MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

FERDINAND HUYCK

NEGENTIENDE HOOFDSTUK,

BEVATTENDE ’T GEEN ER OP DE DICHTERLIJK SAMENKOMST BIJ HELDING VERHANDELD WERD.


Het was niet dan met een soort van huivering, dat ik den Donderdag-avond zag naderen, waarop ik volgens afspraak den vriendenkring van Helding moest bijwonen; want nadat ik Amelia bij Tante Letje, waar ik verre was van haar te verwachten, had ontmoet, had ik een voorgevoel, dat ik wel niet zou kunnen vermijden om haar ten huize van Heynsz tegen te komen, waar ik ten minste zeker was, dat zij zich bevinden zou. Tienmalen was ik willens om het een of ander voorwendsel uit te denken en nog voor de uitnoodiging te bedanken; maar al kon ik Helding met een schoonschijnende reden afschepen, ik begreep, dat ik toch ook reden zou moeten geven aan mijn vader: en ik had reeds genoeg mijn bekomst aan ’t veinzen, dan dat ik nieuwe uitvluchten zoude gaan uitdenken. Bovendien, en in weerwil van al de onaangenaamheden, welke mijn kennismaking met den Heer Bos en zijn dochter mij berokkend had en waarschijnlijk nog berokkenen zoude, er bleef toch altijd een zekere nieuwsgierigheid bij mij huisvesten, wat er toch eigenlijk van hunne zaak ware en hoe het met hun af zou loopen: en ik vertrouw, dat mijn lezers die nieuwsgierigheid niet slechts in mij verschoonen, maar ook met mij deelen zullen; anders deden zij gewis beter dit geschrift maar niet verder door te lezen. Ik was, men vergeve mij deze platte vergelijking, niet ongelijk aan een knaap, dis in het Oude Doolhof op de Prinsengracht rondloopt en die, ofschoon het heen en weer dwalen hem verveelt en hij zeer wel in staat is over de heggen heen er dadelijk buiten te geraken, echter op het ingeslagen pad voort blijft draven, in de verwachting dat hij alzoo eindelijk den waren uittocht zal vinden.

Ik ging dan, ten bepaalden dage en na afloop mijner werkzaamheden aan het kantoor, naar de Raamgracht, waar ik, overeenkomstig de gemaakte schikking in de achterkamer van Heynsz werd binnengelaten. De mij te gemoet komende tabaksdamp verkondigde mij reeds aan de deur, dat de vrienden, immers gedeeltelijk, al vergaderd waren: en werkelijk vond ik er ettelijke aanwezig, aan wie ik nu met alle plechtigheid werd voorgesteld door Helding, die hen insgelijks bij de rij af aan mij opnoemde. Heynsz was, gelijk dit trouwens wel behoorde, insgelijks genoodigd, en zat in een hoek te gluren en allen beurtelings in oogenschouw te nemen, als ware hij door zijn ambt verplicht geweest ook deze onschadelijke zielen te bespieden. De overigen, ook zij die na mij kwamen, waren mij persoonlijk onbekend: alleen herinnerde ik mij de namen van dezen of genen onder hen wel eens vroeger te hebben ontmoet aan den voet van een dier lofof klinkgedichten, waarmede hot toen smaak was alle uitkomende werken, vooral dichtbundels, bijwijze van aanbeveling op te pronken, complimenten, welke men elkander over en weder toekaatste en waarvan men zich zoomin ontslaan kon als van het beantwoorden van een beleefdheidsbezoek.

„Spreek! opdat ik u kenne,” zeide de oude Wijsgeer, en zoo begon ik, toen langzamerhand het onderhoud levendiger werd, van lieverlede te bespeuren, met welke menschen ik te doen had. Het waren allen lieden van één slag; want over hunne betrekkelijke waarde als dichters wil ik, die nog wel eens een manegepaard, maar nooit den Pegasus bereden heb, liever geen oordeel vellen: het eenige onderscheid, dat er tusschen hen scheen te bestaan, was, dat de eene meer in den verhevenen, de andere in den beschrijvenden, een derde in den boertigen dichtof rijmtrant uitblonk: – ten minste zij schroomden niet, elkander den ruimsten wierook, over elkanders talenten in elks bijzonder vak toe te zwaaien, en dat met zoo weinig terughouding, dat bij mij de gedachte oprees, of zij niet al hun loftuitingen bij zulke gelegenheden verspilden, om in het tijdvak tusschen de bijeenkomsten en buiten de tegenwoordigheid van het geprezene voorwerp er des te kariger mede te kunnen zijn. De eene (de treurpoëet) werd een hoogdravende Muzenzoon, een sieraad van den Pindus genoemd, die de Agrippijnsche Zwaan (hiermede bedoelden die Heeren Vondel) groothartig op zijde streefde, bijna had men gezegd: overtrof. De tweede was: sierlijker dan Maro, en vereenigde de liefelijke weelderigheid van Flaxcus met de zinrijkheid en kracht van Juvenalis. De derde (de boertige dichter) bekwam zulke verhevene eernamen niet; maar werd met andere titels begiftigd, niet minder streelend voor zijn eigenliefde. Hij heette een kluchtige ziel, een koddige duivel, een drollige koopman, een malle weerga: en hij kon de onnoozelste dingen niet voortbrengen, ja nauwlijks zijn mond opendoen en zijn neus snuiten, of een algemeen gelach, een grinnikend hoofdknikken, een verdoovend handgeklap, begroette zijn vermeende geestigheid of bespaarde hem de moeite die uit te kramen. Overigens muntte ieder van het gezelschap uit door een, mijns bedunkens wat al te gemaakte nederigheid, die mij deed denken aan de vlucht van een jong meisje, dat achterhaald wenscht te worden, en die derwijze werd aangewend, dat zij zelden haar uitwerking miste, maar altijd nieuwe complimenten afdwong; ’t geen ten laatste zoo vervelend en walgelijk werd, dat ik mij begon te schamen over mannen, die, in leeftijd reeds gevorderd, de achtbaarheid van hun stand en jaren zoozeer uit het oog verloren, dat zij een vleitaal uitkraamden en aanhoorden, die zelfs onder jonge lieden van verschillende kunne ongepast zou zijn geweest; Ik moet echter een enkelen van dezen hoop uitzonderen: deze was een jongeling van een schrander, doch eenigszins droefgeestig voorkomen, en blijkbaar van een zwak en teringachtig gestel. Hij was eerst sedert kort als medelid in het gezelschap opgenomen, sprak weinig en zelden; doch wat hij zeide was juist en gepast; en hij onthield zich van aan een der anderen hoogeren lof te geven dan de burgerlijke beleefdheid vorderde: ’t zij dat hij nog te kort met hen had omgegaan om zich de onder hen gebruikelijke complimenten-kraam eigen te hebben gemaakt, ’t ijg dat hij van nature de waarheid te zeer beminde dan dat hij tegen zijn gemoed zoude spreken. Misschien kwam er ook bij, dat hijzelf, als de jongste van ’t gezelschap, wel aanmoediging, maar minder lof genoot, en dat hij zijne medeleden met gelijke munt betalen wilde.

312.gif (39503 bytes)Men moet met dat al niet denken, dat Heynsz en ik, ofschoon niet tot de offeraars op den Pindus behoorende, ons aandeel van den honig misten. Wat mij betreft, daar ik van den beginne af betuigd had een oningewijde te zijn, die bovendien, door mijn uitlandigheid, niet op de hoogte was om den tegenwoordigen stand der dichtkunst in ons vaderland te beoordeelen, ik werd dadelijk een Mecenas, een Messala gedoopt: en al die verstandelijke gaven, welke iemand geschikt maken om als kunstrechter op te treden, werden mij ruimschoots toegekend. Heynsz verwierf nog hoogeren lof: en, daar hij de eenige schilder in ’t gezelschap was, scheen het aan de overigen een des te geschikrter gelegenheid toe om te zijnen opzichte hun gewoon thema van eerbenamingen te kunnen varieëren. Hij was een Duitsche Apelles: zijn kunstgenooten waren niets bij hem: de werkjes, die men van hem onder ’t oog had (zes of acht onafgehaalde portretjes, die aan den wand hingen) waren kunstjuweeltjes, welke Rembrandt noch Van Dijk in staat zouden geweest zijn te vervaardigen: – NB. dit laatste stemde ik met een gerust geweten toe.

Heynsz betoonde in ’t geheel die valsche nederigheid niet, welke aan de overigen eigen was: hij wist hoe zwaar die verplichtende uitdrukkingen wogen, en was, geloof ik, weinig genoeg door de eigenliefde verblind, om wel te weten, wat er aan de voortbrengselen zijner kunst ontbrak. Hij hoorde dan ook al die lafheden met een effen gelaat aan, terwijl hij den spreker met roepingen als: „ei! ei! – wel zoo! – nu ja! –” in de rede viel, totdat hij ten laatste, dat gereutel waarschijnlijk moede, de pijp uit den mond nam, een dikke rookwolk wegblies en zich aldus uitdrukte in zijn zonderling Hollandsch:

„’t Is maar jammer, mijne Heeren! dat al de ingezetenen onzer stad niet denken over mij zooals gij hebt de goedheid vsn te doen. Dan zou ik ongetwijfeld wat meer hebben de occasie van te maken goed geld voor mijn werken. Want, wat denkt gij wel, dat mij rapporteert het meeste, met den tijd, die voortgaat?”

De poëten keken elkander aan. „Waarschijnlijk het behangselschilderen,” zeide Velters eindelijk (zoo was de jongste van het gezelschap geheeten): „want dat is tegenwoordig aan de orde van den dag.”

„Niet kwaad gegist,” hervatte Heynsz: „maar voor dat moet men zijn een Lairesse of een Moucheron. Neen, mijns Heeren! ’t is almede een speculatie op de vaniteit: – ik verdien het meeste geld met te schilderen wapens op de rijtuigen.”

„Dat kan ik getuigen,” zeide Helding: „onze vriend Heynsz heeft laatst al de rijtuigen van den Heer Blaek, mijn hooggeachten patroon, en van zijn Heer zoon met wapenborden van zijn maaksel verrijkt: men kan voorwaar niets sierlijkers uitdenken.”

„Dat moet zeker nogal wel geven,” zeide de beschrijvende dichter: „want,” voer hij declameerende voort:

Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels, die, behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten, zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp verstond.

„Ja,” voegde de treurpoëet er op zijne beurt bij: „althans tegenwoordig,

„Heerlijk! fraai gezegd!” riepen allen om strijd. „Nou! ’t zel mijn hard ontgaan,” zeide de grappige duivel, in zijn plat Amsterdamschen tongval, „of Jaap de aschkarreman zel mettertijd ook nog een wapen op zijn kar motten hebben.”

Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontvangen. „’t Is juist zooals gij zegt,” zeide Heynsz: „de klanten, bij wie ik verdien het meest, zijn niet de adellijke of patricische familiën, maar die champignons van fortuin, die, zoodra zij hebben overgewonnen geld genoeg om te houden rijgtuig, zijn van begrip, dat een geschilderd wapen is even onmisbaar daarop, als een L op de deur van een Lidmaat of een klopper op die van een Haarlemmsr kraamvrouw.”

„Maar,” vroeg Velters: „hebben zij recht, die wapenen te voeren? Ik dacht, dat dit alleen den adel toekwam.”

„Wel, mon ami!” antwoordde Heinsz: „leven wij niet in een vrije republiek? En wat bekreunen zich daarover de Heeren Staten, of er inwoners zijn, die gelieven aan te stellen zich als gekken? En dan, men weet hier in ’t generaal zoo weinig af van blazoen” (hier sloeg hij een zijdelingschen blik op den beschrijvenden dichter), „dat de domme menigte bewondert en slechts enkele verstandigen ophalen de schouders.”

„’t Moet ons toch tot spot doen strekken bij den vreemdeling,” zeide Velters: „ik ging van den winter eens op een Zondag met een Franschman rond, die de handen van verbazing ineensloeg, toen wij den Dam over en de Nieuwe Kerk voorbijgingen, waar hij al de koetsen zag, die daar stonden te wachten. „J’avais toujours cru,” zeide hij, „que les Hollandois étaient un peuple de commerçans et de bourgeois; mais, voyant toutes ces armoiries, je m’aperçois qu’il y a des nobles ici comme á, Venise.” – Maar hoe vermeerderde zijn verwondering, toen hij, naderbij komende, sommige dier wapenen met grafelijke en hertogelijke kronen zag prijken, en eindelijk zelfs een paar helmen gewaarwerd, met negen viziergaten, gelijk alleen een Koning die voeren mag, Toen keek hij mij aan, als wilde hij mij vragen of de menschen hier mal waren geworden: ik haalde de schouders op. Wat zou ik gezegd hebben?”

„Doet er dat wat toe, hoe zoo’n helm er uitziet?” vroeg de beschrijvende dichter aan zijn buurman.

„Niet lang geleden,” hervatte Heynsz, „kreeg ik een grasmof bij mij, die met twee zesthalven in zijn zak is gekomen naar dit land en bijeengeschraapt heeft een fortuin zooals weinige lieden bezitten: die bestelde mij een wapen op zijn koets: „maar ’t zol schön wèzen moeten,” zeide hij: „kijk! zoo in dezen art,” en meteen rolde hij uit een perkament, dat hij gevonden had op de een of andere verkooping, en op welk blonk, met al zijn quartieren en ornamenten het wapen des Konings van Spanje. Ik wilde den man niet geheel laten rijden voor mal, en zeide hem, dat ik niet volgen kon precies het model dat hij mij gaf, omdat zulks afbeeldde het wapen van een koninklijk persoon, doch dat hij zoude zijn content. Ik verhakstukte dan de ruiten en lieren zoo wat en maakte een wapen, waar Ménetrier niets van zou hebben begrepen. Onze maat was wonderwel in zijn schik; maar toch had ik vergeten een ding! „die goldene ketten,” zeide hij: „die fehlde daaran.” Ik begreep in ’t eerst niet wat hij meende; maar naderhand werd het mij klaar, dat hij bedoelde de orde van ’t Gulden Vlies, die versiert het Spaansche wapen en welke hij zich voorstelde, te zullen maken op het zijne geen onaardige uitwerking. Ik had alle moeite om te beduiden aan hem, dat de Keizerlijke en Spaansche gezanten beiden zouden reclameeren tegen zulk een aanmatiging, en voldeed hem eindelijk, door hem te beloven, dat ik zoude vergoeden dit gemis door het bij schilderen van twee wildemannen als tenants, welgewapend met knotsen.”

„Je hadt ze liever zeisen in derlui pooten motten geven,” zeide de koddige snaak: „dat ware naar den aard geweest.” Onder dit praten was de tijd gskomen, waarop de eigenlijke werkzaamheden moesten aanvangen. Het bleek mij nu, dat het de gewoonte bij deze Heeren was, om beurtelings een soort van prijsstof op te geven, welke door anderen beantwoord werd. De antwoorden werden door den opgeven beoordeeld en daarna door de vergadering onderzocht, geanatomiseerd, gelikt, beschaafd en ten slotte onkenbaar gemaakt.

De prijsstof, waarover thans geschreven was, luidde als volgt:

„Wat doet in Hollands tuin het best de boomen groeien?
Het mesten of het snoeien?”

Ofschoon mij, hoewel geen poëet zijnde, de zin dezer vraag zeer duidelijk voorkwam, waren er, tot mijn verwondering, slechts twee onder deze vernuften, die begrepen hadden, dat de opgever door boomen de ingezetenen van ons Gemeenebest had bedoeld en dat de tweede regel in denzelfden figuurlijken zin moest worden opgevat. Doch met dat al ware het nog maar te wenschen geweest, dat deze twee liever de vraag letterlijk hadden verstaan; want hunne redeneering, in slechte rijmen vervat, toonde genoegzaam aan, dat de goede lieden geene de minste denkbeelden hadden van hetgeen tot de huishouding van den Staat behoort.

De opgever had zijn taak insgelijks vervuld, door elke oplossing in een bijzonder versje te recenseeren; terwijl zijn conclusie was, dat hij, uithoofde der treffelijke verdiensten, welks al de antwoorden bezaten, het voorstel deed, den prijs te deelen tussehen de twee medeleden, die zijn vraag het best begrepen hadden. Dit vond algemeene goedkeuring: te meer daar de prijs uit een schellingskoek bestond en dus zeer deelbaar was. Ik was intusschen eenigszins verwonderd, dat Velters, naar het scheen, niet medegedongen had: maar hij gaf kort daarna te kennen, dat hij zich met zulke fijne dichtgeesten niet in een wedstrijd had durven wagen en dus eerst nu, na de bekroning, voor den dag zoude komen met zijne beantwoording. Hij las ons hierop een stukje voor, hetwelk mij althans beter beviel dan al wat ik van de overigen gehoord had. Hij gaf bij den aanhef te kennen, dat hij den zin der vraag wel verstaan, doch het eenigszins ongepast geoordeeld had, met zijn weinige ondervinding, over politieke zaken te schrijven, en dus verkozen had, de vraag in dien geest op te vatten, als ware die op de dichtkunst toepasselijk: in welken zin hij een, naar mijn oordeel, zeer aardige uitwijding had gemaakt, waarin hij de dichters bij boomen vergeleek, die gemest en gevoed moeten worden met kennis en studie, en slechts dan gesnoeid moeten worden, wanneer hun al te groote weelderigheid aan het behoorlijk rijpen hunner dichtvruchten nadeel sticht, of wanneer zij anderen in hun groei of wasdom hinderlijk zijn, enz. Het werk van Velters werd echter, misschien omdat het veel beter was dan de rest, minder toegejuicht en alleen met een soort van aanmoediging beloond, welke in mijn oog iets vernederends had.

Vervolgens ging men aan het beoordeelen en schiften der uitdrukkingen, in de voorgedragen verzen gebezigd: elk gezegde werd op drie of vier wijzen omgezet en bijna elk bijvoeglijk naamwoord door een ander vervangen, totdat langzamerhand alle zweem van oorspronkelijkheid verdwenen was. Ik kon mij niet onthouden bij deze gelegenheid gedurig te denken aan het briefje in den Bourgeois gentilhomme, en ik kwam, evenals deze, tot de slotsom, que la premiere façon de dire est sans contredit toujours la meileure.

Daarna werd er gevraagd, of geen der aanwezigen iets bij zich had, waar hij het gezelschap op vergasten kon. Deze vraag was overbodig, want ieder had de zakken vol en zat slechts op een gunstig sein te wachten om zijn kinderen aan ’t licht te brengen, schoon zelfs dan niet als schoorvoetende en onder herhaalde betuigingen, dat het niet de moeite waardig ware er de aandacht van zulke fijne vernuften mede te vermoeien. Het eerst was onze heldendichter aan de beurt, die, na de pijp neergelegd, gehoest en zich gesnoten te hebben, eenige vrij groote vellen uit zijn zak haalde, en aan de vergadering mededeelde, dat hij een lijkzang zoude voordragen, „op het noodlottig verscheiden van zekeren krijgsoverste, die kort te voren (schoon niet op het veld van eer, want het was aan een maaltijd) het offer van den dood geworden was.”

Na een vrij lange voorafspraak, ving hij aan. In zijn gedicht, dat ongemeen hoogdravend was, versierde hij zijn held, die, zooverre ik weet, nooit kruit geroken had, maar zijn rang alleen door ancienniteit verworven had, met alle militaire verdiensten, en stelde hem met Turenne, Marlborough en Prins Eugenius gelijk.

Na dit fraaie stuk, hetwelk de algemeene goedkeuring verwierf, brak de stroom los, en regende het van alle zijden lijk-, geboorte-, huwelijks- en verjaardichten; terwijl onze boertigs poëet mede niet achterbleef, maar ons nu en dan een epigram van zijn maaksel opdischte, waar men al om lachte eer hij nog iets gezegd had, ofschoon er niets aan ontbrak els de punt, welke hij echter vergoedde, door op de plaats, waar die behoorde te vallen, zelf in een schaterend gelach uit te barsten. Een staaltje van deze voortbrengselen zij hier genoeg om de rest te beoordeelen:

Aan een Burgemeester.

Toen elk zijn beurt had gehad, werden Heynsz en ik evenzeer uitgenoodigd om tot het algemeen genoegen bij te dragen. Vergeefs verschoonde ik mij: men stond er op: ik moest mijn gelag betalen zoowel als de anderen: ik zoude ongetwijfeld ook wel eenmaal in mijn leven aan de Zanggodinnen geofferd hebben, enz. Terwijl ik, met de zaak verlegen, niet wist, hoe ik er mij uit redden zoude, schoot mij een vierregelig versje te binnen, dat ik in een Hoogduitsch boek gelezen had, en waaraan zin noch slot was. Ik weet niet welke goede of booze geest mij inblies, dat dit stukje een goede uitwerking zou doen, en na het, met verbazing over mijn eigen vlugheid, Mij mijzelf in ’t Nederduitsch verstaald te hebben (waartoe het zich gereedelijk voegde) dreunde ik het op:

Snedig antwoord:

„Dat is verduiveld aardig! – wat is dat fijn! – daar zit wat in! – nu, die kan menigeen in zijn zak steken!” – en honderd andere loftuitingen meer begroetten dit epigram, waarin ieder overtuigd was, dat een bijtende satyre lag opgesloten; ofschoon geen van allen natuurlijk wist waar, maar elk hield zich, of hij die begreep. Alleen de drollige kwant, ’t zij uit jaloezie, ’t zij dat hij gemerkt had, dat ik spotte, voegde zijn lof niet bij dien der overigen, maar zag mij aan of hij mij had willen verslinden.

Wat Heynsz betrof, deze bleef ernstig volhouden, dat hij geene verzen kon voordragen; doch, zoo men zich daarmede tevreden wilde stellen, wel een avontuur uit zijn merkwaardigen levensloop kon mededeelen. Dit voorstel werd aangenomen en nu deed hij de vraag:

„Hebben de Heeren wel ooit gehoord van mijn zonderlinge ontmoeting met den beroemden Cartouche?”

„Neen! neen!” klonk het uit éénen mond: en allen zwegen en schoven hunne stoelen bij en zagen met aandachtige belangstelling naar den man, die op het voorrecht bogen mocht, van Cartouche te hebben gezien.

„Well” zeide Heynsz: „het is nu een goede dertig jaar geleden, ik reisde van Lyon naar Parijs, in vrij berooid equipage en met schraal voorziene beurs of liever met in ’t geheel geene beurs en levende van hetgeen de goede lieden mij schonken om Gods wille, etende (als de papa van Uilenspiegel) als ik wat had en vastende als ik het niet had: en meestentijds slapende onder den blauwen hemel. Eens op een nacht gebeurde het, ik weet niet in welk dorp, dat ik genomen had mijn legerstede op een mesthoop aan den weg (hetgeen in parenthése gezegd, het warmste bed is, dat men hebben kan), en dat ik sliep heel gerust, toen ik wakker werd van een groot licht, dat mij scheen in de oogen, en recht over mij zag ik een huis staan in brand, een groot huis voor een dorp: ik geloof dat daarin woonde de Notaris of de Schout: – nu dat’s égal. Ik stond op: er was al volk op de been: en spoedig bood iedereen hulp met water dragen, met brandspuiten, etcetera. De bewoner van het huis zat al op straat met een gebranden voet, in zijn nachtjak en zonder dat hij had gehad den tijd te redden een kleinigheid of zelfs meer aandoen dan een oude pantoffel.... nu, ’t was zomernacht en het vuur maakte ons heet genoeg: hij zal niet gevat hebben kou, hoewel hij beefde als een juffershondje. Bij hem stond zijn vrouw, of liever lag zijn vrouw; want zij kreeg gedurig toevallen. ’t Eene was pas over of ’t andere kwam op. De man deed niets als te wringen zijn handen en te roepen mon Dieul mes enfans! – want zijn kinderen waren nog in het brandende huis; maar zoowel hij als zijn vrouw waren te veel in de war om te zeggen waar zich de arme wichten bevonden, en niemand had de courage om te gaan in het groote huis en te zoekn daar in den blinde. Terwijl wij daar waren bezig, daar komt een Heer, welgekleed met een karmozijnen rok aan, en berijdende een fraai zwart paard, en hoorde den papa, en ook de mama, zoo dikwijls zij weer bijkwam, schreeuwen om haar arme kinderen. „Allons!” riep hij: „twintig louis d’or voor dengenen, die toont de courage en redt die arme kinderen.” – Er waren er terstond een stuk vijf zes, die wilden naar binnen; maar de vlam sloeg er uit met zulk een geweld, dat zij terugsprongen van schrik. Toen vroeg de vreemde Heer weder aan den kermenden papa: „zeg eens,” zeide hij: „is er geene andere deur en waar zitten die kinderen, ergens?” – „Ah ma foi!” zeide de arme vader, die weer bij zijn positieven kwam: „er is de tuindeur; maar dir is gesloten van binnen: en nu ik mij bezin, pauvre malheureux que je suis! ik heb ook opgesloten die arme schapen in hun kamer: omdat de eene is somnambule,”.... slaapwandelaar, zeggen wij, geloof ik. – N’est-ce que ça?’ vraagt de vreemdeling. „Qui m’aime me suive,” En klets! springt hij met paard en al over de hegge in den tuin: en ik hem achterna, met wel tien anderen. Maar daar stort een brandende balk en een stuk van het dak tusschen ons naar beneden, dat de meesten het opgaven, althans ik was de eenige, die met den ruiter aan ’t achterhuis bij de tuindeur kwam. „Vous êtes un brave,” zeide hij: „zult gij mij assisteeren?” – „Dat zal ik,” zeide ik: „maar hoe zullen wij openkrijgen die huisdeur, die van binnen geslotsn is?”’ – „Bah!” zeide hij: en hij keek mij aan, alsof ik gedaan had de onnoozelste vraag van de wereld, terwijl hij meteen tastte in zijn zak en daaruit waarschijnlijk haalde een breekijzer: althans in een oogenblik waren de hengsels uit de deur en de deur omgehaald. Toen sprong hij van ’t paard, trok uit rok en vest en liep naar binnen en ik hem achterna. Dit gedeelte van ’t huis was nog ongedeerd door het vuur; maar er was rook genoeg om gevaar te loopen van te stikken: en wij zouden niet geweten hebben waarheen ons te wenden, hadden wij niet gehoord de stem van een kind, dat huilde en om hulp schreeuwde: „C’est ici!” zeide de vreemdeling en één, twee drie had hij opengeveterd eene kamerdeur: wij traden binnen en al tastende in het donker op het geluid af vonden wij eerst een jongetje: en toen werd het vertrek verlicht door de vlam en zagen wij ook. een meisje, dat al half gestikt op den grond lag. Maar nu moesten wij terug en dat was een moeielijker geval. De tocht, die woei door de opene achterdeur, had weder erger gemaakt den brand en de toegang was ons versperd van dien kant. Nu haastten wij ons open te maken het raam: ik sprong er uit en mijn kameraad gooide mij eerst de kinderen één voor één toe en volgde toen mijn voorbeeld. Ik dacht, wij zouden nu terugkeeren bij de ouders; maar de vreemdeling hield mij staande en vroeg wie ik was. „Een arme drommel,” zeide ik, „een vreemde zwerver, die niets bezit,” – „Tant mieux,” zeide hij: „haast u, eer iemand komt: ik moet vluchten om een affaire d’honneur. Trek mijne kleederen aan en geef mij uw kiel. In mijn zakken vindt gij geld genoeg.” En zonder er iets bij te voegen, had hij mijn kiel van ’t lijf gehaald, vlugger dan zoude doen de beste kamerdienaar, die aan zijn lijf getrokken, was op het paard gesprongen, en voort, den tuin door, en weg. Wat zou ik doen! Ik trok rok en vest aan; en pas had ik dat gedaan of er kwam een geheele zwerm menschen opdagen: zij hadden uit den weg geruimd het gevallen puin en een vrijen doortocht tot ons verkregen. Ik bracht de kinderen bij papa en mama: zij zagen mij allen aan voor den vreemden Cavalier: niemand kende mij, en ik hield mij goed en lamenteerde slechts, dat mijn paard mij ontstolen was, terwijl ik mij bevond in het brandende huis. Terwijl wij daar bezig waren, kwamen er een stuk of zes dienaars van de wacht aan te paard van Lyon en in vollen draf. „Aha!” zeide de voorste, zoodra hij mij in ’t oog kreeg: „daar hebben wij onzen maat. Nu zult gij ons niet ontsnappen, monsieur Cartouche!” – Met pakten zij mij aan, maar een hunner, die Cartouche waarschjnlijk kende, zeide, toen hij mij nader aanschouwde, dat zij zich bedrogen en dat Cartouche veel ouder was: – Ik was toen even over de twintig. Zij wilden mij echter meepakken, onder voorwendsel dat ik bij mij had geene papieren; maar ik zeide, die waren in mijn portemanteau met mijn paard voort: en al de dorpelingen namen mijn partij, omdat ik mij zoo goed had geweerd: en ’t scheelde niet veel of de dienaars hadden gekregen braaf slaag. – De pastoor van ’t dorp kwam mij vragen bij hem te blijven dien nacht: ik nam aan en toen ik mij uitkleedde vond ik in mijn karmozijnen rok een beurs met tweehonderd louis d’or. Ik verstopte mijn broek, die niet à 1’unisson was, met de rest van mijn toilet, leende een andere van den pastoor, onder voorgeven dat de mijne was gezengd en vol gaten en verliet het dorp den volgenden dag, nagevolgd door de zegeningen van iedereen.”

Ik dacht, dat Heynsz er nog bij zou voegen, hoe diezelfde beurs (gelijk ik hooger verhaald heb) hem naderhand noodlottig werd; doch hij hield hier op, keek op zijn horloge en sloop, zoodra het gesprek weder algemeen werd, schier onopgemerkt uit het vertrek.

Intussehen was de koffie, die eerst rondgediend was geweest, sedert lang door den wijn vervangen; en onder de gasten begon een vroolijkheid te heerschen, welke hoe langer hoe luidruchtiger werd. Alle aanmatiging zoowel als valsche zedigheid was geweken, ieder schertste en spotte zonder zich meer te bedwingen; er werden vroolijke liedjes gezongen; de rokken gingen uit: de bedaardsten werden snapachtig en de druksten werden stil: in ’t kort, het druivennat begon zijn invloed uit te oefenen, en ik te denken dat het voor mij ook welhaast zaak zou worden, het voorbeeld van Heynsz te volgen en mij stil te verwijderen, toen Helding, die een oogenblik naar buiten was geweest om wijn te halen, weder binnenkwam met het bericht, dat er een Heer in ’t portaal was om Heynsz te spreken. Deze was echter zoek: en de meid, geroepen zijnde, verklaarde niet te weten, waar Sinjeur gestoven of gevlogen was. Haar verlegen toon bij dit bescheid, deed mj echter vermoeden, dat de Heer des huizes niet verre af was, maar wellicht met dezen of genen over politie-zaken redeneerde.

„Wij kunnen dien Heer toch niet op de trap laten staan,” zeide Helding: „’t schijnt een deftig man: en Heynsz zal toch wel terugkomen, Wat dunkt u, dat ik hem binnenroepe?”

„Wel ja!” zei de treurpoëet, met de vuist op tafel slaande, dat al de roemers er van dansten: „hoe meer zielen, hoe meer vreugd.” – Ook de overigen keurden goed wat de traktant voorstelde, die dan ook vertrok en na een kort vertoeven terugkeerde, een vreemdeling inleidende met een karmozijnen rok, een zwaar gepoederde pruik, een bril met groote glazen, een stok met een amberen knop en een deftig voorkomen.

„Kom binnen, mijn waarde Heer!” zeide Helding, hem als ’t ware binnendringende met een ongemeene drukte: „’t is immers beter in een warme kamer te wachten dan op een tochtig portaal. Een stoel voor Mijnheer. Wees zoo goed en neem plaats, Maak, bid ik u, geen complimenten. Hier! een pijp voor Mijnheer! en een schoonen roemer.”

De onbekende beantwoordde al deze beleefdheden met stille buigingen; doch sprak zoo weinig of hij stom ware. Hij vlijde zich in den leunstoel, die hem werd aangeschoven, sloeg beleefdelijk met een beweging der hand de aangeboden pijp af, zag met een vluchtigen blik het gezelschap rond, en haalde toen een zijden doek uit, die waarschijnlijk met welriekende wateren doortrokken was; want hij bracht dien dadelijk voor ’t gezicht en berook hem met zooveel welbehagen, det het wel te bespeuren was, dat hij geen liefhebber was van den tabakswalm.

Zijn komst en nog meer de weinige voorkomendheid van zijn manieren brachten die stilte teweeg, welks doorgaans op dergelijke bezoeken volgt en niet ongelijk is aan die, welke op een school, waar alles lustig en vroolijk toegaat, bij de komst des meesters ontstaat. Helding bespeurde deze onwelkome stemming, en, als een plichtmatig traktant, deed hij zijn best om de vreugd weder aan te wakkeren.

„Komaan, Mijnheer!” zeide hij, den roemer des onbekenden boordevol schenkende: „sta mij toe, dat ik uwe gezondheid drinke. Misschien is UEd. beteren wijn gewend dan deze; maar wij burgerlui doen het er mede, en wij kunnen u niet meer aanbieden dan wij hebben.”

„Dat zei Lys Morsebel ook,” zeide de poëta conicus, „en zij smeet haar buurvrouw een handvol vlooien naar ’t hoofd.”

„Uwe gezondheid, Messieurs!” zeide de vreemdeling, met een schorre stem, zich buigende en zijn glas naar de hoogte brengende, dat hij vervolgens bij kleine tusschenpoozen ledigde.

„Wel!” zeide de grappige duivel, met die gemeenzaamheid, welks onzen burgerstand veelal eigen is: „Mijneer is, geloof ik, ook bang, dat er hoorntjes en schelpen inzitten.” – En om te toonen dat hij dezelfde vrees niet koesterde, ledigde hij zijn glas in ééne teug.

„Komt!” zeide Helding: „hoe zit gijlieden allen zoo stil? Mijnheer Huyck! laat ik u eens inschenken. Waar waren wij ook gebleven? Komt! lustig aan en leve de pret!”

Maar de pret laat zich niet gebieden: en allen bleven evsn stemmig kijken, alsof de glazen voor des vreemdelings oogen de uitwerking van Medusa’s hoofd bezaten.

„’t Is of wij hier bij de Kwakers zitten,” zeide de drollige vent: „hoe is het? getuigt de geest niet, Pietje?’ (dit was de voornaam van den tragicus) „Je zoudt een liedje zingen.”

„Wel ja! komaan! een liedje!” zeide Helding; – maar de treurpoëet was schor of verklaarde althans het te zijn.

„Kom!” zeide eindelijk de koddige kwant: „’t is of gijlieden bang zijt, dat Mijnheer u op zal eten: Mijnheer is geen bullebak. Jelui kijkt hem aan, of het Cartouche was, daar Heynsz zooeven van vertelde.... en pots seldrementen! dat is nogal grappig! Mijnheer heeft ook een karmozijnen rok aan.”

Deze onhebbelijke uitdrukking, in stede van, gelijk anders de kwinkslagen des geestigen duivels, de vreugd te doen herleven, maakte op de aanwezigen een onaangename uitwerking: en velen, wier gedachten niet meer helder waren, keken den vreemdeling zoo angstig aan, alsof zij werkelijk meenden, dat Cartouche uit de andere wereld onder die gedaante te voorschijn kwam. Wat den man zelf betrof, ik zag dat zijn voorhoofd zich fronste: maar hij zeide niets. Ik begreep inmiddels, dat het meer dan ooit tijd voor mij werd om af te trekken; doch wenschte een tijdstip af te wachten, dat mijn vertrek niet bemerkt zoude worden: en daartoe moest het onderhoud weder levendig worden; ik bood derhalve aan, zelf een liedje te zingen, daar al de overigen dit weigerden: en dit met gretigheid aangenomen zijnde, drsunde ik een barcerolla op, die ik te Venetië van de Gondeliers had gehoord en waarvan ik verzocht, dat men het refrein in koor herhalen zou. Dit had de gewenschte uitwerking: nu raakten de tongen weer los: de een zong voor, de andere na en eindelijk zong alles door elkander, behalve alleen de karmozijngekleede Heer, die, gelijk de malle weerga het uitdrukte, er bij bleef zitten als Ducdalf in ’t Doolhof. Ik maakte van de drukte gebruik en sloop onopgemerkt de deur uit.


[Hoofdstuk 18] [Jacob van Lennep pagina] [Hoofdstuk 20]

Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001