaan geschuurd,” zeide ik: „of UEd. haar al de les leest.”

„Zoo! komt gij ook uit den hoek?” zeide Suzanna: „neen! dan is het geen gelijke partij meer; want of ik Jetje al te hulp roep, die weet ik te voren, dat mij altijd afvalt.”

„Die overtuiging bewijst niet veel voor de deugdzaamheid van uwe zaak,” zeide Henriëtte.

„Zeer nederig aangemerkt,” zeide Suzanna.

„En ontegenzeggelijk waar,” voegde ik er bij: „want Mejuffrouw Blaek kan zeker nooit een zaak voorstaan dan die billijk en rechtvaardig is.”

„’t Is jammer Jetje! dat wij in een rijtuig zitten,” zeide Suzanna: „anders zoudt gij zeker opstaan en nijgen, om voor zulk een fraai compliment te bedanken.”

„O! ik weet bij ondervinding, dat Mijnheer zeer mooie complimenten kan maken,” antwoordde Henriëtte, den toon van terughouding hernemende, die mij zoozeer griefde.

„Waarlijk!” zeide Suzanna: „nu dan hebt gij, niettegenstaande uw korte kennismaking, al meer goede hoedanigheden in mijn broeder ontdekt dan ik: want ik had er hem nog niet op betrapt; maar dat geeft hoop op de toekomst.”

„Maar vertel mij toch,” zeide Tante, die half naar dit laatste gedeelte van het onderhoud geluisterd had en half gesnuffeld in een paar nieuwe Engelsche boeken, die zij mede naar buiten nam: „waar en hoe hebt gij elkander meer gezien? en laat dat gehakketeer toch eens varen.”

Ik voldeed met weinige woorden aan haar verzoek; maar, in weerwil van Tantes vermaning en hoe kort mijn verhaal ook ware, het haalde mij ettelijke zetten en spotternijen van Suzanna op den hals, die nu eens beweerde, dat ik een mannetje van zout ware en voor een klein regenbuitje vreesde; dan weder, dat ik den regen slechts als een voorwendsel had aangegrepen, om te zien, welke Juffer in den koepel zat; dan, dat ik al zeer vrijpostige manieren had opgedaan om mij zoo in te dringen op een plaats, waar ik niets te maken had, enz. Wat Henriëtte betrof, deze scheen te lijden onder dit gesprek en antwoordde slechts met ja en neen op de vragen, welke te dier gelegenheid tot haar gericht werden, zoodat Tante haar houding begon op te merken en haar vroeg of haar iets deerde, of het haar ook tochtte, of zij ook van plaats wilde ruilen enz. Suzanna, die wel bemerkte, dat het hem, daar niet zat, doch de reden van Henriëttes handelingen volstrekt niet verklaren kon, werd vanzelf stil en zag mij zijdelings met eenige ongerustheid aan. Ik was zelf ook lang niet op mijn gemak; maar, al mijn vermogens inspannende, trachtte ik het zooverre te brengen, dat ik een andere wending aan het onderhoud gaf en begon het een en ander over mijn reizen te vertellen. Suzanna, die mijn oogmerk raadde, hielp mij dezen keer trouw voort. Tante begon belang te stellen in hetgeen ik mededeelde: haar verbeelding raakte met haar tong aan het wedrennen: en Henriëtte zelve, schoon altijd min of meer schoorvoetende, mengde zich nu en dan in het gesprek, glimlachte zelfs bij wijlen, doch verviel, telkens wanneer ik haar bepaaldelijk toesprak, weder in haar afgepaste, koel beleefde houding. Zoo duurde het, totdat wij aankwamen te ’s Gravenland en het hek van Heizicht binnenreden.

„Komt kinderen!” zeide Tante, zoodra het rijtuig had stilgehouden voor de prachtige stoep, waarvan elke trede met kostelijke bloemgewassen prijkte: „nu moet gij u zien te vermaken tot den etenstijd: want ik zie daar al dezen en genen, met wien ik het een en ander te behandelen heb: en ik vrees, dat mij de tijd zal ontbreken, om voor den eten met u op den dril te gaan.”

Wij zagen, dat zij gelijk had; want het voorhuis stond vol lieden, die, met den hoed in de hand en onder beleefde buigingen, de eigenares van Heizicht opwachtten. Daar was de timmerman van het dorp, met wien zij in onderhandeling moest treden over den aanbouw van eenige nieuwe hokken voor de pauwen en fazanten: de metselaar, die een steenen wal voor den nieuwen achthoekigen vijver maken zou: de schilder, die een nieuwe verf zou geven aan het zomerhuisje, zonder nog te gewagen van eenige leveranciers uit Utrecht en Weesp, die zij besteld had en te woord moest staan. Zij trad dan ook terstond in een zijvertrek, zonder zich den tijd te gunnen van zich van hoed en mantel te ontdoen, en wenkte een der aanwezige personen toe, haar te volgen. Wat de jonge dames en mij betrof, wij begaven ons naar de kamers, welke wij betrekken moesten, en waar de dienstboden ons goed brachten, en maakten ons toilet in behoorlijke orde. Ik althans besteedde daaraan meer tijd en zorg dan ooit te voren mijn geval was geweest: ’t zij, dat ik verlangde wat knap voor de oogen van Mejuffrouw Blaek te verschijnen en een beter figuur te maken, dan toen ik in mijn nat en versleten gewaad op Guldenhof voor haar opdaagde, ’t zij, dat de onaangename gewaarwording, die haar koelheid bij mij verwekt had, mij belette den noodigen spoed te maken. Zooveel is zeker, dat, toen ik geheel gekleed en in orde voor den dag kwam en het huis uittrad om de balsemende buitenlucht te genieten, ik mijn zuster reeds kant en klaar vond en druk bezig om een ruiker te maken.

„Te deksel!” zeide Suzanna: „dat toilet heeft lang geduurd. Gij ziet er uit, of gij uit een doosje kwaamt. En dat alles ter eere van Jetje Blaek? Dan vrees ik, dat gij vergeefsche moeite doet; want.... maar zeg mij toch, Ferdinand! zonder gekscheren, is er iets tusschen u beiden voorgevallen? want zij wilde u nauwelijks te woord staan, en keek bij wijlen zoo zuur, gelijk ik haar nog nooit heb zien doen.” Dit zeggende hadden de oogen mijner zuster, anders zoo spotachtig en vroolijk, een uitdrukking van belangstelling, die mij wel bewees, hoe lief zij mij innerlijk had, en hoe het haar hinderen zoude, indien ik door haar vriendin niet naar verdiensten behandeld werd.

„Hoor eens, Santje!” antwoordde ik: „ik kan u thans niet alles zeggen; maar zoo gij mij verplichten wilt, doe dan uw best en maak, dat ik, al ware het maar een paar minuten, haar alleen spreke: en ik twijfel niet, of alles zal wel in ’t effen komen. Ikzelf gevoel insgelijks behoefte om op een goeden voet met haar te blijven.”

„Maar Ferdinand!” zeide zij, groote oogen opzettende: „nu! gij zult mij dat wel nader ophelderen.... mij dunkt, dat gij in dat uurtje, op Guldenhof doorgebracht, uw tijd niet verloren hebt.” – En zij keek weer even schalksch als gewoonlijk.

Op hetzelfde oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de verschijning van Henriëtte aan de voordeur, waar zij staan bleef, als in beraad of zij zou naderen of terugkeeren; maar mijn zuster riep haar toe, of zij niet mede eens rond zou wandelen: en met langzame schreden kwam zij de stoep af.

„Kom! zeide Suzanna, haar onder den arm nemende: „wij zullen ruim den tijd hebben, de plaats rond te gaan, eer Tante heeft afgedaan. Laat ons dit laantje inslaan: ik heb u heel veel te vertellen, en Ferdinand mag meeloopen, mits hij niet luistere.”

Wij draaiden een zijlaan in, en de twee jonge dames begonnen met elkander te fluisteren, terwijl ik er naast liep, al bij mijzelf peinzende, wanneer de gelegenheid, waar ik naar verlangde, zich zou opdoen. Eensklaps stond Suzanna stil: „Wat ben ik toch een loszinnige meid,” zeide zij: „daar heb ik mijn zakdoek op het toilet laten liggen: wacht! ik ben dadelijk terug.” En zonder meer keerde zij zich om, en liep, vlug als een hinde, weder huiswaarts, ons toeroepende, dat wij maar langzaam zouden opwandelen, dat zij ons wel zoude inhalen.

„Maar Santje!.... wil ik niet met u gaan?” riep Henriëtte haar achterna, en was reeds van zins haar te volgen. „Blijf maar! Ferdinand zal u niet opeten,” zeide Suzanna van verre: en Henriëtte, ziende, dat er niets anders opzat, bleef stilstaan en trok met de punt van haar zonnescherm figuren in het zand. Ik stond een poos als versteend: en nu de list van mijn goede zuster mij de gelegenheid verschafte, naar welke ik een oogenblik te voren reikhalzend uitzag, was het mij, alsof ik nooit in staat zoude zijn, daar een goed gebruik van te maken. Ik was als met botheid en stomheid geslagen en ik voelde, dat ik beefde. Eindelijk zamelde ik al mijn moed bijeen en met een flauwe stem stamelde ik de navolgende woorden uit:

„Mejuffrouw! ik weet niet of ik mij bedrieg; maar ik geloof, dat ik onwillekeurig uw ontevredenheid hebt opgewekt.”

Zij zag mij eenigszins verrast aan; doch haar vorige houding weder hernemende, antwoordde zij op een onverschilligen toon:

„Ik weet niet, Mijnheer! welk recht ik zou hebben om ontevreden op u te zijn.”

Het ijs was gebroken en ik moest voortgaan, wilde ik niet als een botmuil worden aangemerkt: „Ik geloof,” zeide ik, „dat Mejuffrouw Blaek verheven is boven hetgeen men grilligheid noemt.... Heb ik mij slechts ingebeeld, dat UEd. heden, nu ik bij u bekend ben, in het gezelschap van mijn betrekkingen, mij.... kortom.... mij minder vriendelijk behandelt, dan toen ik mij op Guldenhof bevond?”

„UEd. kan het oogmerk niet hebben om mij te beleedigen?” zeide zij, mij ernstig aanziende.

„God weet, dat dit de laatste mijner gedachten zoude zijn: en ik verwerp alle dergelijke uitleggingen mijner woorden. Maar ik bedrieg mij niet: er is iets voorgevallen.... men heeft mij bij u in een kwaad daglicht doen voorkomen.”

„Mijnheer!.... ik weet niet.... maar het schijnt of ik een verhoor moet ondergaan,” zeide zij, kennelijk ontevreden. Ik begon te begrijpen, dat zij toch niet voor de reden van de verandering in haar gedrag te mijwaart zou uitkomen, en besloot er dus zelf op te zinspelen, terwijl ik, nu eens aan den gang zijnde en mijne eer op het spel ziende, met meerderen moed en warmte aldus voortvoer:

„Hoe kunt gij mij dus kwellen en een ongunstige wending geven aan al wat ik zeg? Laatstleden Woensdag op Guldenhof hadden wij op zulk een aangename wijze kennis gemaakt en waren op zulk een gullen, vroolijken voet van gemeenzaamheid gekomen, die mij zooveel zoets en genoeglijks voor de toekomst beloofde: en thans wilt gij mij nauwelijks met een antwoord verwaardigen.... Wat zeg ik? reeds toen UEd. mij eergisteren te Muiden voorbijreed, was uw groet zoo kort....”

„Mijnheer!” riep zij verrast uit, terwijl ik in haar oogen haar verontwaardiging las en haar verbazing, dat ik van die ontmoeting gewag durfde maken.

„Of is het wellicht die ontmoeting zelve,” vervolgde ik, „welke bij u tot verkeerde oordeelvellingen omtrent mij heeft aanleiding gegeven? – UEd. Zwijgt!”

„Inderdaad ik weet niet, wat ik antwoorden zal,” zeide zij, na eenige aarzeling: „ik ben uwe zedenmeesteresse niet, en het is mij natuurlijk onverschillig met wie UEd. omgaat....”

Het hooge woord was er uit, en ik zegende mijn besluit om een verklaring uit te lokken.

„Veroorloof mij, de overtuiging te behouden,” zeide ik, „dat die ontmoeting alleen u niet tegen mij zoude hebben ingenomen, en dat uw Heer Neef, wien ik te Naarden ontmoette, en die zelf wellicht te mijnen opzichte door den schijn misleid werd, UEd. gedachten heeft ingeboezemd, die het mijn plicht is, u te ontnemen.”

Henriëtte werd bleek en een traan glinsterde in haar oog: ik zag, dat ik juist geraden had. „Ik ben eerst een paar dagen bij de mijnen terug,” vervolgde ik, „en er ligt mij veel aan gelegen, dat mijn goede naam ongekrenkt blijve. Vooral stel ik er prijs op, dat UEd. mij niet verkeerd beoordeele. Zoude UEd. weigeren, aan mijn woorden geloof te slaan, wanneer ik u als man van eer verklaar, dat ik de Juffer, met wie ik mij toen bevond, geheel bij toeval heb ontmoet, dat zij mij niets is, en dat er tusschen haar en mij geene andere betrekking bestaan heeft, dan die de gestrengste zedelijkheid zoude kunnen veroorlooven? Ware dit anders, zou ik dan schaamteloos genoeg zijn geweest om dit gesprek te beginnen? Had ik niet veeleer gezwegen en gebloosd?”

„Mijnheer!” hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens: „er rustte hoegenaamd geen verplichting op u, mij rekenschap van uwe daden te geven. Het is waar, men heeft mij verteld.... ik heb gedacht.... om ’t even wat. Ik beken, ik heb u niet beleefd behandeld...., en dat was verkeerd van mij, ik verzoek verschooning daarvoor.”

„In ’s hemelsnaam!” riep ik verheugd uit: „spreek toch niet van verschooning vragen, de schijn was tegen mij.... en ik ben het, die u vergiffenis moet afsmeeken voor de onbescheidenheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”

„Welaan!” zeide zij, met een bekoorlijken glimlach, „dan zullen wij ons maar over en weer quitte rekenen en over dat lastige geval niet meer denken.”

„Gij geeft mij het leven weder,” riep ik: en tevens de lieve hand aanvattende, waarmede zij zich steelsgewijze de oogen had afgedroogd, drukte ik er een eerbiedigen kus op.

„Ei zoo!” riep Suzanna, die huppelende en in de handen klappende kwam aangeloopen: „uit welk land hebt gij die manieren medegebracht,?”

„Wel Santje!” zeide Henriëtte, rood wordende: „ik dacht” dat gij nooit terug zoudt komen.”

„Hoort gij, Broertje!” zeide Suzanna: „gij schijnt het talent nog niet te bezitten om iemand den tjd kort te doen vallen.”

„Wie zegt, dat Mejuffrouw mij vergunnen wil, zulks te beproeven,” zeide ik lachende.

Suzanna keek mij zijdelings aan en trok uit de opgeruimdheid van mijn gelaat de juiste gevolgtrekking, dat ik naar wensch geslaagd was: terwijl zij hiervan nog nader de zekerheid bekwam, toen zij op onze verdere wandeling bespeurde, dat Henriëtte een zeer minzamen toon jegens mij aannam, als wilde zij haar koelheid van dien morgen weder goedmaken. Wat mij betrof, ik was door dezen aangenamen omkeer zoo verrast en gevoelde mij zoo innerlijk gelukkig, dat ik er stil van werd en mij zelfs kwalijk verdedigde tegen de plagerijen van Suzanna, die mij beschuldigde een druiloor te zijn, en een zeer slecht gezelschap voor jonge dames. Ik begon op het laatst zelf te gelooven, dat zij gelijk had, en dat ik een mal figuur maakte. Ik bedroog mij echter: en met een weinig meer ondervinding in liefdezaken zoude ik geweten hebben, dat een welopgevoed en weldenkend jong meisje zich meer gestreeld gevoelt, wanneer iemand, die haar zijn hof maakt, zich in haar tegenwoordigheid bedeesd en ingetogen betoont, dan wanneer hij zijne gewone luchthartige vroolijkheid bewaart. In het laatste geval toch kan zij wanen, dat hij slechts aan zichzelven denkt: in het eerste, dat haar tegenwoordigheid hem in ontzag houdt: en het kan niet missen, of deze gedachte moet streelend zijn voor haar eigenliefde.

Doch er was nog een reden, welke mij stil maakte en, zelfs in het bijzijn van de bevallige Henriëtte, stof gaf tot overdenkingen, die haar niet betroffen. Al pratende en wandelende waren wij tot aan het achterste gedeelte der hofatede geraakt. Wij volgden een smal en net opgeharkt laantje, dat rondliep om een vrij aanzienlijk stuk weiland, waarvan het door een doornenhaag was afgescheiden, terwijl aan de andere zijde een elzenschering en greppel de uiterste grenzen afteekenden, die het buitengoed scheidden van de onbebouwde heide. Tusschen de niet overal even dichte takken dier elzen kreeg men nu en dan den toren van Naarden en de omgelegen bosschen in ’t oog: en het gezicht van het een en ander bracht, gelijk zich begrijpen laat, herinneringen bij mij teweeg, nog te versch en te krachtig, om die zoo opeens te kunnen verbannen. Aan het einde van dit laantje bevond zich een bergje (gelijk men een kleine onevenheid van den grond noemde, door het aanbrengen van plaggen opgehoogd) en daarop een groote groen geschilderde zitbank, die in den vorm eener halve maan rondliep, en gelegenheid gaf, om onder het lommer van een fraaien treur-esch uit te rusten en een niet onbevallig landgezicht te beschouwen. Immers, wanneer men naar de buitenzijde zag, weidde het oog over de uitgestrekte heide, met paarse bloemen overdekt en waarboven die dunne wasem golfde, die zich altijd bij heeten zonneschijn vertoont. Kortbij was een gedeelte van den barren grond afgezand en terwijl het bovenste gedeelte van den daardoor ontstanen heuvel, op het tijdstip, toen wij daar ter plaatse kwamen, met eene kudde lammeren bedekt was, die aan het landschap eenige levendigheid bijzette, stuitten de heete zonnestralen op den benedenkant en deden het witte zand schitteren met een verblindenden glans. Wanneer men de vermoeide oogen van daar afwendde, kon men die binnenwaarts laten uitrusten op het hooge dennenbosch, dat aan den voet van het bergje begon en waar onderscheidene paden en watertjes op een schilderachtige wijze doorheen kronkelden, – of op de nog donkerder beuken, die, verder, hun zware en weelderige takken spreidden over een vrij breed water, hetwelk aan de eene zijde van het weiland liep. Heerlijk was de terugspiegeling van het loof in het heldere nat, waarvan de kalme oppervlakte niet verbroken werd dan door de kringen, welke nu en dan daarin gevormd werden door den koning onzer binnenwateren, den vratigen snoek, of door eenige schoone lakenveldsche koeien, die met een statigen tred het weiland verlieten om koelte en schaduw in den frisschen plas te zoeken; maar, eens daarin gekomen, zoo stil en onbeweeglijk bleven, alsof zij een bekwamen schilder stonden af te wachten, die hen met zijn kunstpenseel op het doek zoude vereeuwigen. Maar wat geen penseel zoude hebben kunnen teruggeven, was de verrassende uitwerking der zonnestralen, die, hier en daar zich een weg banende tusschen de breede takken door de oppervlakte des waters heen op den zandigen bodem afstuitende, al de kleuren van den regenboog in ontelbare mengelingen te voorschijn riepen.

Terwijl wij, op ons gemak neergezeten, ons in deze beschouwing verlustigden, en het verkwikkende genot van de vrjje natuur, gepaard met de aangename gewaarwording van uit te rusten na eene vrij verhittende wandeling, ons alle drie in een stille en weldadige stemming gebracht had, hoorden wij opeens in de nabijheid roepen en praten en herkenden weldra de stem van Tante Van Bempden, die zich beurtelings uitzette om hop! Hop! te roepen en dan weder een min schellen toon aansloeg en een onderhoud scheen voort te zetten met iemand, die haar vergezelde. Wij stonden op, ofschoon slechts langzaam, want ik geloof, dat geen van ons tevreden was van in zijn mijmeringen gestoord te worden: wij beantwoordden het hop! hop! met al de kracht onzer tongen en begaven ons intusschen naar het dennenbosch, waaruit het geluid scheen voort, te komen, en waar wij weldra Tante gewaarwerden, in gesprek met een kloeken landman, wien ik terstond herkende voor den man, dien ik in de Soester herberg ontmoet had en onder den naam van Baas Roggeveld heb ten tooneele gevoerd.

„Zoo! eindelijk gevonden?” zeide Tante, terwijl zij ons naderde, „gij laat mij ook mooi loopen. Kunt gij nog verder gaan?”

„Wel Tante-lief!” zeide Suzanna: „wie had ooit kunnen denken, dat UEd. ons zoudt komen opzoeken?

Er stonden zooveel menschen om u heen, dat ik mij overtuigd hield, al bleven wij een uur weg, u nog bezig te vinden.”

„Neen! dat hebben wij spoediger afgehandeld,” zeide Tante: „en dan, de meeste dier besognes zijn gaandeweg geschied. Daar is Baas Roggeveld, die had ook al lang afgedaan gehad, indien hij zoo stijf niet op zijn stuk stond, om mij zijn koeien eens zoo duur aan te willen smeren als het vorige jaar.”

„Mevrouw dolt er altijd mee,” zeide Roggeveld, grinnikende en het hoofd schuddende: „eens zoo duur! nou kaik! in dat geval! twaalfhonderd gulden de tien! ’t is twintig gulden meer per stuk dan in ’t leste jaer, dat ’s waer; maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, het binnen er ook biestjes naer. Die van verleden zeumer vielen een beetje mager; maar deuze mostje ereis voelen, in dat geval! zoo modderig als klink klare butter: ik wed, je heit ze in je hiele land zoo niet staen, wil ik er ereis zeggen.”

„Neen! dat geloof ik ook,” zeide Suzanna: „dat kan Tante niet tegenspreken.”

„Hoe heb ik het met u, Santje!” zeide Tante: „wat weet gij van koeien af?”

„Ik weet alleen dat de man letterlijk gelijk heeft,” zeide Suzanna: „want in uw heele land staan geen koeien: zij staan alle in ’t water.”

„Nou, kaik! in dat geval, wil ik ereis zeggen,” zeide Baas Roggeveld, recht in zijn schik met deze aardigheid: „daar het de Juffer Tante toch ereis beet ’ehad.”

„Of jou, Baas Roggeveld,” zeide Tante, „maar dat is hetzelfde; ik betaal toch niet meer dan verleden jaar. Gij weet, , ik ’ben een vaste klant van u: en ’t vee is anders van ’t jaar niet duur.”

„Dat is ’t net niet,” antwoordde de landman; „ofschoon het er dan naer is ook: jae kaik, als je ander slag van biesten hebben wou, die kon je krijgen te kust en te keur: en veur weinig geld ook; maer, in dat geval, wil ik ereis zeggen, ’t is maer omdat je op ’t soort bent ’esteld, van niet as lakenveldsche te willen hebben: en dan had je reis motten zien, hoe weinig er van te krijgen zijn. ’t Is niet, as of je ze veur een vasten merktprjjs kunt koopen: maar je mot ze zoo bij een occasie treffen: en wil je wel eleuven, dat ik er heel veur naer Alfen heb motten rijen, omdat ik hoorde dat er een boer weunde, die er een paer ’efokt had? Jao! vraeg het maer aan Meneer, die zal ook wel weten, dat het zoo gemakkelijk niet is, in dat geval.”

„Wat ik er van weet,” zeide ik, mij met mijn hoed in ’t aangezicht waaiende, opdat hij mij niet herkennen zou, „is, dat gij ze voor f 80 ’t stuk gekocht hebt van Peer de Groot en er dus een aardig sommetje aan verdient.”

„Wel haegels kaik ereis!” zeide Roggeveld, groote oogen opzettende: „nou in dat geval wil ik ereis zeggen....”

Maar hij zeide niets; doch bleef mij verbaasd staan aangapen.

„Hoe kunt gij dat weten, Neef?” vroeg Tante, insgelijks niet weinig verwonderd.

„Ja Tante! ik ben zoo wat half een toovenaar,” zeide ik, lachende, „maar laat hij het maar ontkennen, als hij durft.” En, niet verlangende mij aan een herkenning bloot te stellen, welke tot het weder ophalen van vroegere tooneelen aanleiding geven kon, draaide ik mij om en haalde voor Henriëtte, die, waarschijnlijk weinig belang stellende in dit gesprek, een eind vooruitgeloopen was en begeerig opzag naar eenige hoogwassende kamperfoelie, den tak naar beneden, dien zij niet bereiken kon.

Wij waren langzamerhand een uithoek der plaats genaderd, waar een open hek op een buitenweg bracht. Deze plek was bijzonder wild, en met een menigte heestergewassen begroeid, maar wat er den meesten roem aan gaf, waren twee eikeboomen van ongemeene grootte, die aan weerskanten eener vervallene schaapskooi stonden. De eene, door storm of onweder, van zijn kruin beroofd, scheen door zijn dikte te vergoeden, wat hij aan hoogte verloren had, en zijn zware armen waren met het dichtste loof bedekt; de andere droeg minder bladeren, en had een holte in den tronk; maar verhief zieh nog altijd statig naar boven. Tante Van Bempden had, niet oneigenaardig, dezen met den naam van Philemon, en genen met dien van Baucis gedoopt.

Op deze plek hield Tante stil en voegden wij ons bij haar. „Nu, zooals gezegd is, Baas Roggeveld!” zeide zij: „vijftien gulden meer dan in ’t voorleden jaar wil ik voor ’t stuk wel geven; maar ook niet meer.”

„’t Is warentig wat te krap,” antwoordde hij: „maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, ashet zoo mot, dan mot het. Maer dat ik er op verdienen zou, zoo as die jonge Heer daer zeit, dat heit ook al niet over; maer ’t is net krek of ik jou ken,” vervolgde hij, mij aanziende en zich den kop krabbende.

„Dat is mijn neef,” zeide Tante: „misschien hebt gij hem hier wel ontmoet voor een jaar of wat.”

„Dat kan wel ’ebeuren,” zeide Roggeveld, terwijl hij nogmaals den blik op mij sloeg en de uitdrukking van zijn gelaat bewees, dat hij niet volkomen met deze verklaring tevreden was: „maer zeg ereis Mevrouw!” vervolgde hj, alsof hem eensklaps iets te binnen schoot: „mag ik wel zoo vrij zijn, in dat geval, om je ietwes te vragen?”

„Wat is er van uw dienst?” vroeg Tante.

„Ik zou wel ereis vragen, in dat geval, wil ik zeggen, of de Czaar van Rusland weer in het land is.”

„Wel neen!” was het antwoord: „hoe komt gij daar aan?”

„Nou kaik! Hoe kunnen zij de menschen dan zoo foppen?” en hij gaf een verhaal van ’t voorgevallene te Soest, hetwelk ik achterlaat, daar het niemand vermaken zoude, dit tweemaal te hooren, doch waarin onze dames ongemeen veel behagen schepten.

„Men heeft u een kool gestoofd,” zeide Tante: „maar het schgnt met een goed oogmerk te zijn geschied.”

„Sal dat mag wel zoo!” zeide hij; „in dat geval. Maer is het waer, dat zij het huisje, waar Czaar Peter te Zaandam in ’ewoond heit, niet meer verhuren, maar laten het leeg staan?”

„Wel natuurlijk,” zeide Tante.

„Nou kaik! boe kan een mensch zoo teugens zen aigen zelvers wezen?” riep hij in verbazing uit: „geen geld te trekken van een huisje! Neen! as het zoo most wezen met de weuning, die ik hier op ’s Gravenland heb staen, die ik van mijne vrouws mortje geürven heb, weet je, of aigenlijk men vrouw dan, wil ik ereis zeggen, dan verkoft ik het gauw, in dat geval.”

„En gij zoudt gelijk hebben,” zeide Tante: „maar die menschen te Zaandam hebben ook gelijk; daar zij meer verdienen met het huisje te laten zien dan er huur van te trekken.”

„Wel kaik! ze kosten het iene doen en het aêre niet laten,” zeide Roggeveld: „maer ik wou toch wel ereis weten, in dat geval, wat er aan zoo’n huisje meer te zien is as an en aêr.”

„Maar à propos!” zeide Tante: „wie is die Monsieur Weerglas, aan wien gij uw huisje verhuurd hebt?”

„Wattie doet, weet ik niet, maer hij heit splint en betaelt op zen tijd. ’t Is nog een jong gezel en hij weet aerdig te praeten. hij gaet wat deftig ’ekleed ook Zundags.”

„Een jong gezel, die deftig gekleed gaat en geen handwerk uitoefent!” zeide Tante, het hoofd schuddende: „ik hoop maar, dat daar niets achter schuilt.”

„Ja! in dat geval, wil ik ereis zeggen,” zeide Roggeveld eenigszins onthutst: „as er ietwes after school, had ie gauw bij mij af’edaan: maar dat’s tot darentoe. Nou Mevrouw! zoo as ’ezeid is; morgenavond, kom ik, toch hier met de vrouw om de kermis te zien, in dat geval zal ik de koeien Maandagavond of Dinsdag-ochtend hier bezurgen.”

„In dat geval zal ik ze hier verwachten,” zeide Tante: en de landman wandelde na herhaalde groete het hek uit, terwijl wij den terugtocht aannamen, daar de bengel reeds voor den eten luidde. Wij spoedden ons naar huis, waar wij weldra aan den disch een paar heerlijke tarbotten zagen rooken. Na het middagmaal nam Tante mij ter zijde, om mij te onderhouden over de nieuwe betrekking, welke ik in het huis Van Bempden, Van Baalen & Co. ging vervullen. Daar dit gesprek echter van een geheel mercantiëelen aard was, zal ik er hier geen gewag van maken, zoomin als van hetgeen verder dien avond voorviel, en waarvan ik mij alleen herinner, dat ik smoorlijk verliefd naar bed ging.


[Hoofdstuk 14] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 16]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001