MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZESTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, WIEN FERDINAND IN DE KERK ZAG: EN WELKE GASTEN OP HEIZICHT KWAMEN ETEN.


Het ontbijt vond ons den volgenden morgen allen kant en klaar om ons naar de kerk te begeven. Hetzij, dat de dorpsklok verzet was, hetzij dat de koetsier te laat met het rijtuig voor was gekomen, de Predikant was reeds op stoel, toen wij het Godshuis binnentraden. Geheel vervuld door de troostrijke gedachte, dat ik, na zoolang uitlandig te zijn geweest, mij weder voor het eerst in een Vaderlandsche kerk bevond, hield ik mij alleen met den plechtigen eeredienst bezig, zonder, gelijk wellicht geschied zou zijn, indien ik vroegtijdig, bij het aangaan, of minder opgewekt ter kerke gekomen ware, mij met de aanwezigen te bemoeien. Toen echter de Predikant het eerste deel zijner rede ten einde had gebracht, en de gemeente van deze gelegenheid gebruik maakte om naar gewoonte te hoesten en zich te snuiten, liet ik even den blik over de vergadering weiden en werd ik in een der meer verwijderde mansbanken iemand gewaar, dien ik verre was te dezer plaats te verwachten, en dien ik tot mijn verbazing herkende voor het hoofd der drie struikroovers, die mij hadden aangerand: den zoo gevreesden Zwarten Piet, nog deftiger gekleed dan toen ik hem op den weg zag. Zijn oogen ontmoetten de mijne: waarschijnlijk had hij mij reeds vroeger opgemerkt: hij knikte mij, vriendelijk, doch bijna onmerkbaar, toe, lei den vinger op den mond, als wilde hij mij stilzwijgendheid aanbevelen, en zag toen weder aandachtig den leeraar aan.

Deze zonderlinge ontmoeting bracht, gelijk men denken kan, geen kleine ontroering bij mij te weeg, en ik raakte geheel uit de stemming, waarin ik mij bevond: zoodat ik in het eerst buiten staat was, eenige oplettendheid te schenken aan de woorden van den Predikant, die mij als edele klanken in de ooren gonsden, zonder dat mijn hart die gevoelde of mijn verstand die bevatte: ik kon niet nalaten het oog gedurig op den straatroover te werpen, die het zijne daarentegen onafgebroken op den Predikant bleef vestigen, als ware hij bevreesd geweest, dat hem een woord zou ontsnappen. In den beginne schreef ik zijn houding aan goddelooze huichelarij toe; maar weldra bleek mij, dat ik verkeerd oordeelde. Het zou dien avond, gelijk ik reeds met een woord heb doen verstaan, kermis zijn op ’s-Gravenland: en, als men weet, zijn de Predikanten bij die gelegenheid gewoon, zoodanige stoffen te kiezen, als welke zij geschikt achten om er gepaste vermaningen en waarschuwingen uit te putten tegen alle soort van losbandigheid, dronkenschap en ontucht, waartoe dergelijke volksfeesten niet dan te vaak aanleiding geven. Zoodanige kermispreeken, hoe nuttig en betamelijk ook, voor zooverre zij bestemd zijn om indruk te maken op de dorpelingen, ten wier behoeve zij worden opgesteld, boeien doorgaans minder de aandacht der meer aanzienlijke onder de toehoorders, die de kermis niet of slechts terloops bezoeken en zeker minder gevaar loopen van aldaar tot die zonden te vervallen, waartegen de stem des leeraars zoo ernstig waarschuwt: te meer, daar de Predikanten bij zoodanige gelegenheden nog wel eens gewoon zijn een oud paard van stal te halen.

Dit was echter thans het geval niet: de leeraar was eerst sedert kort beroepen, en men had dus de zekerheid van, zoo niet iets voortreffelijks, althans iets nieuws te hooren. Doch bovendien was ik reeds bij den aanhef aangenaam verrast geweest door den ernst en de sierlijkheid zijner voordracht, en door de verstandige wijze, waarop hij zijn onderwerp behandelde. Het leerstellige en uitlegkundige slechts even aanroerende, legde hij er zich voornamelijk op toe, om indruk te verwekken en zijn toehoorders door treffende voorbeelden, door ontzettende schilderingen en door krachtige toespraken te schokken, overtuigd, dat zoo de leer, welke bij gewone gelegenheden wordt gepredikt, meer duurzaam werken moest, die, welke hij thans verkondigde, meer dadelijk uitwerkselen moest teweegbrengen.

Het was dan, toen in het tweede deel zijner rede de Predikant een treffend tafereel ophing van de vreeselijke gevolgen, welke, zoo in dit leven als hiernamaals, de zonde met zich sleept, dat ik de duidelijkste bewijzen zag, hoe de aandacht van den struikroover geen veinzerij was. Zijn oogen begonnen in tranen te zwemmen, zijn boezem hijgde, en hij scheen zoodanig door zijn aandoeningen overstelpt, dat hij eindelijk het gelaat op den voor hem liggenden bijbel voorover boog en het, hoorbaar snikkende, met beide handen bedekte. O! dacht ik bij mijzelven, indien eens het goede zaad bij dezen man in vruchtbaren akker gevallen ware, en hij zich bekeeren mocht van den slechten weg, dien hij is ingeslagen! Welk een zegepraal zou dit voor den vromen leeraar zijn, en hoe zou hij juichen over het afgedoolde schaap, dat hij door Gods bijstand tot den eenigen Herder had teruggebracht! – en bij het nagebed zond ik ook het mijne op voor den armen boeteling. – Intusschen was ik niet weinig verwonderd, toen ik in het uitgaan opmerkte, dat onderscheidene notabelen van bet dorp, waaronder de timmerman en de schilder, den man heuschelijk groetteden, en zelfs deze en gene hem een woord in ’t voorbijgaan toesprak.

Te huis gekeerd, vereenigden wij ons in de zijkamer, om aldaar de gasten af te wachten, die Tante ten eten genoodigd had, bestaande, behalve uit de beide Heeren Blaek, uit mijn nieuwen compagnon, den Heer Van Baalen, en uit zekeren Kapitein Pulver, die voor de firma voer. Niet lang duurde het, of de koets van den Heer Van Baalen kwam het hek binnenrijden. Ik had dezen Heer vroeger meermalen ontmoet; maar hem nooit met die belangstelling gadegeslagen, welke hij thans bij mij moest opwekken, nu het bepaald was, dat ik met hem in een nauwe betrekking zou komen en dagelijkschen omgang hebben. Ik was evenals de zoodanige, die, een verre zeereis zullende ondernemen, den persoon, die hem toevallig aan de haven voorbijgaat, slechts met een onverschilligen blik beschouwt, maar weldra hem met de grootste opmerkzaamheid gadeslaat, nu hij verneemt, dat de onbekende zijn reisgenoot zal wezen: en alsdan uit zijn houding, woorden en gebaren tracht op te maken, of hij in hem een aangenamen, dan wel een lastigen makker zal aantreffen.

Op dezelfde wijze keek ik den Heer Van Baalen aan, toen ik hem, met de dienstvaardigheid, welke ik hem uithoofde zijner meerdere jaren en onzer aanstaande betrekking verschuldigd was, uit het rijtuig hielp. Ik kan niet zeggen, dat de eerste indruk, dien hij op mij maakte, zeer gunstig voor hem uitviel. Wel wist ik uit oude herinnering, dat hij een man was van meer dan gewone lengte, mager en droog en van geen innemend voorkomen; maar het scheen mij toe, als ware hij nog in lengte toegenomen en in vleesch verminderd; zijn bleeke, dorre tronie had een nog onvriendelijker uitdrukking dan voorheen: ja, toen hij, uit de koets. gestapt, voor mij stond, deed hij mij volkomen aan een gekleed kadaver denken. Hij beantwoordde ternauwernood mijn eerbiedigen welkomstgroet en buiging, keek mij aan, alsof hij zich bij geene mogelijkheid konde voorstellen, wie ik toch wezen mocht, wendde zich vervolgens tot den koetsier, en riep dezen toe:

„Reinier! gij zorgt dat gij precies te zeven uren weer voor zijt: precies te zeven uren: en gij ziet het rijtuig goed na; want ik vrees dat het heel wat te lijden heeft gehad: en gij brengt het bijdehandsche paard naar den smid en laat het opnieuw beslaan.”

Op de beide eerste bevelen had de koetaier eenvoudig: „jawel Mijnheer!” geantwoord; tegen het laatste vermeende hij evenwel te moeten opkomen.

„Mijnheer!” zeide hij: „het beest is gisteren pas beslagen.”

„Ik herhaal u, gij brengt het naar den smid,” zeide Van Baalen, „’t is of ik altijd bedienden aantref, die mij tegenspreken: ik heb duidelijk gehoord, dat een van die ijzers los zit: en gij komt precies te zeven voor,” enz. Hier herhaalde hij zijne bevelen in dezelfde orde.

„De man is punctueel,” dacht ik: „en het schijnt moeilijk hem tevreden te stellen: in allen gevalle zal het mijne schuld zijn, indien ik zijn begeerte niet begrijp.”

Intusschen was Kapitein Pulver, die door zijn patroon was medegenomen, de koets uitgesprongen ongeveer als een bom, die uit den ketel vliegt. Zoo de Heer Van Baalen een contrast had willen uitzoeken om met hem te reizen, had hij er geen beter kunnen aantreffen. Kapitein Pulver was een kort, dik, rond ventje, zoo zwaarlijvig, dat men zich op een afstand van hem plaatsen moest om zijn beenen te zien: en boven het ronde lichaam was een klein, rond hoofdje geplaatst, evenals een knop op een Delftschen trekpot.

Beide gasten begaven zich onder mijn geleide naar de zijkamer, waar Tante hen verwelkomde. De Heer Van Baalen maakte bij het inkomen een buiging in het rond; doch zonder iemand bepaaldelijk aan te zien of toe te spreken, en schijnbaar geheel andere zaken in ’t hoofd hebbende. Vervolgens haalde hij zijn horloge uit, vergeleek het met het uurwerk, dat in het vertrek stond, en schudde wrevelig het hoofd.

„’t Is fataal!” zeide hij: „ik had gedacht, zoo goed op mijn tijd gepast te hebben: en nu is het reeds kwartier over twaalven. Maar mijn horloge zal wel weer mis zijn. ’t Is of mij dit altijd gebeuren moet.”

„Ik weet dat UEd. een man van de klok is,” zeide Tante. „Zoo uw horloge en onze klok verschillen, zal het wel aan de laatste haperen.”

„Of aan de wegen, die mij belet hebben, genoegzaam spoed te maken. ’t Is of ik altijd....”

„Hoe gaat het, Kapitein Pulver?” vroeg Tante, zonder verder naar de Jobsklachten van Van Baalen te luisteren, aan den goeden Schipper, die achter zijn patroon buigingen stond te maken en zich met een bonten zakdoek het zweet af te drogen, dat hem tappelings langs het voorhoofd liep.

„Ik hoop dat ik geen belet doe, (zooals het mes tegen den oester zei),” zeide Pulver, zijn buigingen herhalende: „maar UEd. had mij zoo vriendelijk laten noodigen, dat....”

”In ’t geheel niet; gij zijt mij altijd welkom,” zeide Tante, en zich wederom tot Van Baalen wendende en mij aan hem voorstellende: „ziehier mijn neef Ferdinand,” vervolgde zij.

„Zoo!”’ zeide de Heer Van Baalen, mij met een doffen en verstrooiden blik aanziende: „het zal mij aangenaam zijn, kennis te maken. Mag ik vragen, of UEd. reeds iets aan de negotie gedaan heeft?”

„Wel Mijnheer Van Baalen! dat is een vraag!” zeide Tante: „Hoe zegt Rodrigue ook, Nichtje?”

„UEd, wilt Ferdinand toch niet grootsch maken,” zeide Suzanna: „door van hem te zeggen:

Ses pareils à deux fois ne se font pas connoitre
Et pour des coups d’ essai veulent des coups de maitre.”

„Is UEd. dan vergeten, hoe wij de voordeelige schikking onzer zaak met het huis Bertini te Livorno aan hem te danken hebben?” hernam Tante.

„’t Is waar!” zeide Van Baalen, als uit een droom ontwakende. „Dat was een meesterstuk! Een zaak die mooi ingewikkeld was ook, en dat nog wel in een vreemd land. Gij hebt er u goed uit gered, Mjnheer Huyck! – Maar daar kwam eigenlijk meer rechtsgeleerdheid dan handelskennis bij te pas.”

„Ik twijfel niet,” zeide ik, wenschende zooveel mogelijk de goede gunst van den man te verwerven, „of, niettegenstaande mijn mercantiëele kennis gering is, mijn goede wil en de voorlichting van den Heer Van Baalen zullen mij wel in staat stellen om geen geheel onwaardig figuur aan zijn zijde te maken.”

”Wel gezegd!” zeide hij: „de practijk moet het hem doen: ofschoon, het is thans ook al de goede tijd niet meer: de zaken zijn slap en de verdiensten verminderen bij den dag: althans het is of het mij altijd moet tegenloopen. Wanneer ik eens een speculatie doe, die anderen tonnen gouds in den zak jaagt, moet ik mij met eenige percenten vergenoegen.”

„Gij kooplieden zijt evenals de boeren,” zeide Tante: „altijd klagen, al gaat het nog zoo voor den wind. Zal de balans van dit jaar een zooveel minder voordeelig saldo opleveren dan die van het vorige?”

„Daar valt nog niets van te zeggen,” zeide Van Baalen: „maar,” vervolgde hij met een zucht: „het saldo zou eens zooveel moeten bedragen, wanneer wij den tegenwoordigen koers van het geld in aanmerking nemen, en nagaan, hoe anderen profiteeren. – En dan die fatale oorlog tusschen Rusland en Zweden!”

„Ik dacht in mijn onnoozelheid,” zeide Suzanna, „dat het best visschen was in troebel water.” Wij waren intusschen gaan zitten: eenige ververschingen werden toegediend en aan Pulver werd een pijp aangeboden; ofschoon het anders de gewoonte niet was, dat er bij Tante aan huis gerookt werd. Maar zij was, en terecht, van oordeel, dat men aan gasten van een minderen rang nog meerdere oplettendheden moet bewijzen dan aan hen, die met ons gelijkstaan, en alles aanwenden, om hen op hun gemak te stellen: daar zij anders zich lichtelijk verbeelden, dat men hen uit de hoogte behandelt of hun niet geeft wat hun toekomt.

„De weg van Diemerbrug naar Weesp wordt bij uitstek slecht onderhouden,” zeide Van Baalen: „of liever in ’t geheel niet. Ik heb somwijlen gedacht, dat ik er niet levend af zoude komen: en ik ben overtuigd, dat mijn rijtuig er van gelust heeft.”

„Er bestaat een twist tusschen de Ingelanden en het Zandpad,” zeide Tante, „wie van beiden den weg herstellen moet.”

„Et le peuple pâtit de leurs tristes débats,”

zeide Suzanna. „O Mevrouw!” zeide Pulver, die nu zijn pijp had aangestoken: „indien de Patroon een reisje op Java gedaan had, of slechts door Zweden, dan zou hij voorwaar zoo niet klagen. Ik beriqner mij Schonen, Smaland, Ostrogotland en Sudermanland te zijn doorgereisd, zonder dag of nacht op te houden, schrijlings zittende op een plank op wielen, ’t geen men daar nog wel gelieft een kariool te noemen, en tot voerman een meisje van vijftien jaren, over dik en dun.”

„Dan moet hij veel hebben gehad van een biertori, die vervoerd wordt,” fluisterde Suzanna mij in.

„Ja!” vervolgde Pulver, terwijl hij een wolkdamp wegblies, „dat was een benauwde reis, die mij al mijn leven heugen zal: van Rostok af tot aan Stokholm toe niets als ellende met zuur bier, tweemalen storm, eens door een Russisch fregat nagezeten, dat ons voor Zweden aanzag: en dan die wandeling op een plank?”

„Ja!” zeide Van Baalen met een zucht: „gij hebt altijd tegenspoeden gehad, zoo dikwijls gij voor ons gereisd hebt. En als ik niet wist dat het uwe schuld niet is, en dat gij een knappe kerel zijt.... hm! hm!”

„Wel Mijnheer!” zeide Pulver: „UEd. doet mij blozen (als de kreeft zei tegen de braadpan), maar, wat ik zeggen wou, dat alles kwam toch niets bij hetgeen ik uitgestaan heb toen ik voor de West-Indische Compagnie voer. Heb ik dat wel eens aan Mevrouw verteld? ik geloof al.”

„Welzeker,” antwoordde Tante: „maar daar is Neef en de jonge Juffers, die zouden het misschien wel eens willen hooren.”

„O ja! als ’t u belieft, Kapitein?” riepen Henriëtte en Suzanna, als uit éénen mond: en ik betuigde insgelijks, dat ik zeer verlangende was naar het verhaal.

„Nu ja!” zeide Tante: „straks op de wandeling: dan kunnen de Heer Van Baalen en ik onze zaken terwijl eens bepraten.”

Er was hier niets tegen in te brengen: en zoodra onze lichamen behoorlijk versterkt waren en Kapitein Pulver, door zijn kopje om te keeren, getoond had, dat hij genoeg koffie gebruikt had, verlieten wij gezamenlijk het huis: Tante nam Van Baalen onder den arm en was spoedig met hem in een druk onderhoud gewikkeld; en wij jonge lieden drongen ons om Pulver heen, ten einde hem aan zijn belofte te herinneren. Dit was echter niet noodig; want de man brandde reeds van verlangen om zijn verhaal te plaatsen.

„Komaan! (zooals de man tegen de nauwe laars zei”) zeide Pulver: „dan zullen wij met de vertelling maar van wal steken: ’t is nog al een aardigheid voor jongelui die nooit den neus buitengaats gestoken hebben, zoo ereis te vernemen, hoe het op het groote vaarwater toegaat, en dat het niet altijd meeloopt; maar dat zullen wij weldra hooren, zei doove Tijs. Je moet dan weten, dat het zoo omme ende bij een goeje vijf jaar geleden is, dat ik voor de Compagnie voer op het Brikschip: „de Prins te Paard”, naar Curaçao bestemd. Wij hadden altijd voor-de-wind en geen rakje in ’t zeil gehad, totdat wij zoo naar mijn beste geheugenis op vijftien graden N. B. waren gekomen. Het woei een bramzeilskoelte, genoeg om het schip aan den gang te houden; meer niet: ik was naar kooi gegaan: en pas had ik naar de gis een uur geslapen, en droomde, dat moeder Pulver, die ik te huis gelaten had in de blije verwachting, met al onze zeven kinderen voor me stond, en dat mijn kleine Maarten, die nu ook al het zeegat uit is, een rateltje in de hand hield en een vervaarlijk leven maakte, zoodat ik hem een labberdoedas om zijn ooren gaf, en verzocht of hij op wou houen, toen ik een stem boven mijn hoofd hoor: „omlaag hou! Schipper! omlaag hou!”

„Wat ia er?” vroeg ik, met een schrik opspringende: „wie roept daar?” En het was of ik nog altijd dat rateltje boven mijn hoofd hoorde.

„’t Is Sander,” zei hij.

„Wat nieuws?” vroeg ik weer.

„Hoor je ’t niet?” vroeg hij: „zwaar weer ophanden.”

Ik sprong de kooi uit: en nu merkte ik, dat hetgeen ik voor het rateltje van Maarten hield, het kletteren van den regen op het dek was: klik klakkerdeklak! ging het, puur of zij met zakken vol orreten over de planken strooiden.

„Heb je ooit meer zoo’n regen gehoord?” vroeg Sander. Sander was mijn tweede stuurman, een jongen als een vlag, daar ik Op rekenen kon als op mijn zelvers, die zijn werk goed verstond; maar ik was toch eerst wat knorrig, omdat hij mijn in mijn rust stoorde.

„Wel,” zei ik zoo: „al regende het handspaken en oude wijven! ben je nou bang voor een beetje regen, man?” maar ik schoot mijn duffel toch aan, zette mijn zuidwester op en kwam boven.

„Wel wat zeg je van dat weertje, Schipper?” vroeg Sander.

Ik keek ereis rond: „wat zal ik zeggen?” zei ik zoo: „’t is mooi donker en ik hou niet van zoo’n hooge zee zonder dat men wind voelt.”

„De zee is den ganschen nacht al hooger geworden,” zei Sander: „en het zwerk hangt laag.”

Ik keek op mijn klok: het was al vijf uren, en ofschoon de zon al haast moest opkomen, er was nog geen witte streek in het oosten te zien. De regen bleef ondertusschen met geweld vallen, en de lucht was zwart als een inktflesch; maar wat vreemd was, op het water was het helder als de dag.

„Schip in lij!” riep de Uitkijk, terwijl ik met den stuurman en Sander bij het roer stond.

Ik haalde mijn kat-oog voor den dag, en jawel: daar zag ik duideljk een galjoen, kennelijk van Spaansch makelei: ik kon masten en tuigage klaar onderscheiden. Maar lang keek ik er niet naar; want ik was niet op mijn gemak met het weer. De regen had opgehouden; maar de wolken zonken al lager en lager en begonnen te wervelen en te draaien, als zwarte rook die naar beneden slaat: en zoover als men zien kon, waren in het zuidoosten de golven met wit schuim bedekt, en wij hoorden een dof gerommel onder het water alsof er een aardbeving op volgen moest. „Is dat donder?” vroeg Sander: „’k wou dat het waar was,” zei ik. Ondertusschen was in de verte de dichte regen loodrecht blijven vallen; maar na een kwartier ongeveer begon de wind er van onderen tusschen te spelen en de stralen van den regen zwaaiden en weer, eerst laag, vervolgens hooger op, naarmate de wind klom, tot eindelijk de gansche watermassa een schuinsche richting kreeg, ik reken zoo van een hoek van dertig graden met den horizon. Ik had onderwijl alle zeilen laten bergen; want ik mistrouwde het weer, zooals ik zeide: en ik had geen ongelijk, als gij hooren zult. De regen viel gedurende eenige minuten dicht als een gordijn naar beneden: toen hij opeens zich verspreidde alsof hij weggeblazen werd en in rook verdween. Recht op ons af echter kroop een witte streep over het water als stof op den grooten weg, wanneer het lang droog ia geweest. Wij hoorden het doffe geluid al sterker en sterker, en mijn schip begon te kraken en te zuchten, of het zijn lot voorzag. Bof! daar kwam de orkaan: een golf als een berg sloeg over het dek en het was mij, of ik met honderd dozijn natte handdoeken in mijn facie geslagen werd: en eer ik nog: „berg je!” roepen kon, daar kwam er een tweede, die mij oplichtte alsof ik een stuk kurk ware geweest, zoodat ik, met al wat er op het dek was, goedschiks kwaadschiks overboord werd gespoeld; en plof! daar dook ik kopje onder, eer ik den tijd had om een schietgebedje aan onzen Lieven Heer te prevelen. Toen ik weer boven kwam, zag ik mijn schip reeds op een goeien afstand: en met recht droeg het zijn naam van „de Prins te Paard”; want het huppelde en hobbelde over de golven als een ruin, die den kolder in den kop heeft, en ik zag wel in, dat ze met dat booze weer geen sloep konden uitzetten om mij op te zoeken. – Pulvertje maat! dacht ik bij mijzelven: ’t is met je gedaan: bid een Onze Vader en daarmee uit. Maar krek als ik zoo dacht, en op het punt stond van weer te zinken, daar voel ik mij op een stevige manier in mijn wammes pakken en achteruit sjorren. Dat’s een haai! meende ik zoo, die mij voor zijn ontbijt wil nemen, en ik dorst niet omkijken van schrik, maar jawel! „Hier ouwe!” hoorde ik achter mij zeggen: en wie was het? niemand anders dan Sandertje, die, juist als ik, overboord gedwaald was. Maar hij was gelukkig net te land gekomen....”

„O! meent, te water gekomen,” viel Suzanna in. „Juist, als de Juffer recht,. aanmerkt: net te water gekomen naast het groote varkenshok, dat ook overboord gegaan was, en hij had het handig beetgepakt. Ik moet zeggen, door een bijzondere bestiering Gods, was hij naar mij toegedreven en wel zoo dicht dat hij mij grijpen kon, zoodat ik nu ook kon aanklampen. Daar zaten wij nu op onze kist, als twee kikkers op een kluitje, en dreven al verder van ons vaartuig af; maar ik zei: „Sandertje! hou maar goeien moed: Onze Lieve Heer heeft ons tot dusverre bewaard; Hij zal ons nog wel verder bewaren.”

„De droes ouwe!” zeide Sander, een beetje later: „je kijkt al uit naar „den Prins te Paard”, alsof die naar ons toe kan komen rijen; maar draai liever je hoofd ereis om: daar is de Spanjool, die is dichter in de buurt.” Ik keek naar den kant uit, waar Sander heen wees; en hij had gelijk ook; daar danste onze logge Don als een bruinvisch op en neer. „Ja!” zei ik: „hij zal mij welkom zijn (zooals de spinnekop van de vlieg zei); maar ’t is duizend tegen een, dat hij ons te zien krijgt.” Ondertusschen, het ergste van de bui was over: en het begon al mooi licht te worden, zoodat het niet lang duurde, of ik kon de manschap van het vreemde schip onderscheiden: en, wat nog grooter geluk was, wij naderden het al meer en meer. Zij zouden ons echter nog nietbespeurd hebben; maar daar voel ik, dat er iets op mijn borst drukte: ik tast er naar, en ik merk, dat ik mijn roeper, dien ik aan boord nog gebruikt had, en dien ik tusschen mijn duffel en mijn ondergoed had ingestoken, bij geluk behouden had. Heb ik jou daar! dacht ik, en meteen zette ik hem aan mijn mond en schreeuwde alsof er vijf en twintig speenvarkens gekeeld werden, totdat ik geen asem meer in mijn longen had. Toen was de beurt aan Sander: en toen weer aan mij, totdat zij eindelijk aan boord van den Spanjool opmerkzaam werden en den kijker op ons richtten. Zij zagen ons: – het weer was bedaard: er werd een sloep uitgezet, en om kort te gaan, het leed geen half uur of wij stonden op het dek van het galjoen. Ik keek terstond uit, of ik „den Prins te Paard” ook zag; maar die was schoot gegaan, en ik moest alle gedachten opgeven, om hem vooreerst terug te zien, daar de Spanjool een verschillenden koers hield. Het galjoen kwam van Cadix en was voor Carthagena bestemd, waar het, geloof ik, geld moest brengen. Het was nog al wel gebouwd, voerde twaalf stukken en was redelijk bemand ook. Daar voer ik nu met den Don op genade mede en kon mee poot aan spelen voor de sobere victualie, en in plaats van zelf te commandeeren was het siveplei en besolosmanos, zonder andere belooning dan vrij licht bij dag en een schoteltje linzen nu en dan, daar Esau geen halve penning, laat staan zijn eerstgeboorterecht, voor zou gegeven hebben; maar dat was het minste, en ik was blij, dat ik er met fatsoen van afkwam (zooals de edelman zei, toen hij tot den strop veroordeeld was en de gratie verkreeg van onthoofd te worden). Wat mij het meeste hinderde, was, dat ik nu zoo uit mijn koers werd gestuurd, en al bij mijn eigen prakkezeerde; hoe ik van Carthagena weer terug zou komen; want gij voelt, naar Carthagena moest ik mee: ’t is op zoo’n vaart niet als met de trekschuit, waar men de lieden onderweg uit kan zetten.”

„Gij hadt echter,” zeide ik, „een vaartuig kunnen ontmoeten, hetwelk u overnam en nader tot de plek uwer bestemming bracht?”

„Jawel degeljk ontmoetten wij een vaartuig,” antwoordde Pulver: „en dat was juist ons ongeluk. Gij moet dan weten, dat zoo ongeveer op 12 graden N. B., zes dagen nadat wij bij den Don aan boord waren, wij een groot vaartuig boven den wind in ’t vizier kregen, dat met alle zeilen bijgezet op ons afkwam. Het was een korvet, en zooverre wij konden. oordeelen, sterk en stevig gebouwd, en met een manschap, die haar ambacht goed verstond, aan boord; want het voerde een takelage en ging door het water dat het een lust was om te zien. Maar hoe mooi wij het vonden, wij hadden toch niet veel zin in het voorkomen van onzen maat; want hij voerde geen kleuren en had zoo iets over zich, alsof hij zeggen wou: „wat doe jelui in mijn vaarwater?” Nu, de Don dacht er ook zoo over: want hij schudde het hoofd en liet van zijn kant alle zeilen bijzetten om uit het gezicht, van onzen vriend te geraken. Maar deze scheen alzoo gesteld op ons gezelschap als een boer op een doedelzak, en hij bleef zoo netjes achter ons voortzeilen als een rijknecht achter zijn heer. De Don keek mooi zuinig; hij zag wel, dat hij van die beleefdheid niet verschoond zou blijven en hij keek zijn equipage eens rond, om te weten of hij staat op hen zou kunnen maken, indien de vreemdeling eens kwade voornemens had. Toen riep hij mij bij hem, want ik slenterde ook al wat heen en weer over boord, en hij vroeg mij, wat ik wel van dat andere schip dacht? –„Wat zal ik zeggen,” zei ik in zoo goed Spaansch als ik spreken kon: „ik hou niet van die nieuwsgierigen (zooals de bakker zei, toen de broodwegers bij hem aan huis kwamen): ik geloof, dat die korvet daar meer lust heeft om kennis te maken met ons dan wij met haar.” – „Zoo denk ik er ook over,” zei hij, „en ik wou dat hij zijn eigen weg ging. Maar in allen gevalle zal hij toch aan mijn dubloenen niet komen, zonder er om te bakkeleien,” zei Don Ricardo, terwijl hij zijn knevels opzette. „Kan je een stuk bedienen?” vroeg hg. „Dat zou ik hopen,” zei ik, „en een handspaak zwaaien ook.” – „Best!” zei hij: „dan zal ik ereis kijken, of je de kost verdient, dien ik je geef.” En met liet hij al het volk op het dek komen en klarigheid maken om te vechten. De stukken werden geladen, de musketten opgebracht, handspaken uitgehaald, De kogels bij de mortieren geplaatst en ieder met kortjan in zijn gordel voorzien. Maar terwijl wij nog bezig waren, daar zagen wij op het vreemde schip een vlammetje voor den dag komen, en br.... r! daar vloog ons een kogel door het want en viel de heele bramsteng over het dek. „Dat ’s een onbeleefde vent!” zei ik zoo: „maar hij weet goed te mikken.”

,Wij kunnen hem, toch niet ontzeilen,” zeide Don Ricardo: „maar wij zullen hem toonen, dat wij ook wat durven.” – Met gaf hij last om zeil te minderen, en dat iedereen zich klaar zou houden. Ondertusschen kwam de korvet statig aanzeilen en was weldra zoo dicht bij, dat wij de manschap op het dek konden zien – en onvriendelijk genoeg zagen zij er uit; want het waren al handspaken en korte pieken en enterbijlen die men blinken zag. „’t Is een vrijbuiter!” zei ik zoo tegen Don Ricardo, terwijl ik met de lont in de hand stond. Hij knikte van ja, en wees meteen op een rooden lap, die op het roofschip in top werd gehaald. Toen liet hijzelf de koningsvlag van Spanje waaien, en dadelijk bij den wind stekende, vertoonde ons vaartuig de bakboordzij aan den roover. „Vuur!” zeide toen Ricardo: en: pan! pan! daar gingen zes schoten achter elkander af, den vrijbuiter vlak in den boeg, dat de witte splinters uit het zwarte gangboord vlogen. Maar op hetzelfde oogenblik loefde het roofschip mee en gaf ons de volle laag. Krak! Krak! daar lag onze fokkemast met want en tuigage en al in zee. Maar door de plotselinge beweging van het schip, dat niet zoo gauw stoppen kon, waren wij uit elkander geraakt en wij hadden misschien, daar het nogal hard woei, gelegenheid gehad om te ontsnappen, indien het tijdig genoeg ons gelukt ware een noodmast op te krijgen; maar eer wij daarmee klaar waren, liep de roover ons achterom en herhaalde zijn beleefden groet van daar even, dat de boeilijn over de nok kwam en niemand zich kon herkennen; terwijl hij nu zijn zeil geborgen had en de enterhaken bij ons aan boord smeet. Daar zaten wij nu aan elkander vast en in een oogenblik kwamen er uit den rook en damp wel vijftig lieve jongens op ons dek te voorschijn, ook met een ander voornemen als om een pijp met ons te rooken. Nu schaarden wij ons om den Don, en ik moet zeggen, de Spanjolen hielden zich als wakkere kerels en lieten de onbeleefdheid niet onbeantwoord: en Sandertje en ik, wij toonden ook, dat wij meer konden doen dan linzen eten, en wij sloegen er op, dat het een aard had. Maar daar sprong in eens de Kapitein van de roovers op ons af: en een kerel, die er meer uitzag om bang voor te worden, heb ik nooit ontmoet.”

„Ja!” zeide Henriëtte: „ik geloof, dat die Heeren er zelden vriendelijk uitzien.” En dan voegde Suzanna er bij, „als men recht benauwd is voor nommer één, dan lijkt alles nog leelijker.

,Leelijk was hij juist niet, Juffertje!” hervatte Pulver: „’t was een groote, schoone vent met een houding als een Admiraal en oogen als glimmende kolen.” Caracho!” zeide hij, dat, geloof ik, in ’t Spaansch zooveel wil zeggen als: „geef u over!” – Nu! hij had niet veel welsprekendheid noodig om het ons te beduien; want de grootste helft van onze Senhores lag al met Don Ricardo op het dek naar de wolken te kijken: en de andere helft was zoo toegetakeld en zoo in de war, dat zij de maan niet van een Edammerkaas zouden hebben kunnen onderscheiden.”

„En waart gij zelf onbeschadigd?” vroeg ik.

„Er was een kogel door mijn hoed gekomen,” antwoordde Pulver, „die mij zoo netjes had doen groeten alsof er een Schout-bij-Nacht monstering kwam houen; maar anders, wonden had ik niet.”

„Wel, dat noem ik zonderling,” zeide Suzanna, het dikke lichaam van den schipper glimlachende aanziende.

„Je wilt zeggen, Juffertje! mijn buik was nogal een mooi wit geweest om op te mikken? Maar zoo gaat het: er lag een Senhor naast mij, die drie kogels gekregen had en toch maar een vent was niet veel dikker dan mijn linkerarm. Maar ieder kogel heeft zijn’ opschrift, weet je? Nu, om weer op ons verhaal te komen (zooals mijn eerste stuurinan placht te zeggen als hij ’s ochtends zijn oorlam nam), de rooverkapitein was op het dek gesprongen en zwaaide een blanke sabel in zijn vuist, die niet van stroo was. Ik dacht bij mijzelven: Pulvertje, mijn man, daar is je leste uur geslagen: te meer toen ik zoo rondkeek en zag, dat ik op degenen, die nog leefden al zooveel kon rekenen als op een gekauwden kabel. Wat zou ik doen? Ik lei mijn handspaak neer, en wachtte af, wat het geven zou. Maar daar was Sandertje, die had maar in ’t geheel geen trek om zich over te geven, en net zooals een van die ongenoode gasten hem bij de lurven wou pakken, daar sprong hij, als een ondernemende durf-al die hij was, recht op den rooverkapitein aan en hieuw naar hem als een dolleman! „Hier weerlichtskind!” zeide hij: „hou daar, beroerde bl.....”

„Nu ja!” zeide ik: „wij behoeven die uitdrukkingen zoo nauwkeurig niet te vernemen.” „Integendeel, Sinjeur!” zeide Pulver! „want zonder die uitdrukkingen zou het met Sander en mij er slecht hebben uitgezien, gelijk je op zijn tijd zult hooren (zooals de dief, die zijn vonnis beethad, tegen zijn maat zei, die het nog krijgen moest). Sander sloeg dan in ’t wilde op den roover; maar daar waren er aanstonds vijf of zes van die lieve jongens bij, die hem in zijn baaitje namen en hem op het dek haalden: en juist was er een, die zijn bijl oplichtte om hem met de complimenten naar zijn grootje te sturen, toen de rooverkapitein in ’t Spaansch gelastte, dat zij hem sparen zouden: en ik, die ook begreep, dat de jongen beter deed, zich stil te houden, ik riep uit al mijn macht: „Sandertje, mijn vriend! Ben je mal? Wat wil je toch uitvoeren?” En zoo meteen als ik dat zei, keek de Kapitein mij aan en, naar mij dacht, iets vriendelijker dan de overigen: en toen fluisterde hij iets in de ooren aan een kameraad van hem. Sandertje en ik werden aan mekaar gebonden, en zoo werden wij, namelijk allen die nog leefden, op het roofschip overgebracht en tusschendeks gesmeten.”

„Dat was zeker al heel vriendelijk,” merkte Suzanna aan. „Zooals je zult komen te hooren,” vervolgde Pulver: „wij gingen onder zeil en het duurde zoo wat ongeveer vier of vijf etmalen dat wij in dat Satansche hok bleven opgesloten zoader zon of maan te zien: alhoewel, dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op het Spaansche schip. Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen. Ik keek ereis rond om de hoogte te nemen; maar Joost haal me zoo ik de plaats herkende, waar wij ons bevonden: en dat was nogal natuurlijk, daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in een zeestraat; althans voor zooverre ik in dien korten tijd. heb kunnen bespeuren: het was zout water, en zoo helder, dat men het zand van den bodem en al de visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en links een muur van rotsen, die naar mijn gissing wel vijfhonderd voet uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij waren den dag te voren van elkander gespleten: overal groeiden er boomen en struiken op, waar maar een beetje aarde en een scheur in de rots was om zich op vast te hechten: terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bijwijze van een berceau, zoo als men dat op zijn Fransch heet, geloof ik; en dan had men er vogels in van alle soort, duiven en spechten en eenden, en nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels, en zwarte kraanvogels, en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te kijken, met een verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel. Maar ik had niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden in de jol neergelaten en een eindweegs van het schip gevoerd, tot wij ons op een stee bevonden, waar het water een inham in de rotsen maakte. Hier was een landingsplaats en een natuurlijke trap in de rots, die wij op moesten: het was er bijwijlen mooi donker: want het hing er zoo dicht van takken en struiken, dat de zon geen gelegenheid had om er door te schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend als ik ze mijn leven niet gezien heb. – Nu! toen wij boven op de hoogte waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af, en kwamen zoodoende in een vallei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers was: en een goede schuilplaats was het, want wie den ingang tot de zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er jaren naar gezocht hebben. Hier bracht men ons in een groote schuur, waar dag en nacht schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: ’t geen mooi onnoodig was; want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet waar wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen Senhores halen en die kwam dan niet weerom. „Die is er om koud,” zei Sander dan. Maar ik zei: „neen! dan zouden zij ons zoo lang den kost niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of dienst bij hen te nemen; dat is zoo zeerooversmanier.” – Wij dachten al, wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst Juffertje binnenkwam, een meisje zoo van veertien of vijftien jaren, naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje aan: „zijn er hier geen Hollandsche zeelui?” vroeg zij in zuiver Nederduitsch. Sander en ik wij keken elkander aan, alsof wij het te Keulen hadden hooren donderen. „Tot je dienst,” zeiden wij allebei: „wat is er van je believen?” – „Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?’” zei zij toen weer, met een allerliefst stemmetje. „Niets liever dan dat,” antwoordden wij; want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende schuur te zitten. Zij ging vooruit; de schildwachten presenteerden het geweer voor haar, krek of zij een prinses ware geweest, en zoo wandelden wij achter haar over het veld, totdat wij aan een heel aardig zomerhuis kwamen, dat tusschen hooge kokosboomen gelegen was. Hier stond weer een kerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte een zijdeur open en wij zagen een man zitten met een sitsen gebloemden japanschen rok aan zijn bast, druk bezig met schrijven. – „Hier zijn de twee Hollanders, Papa!” zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op: het was warentig de rooverkapitein. –,Hoe heet je?” vroeg hg, terwijl hij nqj strak aankeek.

„Harmen Pulver,” zei ik: – „Wat duivel spreekt UEd. ook al Duitsch?”

„Gij komt hier om te antwoorden: en niet om vragen te doen,” zei hg, met een barsche stem, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok. „Hoe oud zijt gij?”

„Vijf en veertig jaar,” zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.

„Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?” vroeg hij alweer.

„Wel!” zei ik: „dat wil ik wel ereis vertellen:” – en zoo zei ik hem de gansche waarheid, van stukje tot beetje. Hij luisterde heel aandachtig toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar Sandertje, die ook zijn naam en zijn jaren op moest biechten. – „Sander Gerritz!” zei hij toen, „gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot zoolang ik een andere bestemming voor u vinde. Amelia! breng dien knaap naar achteren en zeg aan Diego, dat hij hem een stel kleederen bezorge en in zijn werk onderrichte.”

Bij dit gedeelte van Pulvers verhaal kon ik niet nalaten, verwonderd op te zien. „Amelia,” herhaalde ik: „heette zijn dochter Amelia?”

„Wel ja, Amelia!” hernam Pulver: „een mooie naam voor de dochter van een rooverkapitein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit, en Sander volgde haar, niet recht zeker of hij wel of kwalijk deed, geloof ik; want hij keek mij een keer of drie aan in ’t heengaan, als een tolgaarder zou doen, wien ze onzuivere munt in de hand gestopt hebben. „Nu komt mijne beurt,” dacht ik. – „En gij, Harmen Pulver!” zei de Kapitein, „gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen in het laatste gevecht heb verloren.” – „Ik bedank u hartelijk,” zei ik. – Toen zette hij een gezicht, alsof hij mij op wou vreten. „Wat,” zei hij: „en waarom niet?” vroeg hij, alsof het een Admiraalsbaantje was, dat hij mij gepresenteerd had.

„Wel!” zei ik weer: „omdat....” en meteen snuffelde ik in mijn broekzak, waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje had bewaard, en ik sloeg het open: „kijk!” zei ik, en wees hem op het achtste gebod.”

„Dat was braaf gehandeld,” zeide Henriëtte: en Suzanna zag den dikken man met eenigen eerbied aan, alsof zij een innerljke gelofte deed, van ten minste de eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.

„En hoe nam de zeeroover dat op?” vroegen wij allen als uit éénen mond,

„Wel dat viel mee (zooals de dronken bottelier zei, toen hij met de gangtrap in zee rolde). –Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het maakte toch indruk, merkte ik: „ik wil geen theologisch dispuut met u beginnen,” zei hij: „anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel (hij noemde het een artikel: de man was ook niet vast in de leer)! dat dit artikel,” zeide hij, „op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben hier zoveel als Souverijn, geloof ik,” zei hij: „en in oorlog met alle natiën: alleen heb ik nog een gekkeljk zwak voor Hollanders, ofschoon zij het niet, aan mij verdiend hebben. – Ik geef u nog een uur om u te bedenken,” zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier dat hij geschreven had, dicht, en stond op om heen te gaan. – „En zoo ik het nu niet aanneem,” zei ik: „wat dan?”

„Dan wordt gij gehangen,” zei hij, op denzelfden toon, alsof hij mij de keus had gelaten tusschen een slok brandewijn of een glas rood, en hij stapte de deur uit.”

„Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest,” merkte ik aan. „Om den drommel niet,” zeide Pulver: „maar ik had er mij al zoo half en half op verwacht en mijn besluit was genomen; want ik dacht: men moet toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven. Zoo ging ik zitten en dacht: ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed mogelijk besteden en lezen een kapitteltje uit de Schrift: en met dat ik daaraan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. „Och Kapitein!” zei ze zoo: „vertel mij toch ereis wat van Holland: ik hoor zoo graag van Holland spreken.” – „Lief Juffertje!” zei ik, dat zou ik met plezier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want over een uur, weet je, moet ik gehangen worden: en daarom dien ik mijn leste oogenblikken wel te besteden met mijn ziel in een staat van genade te brengen, en nog eens aan mijn arme vrouw en zes bloeien van kinderen te denken, die ik te huis heb gelaten.” En met voelde ik dat mijn oogen overliepen. „Wat!” zei zij: „hebt gij vrouw en kinderen?” en zij begon ook mee te schreien, de goede medelijdende ziel. „En wie wil u laten hangen?’ vroeg zij: „is het Papa? – Ja? – In dat geval, ’ dan zal ik hem zoo lang smeeken en bidden, tot hij u genade geeft” –,Juffertje!” zei ik: „het hangt van mij af, om te blijven leven; maar dan moet ik dienst nemen bij uw vader; en zie je, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten overeenbrengen.” – „En waarom niet?” vroeg zij, Met een heel natuurlijk stemmetje. „Ja!’ zei ik zoo, „om dat rooversbedrijf, dat strijdt zoo wat tegen goddelijke en menschelijke wetten.” Toen keek zij mij heel strak in ’t gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had. „Ik weet het;”’ zei zij toen, snel sprekende, net alsof zij bang was voor hetgeen zij zeide: „ik weet het: – spreek daar niet meer over. Gij hebt gelijk: ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort en ik: zal u niet storen: maar ik wil hier blijven: ik moet met mijn vader spreken: dat zal zoo niet afloopen.”

„Zonderling!” zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende: „en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van een roofschip?”

„Dat is wat ik ook dikwijls gedacht heb, Juffertje!” zeide Pulver: „maar UEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia dan ging over mij zitten, met de armen gekruist en terwijl zij stipt voor zich keek. Het uur was nauwelijks verloopen, of daar stapte haar vader weer binnen: „Wie heeft u geheeten, hier te komen?” vroeg hij aan zijn dochter: „laat ons alleen.” – „Neen!” zei zijn dochter: „dat doe ik niet, of gij moet mij eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen,” zei zij, terwijl zij de handen vouwde. „Laat hem gaan, Vaderlief, gij zult het immers aan uwe „ kleine Amelia niet weigeren?” en zoo ging zij voort, terwijl zij hem allerlei lieve woordjes gaf en hij wrevelig voor zich bleef kijken. Eindelijk scheen mij eenigszins tot andere gedachten te komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in ’t Spaansch, en bracht haar half willig, half onwillig de kamer uit. Ik hoorde echter, dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed voorteeken te zijn. Toen kwam hij weer tot mij: „Wel!” zeide hij: „hebt gij uw besluit genomen?” – „Ja,” zei ik. „En wat is het, kort en goed, zonder teksten?” vroeg hij, „ja of neen?” – „Neen!” zei ik. „Dus hangen?” vroeg hij weer. – „Neen! ook niet,” zei ik, „immers niet met mijn wil.” – „Gij begrijpt toch,” zei hij, „dat er geen derde keus overbljft. Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten vertrekken om, als hij te huis is, mijn schuilplaats te verklikken.” – „Hoor, weet je wat, Kapitein!” zei ik: „laat mij gerust gaan, al ware het op dezelfde manier waar ik op gekomen ben, van mijn bezoeken zal je geen last meer hebben, dat beloof ik u: en om aan anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen. ’t Is waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet hoe het u naderhand nog kan te pas komen: als b. v. de Heeren van de Compagnie u eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw voordeel spreken kan, dan dat ik nu aan een van die gindsche boomen bungelde.” – Hij scheen even na te denken: „gij kunt onze levenswijs nog niet beoordeelen,” zei hij: „een man moet weten, wat hij kiest of wat hij verlaat.” Met floot hij en er kwam een aardige jongen in een matrozenpakje binnen, aan wien hij in ’t Spaansch zijn bevelen gaf. „Volg dien knaap!” zei hij toen: „die zal u brengen waar gij wezen moet!” Wat zou ik doen? Ik maakte een strijkage en ging ons maatje achterna, die mij buitenshuis bracht en naar een ander gebouw, waar de bende gewoon scheen te zijn haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een hoop bij elkander alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk van alle natiën en tongen: er waren er Portugeezen, Spanjolen, Engelschen, Italiaanders, Françoisen, Hollanders ook, schande genoeg! Eu ik moest mee aanzitten en zien hoe het er toeging. Ik moet zeggen, die schelmen hadden een tafel of het voor een Burgemeester was: vleesch en gevogelte van allerlei soort: en wijn, zooveel hun lustte en van den besten ook. Ik dacht: Pulvertje! dat is allemaal om u te verleien; maar deze reis zal het hun niet lukken. – Ondertusschen waren er een paar naast mij gaan zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein, en wat een dwaasheid ik doen zou, indien ik niet met hen bleef: en onderwijl schonken zij mij al in, den eenen kroes voor, den anderen na. Maar ik lachte in mijn vuist: en dacht: als het op pooieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een bast, die kan er tegen, zooals Thomasvaer in de klucht zeit. En bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo droog of ze van een weverswammes gemaakt was. En ziet, mijn buren raakten allebei zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander, die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet het wat deftig over de tafel heen: waarop er een was, die mij te lijf wou: maar ik gaf hem een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij allemaal op mij aan; en bonden nqj en smeten mij in een hok, waar ik tijd had om uit te slapen. Den volgenden morgen kwamen er vier kerels mij halen, en begonnen mij met een doek over mijn kluisgaten te binden, dat ik niet zien zou wat zij in ’t vizier hadden. Ik kreeg slechte gedachten, toen zij mij naar buiten brachten, en meende, nu was mijn uur gekomen, en ik moest maar mijn best doen om als een vroom Christenmensch te sterven; maar jawel! ik had pas een eindweegs opgekuierd, of ze smeten mij in een sloep, en na een tijdlang roeiens, merkte ik aan den wind, die op mijn frontwerk speulde, dat wij kort aan zee waren. Opeens werd ik aan boord van een schip geheschen: „zouden zij mij nu naar zeemansmanier aan de ra hangen?” dacht ik; maar ook al niet: ik werd tusschendeks gelaten, ik hoorde het anker lichten, en wij staken van wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was, en ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen, en zonder dat iemand boe of ba ’ tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook het land had. Eindelijk liet men het anker vallen: ik werd weer geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was, doch waar, wist Joost. Een van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij en stelde mij een geldzakje ter hand. „Houdaar!” zei hij: „en maak dat je naar den bl.... komt. Gij hebt slechts het eerste pad het beste te volgen, om menschen te vinden. maar zou gij ons altemet mocht herkennen t’avond of morgen, draag zorg dan ons niet te verklappen, noch ons na te volgen, of….,” hier maakte hij een beweging, die ik best begreep. „Geen nood,” zei ik, „en goeie reis (zooals de man, die zich baadde, tegen de haaien zei.)” Weg liepen zij: en ik stond alleen te kjjken als malle Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen: en zoo liep ik dwars door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te recht hielpen, en mij naar Havannah brachten, want daar was ik geen twee geweerschoten van verwijderd. Ik kuierde de stad binnen en vond al gauw een plaats om onder dak te komen, bij een ouden landsman, dien ik er wonen wist. „Wel Kapitein Pulver,” zei die, toen hij mij zag: „hoe kom je zoo uit de lucht vallen?” „Patientie!” zei ik, „dat zal ik u naderhand wel eens vertellen.” Den volgenden dag ging ik ereis op mijn kuier, maar, schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende te herkennen, en schoon er een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn mond dicht te houden, zoo lang ik er bleef: ’t geen gelukkig korter was dan ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om naar Curaçao te varen, waar ik „de Prins te Paard” bij geluk nog vond, die juist het anker zou lichten, en je kunt denken, hoe zij allen te kijken stonden, toen zij mij, in levenden lijve weerom vonden; want zij dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Nu vraag ik u, of Kapitein Pulver al rare ondervinding heeft opgedaan?”

„Mij dunkt zij hebben nogal wat met u gesold,” zeide Suzanna: „doch het schijnt u geen kwaad gedaan te hebben, en gij zijt tegen de verdrukking aangegroeid. – En hebt gij naderhand nooit iets van dien rooverkapitein vernomen?”

„Neen,” antwoordde Pulver: „en ik heb ook nooit verlangd de kennis te hernieuwen (zooals de dief tegen den beulsknecht zei). Maar ik meen dat hij, zoo wat een jaar nadat ik hem gezien heb, verdwenen is: – althans later heb ik niet meer van hem hooren spreken, maar wel van een anderen zeeroover, die onder den naam van Zwarten Piet doorging, en geen haar beter was dan zijn voorganger.”

„Zwarte Piet!” herhaalde Henriëtte: „is dat dezelfde, wien men beweert, dat hier in den omtrek rondzwerft en de wegen onveilig maakt.”

„Foei! laten wij niet over dieven spreken, die zoo in de buurt huizen,” zeide Suzanna: „dat geeft maar slapelooze nachten. Maar van uw vriend Sander, hebt gij daar nooit tijding meer van gehad, Kapitein?”

„Neen!” antwoordde hij: „en ik vrees, dat hij smaak in ’t rooversleven gekregen heeft; want hij was altijd een ondernemende gast; ’t zou jammer van den jongen bol geweest zijn; doch het bloed kruipt waar ’t niet gaan kan.”

De dames gingen voort, den Kapitein nog over vele bijzonderheden te ondervragen. Wat mij betreft, ik was stil geworden. Het weinige, dat de verhaler zoo van het uiterlijke voorkomen als van de handelwijze van Don Manoël en zijn dochter gezegd had, en de naam van Amelia, aan deze laatste gegeven, hadden zonderlinge vermoedens bij mij doen ontstaan, waaraan ik hechten bleef, in weerwil van mijzelven. Wenschende, hieromtrent nader onderricht te ontvangen, wachtte ik het oogenblik af, dat de jonge meisjes met haar ondervragingen hadden afgedaan en zich vermaakten om in de menagerie, Waar wij waren aangekomen, de goudlakensche fazanten te voederen, terwijl Pulver zijn versch gestopte pijp door middel van een brandglas aanstak, om dezen laatste te vragen, mij nader te beschrijven, hoe die zeeroover er toch wel uitzag.

„Wel! zooals ik UEd. gezegd heb,” zeide hij: „een groote forsche kerel met een sombrero op het hoofd, een plantersbuis en een zeemansbroek, een koppel pistolen....”

„Ja,” viel ik in: „en naderhand een japansche rok.; maar zijn gelaat?”

„Een knap slag van een vent: een paar fiksche oogen.... wat zal ik er veel meer van zeggen?”

„En zijn dochter?”

„Ja! een aardig meisje, of zij zwart of blond was weet ik niet meer: een goed gezicht.... en zoo groot als een meisje van veertien, vijftien jaren.”

Met deze opheldering moest ik mij voor het oogenblik wel tevreden stellen: en de klank van den bengel, die ons de aankomet van nieuwe gasten verkondigde, deed ons spoedig weder den weg huiswaarts nemen. Wij vonden den eigenaar van Guldenhof en zijn zoon op de stoep met Tante en Van Baalen in gesprek. De Heer Blaek was de eerste, die naar ons toekwam. Zijn kleeding was vrij wat keuriger, zijn gelaat vriendelijker en zijn toon beleefder, dan toen ik hem in zijn koepel ontmoette. Hij groette ons op een zeer heusche wijze, zeide iets zeer vleiends aan Suzanna, kuste Henriëtte, en zich vervolgens tot mij wendende, drukte hij mij de hand en vroeg mij om verschooning, zoo mijn onthaal op Guldenhof niet was geweest, gelijk het behoorde. „Maar mijn lieve Heer Huyck!” zeide hij: „alles werkte ook samen om mij verkeerde vermoedens jegens u te doen opvatten: uw kleeding, de verrassing van het oogenblik, het verhaal van dieverijen in de buurt gepleegd, en zoo voort. Nu! doe mij vermaak en toon mij, dat UEd. mij geen kwaad hart toedraagt, door mij eens te konen bezoeken. – Gij zult mij altijd welkom wezen, en het mijn zoon ongetwijfeld aangenaam zijn, nadere kennis met u te maken. Sta mij toe, u aan elkanderen voor te stellen. Lodewijk was niet in zijn schik,” vervolgde hij, zich tot Henriëtte wendende, „dat gij, zoo zonder hem daar iets van te zeggen, herwaarts getrokken waart. Gij weet, dat in uwe afwezigheid Guldenhof weinig bekoorlijks voor hem oplevert.”

„Dat wist ik niet, Oom!” zeide Henriëtte: „en zoo ik hem niet gezegd heb, dat ik hierheen ging, het is, omdat hij zich in de laatste twee dagen niet te huis heeft laten zien.”

Ondertusschen was Lodewijk op den wenk zijns vaders ons genaderd, echter niet met die haast, welke de Heer Blaek wilde doen gelooven, dat hem naar zijn nicht dreef.

„Komaan Lodewijk!” zeide zijn vader: „ik weet, gij zult verlangen om Jetje wat te beknorren; maar eerst moet ik u aan den Heer Huyck voorstellen, en u gelegenheid geven, om, evenals ik reeds deed, hem voor onze misvatting en onbeleefdheid verschooning te vragen.”

Lodewijk en ik groetten elkanderen met die uiterlijke beleefdheid, welke de samenleving voorschrijft ook aan hen, die elkanderen niet lijden mogen.

„Wij bebben de kennis reeds hernieuwd,” zeide ik.

Lodewijk zag mij schuins aan, en vervolgens, zich tot de dames wendende, begon hij, waarschijnlijk om mij te vermijden, een druk gesprek met Henriëtte, zoodat zijns vaders gelaat van tevredenheid blonk, en deze nauwelijks de buigingen opmerkte, waarmede Kapitein Pulver hem begroette.

Niet lang daarna kwam de boodschap, dat het middagmaal was opgedischt, en begaven wij ons naar de eetzaal. Tante plaatste zich tusschen de beide oude Heeren: naast Van Baalen kwam Kapitein Pulver te zitten, vervolgens mijn onwaardig ik, dan Henriëtte, en Lodewjk werd tusschen haar en Suzanna geschikt. Ik maakte, gelijk men denken kan, van de gelegenheid gebruik, om aan mijn buurjuffer alle mogelijke kleine oplettendheden te bewijzen zonder juist op te merken of liever zonder er mij aan te storen, dat haar oom dit vrij zuur aanzag, en zich waarachijnlijk reeds beklaagde, dat hij mij den toegang tot zijn huis had opengezet. De afgetrokkenheid van den Heer Blaek ontsnapte echter niet aan Suzanna, noch zelfs aan Tante, die hem er over begon te plagen.

„Ach Mevrouw!” fluisterde hij eindeljk, glimlachende: „er was een tijd, waarin ik niet afgetrokken was in uw bijzijn, en het zoude van u afhangen, dien tijd te doen herleven.”

„Ei kom! Het is een hoofdstuk uit de oude geschiedenis, dat gij voordreunt,” zeide Tante, lachende.

„Hoe maakt UEd. het toch, om zulke heerlijke doperwtjes te bekomen?” vroeg Van Baalen haar: „uit mijn tuin in den Diemermeer kan ik die maar zoo smakelijk niet krijgen.”

„Zeg dat niet,” zeide Tante: „ik herinner mij zeer goed, er bij u tot laat in September te hebben gegeten, als de mijne reeds lang gedaan hadden.”

„Ja! bij mijn vorigen baas; maar mijn tegenwoordige tuinman heeft er geen verstand van. ’t Is of ik het altijd moet treffen, dat ik mij met lieden behelpen moet, die geen kennis bezitten van hun vak.”

„Hoe bevallen UEd. de bruine langstaarten, die UEd. op de Palmmarkt van Govert Sperwer gekocht hebt?” vroeg Lodewijk aan Van Baalen.

„Hm!” antwoordde deze, het hoofd schuddende: „wat zal ik UEd. Zeggen? De beesten loopen hard genoeg; maar ’t is mij wat moeilijk in ’t haar te blijven. Ik zal er moeten uitscheiden. Op de Palmmarkt waren er nog meer te krijgen geweest; maar juist toen ik er op afkwam waren zij verkocht. ’t Is of ik altijd te laat moet komen. Maar daar bedenk ik iets: dat spannetje, dat ik heden hier heb, heeft UEd. dat reeds gezien? Dat was juist een kolfje naar uw hand.”

„Ik dank u,” zeide Lodewijk: „ik heb nog paarden genoeg, en dan een boeier bovendien; maar ik recommandeer mij, om ze straks eens te zien,” enz.

Het gesprek werd nu langzamerhand meer algemeen. Pulver, die niet naliet den goeden wijn van Tante te prijzen en te betuigen, dat hij zulke waar niet geproefd had, sedert hij bij de roovers had gevangen gezeten, vermaakte ons nu en dan met zijn kluchtige uitvallen, en Van Baalen perste ons menigen glimlach af, door zijn manie van zich over al wat hij had te beklagen. Hetgeen de oude Heer Blaek zeide, was meestal gepast en verstandig; en hij beviel mij in alle opzichten beter dan toen ik hem voor ’t eerst zag. Echter was het mij toch, als drukte dien man iets bezwarend op het hart, dat hem midden onder het vroolijk gesprek zijn goede stemming ontnemen kwam, en zich tusschen hem en zijn geestigheid plaatste als een wolk voor een heldere zomerzon. Hij zag er niet uit als iemand, die iets kwaads in ’t zin had of een misdrijf zou begaan; maar wel als iemand die iets bedreven had, dat hem tot naberouw verstrekte. Tante praatte wakker door, en maakte allerlei plannen van vrolijke partijen.

voor de toekomst. Suzanna wierp er bijwijlen een grap tusschen in: en Lodewijk scheen meer werk van zijn nicht te maken dan gewoonlijk.

Wij waren aan ’t nagerecht, en de Heer Blaek was juist bezig over de onbeschaamde diefstallen te spreken, die onlangs in de buurt hadden plaats gehad, toen de knecht mij in het oor kwam fluisteren, dat er een Heer buiten stond, die mij wenschte te spreken.

„Een Heer om mij te spreken!” herhaalde ik, met eenige verwondering: „dat hebt gij zeker verkeerd. Wie kan mij hier iets te zeggen hebben?

„Er is toch geen zwarigheid?” vroegen de dames, als uit éénen mond.

„Waar komt hij vandaan? Is het iemand uit Amsterdam?” vroeg Tante.

„Ik weet niet,” zeide de knecht: „’t Is een Monsieur in ’t zwart, en, zoo ik mij niet bedrieg, dezelfde, die in het huisje van Baas Roggeveld woont.”

„En komt die om mij te spreken?” vroeg ik: „ik kan niet begrijpen....”

„Gij moest toch eens gaan zien,” zeide Tante: „en kom ons dan daarna verslag doen. Joris! laat dien Monsieur in de zijkamer.”

„Met het verlof van het gezelschap,” zeide ik: en oprijzende begaf ik mij naar de zijkamer; maar wie schetst mijn verbazing, toen ik zag, dat de man, die op mij wachtte, niemand anders was dan Zwarte Piet, in propria persona.


[Hoofdstuk 15] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 17]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001