MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN FERDINAND OP ZIJN KANTOOR GEÏNSTALLEERD, EN, ALS KRELIS LOUWEN, OP EEN POËTENMAAL WORDT GENOODIGD.


Het was met een beklemd hart, dat ik den volgenden morgen de sjees van Tante zag voorkomen, om mij naar Amsterdam terug te brengen, en mij een plaats te doen verlaten, waar ik een voorwerp achterliet, dat mij ondsnks onze korte kennismaking, onuitsprekelijk dierbaar geworden was. Ik mocht echter mijn verblijf niet langer rekken; want ik moest dien dag bij den Heer Van Baalen zijn om mijn nieuwe betrekking te aanvaarden: en ik wil niet ontkennen dat de gedachte mij streelde, van niet langer, gelijk voor vijf dagen, te Amsterdam aan te komen, als een berooide straatslijper, die niets te verdienen heeft, maar als medechef van een geaccrediteerd handelshuis. Deze betrekking gaf mij dan ook tevens eenigen waarborg om met meer vrijmoedigheid aanzoek te kunnen doen naar de hand van een meisje, hetwelk ik niet zoude ten huwelijk durven vragen, zonder het vooruitzicht te hebben, van haar eerlang een maatschappelijke positie te verschaffen, geëvenredigd aan die, waaraan zij gewoon was. Deze en dergelijke gedachten beurden mij onderweg zoodanig op, dat ik in eene recht opgeruimds stemming te huis kwam, Na mijn moeder omhelsd, en de jonge leden der familie verheugd te hebben met een grooten koek, dien Suzanna mij voor hen had medegegeven, begaf ik mij naar het huis van Van Baalen, die mij uiterst minzaam ontving en terstond naar zijn kantoor geleidde, waar ik met alle behoorlijke plechtigheid aan de boekhouders, bedienden en loopers werd voorgesteld.

„Ik heb dezen hoek voor u bestemd,” zeide Van Baalen: „hopende dat de plaats en het licht u gevallen – en dien lessenaar geledigd, dien UEd. gebruiken kan, zoolang er geen nieuwe vervaardigd is. – Wijdveld! haal de boeken eens, dat Mijnheer Huyck eenig denkbeeld moge bekomen, hoe de zaken staan en op wat hoogte wij zoo wat zijn. – Zoo UEd. eenigs kopieën of notitie van ’t een of ’t ander verlangt, heeft UEd. maar te spreken: en, heeft UEd. eenige inlichtingen noodig, Wijdveld of ikzelf zijn altijd bereid u die te geven.” Gedurende deze minzame toespraak van mijn nieuwen compagnon, had Wijdveld, de tweede boekhouder, al de boeken aangebracht, voor mij op de schrijftafel nedergelegd en aan het laatst beschreven folio opgeslagen, waarna hij zich weder naar zijn lessenaar begaf. Ik riep nu al mijn opmerkzaamheid en hetgeen mij van de theoretische kennis van het Italiaansch boekhouden uit mijne schooljaren was bijgebleven, te hulp, om mij met den staat der zaken bekend te maken. Van Baalen had, naar het mij dien dag voorkwam, overal het oog, en, gelijk mij later bleek, ook het hoofd bij: en, zonder zijn plaats of werk te verlaten, wist hij dat zijner ondergeschikten zorgvuldig na te gaan, hun zijn bevelen te geven, hen, waar ’t noodig was, te recht te wijzen, en op mijn gezicht te lezen, wanneer ik hier of daar zwarigheden ontmoette.

„Mijnheer Karelsz!” zeide hij, na eenen der ontvangen brieven gelezen te hebben, tot den eersten boekhouder; „Heinrich Haspel en Co. te Hamburg schrijven ons hun te remitteeren à 33½ st. per daalder van 32 ß lubs of op Frankfort a 85 & per florijn van 66 kreutzers.”

„Ik geloof,” zeide Karelsz, „dat wij à 84 & op Frankfort kunnen remitteeren.”

”Ja,” zeide Van Baalen: „en tot 33 st. op Hamburg, hetgeen hun nog voordeeliger uitkomt. Laat Pietje Van Lingen het juiste verschil eens opmaken: – en tevens, hoeveel wij in courant geld moeten uittellen om de 1024000 reis aan Isodore Perez te Lissabon te remitteeren à 110 & per dukaat de agio1/8 percent. – Hier is een advies van John Smith te Londen, dat hij 480 stuks Blok-tin voor onze rekening heeft ingekocht en te Cadix geconsigneerd om aldaar voor onze rekening te verkoopen.... die factuur loopt hoog gsnoeg: 496 £ sterling; maar de ongelden schijnen grooter geweest te zijn dan gewoonlijk: – Monsieur Snijders! wanneer gij er in geslaagd zult zijn, uw pen te vermaken, waaraan gij sedert een half uur bezig zijt, wees dan zoo goed, deze factuur eens over te brengen: en te zien hoe onze rekening met dat huis staat: – het verwondert mij, dat hij niets schrijft over die vier balen Beathilies Ternstanes, dis hem in de vorige week gezonden zijn; het heeft wel is waar nogal gestormd op zes: en de beurtman kan te laat zijn aangekomen: – aan die Suiker van Harry Harding op Sint-Christoffel behoeft geen rekening gegeven te worden, Mijnhesr Wijdveld! Ik heb van dien man geen goed meer te wachten. – Ik zie al, waar UEd. naar zoekt, Mijnheer Huyck! UEd. is waarschijnlijk verwonderd, dat de agio niet bij iederen wissel genoteerd staat: maar het is mijne gewoonte, dat op zijn beloop te laten en bij ’t sluiten der rekening het bedrag der agio op Rekening van Agio te brengen, en de rest op Winst en Verlies. – Mijnheer Karelsz, hebt gij al een nota van De Wijs over den verkoop van die 36 Ceroenen Indigo Lauro? – Wees anders zoo goed hem daaraan te herinneren: en zeg hem, dat, zoo hij die niet dadelijk inlevert, ik mij van een anderen makelaar zal bedienen; – en denk toch, om Van Erksles te waarschuwen wegens de assurantie voor de „Fortuin”. Pulver hseft zich al beklaagd, dat men het schip nog niet is komen opnemen, Ziedaar, Mijnheer Huyck! hier is een circulaire, die ik gesteld heb, om bericht van onze compagnieschap te geven: UEd. gelieve uw oordeel daarover te zeggen. Nu zie! dat is mis,” vervolgde hij, een anderen brief lezende, en dien aan Karelsz overreikende, die bleek werd als een doek.

„Hemel!” zeide deze, met een zachte stem, zoodat geen der bedienden het hooren kon: „dat is een ongeval! wie had dat kunnen droomen!”

„’t Zijn veertig duizend gulden in ’t water,” zeide Van Baalen, de schouders ophalende, doch zonder een gezicht te vertrekken.

„Paulus Leyster insolvent!” hernam Karelsz, zuchtende: „ik had zooveel vertrouwen in zijn soliditeit.”

„Stil!” zeide Van Baalen: „men behoeft niet precies te weten, wat wij daaraan verliezen. Bovendien, zonder schade hier of daar gaat de negotie nooit. Tracht intusschen berichten in te winnen, of er nog wat van te recht komt. Mijnheer Huyck! ik zal u dit later wel vertellen. ’t Valt gelukkig, dat UEd. hier nog niets mede te maken heeft; doch UEd. kan er uit zien, dat het ons niet altijd voor den wind gaat.”

Dit was het eenige beklag, dat hij zich veroorloofde. Ik kon van mijne verbazing niet terugkomen. Was deze dezelfde man, wien ik den dag te voren zoo morrende en klagende had leeren kennen. Hij had zich den ongelukkigsten man der wereld genoemd, omdat zijn tuinbaas hem geen doperwtjes kon leveren, en hij droeg met gelatenheid een verlies van veertig duizend gulden. Hoe verkeerd, dacht ik, zijn de oordeelvellingen der menschen bij een slechts oppervlakkige kennis! Wie den Heer Van Baalen alleen in de gewone samenleving ontmoet had, zou hem niet anders hebben beschouwd dan als een verdrietigen, gemelijken, verstrooiden knorrepot, die zichzelven en anderen tot last leefde; – en ook alzoo had ik hem beoordeeld, en reeds het denkbeeld mij beangst, van in zijn gezelschap mijn dagen te moeten slijten. Hoezeer had ik mg bedrogen! en hoe aangenaam vond ik mij verrast, nu ik hem in zijn waarde leerde kennen; en, dat ik het hier bijvoege, hoe meer tijd ik in het vervolg met hem sleet, hoe meer ik zijn rustelooze werkzaamheid, zijn helder inzicht in de zaken, zijn geest van orde, zijn kordaatheid in ’t handelen en zijn gelijkheid van gemoed bij voor- en tegenspoed leerde bewonderen. Slechts op ééne wijze heb ik mij dat verschil tusschen Van Baalen op ’t kantoor en Van Baalen in de wereld kunnen verklaren. Hij was van de natuur tot handelaar bestemd, en door zijn stand in de maatschappij tot uitgaan gedwongen. In zaken was hij op zijn plaats: in de wereld speelde hij een rol. Maar zijn ziel was bij zijn affaire en bleef er bij, al was zijn lichaam in de dagelijksche kringen aanwezig; hij gevoelde zich aldaar niet op zijn gemak: en verveling, zucht om zonderling te schijnen, wrevel, of al deze aandoeningen te zamen genomen, bedierven alsdan zijn luim en vormden hem tot den man, dien ik vroeger geschilderd heb. Terwijl ik mij nog op het kantoor bevond, kwam mijn boodschap aan Helding mij in de gedachten. Ik was eerst voornemens geweest, die aan Heynsz op te dragen: maar de vrees om vermoedens te wekken had mij dit plan doen verwerpen: en ik begreep, dat het beter ware en meer overeenkomstig met het doel des zenders, het geld op een zoodanige wijze in handen des dichters te spelen, dat men nimmer kon nagaan van wien het kwam. Toen dus, bij het sluiten van het kantoor, de bediends kwam hooren, of de patroon nog iets te zeggen had, verzocht ik verlof aan Van Baalen, dien man met een commissie te belasten: dit toegestaan zijnde, nam ik den looper ter zijde, deelde hem mijne instructiën mede, en stelde hem vervolgens het geld ter hand, dat ik, om op alle gelegenheden gewapend te zijn, bij ’t van huis gaan had bij mij gestoken. Ik bleef toen nog eenigen tijd met Van Baalen alleen, ten einde al wat onze compagnieschap betrof op een behoorlijken voet te regelen, en keerde recht tevreden naar huis.

Op den avond van dien dag zat mijn familie in onze huiskamer vereenigd. Tante Letje was bij ons te bezoek ea ik was naar mijn kamer gegaan om eenige plaatwerken te krijgen, die ik aan de mijnen wilde laten zien, toen ik hoorde, dat er iemand aangediend en na eenig toevens binnengelaten werd. Ik kwam weder beneden, mijn platen onder den arm houdende, en was niet weinig verbaasd en teleurgesteld, teen ik ontdekte dat de bezoeker niemand anders was dan vriend Helding, die, zoodra hij mij zag, naar mij toekwam, en met de meeste eerbiedigheid mij zijn dank betuigde voor de weldaad, die ik hem bewezen had.

Ik stond als van den donder getroffen en verwenschte het toeval, dat ik juist uit de kamer was, toen hij zich had laten aandienen: daar ik in het tegenovergestelde geval naar hem had kunnen gaan en hem afzonderlijk spreken: en nu, vreesde ik, zou de bommel losbreken.

„Maar mijn waarde Monsieur Helding!” zeide ik eindelijk; „ik weet niet waar UEd. van spreekt: ik betuig u, dat uw dankzeggingen mij zoo vreemd voorkomen....”

„Wel ja!” zeide mijn vader, die van meening was, dat Helding voor de twee dukaten bedanken kwam: „UEd. behoefde waarlijk niet de moeite te doen, van daarvoor hier te komen. Het gedicht, waarmede UEd. ons vereerd hebt, is slechts weinig betaald met zulk een bagatelletje.”

„Een bagatelletje, Ed.-Gestr. Heer!” riep Helding: „waarlijk! zoo UEd. honderd Zeeuwen een bagatelletje noemt!. voor UEd. is ’t mogelijk, maar voor mij waarachtig niet.”

„Honderd Zeeuwen!” herhaalde mijn vader: „hier moet een misverstand plaats hebben: dat geld komt van mij niet: en ik betwijfel, of mijn zoon ook genoeg bij kas is om zulke munera weg te geven.”

„Eilieve, Ed.-Gestr, Heer!” hervatte de poëet: „UEd. drijft het al te verre. Zulk een edele wijze van schenken verhoogt de waarde van het geschonkene.”

„Dat uw slinkerhand niet wete wat uw rechter geeft,” mompelde Tante Letje.

„Maar het is vruchteloos,” vervolgde Helding, „de zaak te willen verbloemen. Hoe fijn het werk ook bestoken was, ik ben er toch achter gekomen.”

„Eilieve! Geef ons de historia facti eens,” zeide mijn vader, „want ik ben nieuwsgierig te weten hoe de vork in den steel zit.”

„Met genoegen, Edel-Gestr. Heer. Ik zat daar op mijn bovenkamer en had een veldzang ter gelegenheid der verjaring van den Heere Smethof voor mij, terwijl Heynsz, mijn huisheer, juist bij mij zat en mij een quitantie schreef voor drie maanden huur, die ik hem voldeed uit de twee dukaten, die UEd. laatst bij mij gelaten hadt. Daar wordt aan mijn deur geklopt: ik zeg „binuen!” daar komt mg een Monsieur binnen: „Monsieur Lucas Helding?” – „Dezelfde,” zeg ik. „Dan moet ik u dit zakje overhandigen,” zegt hj: „wees zoo goed, mij quitantie daarvoor te geven.” Met begon hij het geld op de tafel uit te tellen: alle gsrande Zeeuwsche Rijksdaalders, Ik was zoo buiten mijzelf, dat ik beefde als een rieten blad. „Maar man!” zeg ik: „UEd. is zeker abuis. Ik ben geen geld te wachten.” – „Geen abuis ter wereld,” zegt hij, terwijl hij het geld al vast voortelde: „zoo UEd. Lucas Helding is: 29, 30, 31.” – Maar van wie komt het toch?” vroeg ik. – „Ja! dat mag ik niet zeggen: 45, 46, 47.” – Het was mij alsof alles mij draaide voor de oogen! zulk een som gelds te zien. – „Wel!” zeide Heynsz: „ik zou het maar opsteken. Men moet zoo geen koren van den molen sturen.” – „Och!” zeide ik: „Sinjeur Heynsz! wees zoo goed en schrijf mij de quitantie eens. Gij zijt nu toch bezig: en ik zou niet in staat zijn, een letter op ’t papier te stellen, zoo confuus ben ik.” – „Daar heb ik niet tegen,” zeide hij: „hoe groot is de som?” – „Tweehonderd zestig gulden,” zei de vreemde persoon. – Nu, Heynsz schreef hst reçu: ik teekende, en de man kuierde weg. „Begrijp je daar iets van, Sinjeur Heynsz?” vroeg ik. „Neen,” zei hij: „maar ’t is een buitenkansje, daar ik u geluk mee wensch....”

„Ken je die man?” vroeg ik weer, „Jawel!” zeide hj: ’t is een kantoorknecht bij Van Baalen.”

„Dat die drommelsche verklikker ook tegenwoordig moest zijn,” dacht ik, bij dit gedeelte van Heldings verhaal. Deze vervolgde: „Dat was aan geen doove gezeid. Ik gaf mijn geld aan Heynsz om te bergen en liep naar den Heer Van Baalen. Maar jawel! Ik had pas een paar woorden gezegd, of ik merkte, dat het alweer mis was. „Ik geef mijn geld zoo niet weg,” zeide hij, en liet daarop den kantoorknecht roepen, die juist aan huis was. Toen kwam het hooge woord er uit: hij had het van UEd. gekregen om het mij te bezorgen,”

Hier zette mijn geheele familie groote oogen op en ik sloeg de mijne neder, mijn noodlottig gesternte verwenschende.

„Ik wist niet, dat uwe middelen zoo ruim waren,” zeide mijn vader met bevreemding.

„Het spijt mg, dat het ontdekt is,” hernam ik: „maar ik: kan u verklaren, Monsieur Helding! dat uw dankbetuigingen niet aan mij behooren gericht te zijn. UEd. is het geld evenmin aan mij verschuldigd als aan den kantoorknecht, die het u gebracht heeft; want beiden hebben wij het van een derde ontvangen: en de hand, die ’t mij ter hand stelde, wil niet genoemd zijn.” Mijn toon was zoo ernstig, dat Helding overtuigd scheen. Nu keek hij mijn vader aan; maar deze schudde het hoofd, en mompelde: „Etiam per interpositam personam donatio consummari potest; maar ik begrijp er niets van.”

„En mag ik er volstrekt niet naar raden, wie de zender is?” vroeg Helding. „Ik verzeker u,” was mijn antwoord, „dat gij daar vergeefsche moeite toe zoudt doen. Het is mij bovendien volstrekt verboden u iets dienaangaande te vertellen.”

Helding zuchtte en haalde de schouders op: „in dat geval ben ik UEd. toch altijd dankbaar voor de bezorging,” zeide hij: „en hetzij UEd. de zender zijt of niet, zoo wil ik toch niet nalaten, UEd. het tweede oogmerk mijner komst mede te deelen, zijnde om UEd. te noodigen op een klein partijtje, dat ik sedert lang aan eenige mijner kunstvrienden schuldig ben en nu eindelijk in staat ben gesteld, hun te geven.”

„Mijn waarde Monsieur Helding!” zeide ik: „ik ben volstrekt niet op de hoogte, om met geleerde lieden om te gaan, en zal bovendien thans drukten genoeg aan de hand krijgen, die mij dergelijke partijen wel zullen beletten.”

„Ja! dat vind ik ook,” zeide mijn moeder, mij met bezorgdheid aanziende: „dergelijke partijen duren somtijds laat: men gebruikt er meer wijn dan gewoonlijk, en de gezondheid lijdt er door.”

„Och! UEd. meent het niet,” zeide Helding: „de Jongeheer kan immers naar huis gaan wanneer hij verkiest, en behoeft niet meer te drinken dan hem lijkt; een glas roode wijn kan op zijne jaren zooveel kwaad niet: en dan bovendien, de Jongeheer heeft het mij beloofd.”

„Het zij verre van mij, hier, ongeroepen, wijsheid te willen verschaffen,” zeide mijn vader: „maar ik geef u, Monsieur Helding! vriendschappelijk in bedenking, of gij weldoet, de verkregene som zoo dadelijk te gebruiken om uwe vrienden te trakteeren. Ik weet wel, gij poëten acht het geld als slijk en denkt met Horatius:

Nullus argento color est avaris abdito terris;

maar toch, ik denk, dat het oogmerk des zenders geweest is, dat gij er u-zelven mede te goed deedt, en niet, dat anderen het verbrasten.”

„UEd,-Gestr. spreekt zeer waar,” zeide Helding: „maar wat is het geval? Ik ben nu al zoovele jaren lid van een vriendenkring ter onderlinge oefening in de dichtkunst. Volgens de instellingen van ons genootschap moeten wij maandelijks bij een der leden vergaderen, die de overigen ontvangt en hun een glas wgn schenkt naar zijn vermogen. En daar zij nu weten, dat ik geen kelder heb, wisten zij het altijd zóó te schikken, dat mijne beurt werd overgeslagen. Ik heb nu zoovele jaren altijd op hunne kosten wijn gedronken, en nu wilde ik wel voor eens in mijn leven hunne beleefdheid te mijnen opzichte vergelden.”

„Dat is edelmoedig gedacht,” zeide mijn vader: „maar toch, draag zorg, dat gij niet alles aan den wijn verdoet: en bepaal u dan bij hen, aan wien gij een traktement schuldig zijt.”

„Nu ja!” zeide Helding: „of er een paar meer of minder zijn, dat zal er zooveel niet toe doen: en aan den jongen Heer, die mij in staat gesteld heeft mijn huishuur te voldoen, wilde ik toch ook wel toonen, dat ik niet ondankbaar ben. ’t Is zeker wel wat vermetel van mij, te durven hopen, dat iemand als de Jongeheer Huyck mij de eer aan zoude doen mijn arme woning te bezoeken.”

„Volstrekt niet,” hernam mijn vader: „en ik heb er niet tegen, dat mijn zoon van uw uitnoodiging gebruik make, indien zijn kantoordrukten het niet beletten en hij voor dien avond niet verzeid is.”

„Maar lieve engel!” zeide mijn moeder, vreemd opziende: „gij meent het immers niet?”

„Kom, Keetje-lief!” zeide mijn vader: „wees maar tevreden: indulge veniam puero.”

„Ja!” zeide zij, de schouders ophalende: „als gij Latijn begint te praten, zal ik maar zwijgen,” en zij schudde het hoofd, terwijl haar geheele wezen te kennen gaf, dat zij die partij niet goedkeurde.

„Ziezoo! dat is treffelijk,” zeide Helding, terwijl hij zich tot mij wendde, en de handen wreef: „UEd. zal zien, het zal in orde zijn. Heynsz heeft mij veroorloofd, de gasten op zijne kamer te ontvangen, dan behoeven zij zoovele trappen niet te klimmen....”

„En hebben minder gevaar er af te rollen,” dacht ik. „En ik zal de Juffrouw, die beneden mij woont, verzoeken koffie te schenken: dan heeft het goede mensch ook reis een verzet: want zij zit den geheelen dag te kniezen en te zuchten.”

„En zal die Juffrouw dan alleen met al die Heeren zitten?” vroeg Moeder.

„Wel neen, Mevrouw!” antwoordde Helding, lachende: „zij zal op haar kamer blijven en ons de koffie sturen. – Och! het is een lief meisje, zoo vriendelijk, zoo zachtzinnig: nietwaar Mijnheer?” vroeg hij, mij tot getuige nemende.

„Zoo Ferdinand! Kent gij die Juffrouw ook al?” vroeg mijn moeder, half schertsend, half bestraffend.

„Dat is te zeggen, ja, ik heb haar in ’t voorbijgaan gezien, toen ik Monsieur Helding bezocht,” antwoordde ik.

„Nu ja, gezien,” zeide Helding: „en een grooten dienst gedaan bovendien. – Nu zij is ook altijd recht dankbaar; want zoo dikwijls ik haar op de trap ontmoet en een praatje met haar maak, vertel ik haar van UEd. en dan glinsteren haar oogen als twee sterretjes.”

„Wat is dat voor een juffer?” vroeg op zijn beurt mijn vader, met een strakken blik: „en wat zijn dat voor disnsten, die Ferdinand haar bewezen heeft!”

„Och! een zedig meisje,” zeide Helding, „die geen Christenziel bij haar ziet, en nooit uitgaat: en vroom ook; – maar zij woont dan bijster alleen en verlaten. Daar heb je den Notaris Bouvelt, daar ik geloof dat het een stuk van een nicht af is, die komt niet eens naar haar omzien. De man is ziek, dat is mogeljk; maar kon hij niet eene van zijn dochters zenden? al was het maar om haar naar de kerk te brengen, waar zij nu niet alleen naar toe durft gaan. Gistersn nog vroeg ik haar, zoo bij manier van spreken, waar zij ter kerke geweest was: en zij antwoordde mgij dat zij sedert haar komst te Amsterdam nog geen voet over den drempel heeft gehad, omdat zij niet alleen durfde uitgaan. En toen vroeg zij mij, of ik geene zuster of nicht had, die op jaren ware, en haar derwaarts zouds kunnen geleiden.”

„Arme ziel!” zeide Tante Letje, met deernis: „zij is gelijk aan den geraakte, die de genezende wateren van Bethesda niet kon genaken, omdat er niemand was om hem op te nemen.”

„Maar dat heldert nog niet op, wat Ferdinand met haar te maken had,” zeide mijn vader.

„Anders niet,” zeide ik, „dan dat ik haar bevrijd heb van iemand, wiens bezoek haar lastig was; doch Monsieur Helding weet, dat wij den naam des onbescheiden indringers niet voegzaam kunnen noemen.”

Mijn vader zweeg en nam een snuifje. Ik wist, wat dit beteekende; want de snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak: namelijk wanneer hij hoofdpijn had, in de pleitzaal bij lange pleidooien, in de kerk bij vervelende predikatiën, wanneer hij iets zwaarwichtigs op te stellen had, of wanneer hij misnoegd was. Hij bleef echter dien ganschen avond even vriendelijk jegens mij: ik vermoedde derhalve, dat zijn ontevredenheid alleen op Heynsz zoude nederkomen, die hem van het voorgevallene tot zijnent onkundig had gelaten.

Na een onbeduidend gesprek nam Helding zijn afscheid van het gezelschap, mij meldende, dat de bijeenkomst, waarop hij mij genoodigd had, den volgenden Donderdag te zes uren zoude plaats hebben, terwijl ik van mijn kant beloofde intijds aanwezig te zullen zijn. Toen ik den man uitgeleide deed naar de voordeur, vroeg hij mij, of ik reeds, ingevolge mijn belofte, hem de vriendschap gedaan had van met mijn vader over zijn dochter te spreken. Ik antwoordde, gelijk de waarheid was, dat ik zulks terstond had verricht: doch dat er met de verlangde nasporingen wel eenige tijd zoude verloopen, vermits het verloren schaap zich sedert lang niet meer in Amsterdam bevond en waarschijnlijk van naam was veranderd. Helding toonde zich hoogst erkentelijk en maakte nog verscheidens verschooningen over de moeite, welke hij mijnen vader en mij veroorzaakte, waarna hij vertrok.

Bij het gezelschap terugkeerende, vond ik mijn moeder bezig mijn vader minzaam te beknorren, dat hij mij naar dat poëtenmaal liet gaan.

„Ik hoop,” zeide mijn vader, „dat Ferdinand oud en wijs genoeg is, en zich weet te matigen. Gij wilt toch niet, Keetjelief, dat wij een knaap, die nu ruim twee jaren op zijn eigen wieken gedreven heeft, weder als een schooljongen gaan behandelen? En hoewel ik niet verlang, dat hij Helding tot een huisvriend make, zoo heeft mij de dankbaarheid des mans toch getroffen en wil ik niet, dat hij ons van hoovaardij beschuldige. Had ik echter vooraf geweten,” voegde hij er glimlachend bij, „dat zich zulk een innemende koffieschenkster daar bevond, ik had mij nog eens bedacht.”

Men kan zich voorstellen, dat ik bij dit alles niet zeer op mijn gemak was en met schrik opzag tegen het losbersten der donderbuien, die zich van alle kanten boven mijn hoofd samenpakten. Maar mijn ongerustheid moest nog vermeerderd worden. Den volgenden dag kwam er een mand van Tante Van Bempden, met groenten en vruchten, welke zij aan mijn moeder stuurde, en een brief er bij van Suzanna aan mij, van den volgenden inhoud:

Sinjeur Ferdinand!

Gij hebt voorwaar mooie stukjes uitgevoerd! daar zijn nu al mijne profetieën uitgekomen, dat gij nooit zoudt deugen. Ja! Ferdinand werd altijd in de familie als een achtste wonder beschouwd, en ik, die wat beter inzicht in de zaken had, al zoo weinig geloofd als wijlen Mejuffrouw Cassandra. Maar zoo gaat het: als de wijsheid op de straten schreeuwt, blijft ieder thuis; en als de dwaasheid maar even fluit, is er dadelijk een toeloop. Pas maar op, dat er geen toeloop kome om u te zien ophangen. Denk eens! de zoon van den Hoofdschout het stadhuisraam te zien uitsteken: dat zou een aandoenlijk schouwspel wezen. Nu ja! kijk maar zoo vreemd niet op; de bommel is uitgebroken. Daar komt van morgen Baas Roggeveld met zijn lakenveldsche koeien aanzetten en vertelt aan Tante, dat die Monsieur Weerglas, die in zijn huisje woonde, met de noorderzon vertrokken is, niemand weet waarheen: ofschoon iedereen gissen kan, dat hij niet spoedig terug zal komen: overmits zich hedenmorgen de Baljuw in eigen hoogen persoon aan het ledige huisje vervoegd heeft, bewerende, dat gemelde Monsieur Weerglas niemand anders was als.... nu raad eens, zoo gij kunt; of liever, zoo wij ’t niet weet: – niemand anders als Zwarte Piet, en de bedrijver van ettelijke diefstallen, huisbraken en rooverijen op den publieken weg. Nu behoef je niet te vragen, hoe of Tante opkijkt, dat gij met den Sinjeur op zulk een intiemen voet waart, dat hij u visites kwam doen. Zij wilde er eerst aan Papa over schrijven: maar ik heb haar beduid, dat zij den man maar verdriet aan zoude doen, en dat het beter ware, dat ik u eerst kapittelde over het aangaan van dergelijke liaisons. Ik kan u zeggen, dat ik er van ril en beef: en dan, hoor ik, heeft Pulver verteld, dat gij een zakje met geld van dien fielt hebt ontvangen. Is UEd. altemet een compagnon van Cartouche en Jaco?

On apprend à hurler, dit 1’autre avec les loups.

En ik mag Van Baalen wel waarschuwen; anders gaat gij nog met de kas strijken, en dan zou hij inderdaad de ongelukkigste man der wereld worden. Ik heb al aan Jetje Blaek geraden, haar koffertje na te kijken, om te zien of gij haar niets ontstolen hebt. – Ten haren opzichte zou ik het u vergeven; want dat ware volgens het recht van wedervergelding (jus talionis, zou Papa zeggen: ja ik weet ook wel een mondvol Latijn): overmits zij, zoo ’t mij voorkomt, zich aan de dieverij van uw hart heeft schuldig gemaakt. – Nu! op haar hart zult gij wel alle aanspraak verbeuren, zoo gij er dergelijke kennissen op nahoudt. ’t Is toch jammer! laatstleden Zondag scheen zij u zoo genegen, en toen gij aan tafel met den Heer Van Baalen aan ’t redetwisten waart over het tarief, keek zij, ofschoon zij er wel niets van begrepen zal hebben, u met zulke aandachtige oogen aan, dat het mij den schijn had, als had zij haar toilettafel tegen een gebroken bloempot willen verwedden, dat gij gelijk hadt. – Nu! rechtvaardig u, zoo gij kunt, want Tante is ernstig boos: en er is een zilveren suikerstrooier zoek, dien zij zich verbeeldt, dat door dien vagebond tijdens zijn bezoek is meegepakt: of hebt gij hem misschien in den lommerd gezet? – Gij zijt er niet te goed toe; dit, weet gij, is het oordeel van

Uwe Zuster

De mededeeling van dit alles was niet geschikt om mij bijzonder gerust te stellen, en ik had reden genoeg om mijn rassche belofte van stilzwijgendheid te verwenschen. Ik kon den brief echter niet onbeantwoord laten en zag in, hoe noodig het ware, Tante te bevredigen. Ik schreef derhalve aan Suzanna en dankte haar voor den dienst, dien zij mij bewezen had, door mij zoo tijdig van het gebeurde te onderrichten, en vooral, door Tante te doen afzien van haar voornemen om aan mijn vader te schrijven. Wat de ontmoeting van Zwarten Piet betrof, zoo verhaalde ik haar alleen, dat de man mij werkelijk geld had gelaten, met het verzoek het aan een derde over te brengen; doch dat het een geheim was, waarin personen betrokken waren, die ik niet noemen mocht. „Geloof mij,” dus eindigde ik, „dat ik niet min dan gij verwonderd ben geweest over de eer van ’s mans bezoek, en dat ik wel gewild had, dat hij aan een ander deze lastige commissie had opgedragen. Ik heb die echter niet geweigerd; omdat het werkelijk een vergoeding was, welke de man deed, en dat hij, naar ik mij vleie, op weg is om zijn schandelijk bedrijf te verlaten. Bidden wij liever voor den ongelukkige, dan dat wij hem veroordeelen, en vergeten wij niet, dat, welke zijn misdrijven ook geweest mogen zijn, de poort der genade voor den berouwhebbenden zondaar nimmer gesloten blijft.”

Ik was nog een bezoek schuldig aan Tante Letje, en besloot den avond te baat te nemen om aan deze verplichting te voldoen. Ten haren huize gekomen, verzuimde ik niet, aan de dienstmaagd, die mij de deur opende, te vragen, of Tante ook belet had; want ik wist dat zich niet zelden eenige vromen ter onderlinge stichting ten harent verzamelden, en ik was niet bijzonder op het gezelschap van de weduwe Knijpduim of den catechiseermeester Zoutbrand gesteld.

„De Juffrouw is alleen,” zeide de meid, „met nog een Juffertje, dat zooeven met een sleetje hier gekomen is.”

Op deze verzekering begaf ik mij naar boven in de verwachting van de eene of andere mij onbekende neepmuts over Tante te zien zitten, maar wie schildert mijn verbazing, toen ik, in Tantes achterkamer gekomen, gewaar werd, dat de Juffer, die tegenover haar bezig was een kopje thee te drinken, al te wel bij mij bekend, in één woord niemand anders was als Amelia Bos! Wat deze betreft, zij was niet minder verrast door mijne verschijning en het kopje ontgleed bijna haar vingers.

„Zoo Neef!” zeide Tante: „ik was u hedenavond niet te wachten. Gij kent de Juffer, naar ik meen.”

„Ja Tante!” antwoordde ik: „maar ik was er verre af van te denken, dat de Juffer ook bij u bekend ware.”

„Behoeft men dan zjin naasts te kennen, om hem een dienst te bewijzen,” vroeg Tante: „kende de weduwe van Zarpath den man Gods, dien zii bij zich ontving? En staat er niet geschreven: vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetens Engelen geherbergd?”

„’t Is verre van moj,” zeide ik, „dat ik aan uw goeden wil jegens uwe naasten zoude twijfelen: maar toch vind ik mij verrast, door Mejuffer hier te zien, en kan ik niet nagaan, op welke wijze uwe ksnnismaking heeft plaats gehad.”

„Dit laat zich, dunkt mij, nogal raden,” zeide Tante: „de woorden, ten huize uws vaders door den liedjesmaker gesproken, heb ik bewaard, die overleggende in mijn herte, en het was, alsof er een stem in mijn binnenste sprak: „zie! ik moet handelen met deze maagd gelijk Hanna handelde met Samuel haren zoon, hem opbrengende tot het huis des Heeren.” – Maar ik zoude toch geene vrijmoedigheid gehad hebben, zoo maar tot haar te gaan en te zeggen: „zie: hier ben ik,” ware het niet, dat ik, hedenmorgen in den kousenwinkel bij Van Vlerken zijnde, haar aldaar had aangetroffen met den ouden man, ja, dienzelfden Helding, die haar geleidde, en haar aan mij voorstelde: en, hebbende bevonden, dat zij is gelijk eene Maria, en gaarne luistert naar de waarheid, die uit de godzaligheid is, zoo heb ik haar genoodigd om hedenavond bij mij te komen en deel te nemen in de stichtelijke onderwijzing, die ik naar mijn vermogen poog te geven aan wie dorst heeft naar de wateren des levens.”

Ik kon van mijn verbazing niet terugkomen. „Hoe!” dacht ik, „zal ik dan eeuwig, waar ik ga, uit of thuis, aan ontmoetingen worden blootgesteld, die aanleiding geven tot nieuwe verwarring? Is mijn geboortestad sedert mijn afwezigheid betooverd geworden of ben ik het zelf? Of is alles een benauwde droom? – En dan, Amelia is immers den Roomschen godsdienst toegedaan? Heeft zij Tante Letje, die zoo sterk op haar geloof staat, opzettelijk misleid? Of heeft hier een misverstand plaats? – En hoe deerlijk zal dat dan uitkomen!”

Wat Amelia betrof, ofschoon zij in het eerste oogenblik niet minder verlegen scheen dan ik, herstelde zij zich spoedig: zij had het voordeel boven mij, dat mijne tegenwoordigheid, als die van een bekende, haar gerustheid inboezemde, terwijl de hare mij zorg verwekte.

„De Juffrouw heeft mij verteld,” zeide Tante, na eenig zwijgen, „dat gij haar een gewichtigen dienst heeft bewezen.”

„Zoo!” antwoordde ik, Amelia eenigszins verwonderd aanziende en onbewust, hoe verre zich haar mededeelingen hadden uitgestrekt.

„Ja, Mijnheer Huyck!” zeide Amelia, mij uit de verlegenheid helpende: „ik heb aan Mejuffrouw uw Tante kenbaar gemaakt,. dat UEd. zoo vriendelijk geweest zijt om mij van dien lastigen Heer te ontslaan.”

„Ik heb alleen mijn plicht gedaan,” zeide ik: „en ieder fatsoenlijk man zou in mijn plaats evenzoo gehandeld hebben.”

„En de Juffrouw heeft u zeker ook verteld,” zeide Tante, „hoe het komt, dat zij dus alleen en verlaten is, gelijk Ruth de Moabietische, zonder zelfs een schoonmoeder te hebben, tot wie zij zeggen kan: uw volk is mijn volk en uw God mijn God?”

Ik wist niet, wat te antwoorden: „Wat dunkt u, lieve Tante!” vroeg ik, om er mij uit te redden: „ziet gij mij aan voor een raadsman, deftig genoeg om het vertrouwen eener jonge Juffer te verdienen?”

Amelia scheen terstond mijn oogmerk met dit ontwijkend antwoord te bevroeden, en haastte zich te zeggen: „ja Mejuffer, ik heb aan uw Heer Neef verhaald, gelijk aan u, dat ik er ongelukkig aan toe ben, daar de Heer Bouvelt mij niet kon ontvangen, en ik niet terug kan keeren naar Deventer, uithoofde mijn familie van huis is: zoodat ik mij alleen bevind.”

„Had men u ten minste maar bij een ordentelijke burgervrouw besteed,” zeide Tante: „maar, mij dunkt, Amsterdam is groot genoeg, en ik zal zelve aan dien Sinjeur Bouvelt schrijven, en hem voorstellen, u een ander logies te bezorgen.”

Santa Maria! doe dat niet,” riep Amelia ontsteld uit: „de Heer Bouvelt ligt ziek te bed en is buiten staat zich met eenige zaken te bemoeien.”

„Wat zeidet gij daar voor een vreemd woord?” vroeg Tante, terwijl ik op mijn lippen beet: „dat luidde even of het een vervloeking ware: sn daar staat geschreven: gij en zult ganschelijk niet vloeken.”

Amelia keek eenigszins bedeesd over deze bestraffing: en, naar het hooge rood te oordeelen, dat haar wangen bedekte, geloof ik, dat zij zich bovendien verwijtingen deed, van aan de goede vrouw, die haar bij zich ontving, een sprookje op de mouw gespeld te hebben: want aan die Deventersche historie begreep ik wel, dat geen woord waar was, maar nog grooter werd de verwarring van het arme meisje, toen Tante haar, na een korts stilte, de vraag deed, welken Predikant te Deventer zij gewoon was te volgen. De eene dienst, dacht ik, is den anderen waard: en ik poogde op mijne beurt Amelia het antwoord te besparen. „Gij maakt misschien,” zeide ik, „geen onderseheid tussehen hen, en hoort allen even gaarne.”

„Inderdaad,” zeide Amelia: „ik geloof....”

„Hoe!” viel Tante in: „mij dunkt, er is toch nogal onderscheid tusschen den godvreezenden Klarebron, – die zijn naam te recht draagt; want hij is als eene fonteijne der hoven, een put der levends wateren, – en den ijdelen Zevenslinger, die besmet is met Pelagiaanschen zuurdeesem en die slechts woorden zonder wetenschap voortbrengt, waarmede hij den raad verduistert en de kortzichtigen verblindt.”

„Och Mejuffer!” zeide Amelia, verbaasd over dezen uitval, waar zij niets van begreep: „ik heb daar zoo weinig verstand van, en....”

„Maar bij wien hebt gij uw belijdenis dan gedaan?” vroeg Tante: „of behoort gij wellicht tot de zoodanigen, die talmende zijn met die af te leggen, niet indachtig, dat de tijd voortgaat, en dat wij niet weten, wanneer de ure des oordeels komen zal.”

„Ik weet het niet recht,” antwoordde Amelia: „ik was elf jaar oud, toen ik het sacrament ontving, en ben vergeten welken naam de Priester droeg, bij wien ik mijn catechismus geleerd heb.”

„O wee! o wee!” dacht ik; „nu is het geheel en al mis.” Maar welke woorden zouden in staat zijn, de verbazing, de ergernis uit te drukken, welke op het gelaat van Tante Letje te lezen stonden, toen zij, uit hetgene ter kwader ure aan Amelia ontvallen was, de waarheid inzag, en ontdekte, wie zij bij zich in huis ontvangen had. Met open mond staarde zij Amelia aan: zij liet de kous, waar aan zij breide, op den grond vallen, sloeg de handen in elkander en herhaalde halfluid den gesprokenen volzin, als wilde zij zich overtuigen, of zij wel verstaan had. Wat de arme Amelia betrof, zij begreep niets van het kwaad, dat zij gesticht had: in den Roomsch-Catholieken Godsdienst opgevoed en in vreemde landen gewoond hebbende, wist zij, gelijk mij naderhand bleek, op zijn best, dat hier te lande een andere wijze van godsvereering, dan de hare, als de heerschende bestond: haar vader had het hoofd te zeer vervuld gehad met andere zaken of wellicht de gelegenheid gemist van haar te onderrichten, hoe zij zich omtrent dat stuk in Holland te gedragen had. Zij had dan ook al wat Tante vroeger gezegd had, op haar eigen kerkleer toegepast en die uitdrukkingen, welke haar duister of ongewoon voorkwamen, daaruit verklaard, dat er wellicht eenig verschil bestond tusschen den vorm van den eeredienst in dit land en in dat harer vroegers inwoning; terwijl de verwarring, veroorzaakt door de vragen, welke Tante haar deed omtrent de plaats, van waar zij voorgaf gekomen te zijn, haar nog minder had doen nadenken over den vorm, dan over het zakelijke van haar antwoorden. Ik zag intusschen, dat het zaak werd, tusschen beiden te treden.

„Tante-lief!” zeide ik; „hier heeft een misverstand plsats. UEd. schijnt niet, begrepen te hebben, en ik heb er u niet van kunnen onderrichten, dat de juffer tot de Roomsche kerk behoort.”

„De Heere beware ons!” zeide Tante, na een diepe zucht haar stem wederom krijgende, en beurtelings Amelia en mij aanziende: „dat zoo iets gebeuren moest! Hadde ik dat kunnen vermoeden, zoo had ik mij wel gewacht de Juffer te noodigen, indachtig dat de Schrift zegt: indien iemand dese leere niet en brengt, en ontfangt hem niet in uw huys.”

„Tante is Gereformeerd,” zeids ik tegen Amelia, die nu begon te beseffen, waar de schoen wrong.

„Gij zult niet langer last van mij hebben, Mejuffer! zeide zij, met waardigheid, terwijl zij oprees en haar boeltje bijeenpakte: „ik dank u voor uw goeden wil, aan mij, verlatene, betoond; en terwijl ik een erkentelijk aandenken aan uw welwillendheid bewaren zal, zal ik het steeds betreuren, dat een verschil in de vormen des geloofs u beletten moest, de opwelling van uw edel hart in te volgen.”

Tante trok bij het hooren dezer toespraak een gezicht, alsof zij een leelijk drankje innam: echter stond zij insgelijks op, en, mij aanziende, mompelde zij: „Ja! de Juffer kon het niet helpen: ’t is een abuis, ’t is een misverstand, zooals Neef wèl zegt.”

„Inderdaad” hernam ik: „maar, Tante-lief, hoewel dit nu oorzaak zijn zal, dat gij uw goede voornemens om met de Juffer naar de kerk te gaan, niet zult kunnen ten uitvoer brengen, noch haar op uwe oefeningen noodigen, zoo zie ik niet in, dat gij daarom de inspraak van uw voortreffelijk hart niet jegens haar zoudt kunnen involgen en haar op een andere wijs behulpzaam zijn of haar uw gezelschap schenken.”

„Er zijn Paapsche vrouwen genoeg in de stad,” bromde Tante: „en bovendien, wat zegt de Apostel: wijckt van desulcke af.”

„En wat heeft een nog wijzer mond geantwoord,” vroeg ik, „op de vraag, wie onze naaste was?”

Het was inderdaad opmerkenswaardig, den indruk gade te slaan, dien deze vraag op het vroom en medelijdend hart mijner goede Tante teweegbracht. Zij zag mij een wijl verrast en verlegen aan, bekeek toen met, aandacht de toppen van haar vingeren, als overpeinsde zij mijn gezegde, schommelde een tijdlang zonder spreken in haar zak, om haar neusdoek te krijgen, veegde een paar tranen weg, die in haar oogen opkwamen, drukte mij de hand en trad eindelijk naar Amelia, die nog altijd, met haar werk in de hand, en de oogen op den grond gevestigd, midden in de kamer stond, als gereed om te vertrekken.

„Neen!” zeide Tante, haar de handen drukkende en op het voorhoofd kussende: „al waart gij Heidensch of Turksch, men zal niet zeggen, dat ik u verlaten heb en voorbijgegaan, gelijk de Priester en de Leviet, die den gevonden reiziger voorbijgingen. Het is toch uwe schuld niet, dat gij met de afgoderijen van het Pausdom besmet zijt. Waar ik kan, zal ik u van dienst wezen en u bijstaan in wat zake gij mij zoudt mogen van doen hebben: en wij zullen over geene punten des geloofs spreken, tenzij gij opgewekt wordt om naar de leer der waarheid te hooren.”

„Helaas! Mejuffrouw!” zeide Amelia, terwijl zij langzaam weder haar plaats innam, waar Tante haar heen geleidde: „hoe grieft het mij, dat ik u onwillekeurig dit verdriet, deze ergernis veroorzaakt hebbe. Ik was zoo blijde met uwe bescherming: want het was zoolang geleden, dat een beschaafde eerwaardige vrouw een woord van vriendschap en deelneming tot mij gesproken had: en ik verheugde mij zoozeer op de gedachte, dat ik onder uwe schuts weder mijne zoolang verzuimde godsdienstplichten, zoude kunnen vervullen. Waarom hebben wij elkanderen niet terstond verstaan? Waarom heb ik niet dadelijk geweten, dat ik van uwentwege niets hopen of verwachten kon? – want ach! in geen ander opzicht kunt gij mij, arme verlatene, troost of hulp verschaffen.”

„Niet?” vroeg Tante: „wel dat zou wel ongelukkig zijn. Het is niet zonder wijze oogmerken, dat God ons tot elkander gevoerd heeft: en, ik zie het nu duidelijk in, ik mag niet weigeren, den plicht te vervullen, die mij wordt opgelegd. Zeg mij dan, lief kind! hebt gij raad noodig? – of wellicht geldgebrek? – Of schroomt gij misschien, u in het bijzijn van mijn neef te verklaren?”

„Ik geloof, dat ik beter doe u te verlaten,” zeide ik, zelf verlangende buiten deze netelige zaak te blijven.

„Uwe goedheid is grooter dan ik verdien,” hernam Amelia, schreiende, „maar ziedaar juist mijn ongeluk, dat ik niemand, ook u niet Mejuffrouw! mijn vertrouwen schenken mag, hoe gaarne ik dit wilde. Ik heb u wellicht reeds te veel gezegd. O! ik had hier niet moeten komen.”

Tante Letje zag Amelia met medelijden, doch tevens met bevreemding aan: en ik kon bespeuren, dat zij verlegen was, hoe verder te handelen. In haar stille en afgezonderde levenswijze had mij weinig gelegenheid gehad om menschenkennis te verzamelen: en schoon zij dagelijks ongelukkigen bezocht en met raad en daad bijstond, waren de rampen die zij lenigde, van meer dagelijkschen aard, en had zij zelden zoodanige lieden aangetroffen, wier leed, evenals dat van Amelia, een meer buitengewonen, afzonderlijken oorsprong had. Zij zag mij vragend aan; want ondanks mijn aanbod om te vertrekken, bleef ik nog altijd met den hoed in de hand staan, onzeker of ik weldeed, beide vrouwen alleen te laten, en te wagen, dat Amelia haar geheel vertrouwen schonk aan Tante, die het wel niet verraden zou, maar die mij toch ongeschikt voorkwam om met ware deelneming naar zulke zaken te luisteren, als de dochter van een buiten de wet gestelden zwerver ongetwijfeld verhalen zoude, en die haar althans geen goeden raad zou verschaffen. „Mij dunkt,” zeide ik eindelijk, met een gemaakten glimlach, „dat gij beiden, mijne dames! beter zoudt doen met een speldje te steken bij het gebeurde en eenvoudig over kousen en borduurpatronen te spreken. – Zie! ik ben overtuigd, dat zoo Mejuffer zich in haar eenzaamheid verveelt, het voornamelijk daar vandaan komt, dat zij niets omhanden heeft: Tante zoude haar stellig geen grooteren dienst kunnen bewijzen dan door haar wat werk te verschaffen; en, dank zij den behoeftigen, die hulp vereischen, dat ontbreekt nooit bij Tante.”

„Mijnheer uw neef raadt mijn gedachten,” zeide haastig Amelia, die mijn bedoeling begrsep. „O! zoo UEd. mij daaraan helpen konde: – ik zou zoo gaarne werken voor hen die het behoeven.”

„Gij zult werk hebben,” zeide Tante: „gij zult mij bijstaan om klerderen te vervaardigen voor de nooddruftigen: – Neef! wees zoo goed en zeg aan Truitje, dat zij mij de mand krijgt, die in het zijkamertje staat, waar die lijst op ligt. Gij zult mij helpen, mijn kind! en wij zullen arbeiden, gelijk Tabitha, gezegd Dorcas, voor weduwen en weezen,”

Ik zag, dat alles nu in ’t effen zoude komen, en de boodschap van Tante aan de meid gedaan hebbende, nam ik afscheid en liet de beide dames aan haar vrome bezigheid.


[Hoofdstuk 17] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 19]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001