MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK,

VERHALENDE, HOE ZWARTE PIET FERDINAND MET EEN COMMISSIE BELASTTE EN HOE SUZANNA EEN GROOTEN KOEK TROK.


„Hoe” riep ik uit, terwijl ik den struikroover aanstaarde: „gij waagt het!....”

„Ik waag niets, Mijnheer Huyck!” zeide hij: „want ik weet, dat UEd. de man niet zijt, die mij verraden zult.”

„Maar toch!” hernam ik: „ik kan niet beseffen, wat gij mij kunt te zeggen hebben.”

„In de eerste plaats moet ik mij van mijn schuldigen plicht kamen kwijten en u mijnen dank betuigen voor het stilzwijgen, dat UEd. aangaande onze ontmoeting hebt bewaard.”

„En hoe weet gij,” vroeg ik, eenigszins verwonderd, „dat ik gezwegen heb?”

„O ho!” zeide hij met een glimlach: „dat kan ik genoeg uit de gevolgen opmaken. Zoo UEd. maar een woord gesproken, maar een sein gegeven had, waren de landhaaien mij reeds aan boord geweest, en zou ik hier thans niet voor u staan, zoo gerust als een Admiraal op zijn dek; want, ofschoon men altijd nog naar Zwarten Piet zoekt, het is in den blinde en zonder dat men weet, welken koers te houden. Niettemin! ik wil het gevaar niet loopen van t’ avond of morgen te verzeilen en denk deze haven te verlaten.”

„Gij deedt beter,” zeids ik, „uw geheele professie te verlaten, welke u toch nooit tot een gelukkig einde brengen zal.”

„Helaas, Mijnheer!” hernam hij, met een treurigen blik en een diepe zucht: „hangt het wel van onszelven af, die met vrijen wil te kiezen? Kan ik tegen wind en stroom opvaren? en moet men niet, als het tij verloopt, de bakens verzetten? Hoe zou ik, na al het gebeurde, in staat zijn, mijn wandel te verbeteren en onder een betere vlag te zeilen dan die ik tot heden gevolgd ben? Zoo ik b. v. Mijnheer voorstelde, mij als lakei in zijn dienst te nemen, zou zulks UEd. aanstaan?”

„Gij weet,” antwoordde ik, om de veronderstelling glimlachende, dat men geen lakei huurt zonder attestatiën van „goed gedrag te zien: en ik twijfel, of de uwe van dien aard zijn, dat zij mij voldoen zouden.”

„Daar moest UEd. niet op zweren,” hervatte hij, terwijl hij een zwartlederen portefeuille uit den zak haalde, en daaruit eenige papieren nam, die hij op de tafel uitspreidde: „ik heb hier een menigte getuigschriften van de deftigste inwonsrs van Batavia en de Kaap, alle bewijzende dat de persoon Joachim Weerglas hen in de betrekking van kamerdienaar, schrijver en hofmeester met de meests nauwgezetheid gediend heeft. Lees ze maar eens, Mijnheer! zij zijn zoo voldoends als....”

„Als zij valsch zijn,” viel ik in: „wat hebt gij te maken met certificaten van eenen Joachim Weerglas, die wellicht nooit bestaan heeft?”

„Zeer zeker heeft de man bestaan,” antwoordde hij, de papieren wederom naar zich toestrijkende: „maar de goede ziel heeft die niet meer noodig; daar hij sedert lang onder de groene baren slaapt, om welke reden ik er des te minder conscientiewerk van gemaakt heb, mij zijn naam toe te eigenen, en zijn papieren evenzeer, die toch voor niemand meer waarde hebben en mij daarentegen zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijn kleuren te wijzen. – Maar ook op mijn eigen naam heb ik zeer goede certificaten, die wellicht beteren indruk op UEd. zouden maken.”

Dit zeggende, opende hij een verborgen gedeelte vsn zijn brieventasch en haalde daaruit wederom eenige papieren voor den dag.

„Wat dunkt u van dit certificaat?” vroeg hij, mij een der bewijsstukken overhandigende.

Ik nam het op en las niet zonder verbazing een geschrift in de Spaansche taal, geteekend door den Graaf van Talavera, en getuigende, dat Sander Gerritz, geboortig van Amsterdam, hem met onkreukbare trouw en ijver gediend had.

„Dat kan wel zoo valsch zijn als de rest,” zeide ik, het hem teruggevende. „Ho! ho! men kent aan onze kantoren zoowel als aan de landssecretarie de naamteekening van den Braaf van Talavera. – Doch hier zijn nog meer stukken, alle van bekende en nog levende personen: als hier is de attestatie van Schipper Slingertouw, met wiea ik als halfwassen brasem drie reizen naar de Oost heb gedaan, van Schipper Blauwketting, bij wien ik twee jaren stuurmansleerling geweest ben, van Kapitein Wijdwimpel, daar ik onderstuurman bij was, van Kapitein Pulver, waar....”

„Diens handtekening zouden wij terstond kunnen doen erkennen,” zeide ik: „want de man bevindt zich in de eetzaal.”

„De duiker, doet hij,” riep Sander, zijn papieren snel verbergende; „ik zou, wel is waar, den ouden pekbroek nog gaarne eens terugzien; maar och! door kennis krijgt men kennis en men mocht op zulk een wijze dingen van mij te weten komen, welke ik liever achterbaks houde.”

„Mag ik u eens vragen,” hernam ik, of er onder die certificaten geen is van zekeren Don Manoël, onder wien gij waarschijnlijk ook gediend hebt?”

Sander zag mij een wijl aan met doordringenden blik: „UEd. vraagt mij naar den bekenden weg,” zeide hij vervolgens, „en weet zoogoed als ik, dat de man er ook bij is, al luidt zijn naam wat deftiger. – Maar dit daargelaten, UEd. kan uit dit alles besluiten, dat ik onder mijn eigen vlag niet durf varen en dus wel valsche kleuren dien te wijzen, Hoe wil ik nu mijn weg beteren, daar ik, ’t ga, hoe ’t ga, gedwongen ben de lieden òf te bedriegen, òf te bestelen?”

„Mijn vader,” zeide ik, „is een rechtschapen man: zoo gij u bij hem begaaft, hem rondborstig uw levensloop verhaaldet, en hem ware begeerte toondet om uw doolpad te verlaten, zou hij waarschijnlijk in staat zijn, u kwijtschelding voor uwe begane misdrijven te bezorgen en een beter vooruitzicht voor de toekomst te openen,”

„Al is,” zeide Sander, „het schip nog zoo lek en de branding nog zoo fel, zoo zal de matroos, om zijn leven te redden, niet overboord springen, wanneer hij haaien voor den boeg ziet. Ik dank u, Mijnheer Huyck! maar ik heb mijn nek te lief om uw voorslag aan te nemen. Mijn oogmerk is naar Rusland of Noorwegen te gaan en te zien, of men mij daar gebruiken kan: want dat loeren achter de struiken, en dat openveteren van nachtsloten is geen werk voor iemand, die een korvet gecommandeerd heeft.”

„De Hemel geleide u,” zeide ik: „maar hebt gij mij nu nog verder iets te zeggen? Het gezelschap wacht mij, en....”

„En dat van een boef, gelijk ik, begint u lastig te worden: dit begrijp ik. Ik zal het kort maken. Deze kleinigheid verzoek ik u aan te nemen als herinnering aan onze ontmoeting en als een bewjjs mijner erkentelijkheid.”

Dit zeggende, bood hij mij een ring aan, met fraaie brillanten omzet.

„Ik dank u,” antwoordde ik, het geschenk afwijzende: „ik heb geen waarborg, dat gij recht hebt, dien ring weg te geven, en bovendien verlang ik geen verplichting aan u te hebben.”

„De ring behoort mij,” zeide Sander, „ik heb dien met het zwaard genomen van een kaper, die in onze jacht was komen stroopen en wien wij zijn buit deden overgeven. Doch, begeert gij hem niet, het is wel, zoo blijf ik uw schuldenaar. Tweemalen hebt gij mij ontmoet: ook deze reis vertrouw ik op uwe bescheidenheid te kunnen rekenen.”

„Nog vier en twintig uren,” zeide ik, „wil ik u die beloven; maar zijn die verstreken, dan acht ik het mijn plicht als burger, uw verblijf te ontdekken.”

„Over vier en twintig uren moogt gij, wat mij betreft, op de daken schreeuwen, dat Sander Gerritz, Joachim Weerglas en Zwarte Piet slechts één persoon zijn.”

„’t Is wel! maar maak nu, dat gij voortkomt. Ik hoor de gasten reeds opstaan.”

„Nog één verzoek; misschien kent UEd. in Amsterdam zekeren armen poëet, Lucas Helding, bij name.”

Ik knikte toestemmend.

„Welnu! zou ik u mogen belasten met hem dit geld ter hand te stellen. De man is behoeftig, en ik weet, dat zulks hem niet te onpas komen zal.”

Dit zeggende, haalde hij een geldzakje voor den dag, en stak het mij toe.

„Wat nu!” riep ik verbaasd. „Behoort Helding ook al tot de bende?”

„Neen Mijnheer! – Maar ik heb den man vroeger gekend; ik weet, dat hij broodsgebrek. lijdt en leven moet van de brokken, die rijke lieden hem toewerpen, gelijk zij aan hun hofhond zouden doen. Ik heb genoeg om de reis te ondernemen. Dit geld kan ik missen.”

„Verschoon mij,” zeide ik: „maar zoo de goede man den oorsprong van dit geld kende, zou hij het nimmer willen aannemen.”

„De henker hale die nauwgezetheid!” zeide Sander, op de lippen bijtende: „de man, wien ik dat sommetje afhandig heb gemaakt, was een vreemdeling, die wellicht te Moskou of te Weenen te huis behoort en wien ik het niet kan terugzenden. Ik wil er mij van ontdoen: kan ik beter handelen, dan door het aan aalmoezen te besteden? En heb ik dan geen recht, iemand daarmede bevoordeelen, die arm en braaf is?”

„Gij zoudt althans rechtvaardiger handelen,” antwoordde ik, „door het aan de lieden terug te geven, die gij bestolen hebt, en die gij kent. Vergoeding gaat boven aalmoezen.”

„Vergoeding!” riep hij ongeduldig uit: „en wat heb ik hem niet te vergoeden? Hoor eens, Mijnheer! en beoordeel mij. Zes jaren geleden, voor ik met Kapitein Pulver uitzeilde, had ik kennis aan de dochter van Helding: een engel van braafheid, de lust van haar vader en van al wie haar kende. Wij hadden elkander lief: zij zou mijn vrouw worden, zoodra ik Stuurman was. ’s Avonds voor mijn vertrek, daar wij met ons beiden alleen waren....,” Hier begon Sander te snikken.

„Ik versta u,” zeide ik, getroffen over de ontroering van den man, bij wien in weerwil zijner wanbedrijven het goede zaad nog niet geheel verstikt scheen te zijn: „gij waart ondernemend en zij wellicht te zwak....”

„Ja Mijnheer! – Ik ging op reis. Wij hadden met tegenspoeden van allerlei aard te kampen. Wij werden door zeeroovers gevangen: en; door nood gedwongen, trad ik bij hen in dienst. Ik verwierf mij het vertrouwen en de gunst van het opperhoofd, die mij al spoedig tot zijn Luitenant verhief. Hoe hij ons verliet en hoe ikzelf na zijn vertrek het bevel bekwam, en den naam van Zwarten Piet niet minder beroemd maakte dan die van Don Manoël geweest was, ware te lang om hier te vertellen. De fortuin liep ons eindelijk tegen: ik werd gevangengenomen, doch ontsnapte en kwam op een Hollandseh schip terug. Te Helvoet echter werd ik herkend door een Kapitein, wiens vaartuig ik geplunderd had: ik ontsnapte den rakkers, die mij zochten, en leidde sinds een zwervend leven. Van zeeschuimer werd ik struikroover; maar, zooals ik u zeide, dit laatste beroep begon mij tegen te staan. Ik trachtte intusschen narichten in te winnen omtrent Klaartje; want, ofschoon ik in de West-Indiën, en toen ik geen gedachten had haar ooit weer te zien, haar beeld zoo wat op den achtergrond had gezet, bij mijn terugkomst, in mijn vaderland was het of mijn liefde met dubbele kracht herleefde; – maar och, Mijnheer! wat moest ik hooren? Zij was weg, zij had haar vader verlaten, was van kwaad tot erger geraakt, en leidde nu hier, dan daar, een ongebonden leven. – Ik weet, het is slechts gedeeltelijk mijne schuld: en echter is het mij, als had ik al die ellende veroorzaakt. – Ben ik nu den ouden man vergoeding schuldig of niet?”

De gelaatstrekken van Sander hadden gedurende dit verhaal, hetwelk hij onder gedurig snikken en met een bevende stem gedaan had, dezelfde bleekheid en ontroering vertoond, welke mij in de kerk des morgens getroffen hadden. Ik besefte nu, waarom het tafereel, door den Predikant gemaald, zulk een indruk op hem gemaakt had.

„Helding zal, indien dit alles waar is, van u althans niets willen aanvaarden,” hernam ik, zelf niet wetende, wat te zeggen.

„Dat behoeft ook niet, Helding weet niet, mag niet weten, van wien dit komt. Nog eens, wat ik u bidden mag, bezorg dit aan den goeden man.” „Hebt gij geene andere gelegenheid?” vroeg ik, eenigszins bedremmeld; want ik hoorde het gezelschap, dat door de gang kwam en de stoep aftrad.

„Ik heb,” antwoordde hij, „onder mijn kennissen geen eerlijke lieden genoeg, om hun zulk een boodschap op te dragen: – hier ligt het geld: ik neem het niet weer op: – gij zult – gij moet het bezorgen.”

„In waarheid!” hernam ik: „het is een commissie, die ik met mijn geweten niet kan overeenbrengen. Gij maakt mij tot heler van gestolen goed.”

„Uw dienaar, Mijnheer! God zegene u.” En zich buigende, opende hij de deur om te vertrekken, toen hem iemand, die juist binnenkwam, met een vaart tegen ’t lijf kwam aanloopen.

„Vergeving! vergeving!” zeide Kapitein Pulver; want deze was het: „ik kwam mijn hoed zoeken, dien ik hier gelaten heb….; maar wat deksel! de droes is zoo niet!” En hij bleef Sander met een open mond aanstaren. Deze was een oogenblik onthutst; maar, zich herstellende, wendde hij het gezicht naar mij toe en van Pulver af en wilde het vertrek verlaten.

„Maar voor den duiker!” riep Pulver, die al om hem heen gedraaid had: „heb ik het mis of heb ik het wis? Is UEd., als ik mag vragen....”

„Uw dienaar, Sinjeur!” zeide Sander, zich haastig door de gang naar de voordeur begevende.

„Maar met uw verlof! een amerijtje geduld!” riep Pulver, hem navolgende: ”Sander! ben je ’t? of ben je ’t niet? Sandertje! ken je Kapitein Pulver niet meer?”

Sander zag waarschijnlijk, dat alleen onbeschaamdheid hem uit dezen pas kon redden. Hij draaide zich aan de voordeur om, trad met een vasten stap naar Pulver toe en zag hem stijf in ’t gezicht.

„Sinjeur!” zeide hij: „hier heeft een misverstand plaats. UEd. heeft den verkeerde voor. Mijn naam is Joachim Weerglas. Ik heb de eer u te groeten.”

Dit gezegd hebbende, maakte hij rechtsomkeert, liet Pulver bedremmeld staan, stapte de stoep af, en, in het voorbijgaan het gezelschap, dat op het voorplein stond, deftig groetende, wandelde hij zonder overhaasting de plaats af.

„Nu! ik mag lijden dat mijn fokkenmast in een nachtkaars verandert,” zeide Pulver, hem verbaasd naoogende: „indien ik ooit zulk een gelijkenis meer gezien heb.”

„Ik moet zeggen, Neef!” zeide Tante, toen ik, na den geldzak op mijn kamer gebracht te hebben, weder buiten gekomen was: „die Monsieur is lang van stof. Wat had die met u te verhandelen?” „O! heel wat,” zeide ik: „meer dan ik thans vertellen kan.”

„Wie was die Heer?” vroeg Suzanna: „mij dunkt, ik heb hem hedenmorgen in de kerk gezien.”

„Gij hadt beter gedaan,” zeide ik, een andere wending aan het gesprek wenschende te geven, „den Predikant aan te zien, dan de jonge Messieurs te begluren.”

„Kan ik het helpen?” hernam Suzanna: „die man dwong mji wel hem aan te kijken; want hij snikte zoo luid, dat iedereen het hoorde.”

„Inderdaad,” zeide Henriëtte: „nu gij ’t zegt, herinner ik mij ook, hem te hebben opgemerkt. Hij scheen zeer getroffen door de predikatie.”

„Gekheid!” zeide Suzanna: ”hij huilde van verdriet bij de gedachte, dat hij bij gebrek aan contanten al de kermisvermaken zou moeten missen, welke Dominee zoo treffend afschilderde, zoodat hij, als zijn meisje hem van avond vraagt:

Jan! koop mij een kermis.

zal moeten antwoorden:

Mooi meisje! ik heb er geen geld.”

„Nu zijt gij er toch niet achter, Zusje!” zeide ik: „want hij kwam mij juist verlof verzoeken om met u ter kermis te gaan.”

„Zoo! En ik hoop dat gij gezegd hebt: als ’t u belisft.”

„Ik zeide, wij waren al Heeren genoeg.”

„Wel foei! zoo zal ik nooit een vrijer krijgen, als gij die op zulk een manier afscheept. – Maar, Kapitein Pulver! Hoe is het? Gij kijkt dien Monsieur nogal na, schoon hij reeds lang uit het gezicht is. Ik heb wel gehoord, dat de zeelui door oefening een scherp gezicht krijgen! maar toch! of gij hem zoo door de bladeren heen kunt ontdekken, dat zou mij verwonderen.”

„Kapitein Pulver meende, geloof ik, dat hij den man kende,” zeide ik. „Ja waarlijk!” zeide Pulver, als uit een droom ontwakende: „en ik geloof het nog.”

„Kent gij Monsieur Weerglas?” vroeg Tante, hem naderende: „want ik meen, dat hij het was.”

„Monsieur Weerglas!” herhaalde Pulver: „ik heb nooit een weerglas gekend dan hetgeen ik aan boord gebruik en gemaakt is door Michiel Blut op den Zeedijk. De waarheid is, dat de man als twee druppelen water gelijkt op mijn Onderstuurman Sander Gerritsz, daar ik heden van verteld heb.”

„De Kapitein,” zeide Suzanna tegen Tante, „dacht als Phocas bij Corneille:

Tombai-je dans l’erreur ou si j’en vais sortir?”

„Ja Juffertje! als ik Fransch verstond,” zeide Pulver, „dan zou ik dat misschien gedacht hebben; maar ik heb dien kornoelje nooit gekend.”

„Kom!” zeide Tante: „laat ons maar niet meer aan dien man denken, en onze wandeling voortzetten, Daar is Van Bealen al een eind vooruit met den Heer Blaek, en zij zijn zoo druk over den wissel op Londen aan den gang, dat zij niet bespeuren, dat wij achtsrblijven. En de Heer Lodewijk, waar is die?”

„Ik gsloof naar stal,” zeide Henriëtte: „om de paarden van den Heer Van Baalen te zien.”

„Aha! zoo hij die boven ons gezelschap verkiest,” zeide Suzanna, „dan zie ik wel, dat ik op hem ook niet zal moeten rekenen, om mij hedenavond ter kermis te brengen, en ik zal Kapitein Pulver wel te vriend mogen houden: anders ben ik geheel zonder vrijer.”

„Tante heeft wel gelijk,” zeide ik stil tegen Henriëtte: „wanneer zij zegt, dat wij dien Monsieur Weerglas moeten daarlaten. Hij heeft mij ten minste lang genoeg onttrokken aan een gezelschap, dat mij boven alles aangenaam is.”

„Mijnheer!” antwoordde Henriëtte: „gij herinnert u onze afspraak op den koepel wel? Wij zouden alle complimenten daarlaten.”

„Ik kan het waarlijk niet helpen,” zeide ik, „dat gij geen onderscheid weet te maken tusschen waarheid en complimenten.”

Op deze wijze pratende, wandelden wij voort, terwijl Suzanna den zeeman had beetgenomen, wien zij allerlei vragen deed, en Tante nu rechts dan links liep, om bloemen te plukken, welke zij alsdan aan de jonge meisjes kwam aanbieden. Na eenigen tijd vervoegde zich Lodewijk weder bij ons, of liever bij Van Baalen, met wien hij, na lang loven en bieden, den koop eens werd over de harddravers, onder beding, dat hij die nog eens zoude probeeren.

Te huis gekeerd, vonden wij de theetafel, die ons wachtte: en terwijl wij het geurige kruid dronken, liet ik, mij van alle onzekerheid wenschende te ontslaan, het gesprek vallen op de Spaansche aangelegenheden.; waarna ik, bij mijn neus langs, de vraag deed, of iemand den Graaf van Talavera ooit had hooren noemen.

Het kwam mij voor, of de Heer Blaek bij deze vraag eenigszins van kleur veranderde: hij hield zich althans, of hij die nooit gehoord had; maar Van Baalen haastte zich te antwoorden:

„Den Graaf van Talavera! wel zeker! wie kent dien niet? Hij was Vlies-Ridder, Grande van Spanje, Admiraal van Castilië, gunsteling des Konings; in één woord, een troetelkind van ’t geluk; – maar ’t kan verkeeren, zegt Bredero: en met hem is het ook mal afgeloopen. Hij is in ongenade geraakt, heeft zich uit de voeten gemaakt en niemand weet, wat er van hem geworden is.”

„’t Is waar ook,” hervatte ik: „nu herinner ik mij, vroeger wel van den man gehoord te hebben.”

„Stil! stil toch!” zeide Tante, terwijl zij Van Baalen met den elleboog aanstootte. „Ik mag er dan toch wel bij vertellen,” vervolgde hij, niets van de geheime wenken van Tante begrijpende, „dat hij eigenlijk een Gelderschmsn van geboorte was en zijn loopbaan in ’s lands dienst begonnen is. De Heer Blaek zal zich Baron Van Lintz wel herinneren?”

„Ik, Mijnheer?” vroeg de Heer Blaek, terwijl hij moeite had, om het theekopje, dat in zijn hand beefde, aan den mond te brengen: „met uw verlof.... neen.... ik herinner mij niets van hem.”

„Niets! Is dan niet.... O! hoe kan ik zoo dom zijn?” zeide Van Baalen, terwijl hij zichzelven met de vuist voor het hoofd sloeg: „Ik was waarlijk uwe betrekking tot dien man vergeten. Ik verzoek verschooning: ik heb mij schandelijk voorbijgepraat, Zoo iets kan slechts mij alleen gebeuren. Ik ben de ongelukkigste man van de wereld.”

Nu was ik nog even wijs. Ik keek rond: de Heer Blaek was van zijn ontsteltenis nauwelijks teruggekomen: Van Baalen ging voort met excuses te maken. Henriëtte zag met haar groote en fraaie oogen iedereen beurtelings aan als om opheldering te vragen. Tante bood theerandjes en confituren aan, en deed haar best om de aandacht af te trekken. Lodewijk neuriede een Fransch liedje en Suzanna mompelde in zichzelve:

Wat Pulver betreft, hij was in zulk een rookwolk gehuld, dat het mij onmogelijk was zijn gelaat te onderscheiden.

Het gesprek werd nu, zoosls meestal het geval is na een dergelijk incident, koud en onbeduidend: ja, het was met een waar genoegen, dat iedereen het theegoed zag wegnemen, waarna wij gezamenlijk een wandeling in het dorp gingen doen. Dewijl de kermisvermakelijkheden, welke wij daar bijwoonden, niet van dien aard waren, dat de beschrijving daarvan eenigszins belangrijk voor den lezer zoude zijn, maar slechts dienen zoude, om mijn verhaal nutteloos te verlengen, zal ik hier alleen vermelden, dat Suzanna, bij het gooien aan een koekkraam, door de fortuin begunstigd werd en het geluk had van een grooten koek te trekken, waarop met gouden letters te lezen stond:

DIT IS
VOOR
MIJN.

Wij keerden tegen negen uren huiswaarts, waarna de vier genoodigde Heeren, wier rijtuigen reeds een poos gewacht hadden, hun afscheid namen en Heizicht verlieten.


[Hoofdstuk 16] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 18]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001